Gerecