Gerecht EU 20 november 2024, T-571/23, ECLI:EU:T:2024:839

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

20 november 2024 (*)

„ Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Plaatsing en handhaving van verzoekers naam op de lijst – Begrip ‚zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie’ – Artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145/GBVB – Artikel 3, lid 1, onder g), van verordening (EU) nr. 269/2014 – Exceptie van onwettigheid – Beoordelingsfout – Misbruik van bevoegdheid – Misbruik van recht – Evenredigheid ”

In zaak T‑571/23,

Artem Alexandrovich Uss, wonende te Moskou (Rusland), vertegenwoordigd door R. Moeyersons, advocaat,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Driessen als gemachtigde, bijgestaan door B. Maingain, advocaat,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

ten tijde van de beraadslaging samengesteld als volgt: R. Mastroianni, waarnemend voor de president, T. Tóth en S. L. Kalėda (rapporteur), rechters,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de stukken,

gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoeker, Artem Alexandrovich Uss, nietigverklaring van, ten eerste, besluit (GBVB) 2023/1218 van de Raad van 23 juni 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 159I, blz. 526) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1216 van de Raad van 23 juni 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 159I, blz. 335) (hierna gezamenlijk: „oorspronkelijke handelingen”), ten tweede, besluit (GBVB) 2023/1767 van de Raad van 13 september 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 104) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1765 van de Raad van 13 september 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 3) (hierna gezamenlijk: „eerste handhavingshandelingen”), en ten derde, besluit (GBVB) 2024/847 van de Raad van 12 maart 2024 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 2024/847) en uitvoeringsverordening (EU) 2024/849 van de Raad van 12 maart 2024 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 2024/849) (hierna gezamenlijk: „tweede handhavingshandelingen”), voor zover al die handelingen (hierna gezamenlijk: „bestreden handelingen”) hem betreffen.

I. Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan

2 Verzoeker heeft de Russische nationaliteit.

3 De onderhavige zaak speelt in de context van de beperkende maatregelen die door de Europese Unie zijn vastgesteld in het licht van de acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

4 Op 17 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie, op de grondslag van artikel 29 VEU, besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) vastgesteld.

5 Op dezelfde dag heeft de Raad, op de grondslag van artikel 215 VWEU, verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit of onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld.

6 Op 25 februari 2022 heeft de Raad, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, besluit (GBVB) 2022/329 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 50, blz. 1) en verordening (EU) 2022/330 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 51, blz. 1) vastgesteld, teneinde onder meer de criteria te wijzigen op grond waarvan de betrokken beperkende maatregelen tegen natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen konden worden vastgesteld.

7 Op 5 juni 2023 heeft de Raad besluit (GBVB) 2023/1094 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2023, L 146, blz. 20) en verordening (EU) nr. 2023/1089 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2023, L 146, blz. 1) vastgesteld, met name om de criteria aan te passen op grond waarvan de betrokken maatregelen tegen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen konden worden vastgesteld.

8 Artikel 2, leden 1 en 2, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2023/1094, luidt als volgt:

„1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van:

[...]

f) natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne; of

g) vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland en hun naaste familieleden of andere natuurlijke personen die profijt trekken van hen, of zakenlieden, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne; [...]

en natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die met hen verbonden zijn, als opgesomd in de bijlage, worden bevroren.

2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”

9 Gewijzigde verordening nr. 269/2014 schrijft voor dat maatregelen tot bevriezing van tegoeden worden vastgesteld en omschrijft de voorwaarden voor die bevriezing in bewoordingen die in wezen identiek zijn aan die van gewijzigd besluit 2014/145.

A. Initiële plaatsing van verzoekers naam op de lijst in de bijlage bij gewijzigd besluit 2014/145 en op de lijst in bijlage I bij gewijzigde verordening nr. 269/2014

10 Op 23 juni 2023 heeft de Raad de oorspronkelijke handelingen vastgesteld. Bij deze handelingen is verzoekers naam toegevoegd aan de lijst in de bijlage bij gewijzigd besluit 2014/145 en aan die in bijlage I bij gewijzigde verordening nr. 269/2014 (hierna: „litigieuze lijsten”) om de volgende redenen:

„[Verzoeker] is eigenaar van Sibougol LCC, een belangrijke Siberische onderneming die meer dan twee miljoen ton steenkool per jaar produceert, met een – in 2020 geregistreerde – omzet van meer dan 2 miljard [Russische roebel (RUB)] (ongeveer 24 miljoen EUR tegen de gemiddelde koers van 2020)]. Samen met zijn familie heeft hij ook banden met het bedrijf ‚Krasnoyarsklesomaterialy’, een van de grootste exporteurs van Siberisch hout.

Sibougol LCC heeft grote overheidscontracten gekregen dankzij de vader van [verzoeker], Alexander Uss, tijdens diens ambtstermijn als gouverneur van de oblast Krasnojarsk. Voorts betuigde Alexander Uss op 20 april 2023 publiekelijk dank aan president Putin en de regering van de Russische Federatie voor hun steun om zijn zoon terug te krijgen naar Rusland.

[Verzoeker] is daarnaast betrokken bij de bedrijfsactiviteiten van verschillende andere bedrijven, waaronder ‚Nord-Deutsche Industrieanlagenbau’, waarvan hij mede-eigenaar is. Hij heeft de Russische Federatie via zijn bedrijf Nord-Deutsche Industrieanlagenbau militaire technologie en technologie voor tweeërlei gebruik ter beschikking gesteld.

[Verzoeker] is derhalve een vooraanstaand zakenman die actief is in Rusland en betrokken bij een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne. Bovendien verleent hij materiële steun aan en profiteert hij van de regering van de Russische Federatie.”

11 De Raad heeft in het Publicatieblad van de Europese Unie van 26 juni 2023 (PB 2023, C 222, blz. 40) een kennisgeving bekendgemaakt ten behoeve van de personen, entiteiten en lichamen waarop de bij de oorspronkelijke handelingen vastgestelde beperkende maatregelen van toepassing zijn.

12 Bij brief van 4 augustus 2023 heeft de Raad verzoeker de informatie meegedeeld in de dossiers met de referenties WK 10461/23 respectievelijk WK 5142/23.

B. Handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten tot en met 15 maart 2024

13 Op 13 september 2023 heeft de Raad de eerste handhavingshandelingen vastgesteld. Bij deze handelingen is verzoekers naam op de litigieuze lijsten gehandhaafd om dezelfde redenen als die welke in de oorspronkelijke handelingen waren uiteengezet.

14 Op 14 september 2023 heeft de Raad een nieuwe kennisgeving aan de personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van de eerste handhavingshandelingen van toepassing zijn, bekendgemaakt in het Publicatieblad (PB 2023, C 324, blz. 8).

C. Handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten tot en met 15 september 2024

15 Op 12 maart 2024 heeft de Raad de tweede handhavingshandelingen vastgesteld. Bij deze handelingen is verzoekers naam op de litigieuze lijsten gehandhaafd om dezelfde redenen als die welke in de oorspronkelijke handelingen waren uiteengezet.

16 Op 13 maart 2024 heeft de Raad een nieuwe kennisgeving aan de personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van de tweede handhavingshandelingen van toepassing zijn, bekendgemaakt in het Publicatieblad (PB C, 2024/2193).

II. Conclusies van partijen

17 Verzoeker verzoekt het Gerecht om:

– de bestreden handelingen nietig te verklaren voor zover zij hem betreffen;

– de Raad te verwijzen in de kosten.

18 De Raad verzoekt het Gerecht om:

– het verzoek tot nietigverklaring van de eerste en de tweede handhavingshandelingen niet-ontvankelijk te verklaren;

– het beroep te verwerpen;

– subsidiair, in geval van nietigverklaring van besluit 2023/1218, te gelasten dat de gevolgen van dat besluit worden gehandhaafd totdat het onderhavige arrest definitief is geworden;

– verzoeker te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A. Ontvankelijkheid van de aanpassing van de conclusies

19 Bij op 8 december 2023 respectievelijk 6 juni 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde memories houdende aanpassing vordert verzoeker krachtens artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht nietigverklaring van de eerste en de tweede handhavingshandelingen.

20 De Raad betwist de ontvankelijkheid van deze memories houdende aanpassing op grond dat zij te laat zijn ingediend.

21 Volgens artikel 263, zesde alinea, VWEU moet een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de bestreden handeling, vanaf de dag van kennisgeving van deze handeling aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop deze van de handeling kennis heeft gekregen.

22 Artikel 86, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling, het verzoekschrift kan aanpassen om met dat nieuwe gegeven rekening te houden. De aanpassing van het verzoekschrift moet bij afzonderlijke akte worden verricht vóór het verstrijken van de in artikel 263, zesde alinea, VWEU bedoelde termijn waarbinnen kan worden verzocht om de nietigverklaring van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt.

23 Volgens de rechtspraak vereist het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming dat een instelling van de Unie die – zoals in casu – individuele beperkende maatregelen ten aanzien van een persoon of een entiteit vaststelt of handhaaft, de gronden waarop die maatregelen zijn gebaseerd, meedeelt op het ogenblik waarop deze maatregelen worden vastgesteld of althans zo snel mogelijk daarna, teneinde deze personen of entiteiten in staat te stellen hun recht van beroep uit te oefenen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Deze situatie is het gevolg van de bijzondere aard van handelingen tot vaststelling van beperkende maatregelen jegens een persoon of een entiteit, die tegelijk verwantschap vertonen met handelingen van algemene strekking, aangezien zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name activa en financiële middelen ter beschikking te stellen van personen en entiteiten waarvan de namen op de lijsten in de bijlage daarbij voorkomen, en met een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten (zie arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad, C‑478/11 P-C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 In casu is het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming toegepast in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 269/2014, waarin is bepaald dat „[d]e Raad [...] de [...] natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of [het] lichaam [waarvan hij besluit de naam op de lijst in bijlage I bij deze verordening te plaatsen] in kennis [stelt] van zijn besluit, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij door een kennisgeving te publiceren, zodat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam daarover opmerkingen kunnen indienen”. Artikel 3, lid 2, van besluit 2014/145 is een bepaling met dezelfde strekking.

26 Hoewel deze bepalingen de Raad niet uitdrukkelijk verplichten om de betrokken personen of entiteiten in kennis te stellen van de handelingen waarbij hij hun namen op de litigieuze lijsten handhaaft, vloeit een dergelijke kennisgevingsverplichting voort uit het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming (zie naar analogie arrest van 21 april 2021, El-Qaddafi/Raad, T‑322/19, EU:T:2021:206, punten 56 en 57).

27 Daaruit volgt ten eerste dat handelingen als de eerste en de tweede handhavingshandelingen weliswaar op grond van de publicatie ervan in werking treden, maar dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, voor elk van deze personen en entiteiten ingaat op de datum van de kennisgeving die daarvan aan hen moet geschieden (zie arrest van 23 oktober 2015, Oil Turbo Compressor/Raad, T‑552/13, EU:T:2015:805, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak) Evenzo begint de termijn voor het indienen van een verzoek tot betwisting of uitbreiding van de conclusies en middelen tot een handeling die deze maatregelen handhaaft, pas te lopen vanaf de datum waarop die nieuwe handeling ter kennis van de betrokken persoon of entiteit is gebracht (zie arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Bijgevolg begint de termijn voor instelling van een beroep tot nietigverklaring van een handeling waarbij ten aanzien van een persoon of een entiteit dergelijke maatregelen worden opgelegd, pas te lopen vanaf de datum van de individuele kennisgeving van die handeling aan de betrokkene, indien zijn adres bekend is, dan wel vanaf de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad (zie in die zin arrest van 23 oktober 2015, Oil Turbo Compressor/Raad, T‑552/13, EU:T:2015:805, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Ten tweede heeft de Raad niet de vrijheid naar eigen goeddunken te kiezen op welke wijze hij handelingen houdende beperkende maatregelen meedeelt aan de betrokkenen. Een indirecte kennisgeving van die handelingen door middel van de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad is uitsluitend toegestaan wanneer het voor de Raad onmogelijk is om die handelingen individueel mee te delen. Anders zou de Raad zich gemakkelijk kunnen onttrekken aan zijn plicht tot individuele mededeling (zie in die zin beschikking van 10 juni 2016, Pshonka/Raad, T‑381/14, EU:T:2016:361, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Indien de Raad het adres kent van de persoon die onderworpen is aan beperkende maatregelen en de handelingen houdende die maatregelen niet rechtstreeks meedeelt, gaat de termijn waarbinnen die persoon tegen die handelingen beroep bij het Gerecht kan instellen dus niet in. Dus slechts wanneer het niet mogelijk is de handelingen waarbij ten aanzien van een betrokkene beperkende maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd, individueel mee te delen, doet de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad de beroepstermijn ingaan (zie arrest van 21 april 2021, El-Qaddafi/Raad, T‑322/19, EU:T:2021:206, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 In dat verband kan worden aangenomen dat de Raad een handeling houdende beperkende maatregelen niet individueel kan meedelen aan een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een entiteit waarop die maatregelen van toepassing zijn wanneer het adres van die persoon of entiteit niet openbaar is en hem niet is meegedeeld, of wanneer mededeling aan het bij de Raad bekende adres mislukt ondanks de moeite die hij, met de vereiste zorgvuldigheid, heeft genomen om de handeling mee te delen (zie arrest van 21 april 2021, El-Qaddafi/Raad, T‑322/19, EU:T:2021:206, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Daarnaast kan de Raad die verplichting om een handeling waarbij ten aanzien van de betrokkene beperkende maatregelen zijn vastgesteld, aan die betrokkene mee te delen, in beginsel niet vervullen door die handeling mee te delen aan de advocaten die hem vertegenwoordigen. De kennisgeving aan de vertegenwoordiger van een verzoeker geldt slechts als kennisgeving aan de adressaat indien een dergelijke vorm van kennisgeving uitdrukkelijk is voorgeschreven of door partijen is overeengekomen of wanneer de advocaat rechtsgeldig is gemachtigd om die kennisgeving namens zijn cliënt te ontvangen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Om de kennisgevingsdatum vast te stellen waarop de termijnen begonnen te lopen waarbinnen verzoeker voor het Gerecht kon opkomen tegen de eerste en de tweede handhavingshandelingen, moet worden bepaald op welke wijze de Raad die handelingen ter kennis van verzoeker moest brengen.

34 In casu zijn de eerste handhavingshandelingen vastgesteld op 13 september 2023. In dit verband staat vast dat de Raad, ten eerste, die handelingen ter kennis heeft gebracht van de advocaat van verzoeker bij aangetekende brief met bewijs van ontvangst van 15 september 2023, die de adressaat heeft bereikt op 19 september 2023, en, ten tweede, op 14 september 2023 in het Publicatieblad een kennisgeving heeft bekendgemaakt ten behoeve van de personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van deze handelingen van toepassing waren (zie punt 14 hierboven).

35 De tweede handhavingshandelingen zijn vastgesteld op 12 maart 2024. Het staat vast dat de Raad, ten eerste, die handelingen ter kennis heeft gebracht van de advocaat van verzoeker bij aangetekende brief met bewijs van ontvangst van 13 maart 2024, die de adressaat heeft bereikt op 15 maart 2024, en, ten tweede, op 13 maart 2024 in het Publicatieblad een nieuwe kennisgeving heeft bekendgemaakt ten behoeve van de personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van deze handelingen van toepassing waren (zie punt 16 hierboven).

36 In de eerste plaats moet worden nagegaan of de Raad op geldige wijze kon voldoen aan zijn verplichting om de eerste en de tweede handhavingshandelingen ter kennis van verzoeker te brengen door die handelingen toe te zenden aan zijn advocaat.

37 In casu moet ten eerste worden vastgesteld dat in de toepasselijke regelgeving, te weten artikel 14, lid 2, van verordening nr. 269/2014 en artikel 3, lid 2, van besluit 2014/145 (zie punten 25 en 26 hierboven), niet uitdrukkelijk is bepaald dat de kennisgeving van handelingen zoals bedoeld in de in punt 32 hierboven aangehaalde rechtspraak kan bestaan in een mededeling van een handeling aan een advocaat die de persoon op wie de handelingen betrekking hebben, vertegenwoordigt.

38 Ten tweede blijkt niet uit de stukken dat partijen waren overeengekomen, in de zin van de in punt 32 hierboven aangehaalde rechtspraak, dat de Raad de eerste en de tweede handhavingshandelingen aan de advocaat van verzoeker kon meedelen.

39 Ten derde zij het volgende opgemerkt met betrekking tot de vraag of de advocaat van verzoeker rechtsgeldig was gemachtigd om een dergelijke kennisgeving namens verzoeker te ontvangen.

40 Wat de eerste handhavingshandelingen betreft, voert de Raad niets aan waaruit blijkt dat verzoeker ermee had ingestemd dat alle correspondentie of informatie over hem en dus alle officiële kennisgevingen rechtstreeks aan zijn advocaat worden gericht.

41 Wat de tweede handhavingshandelingen betreft, beroept de Raad zich op brieven van 17 en 30 augustus 2023 waarbij verzoekers advocaat namens zijn cliënt heeft geantwoord op brieven van de Raad. Evenwel moet worden vastgesteld dat deze omstandigheid op zich voor de Raad geen reden kon zijn om aan te nemen dat verzoeker ermee had ingestemd dat alle correspondentie of informatie die op hem betrekking had, en dus alle officiële kennisgevingen, rechtstreeks aan die vertegenwoordiger werden gericht.

42 Derhalve stonden de kennisgevingen van de eerste en de tweede handhavingshandelingen die de Raad op respectievelijk 15 september 2023 en 13 maart 2024 per e-mail en per brief aan verzoekers advocaat richtte, niet gelijk aan een rechtstreekse mededeling van deze handelingen aan verzoeker.

43 De door de Raad aangevoerde omstandigheid dat verzoeker heeft geweigerd om hem een e-mailadres mee te delen waarop hij hem in kennis kon stellen van de vaststelling van nieuwe handelingen die op hem betrekking hadden, is, zelfs in de veronderstelling dat dit is aangetoond, niet van invloed in dit verband.

44 Wat in de tweede plaats de mogelijkheid voor de Raad betreft om een individuele mededeling te doen in de zin van de in de punten 29 en 31 hierboven aangehaalde rechtspraak, zij erop gewezen dat, zoals de Raad erkent, verzoekers adres was vermeld in het verzoekschrift in de onderhavige zaak, dat op 15 september 2023 ter griffie van het Gerecht is neergelegd.

45 Bij gebreke van andere door verzoeker aangevoerde elementen is dus niet aangetoond dat de Raad op de hoogte was van verzoekers adres op de datum waarop de eerste handhavingshandelingen werden vastgesteld, namelijk op 13 september 2023.

46 Dat adres was de Raad evenwel bekend ten tijde van de vaststelling van de tweede handhavingshandelingen op 12 maart 2024.

47 De Raad heeft evenwel documenten met als opschrift „service alert” overgelegd, waarmee een Belgische exploitant van postdiensten zijn klanten met name op de hoogte heeft gebracht van bestemmingen met beperkte postbezorging. Uit deze documenten van 6 maart en 3 april 2024 blijkt dat op die data in Rusland geen enkele bezorgdienst kon worden verricht.

48 Deze omstandigheid volstaat om aan te tonen dat het onmogelijk was om de tweede handhavingshandelingen individueel aan verzoeker mee te delen in de zin van de in punt 31 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

49 Uit een en ander volgt dat de Raad aan verzoeker indirect kennis mocht geven van zowel de eerste als de tweede handhavingshandelingen door middel van de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad, zodat de termijn voor een verzoek tot nietigverklaring van deze handelingen is ingegaan vanaf de bekendmaking van deze kennisgeving, namelijk op 14 september 2023 respectievelijk 13 maart 2024.

50 Er zij evenwel aan herinnerd dat, volgens artikel 59 van het Reglement voor de procesvoering, wanneer een termijn voor het instellen van beroep tegen een handeling van een instelling ingaat door de bekendmaking van die handeling in het Publicatieblad, deze termijn wordt berekend vanaf het einde van de veertiende dag volgend op de datum van die bekendmaking.

51 Deze bepaling is van toepassing wanneer de gebeurtenis die de beroepstermijn doet ingaan een kennisgeving aangaande deze handelingen is die zelf eveneens is bekendgemaakt in het Publicatieblad. In tegenstelling tot individuele kennisgevingen gelden voor bekendgemaakte kennisgevingen immers dezelfde redenen die voor bekendgemaakte handelingen de toekenning van een extra termijn van veertien dagen hebben gerechtvaardigd (zie in die zin arresten van 4 februari 2014, Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad, T‑174/12 en T‑80/13, EU:T:2014:52, punt 65, en 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 65).

52 Hieruit volgt dat in deze zaak de in artikel 263, zesde alinea, VWEU vastgestelde beroepstermijn van twee maanden, verlengd met de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering neergelegde forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand, wat de eerste handhavingshandelingen betreft, is ingegaan op 28 september 2023, zodat deze is verstreken op 8 december 2023, en, wat de tweede handhavingshandelingen betreft, op 27 maart 2024, zodat deze op 6 juni 2024 is verstreken.

53 Anders dan de Raad betoogt, zijn de op respectievelijk 8 december 2023 en 6 juni 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde memories houdende aanpassing dus binnen de gestelde termijn neergelegd.

B. Ten gronde

54 Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan. Het eerste middel, dat wordt aangevoerd onder het mom van een schending van de motiveringsplicht, is in werkelijkheid ontleend aan beoordelingsfouten. Het tweede middel betreft misbruik van bevoegdheid en schending van artikel 18 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 54 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 17 EVRM. In het vierde middel wordt aangevoerd dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Het vijfde middel, dat is aangevoerd tegen de eerste en de tweede handhavingshandelingen, is ontleend aan een exceptie van onwettigheid.

1. Vijfde middel: exceptie van onwettigheid

55 In de memories tot aanpassing van 8 december 2023 en 6 juni 2024, waarmee verzoeker nietigverklaring vordert van respectievelijk de eerste en de tweede handhavingshandelingen, werpt verzoeker op grond van artikel 277 VWEU een exceptie van onwettigheid op van het criterium van artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2023/1094, en artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/1089 [hierna: „gewijzigd criterium g)”].

56 Volgens artikel 277 VWEU kan iedere partij naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel 263, tweede alinea, VWEU bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie van de Europese Unie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.

57 In artikel 277 VWEU komt een algemeen beginsel tot uitdrukking krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een handeling waartegen zij beroep kan instellen, incidenteel de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden handeling ten grondslag liggende handelingen van de instellingen mag aanvechten, wanneer zij niet krachtens artikel 263 VWEU rechtstreeks kon opkomen tegen die handelingen, waarvan zij dus de gevolgen moet dragen zonder in staat te zijn geweest nietigverklaring ervan te vorderen. De handeling van algemene strekking waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, moet direct of indirect van toepassing zijn op de aan het beroep ten grondslag liggende zaak en er moet een rechtstreeks juridisch verband bestaan tussen het bestreden individuele besluit en de betrokken algemene handeling (zie arrest van 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad, T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak)

58 Er zij aan herinnerd dat de redenen waarom verzoekers naam op de litigieuze lijsten is geplaatst en gehandhaafd, zijn uiteengezet in punt 10 hierboven.

59 Uit deze motivering volgt dat verzoekers naam op deze lijsten is geplaatst en gehandhaafd op grond van het criterium van artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en artikel 3, lid 1, onder f), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 [hierna: „criterium f)”], en het gewijzigde criterium g).

60 Wat dit laatste criterium betreft, zij eraan herinnerd dat bij besluit 2023/1094 en verordening 2023/1089 met ingang van 7 juni 2023 de criteria voor plaatsing op de lijst van de namen van personen op wie de bevriezing van tegoeden van toepassing is, zijn gewijzigd, en dat de bepalingen die voorzien in gewijzigd criterium g) met name in identieke bewoordingen voorschrijven dat alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland of aan zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, worden bevroren.

61 Hieruit volgt dat deze bepalingen met name betrekking hebben op twee categorieën van personen, te weten „vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland” [hierna: „eerste deel van gewijzigd criterium g)”] en „zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” [hierna: „derde deel van gewijzigd criterium g)”].

62 In casu is verzoekers naam, zoals blijkt uit punt 10 hierboven, op de litigieuze lijsten geplaatst en gehandhaafd op grond van het eerste en het derde onderdeel van gewijzigd criterium g).

63 Volgens vaste rechtspraak dient de Unierechter overeenkomstig de hem bij het VWEU verleende bevoegdheden de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig te toetsen aan de grondrechten die behoren tot de rechtsorde van de Unie, daaronder met name begrepen de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (arresten van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 326, en 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 97 en 98).

64 De Raad beschikt evenwel met betrekking tot de algemene en abstracte omschrijving van de juridische criteria en de wijze van toepassing van beperkende maatregelen over een ruime beoordelingsmarge (zie in die zin arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad, C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De algemene regels waarin deze criteria en deze voorwaarden worden omschreven, zoals de bepalingen van de bestreden handelingen waarin de criteria voor plaatsing op de lijst worden geformuleerd waarop het onderhavige middel doelt, zijn dus onderworpen aan een beperkte rechterlijke toetsing, waarbij enkel wordt nagegaan of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 De door verzoeker opgeworpen exceptie van onwettigheid met betrekking tot het derde deel van gewijzigd criterium g) moet als eerste worden onderzocht.

a) Derde deel van gewijzigd criterium g)

1) Schending van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging.

66 Verzoeker betoogt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging schendt, aangezien het tot gevolg heeft dat zakenlieden schuldig worden verklaard aan het verlenen van steun aan of profijt trekken van de Russische regering, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat er sprake is van een dergelijke steun of een dergelijk profijt.

67 De Raad betwist verzoekers argumenten.

68 Het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest, vormt een fundamenteel recht dat particulieren rechten verleent waarvan de Unierechter de eerbiediging waarborgt. Dit beginsel, dat vereist dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, belet niet dat conservatoire maatregelen tot bevriezing van tegoeden worden vastgesteld, aangezien die maatregelen niet beogen strafvervolging tegen de betrokken persoon in te stellen [arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punten 136 en 137 (niet gepubliceerd)].

69 In dit verband zij opgemerkt dat de litigieuze beperkende maatregelen geen sanctie zijn en overigens ook geen enkele beschuldiging van dien aard inhouden. De betrokken handelingen van de Raad vormen immers geen vaststelling dat er daadwerkelijk een strafbaar feit is begaan, maar worden vastgesteld in het kader van en met het oog op een administratieve procedure met een bewarende functie en met als enig doel de Raad in staat te stellen de bescherming van de burgerbevolking te waarborgen [arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 139 (niet gepubliceerd)].

70 Derhalve kan verzoeker niet op goede gronden stellen dat de bepalingen die voorzien in het derde deel van gewijzigd criterium g) het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging schenden.

2) Schending van het evenredigheidsbeginsel

71 Verzoeker betoogt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het noch noodzakelijk, noch passend is voor het bereiken van het doel van de betrokken beperkende maatregelen en voor de bedoelde personen onevenredige lasten oplevert.

72 De Raad betwist verzoekers argumenten.

73 Er zij aan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, vereist dat de middelen waarmee een bepaling van het Unierecht de door de betrokken regelgeving nagestreefde legitieme doelstellingen beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (arrest van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad, C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 52).

74 De Raad beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, en een op deze gebieden vastgestelde maatregel is slechts onrechtmatig wanneer hij kennelijk ongeschikt is om het door de bevoegde instelling nagestreefde doel te bereiken (arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 77).

75 Aangenomen moet worden dat de schrapping van de term „vooraanstaand” uit de bewoordingen van oorspronkelijk criterium g), waarmee de in het derde deel van gewijzigd criterium g) bedoelde zakenlieden werden gekenmerkt, niet tot gevolg heeft dat dit gewijzigde criterium niet langer noodzakelijk en passend is om het doel van de betrokken beperkende maatregelen te bereiken, noch dat aan deze personen onevenredige lasten worden opgelegd.

76 Ten eerste moet immers worden opgemerkt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) is ingebed in een rechtskader dat duidelijk is afgebakend door de doelstellingen die worden nagestreefd met de regelgeving inzake de betrokken beperkende maatregelen, te weten de noodzaak om, gelet op de ernst van de situatie, een zo groot mogelijke druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd, en aan de militaire agressie tegen dat land. Vanuit dit oogpunt beantwoorden de betrokken beperkende maatregelen aan de in artikel 21, lid 2, onder c), VEU bedoelde doelstelling van handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de doelstellingen en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77 Voorts zij eraan herinnerd dat uit overweging 2 van besluit 2023/1094 blijkt dat „[d]e Unie [...] onverkort [vasthoudt] aan haar steun voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne”, en dat volgens overweging 4 van dat besluit de Raad heeft geoordeeld dat de aanwijzingscriteria moesten worden uitgebreid tot „zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten bieden”, teneinde de druk op de regering van de Russische Federatie op te voeren om een einde te maken aan haar aanvalsoorlog tegen Oekraïne.

78 De Raad was dus van mening dat de kring van personen die onder criterium g) vielen moest worden uitgebreid teneinde de nagestreefde doelstellingen te bereiken, omdat de situatie in Oekraïne aanhield en zelfs verergerde. Een dergelijke aanpak, die is gebaseerd op de progressiviteit van de aantasting van de rechten naargelang van de doeltreffendheid van de maatregelen, toont aan dat die maatregelen evenredig zijn (zie naar analogie arrest van 25 januari 2017, Almaz-Antey Air and Space Defence/Raad, T‑255/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:25, punt 104).

79 Ten tweede kan het feit dat wordt gedoeld op zakenlieden die actief zijn „in economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” die regering een hogere prijs voor haar acties laten betalen, aangezien dergelijke sectoren – doordat zij de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten verschaffen – direct of indirect bijdragen aan het vermogen van die regering om haar acties en beleidsmaatregelen uit te voeren die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen.

80 Derhalve beantwoordt het derde deel van gewijzigd criterium g) aan de wil van de Raad om druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 49).

81 Bijgevolg bestaat er nog steeds een logisch verband tussen enerzijds het feit dat wordt gedoeld op zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die, gelet op het belang van die sectoren voor de Russische economie, een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering en anderzijds het doel dat in casu met die beperkende maatregelen wordt nagestreefd, namelijk meer druk uitoefenen op de Russische Federatie en haar een hogere prijs laten betalen voor haar acties die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen (zie naar analogie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82 Een dergelijke benadering, die ertoe strekt de druk op de regering van de Russische Federatie te vergroten door de economische kosten van haar activiteiten te verhogen, lijkt dus niet kennelijk onevenredig in het licht van de legitieme doelstellingen die met de regelgeving in kwestie worden nagestreefd.

83 Ten derde zijn het derde deel van gewijzigd criterium g) en de daaruit voortvloeiende beperkende maatregelen noodzakelijk om de doelstellingen van artikel 21 VEU te verwezenlijken en uit te voeren. Ten eerste blijkt immers uit overweging 4 van besluit 2023/1094 dat de Raad, door de personele werkingssfeer van de beperkende maatregelen uit te breiden tot „zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten bieden”, op goede gronden mocht verwachten dat die maatregelen zouden bijdragen tot een verhoging van de druk op de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de invasie van Oekraïne. Zoals de Raad benadrukt, hoeft hij bovendien niet aan te tonen dat de beperkende maatregelen een dergelijk gevolg hebben, maar enkel dat zij een dergelijk gevolg kunnen hebben (arrest van 25 juni 2020, VTB Bank/Raad, C‑729/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:499, punt 66). Ten tweede moet worden opgemerkt dat alternatieve en minder beperkende maatregelen niet door de verzoeker worden genoemd.

84 Uit het voorgaande volgt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) niet kennelijk onevenredig is, overeenkomstig artikel 21 VEU, gelet op de nagestreefde doelstellingen om een einde te maken aan de flagrante schending van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, zodat het in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

3) Schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel

85 Verzoeker betoogt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, aangezien ten eerste de uitbreiding van de kring van personen die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen onvoorzienbaar is en de betrokkenen niet in staat stelt hun gedrag af te stemmen op de besluiten van de Raad, en ten tweede de sectoren waarop gewijzigd criterium g) betrekking heeft, niet zijn gedefinieerd.

86 De Raad betwist verzoekers argumenten.

87 Wat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie met door haar gedane precieze toezeggingen gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op dat laatste beginsel kan beroepen. Wanneer een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel van de Unie evenwel kan voorzien, kan hij zich niet op dit beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (zie arrest van 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad, T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 191 en aldaar aangehaalde rechtspraak)

88 Voorts impliceert het rechtszekerheidsbeginsel dat de regelgeving van de Unie duidelijk en nauwkeurig is en dat de toepassing ervan voorzienbaar is voor de justitiabelen (zie arresten van 5 maart 2015, Europäisch-Iranische Handelsbank/Raad, C‑585/13 P, EU:C:2015:145, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad, T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Met betrekking tot verzoekers argument dat niet is vastgesteld welke sectoren een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering, moet worden opgemerkt dat het begrip „aanzienlijke bron van inkomsten” inderdaad noch in gewijzigd besluit 2014/145, noch in gewijzigde verordening nr. 269/2014 wordt gedefinieerd. Het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord „aanzienlijke”, dat de nominale groep „bron van inkomsten” kwalificeert, wijst er echter op dat die bron van inkomsten significant en dus niet verwaarloosbaar moet zijn (arrest van 6 september 2023, Pumpyanskiy/Raad, T‑291/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:499, punt 63).

90 Gelet op het in punt 81 hierboven in herinnering gebrachte logische verband tussen enerzijds het feit dat wordt gedoeld op de in het derde deel van gewijzigd criterium g) bedoelde personen en anderzijds het doel van de beperkende maatregelen in casu, moet worden geoordeeld dat de bewoordingen van het derde deel van gewijzigd criterium g) duidelijk en nauwkeurig zijn en dat de toepassing ervan voorzienbaar is voor de justitiabelen, die overeenkomstig de in de punten 87 en 88 hierboven aangehaalde rechtspraak kunnen voorzien dat een maatregel van de Unie wordt vastgesteld die hun belangen kan aantasten.

91 Derhalve kan verzoeker niet op goede gronden stellen dat de bepalingen die voorzien in het derde deel van gewijzigd criterium g) het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel schenden.

b) Eerste deel van gewijzigd criterium g)

92 Uit punt 138 hieronder blijkt dat de Raad in de bestreden handelingen een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen heeft aangedragen waaruit kan blijken dat verzoeker een zakenman is die actief is in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van het derde deel van gewijzigd criterium g).

93 Aangezien dit deel – zoals in de punten 70, 84 en 91 hierboven is opgemerkt – geen schending inhoudt van het vermoeden van onschuld, de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, moet de exceptie van onwettigheid die is gericht tegen de bepalingen van besluit 2014/145 en van verordening nr. 269/2014 die voorzien in het eerste deel van gewijzigd criterium g), wat de eerste en de tweede handhavingshandelingen betreft, als niet ter zake dienend worden afgewezen.

94 Bijgevolg moet het vijfde middel in zijn geheel worden afgewezen.

2. Eerste middel: beoordelingsfouten

95 Verzoeker betoogt dat de bestreden handelingen in strijd zijn met de motiveringsplicht.

96 De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbende de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kan kennen en de rechter van de Unie zijn toezicht kan uitoefenen (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 50; zie ook arrest van 22 april 2021, Raad/PKK, C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Het middel dat is ontleend aan schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU, moet worden onderscheiden van het middel dat is ontleend aan een beoordelingsfout. Terwijl het eerste middel, dat betrekking heeft op het ontbreken van motivering of ontoereikende motivering, de schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU betreft en een middel van openbare orde is dat ambtshalve door de rechter van de Unie moet worden opgeworpen, heeft het tweede middel immers betrekking op de wettigheid ten gronde van een besluit en betreft het de schending van een rechtsregel inzake de toepassing van het VWEU in de zin van hetzelfde artikel 263 VWEU, en kan het slechts door de rechter van de Unie worden onderzocht indien het door de verzoekende partij is aangevoerd. De motiveringsplicht is dus iets anders dan de gegrondheid van de motivering (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67).

98 In casu moet worden vastgesteld dat verzoeker ter ondersteuning van het eerste middel enkel argumenten aanvoert waarmee hij de gegrondheid betwist van de plaatsing en de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten krachtens de bestreden handelingen, op grond van beoordelingsfouten die de Raad volgens hem heeft gemaakt.

99 Derhalve moet worden geoordeeld dat het eerste middel, onder het mom van een schending van de motiveringsplicht, in werkelijkheid is ontleend is aan beoordelingsfouten.

100 In dit verband stelt verzoeker dat hij geen vooraanstaand zakenman is die actief is in Rusland, dat hij geen zakenman is die betrokken is bij een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de Russische regering, dat hij niet van deze regering profiteert en dat hij deze regering geen militaire technologie of technologie voor tweeërlei gebruik ter beschikking stelt.

101 De Raad betwist verzoekers argumenten.

102 Er zij aan herinnerd dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest onder meer vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het besluit tot vaststelling of handhaving van beperkende maatregelen, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of entiteit, op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119, en 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 128).

103 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121, en 3 juli 2014, National Iranian Tanker Company/Raad, T‑565/12, EU:T:2014:608, punt 57).

104 Bij de beoordeling van de gegrondheid van deze redenen moeten de bewijzen en de informatie niet afzonderlijk maar in hun context worden onderzocht. De Raad voldoet namelijk aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de aan een bevriezingsmaatregel onderworpen persoon en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties kan worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 20 juli 2017, Badica en Kardiam/Raad, T‑619/15, EU:T:2017:532, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

105 Voorts moet in herinnering worden gebracht dat beperkende maatregelen bewarend en, per definitie, voorlopig van aard zijn; hun geldigheid hangt altijd af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan, en of voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel de handhaving van deze maatregelen vereist is. Hieruit volgt dat het bij de periodieke heroverweging van deze beperkende maatregelen aan de Raad staat om een geactualiseerde beoordeling van de situatie uit te voeren en een balans op te maken van het effect van die maatregelen, teneinde te bepalen of zij de door de initiële plaatsing van de namen van de betrokken personen en entiteiten op de litigieuze lijst beoogde doelstellingen hebben kunnen verwezenlijken en of met betrekking tot deze personen en entiteiten nog steeds dezelfde conclusie kan worden getrokken (zie naar analogie arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punten 58 en 59).

106 In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of de plaatsing en de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten gegrond is.

a) Oorspronkelijke handelingen

107 Er zij aan herinnerd dat verzoekers naam op de litigieuze lijsten is geplaatst en gehandhaafd op grond van criterium f) en gewijzigd criterium g) en om de in punt 10 hierboven genoemde redenen.

108 Om te beginnen moet worden nagegaan of de plaatsing en de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten op grond van het derde deel van gewijzigd criterium g) gegrond zijn.

109 Vastgesteld moet worden dat de bewoordingen van het derde deel van gewijzigd criterium g) het begrip „zakenlieden” hanteren in combinatie met het „betrokken [zijn] bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering”, zonder dat andere voorwaarden betreffende het bestaan van een directe of indirecte band met die regering worden gesteld Het doel van dit criterium is namelijk om een zo groot mogelijke druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd, en aan de militaire agressie tegen dat land (zie naar analogie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

110 Zoals in punt 81 hierboven is opgemerkt, bestaat er dienaangaande een logisch verband tussen enerzijds het feit dat wordt gedoeld op zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering en anderzijds het doel van de beperkende maatregelen in casu, namelijk meer druk uitoefenen op de Russische Federatie en haar een hogere prijs laten betalen voor haar acties die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen (zie naar analogie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

111 Wat het begrip „economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering” betreft, moet worden opgemerkt dat het begrip „aanzienlijke bron van inkomsten” inderdaad noch in gewijzigd besluit 2014/145, noch in gewijzigde verordening nr. 269/2014 wordt gedefinieerd. Het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord „aanzienlijke”, dat de nominale groep „bron van inkomsten” kwalificeert, wijst er echter op dat die bron van inkomsten significant en dus niet verwaarloosbaar moet zijn (arrest van 6 september 2023, Pumpyanskiy/Raad, T‑291/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:499, punt 63).

112 In casu blijkt uit de motivering van de bestreden handelingen dat de plaatsing en de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten op grond van gewijzigd criterium g) berusten op de omstandigheden dat hij, ten eerste, de eigenaar is van Sibougol, een belangrijke Siberische onderneming die meer dan twee miljoen ton steenkool per jaar produceert, met een – in 2020 geregistreerde – omzet van meer dan 2 000 000 000 RUB (ongeveer 24 miljoen EUR tegen de gemiddelde koers van 2020), en, ten tweede, samen met zijn familie ook banden heeft met het bedrijf Krasnoyarsklesomaterialy, een van de grootste exporteurs van Siberisch hout.

113 Om te beginnen moet de gegrondheid worden onderzocht van de grond dat verzoeker eigenaar is van Sibougol, een belangrijke Siberische onderneming die meer dan twee miljoen ton steenkool per jaar produceert, met een – in 2020 geregistreerde – omzet van meer dan 2 000 000 000 RUB (ongeveer 24 miljoen EUR tegen de gemiddelde koers van 2020).

114 Zoals de Raad terecht aanvoert en zonder dat verzoeker dit betwist, wordt deze grond gestaafd door stukken nrs. 18, 23, 25, 26 en 27 van het bewijsdossier met referentie WK 10461/23.

115 Wat ten eerste zijn banden met Sibougol betreft, betoogt verzoeker dat hij 38,7 % van de aandelen van deze vennootschap in handen heeft en dat de rest van het kapitaal van deze vennootschap tussen drie andere aandeelhouders is verdeeld. Hij is dus niet de meerderheidsaandeelhouder van deze vennootschap. Verzoeker voegt daaraan toe dat hij niet bevoegd is om namens deze vennootschap op te treden, haar niet controleert en er geen bestuurder van is.

116 Wat ten tweede de sector betreft waarin Sibougol actief is, voert verzoeker aan dat de Raad geen cijfergegevens over de bijdrage van de steenkoolsector aan de Russische begroting heeft overgelegd en dat de door de Raad verstrekte gegevens betreffende het aandeel van deze sector in de Russische uitvoer en de toename van de uitvoer van steenkool niet relevant zijn. Hij voegt hieraan toe dat dit laatste element geen invloed heeft op de omvang van de inkomsten uit de steenkoolsector voor de regering, en dat de Raad een dergelijke invloed op zijn minst niet heeft aangetoond. Bovendien is het feit dat het Gerecht heeft kunnen oordelen dat de mijnsector een aanzienlijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormt, evenmin relevant, aangezien de steenkoolsector een kleinere sector is dan de mijnsector, die met name de sector edelstenen en -metalen en de olieschaliesector omvat.

117 Vastgesteld moet worden dat verzoeker erkent eigenaar te zijn van 38,7 % van de aandelen in Sibougol en dat hij de in de motivering van de oorspronkelijke handelingen vermelde cijfers betreffende de productie en de inkomsten van deze vennootschap niet betwist.

118 Deze omstandigheden volstaan om aan te tonen dat verzoeker een zakenman is in de zin van het derde deel van gewijzigd criterium g), waarbij het in dit verband irrelevant is dat hij noch de meerderheidsaandeelhouder van Sibougol is, noch een bestuurder van die vennootschap is, noch bevoegd is om namens die vennootschap op te treden.

119 Wat de vraag betreft of de sector waarin verzoeker actief is, te weten de mijnbouwsector en meer in het bijzonder de steenkoolsector, voor de Russische regering een aanzienlijke bron van inkomsten vormt, blijkt uit stuk nr. 8 van het bewijsdossier met referentie WK 5142/23, dat een uittreksel is uit een artikel dat op de website van de krant Moscow Times van 22 mei 2023 is gepubliceerd, dat de Russische uitvoer van steenkool over zee begin 2023 met meer dan 20 % was gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2022 en dat volgens het Russische ministerie van Energie de Russische steenkoolexport in 2022 meer dan 221 miljoen ton bedroeg. Verzoeker betwist deze gegevens niet.

120 Zoals de Raad terecht opmerkt, is bovendien geoordeeld dat de ijzer- en staalsector en de mijnsector een belangrijke bron van inkomsten voor de Russische regering vormden (arrest van 20 september 2023, Mordashov/Raad, T‑248/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:573, punt 138).

121 De steenkoolsector behoort tot de mijnbouwsector wegens de wijze waarop dit gesteente wordt gewonnen.

122 Hieruit volgt dat de Raad genoegzaam heeft aangetoond dat de mijnbouwsector, en meer in het bijzonder de steenkoolsector, voor de Russische regering een aanzienlijke bron van inkomsten vormde.

123 Dat het een aanzienlijke bron van inkomsten betreft, vindt bovendien steun in de omzet van Sibougol in 2020 die in de motivering van de bestreden handelingen is vermeld en door verzoeker niet wordt betwist, en in het feit dat, zoals verzoeker stelt, de steenkoolproductie van Sibougol in 2022 slechts 0,66 % van de totale steenkoolproductie in Rusland uitmaakte.

124 Daaruit volgt dat de Raad, met betrekking tot verzoekers activiteiten in het kader van Sibougol, een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen heeft aangedragen waaruit kan blijken dat verzoeker een zakenman is die actief is in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van het derde deel van gewijzigd criterium g).

125 Volgens de rechtspraak geldt aangaande de toetsing van de wettigheid van een besluit houdende vaststelling van beperkende maatregelen dat – gelet op de preventieve aard van die maatregelen – indien de Unierechter oordeelt dat ten minste één van de genoemde redenen voldoende nauwkeurig en concreet is, gestaafd is en op zich een toereikende grondslag voor dat besluit vormt, de omstandigheid dat andere van die redenen dat niet zijn, niet kan leiden tot de nietigverklaring van dat besluit (zie arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard ten aanzien van de oorspronkelijke handelingen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de overige grieven van verzoeker, waarmee hij de gegrondheid van de plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten op grond van het eerste deel van gewijzigd criterium g) of op grond van criterium f) ter discussie tracht te stellen, gegrond zijn.

b) Eerste en tweede handhavingshandelingen

127 Er zij aan herinnerd dat beperkende maatregelen bewarend en, per definitie, voorlopig van aard zijn; hun geldigheid hangt altijd af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan, en of voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel de handhaving van deze maatregelen vereist is. Hieruit volgt dat het bij de periodieke heroverweging van deze beperkende maatregelen aan de Raad staat om een geactualiseerde beoordeling van de situatie uit te voeren en een balans op te maken van het effect van die maatregelen, teneinde te bepalen of zij de door de initiële plaatsing van de namen van de betrokken personen en entiteiten op de litigieuze lijst beoogde doelstellingen hebben kunnen verwezenlijken en of met betrekking tot deze personen en entiteiten nog steeds dezelfde conclusie kan worden getrokken (arresten van 27 april 2022, Ilunga Luyoyo/Raad, T‑108/21, EU:T:2022:253, punt 55, en 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2022:716, punt 168).

128 Het is de Raad niet verboden om zich ter rechtvaardiging van de handhaving van de naam van een persoon op een lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen te baseren op dezelfde bewijzen als die welke de aanvankelijke plaatsing, de hernieuwde plaatsing of de eerdere handhaving van de naam van de betrokken persoon op de lijst in kwestie rechtvaardigden, mits, ten eerste, de redenen voor plaatsing ongewijzigd blijven en, ten tweede, de context niet zodanig is gewijzigd dat die bewijzen achterhaald zijn (arrest van 23 september 2020, Kaddour/Raad, T‑510/18, EU:T:2020:436, punt 99).

129 Deze context bestaat niet alleen uit de situatie van het land ten aanzien waarvan het stelsel van beperkende maatregelen is ingesteld, maar ook uit de specifieke situatie van de betrokken persoon (zie arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

130 Ook is de handhaving van de naam van een persoon of entiteit op een lijst nog steeds gerechtvaardigd in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder met name het feit dat de met de betrokken beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet zijn bereikt (zie in die zin arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punten 83 en 84).

131 Uit artikel 6 van gewijzigd besluit 2014/145 volgt dat de oorspronkelijke handelingen alsmede de opeenvolgende handhavingshandelingen voortdurend worden geëvalueerd en, zo nodig, worden verlengd of gewijzigd indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt. Artikel 14, lid 4, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, bepaalt dat de lijst in de bijlage erbij op gezette tijden, en ten minste om de twaalf maanden, wordt geëvalueerd.

132 In de onderhavige zaak moet in herinnering worden gebracht dat de redenen waarom verzoekers naam in de eerste en de tweede handhavingshandelingen op de litigieuze lijsten werd gehandhaafd, identiek zijn aan die in de oorspronkelijke handelingen.

133 Overeenkomstig de in punt 128 hierboven genoemde rechtspraak moet worden nagegaan of de context, de doelstellingen van de beperkende maatregelen in kwestie en de individuele situatie van verzoeker handhaving van zijn naam op de lijst rechtvaardigden op grond van ongewijzigde redenen.

134 Wat de algemene context van de situatie in Oekraïne betreft, zij erop gewezen dat deze situatie op de datum van vaststelling van de eerste en de tweede handhavingshandelingen nog steeds ernstig was.

135 Evenzo beantwoorden de beperkende maatregelen aan het nagestreefde doel, namelijk druk uit te oefenen op de Russische regering opdat zij een einde maakt aan haar acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd.

136 Aangaande zijn individuele situatie beperkt verzoeker zich ertoe, wat de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten op grond van het derde deel van gewijzigd criterium g) betreft, om ten aanzien van de eerste en de tweede handhavingshandelingen dezelfde argumenten aan te voeren als die welke hij met betrekking tot de oorspronkelijke handelingen had aangevoerd.

137 De Raad heeft dus geen beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat er zich geen wijzigingen hadden voorgedaan in de individuele situatie van verzoeker en door zich op dezelfde gegevens te baseren om diens naam op de litigieuze lijsten te handhaven.

138 Bijgevolg moet overeenkomstig de in punt 125 hierboven aangehaalde rechtspraak het tweede middel ongegrond worden verklaard ten aanzien van de eerste en de tweede handhavingshandelingen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de overige grieven van verzoeker, waarmee hij de gegrondheid van de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten op grond van het eerste deel van gewijzigd criterium g) of op grond van criterium f) ter discussie tracht te stellen, gegrond zijn.

139 Bijgevolg moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.

3. Tweede middel: misbruik van bevoegdheid en schending van artikel 18 EVRM

140 Verzoeker betoogt dat de bestreden handelingen blijk geven van misbruik van bevoegdheid en dus artikel 18 EVRM schenden. Verzoeker is namelijk door de Italiaanse politie in Italië aangehouden op verzoek van de Verenigde Staten, die tegen hem een aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd. Nadat hij zijn uitlevering aan de Verenigde Staten heeft betwist, is hij door de Italiaanse rechterlijke instanties in Italië onder huisarrest geplaatst in afwachting van de definitieve beslissing over het uitleveringsverzoek. Op 22 maart 2023 heeft verzoeker Italië verlaten zonder toestemming van de Italiaanse autoriteiten en is hij naar Rusland vertrokken, waardoor de Italiaanse autoriteiten in diskrediet zijn gebracht bij de Verenigde Staten. Bijgevolg hebben de Italiaanse autoriteiten er bij de instellingen van de Unie op aangedrongen dat zij verzoekers naam op de litigieuze lijsten plaatsen en handhaven teneinde de Verenigde Staten een „teken van verzoening” te bieden. Deze conclusie vindt steun in het feit dat de namen van bepaalde personen, waaronder verzoekers vader, niet op de litigieuze lijsten zijn geplaatst.

141 De Raad betwist verzoekers argumenten.

142 Volgens de rechtspraak is een handeling slechts gebrekkig wegens misbruik van bevoegdheid indien zij, op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens uitsluitend of ten minste in overwegende mate, blijkt te zijn vastgesteld voor andere doeleinden dan waarvoor de betrokken bevoegdheid is verleend of om te ontkomen aan een procedure waarin de Verdragen speciaal hebben voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (zie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 135 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

143 In casu moet worden vastgesteld dat verzoeksters argumenten betrekking hebben op de veronderstelde bedoelingen van de Italiaanse autoriteiten en niet op die van de Raad, die de bestreden handelingen heeft vastgesteld.

144 Bijgevolg kunnen dergelijke argumenten in geen geval aantonen dat de Raad misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt.

145 Overigens zij eraan herinnerd dat de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op grond waarvan hij, in voorkomend geval, kan besluiten die maatregelen niet aan een dergelijke persoon op te leggen, wanneer hij, gelet op de doelstellingen ervan, van mening is dat dit niet wenselijk is (arrest van 22 april 2015, Tomana e.a./Raad en Commissie, T‑190/12, EU:T:2015:222, punt 243).

146 Het tweede middel moet dus worden afgewezen.

4. Derde middel: schending van artikel 54 van het Handvest en van artikel 17 EVRM

147 Verzoeker betoogt dat de plaatsing en de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten op grond dat hij erin is geslaagd zich te onttrekken aan zijn huisarrest, een beperking van zijn rechten inhouden waarin het Handvest of het EVRM niet voorziet.

148 De Raad betwist verzoekers argumenten.

149 Artikel 54 van het Handvest stemt overeen met artikel 17 EVRM en verbiedt misbruik van recht.

150 Er zij aan herinnerd dat de Raad verzoekers naam op grond van het derde deel van gewijzigd criterium g) op de litigieuze lijsten heeft geplaatst en gehandhaafd zonder een beoordelingsfout te maken en verzoeker geen enkel element heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden handelingen blijk geven van misbruik van bevoegdheid.

151 Verzoeker heeft dan ook niet aangetoond dat de bestreden handelingen misbruik van recht opleveren. Het derde middel moet derhalve worden afgewezen.

5. Vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

152 Verzoeker betoogt dat de plaatsing en de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten het evenredigheidsbeginsel schenden. In dit verband voert hij aan dat die maatregelen hem buitensporige lasten opleggen en zijn vastgesteld omdat hij zich heeft onttrokken aan zijn huisarrest, hetgeen een reden is die niets van doen heeft met de doelstelling van de betrokken beperkende maatregelen, en voorts dat de Raad niet heeft aangetoond dat die maatregelen noodzakelijk en geschikt waren om hun doel te bereiken.

153 De Raad betwist verzoekers argumenten.

154 Er zij aan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van Unierecht en is overgenomen in artikel 5, lid 4, VEU, vereist dat de door een bepaling van het Unierecht aangewende middelen het mogelijk maken om de door de betrokken regelgeving legitiem nagestreefde doelstellingen te bereiken en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (arresten van 15 november 2012, Al-Aqsa/Raad en Nederland/Al-Aqsa, C‑539/10 P en C‑550/10 P, EU:C:2012:711, punt 122, en 1 juni 2022, Prigozhin/Raad, T‑723/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:317, punt 133).

155 Wat het rechterlijk toezicht op de naleving van het evenredigheidsbeginsel betreft, moet worden erkend dat de Uniewetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Hieruit volgt dat aan de rechtmatigheid van een op die gebieden vastgestelde maatregel slechts kan worden afgedaan, wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

156 Geoordeeld is dat de beperkende maatregelen die bij besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014 zijn opgelegd aan de natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten en lichamen die op de lijsten in de bijlage bij die handelingen staan als zodanig geschikt en noodzakelijk zijn gelet op het cruciale belang van de nagestreefde doelstellingen, en voorts geen kennelijk onevenredige negatieve gevolgen hebben voor die personen, entiteiten en lichamen, zodat zij in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punten 198‑200 en 202).

157 Bovendien heeft verzoeker in casu niet aangetoond welke minder belastende, maar even geschikte maatregelen als de vastgestelde maatregelen, de Raad had kunnen vaststellen.

158 Ten slotte zij eraan herinnerd dat verzoeker geen enkel element heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden handelingen zijn vastgesteld om een andere reden dan die welke met de betrokken beperkende maatregelen wordt nagestreefd, die in punt 76 hierboven in herinnering is gebracht.

159 Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen.

160 Aangezien geen van de door verzoeker aangevoerde middelen gegrond is, dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.

IV. Kosten

161 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

162 Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten te worden verwezen.

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Artem Alexandrovich Uss wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad van de Europese Unie.

Mastroianni Tóth Kalėda

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 november 2024.

De griffier De president

V. Di Bucci S. Papasavvas

* Procestaal: Nederlands.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in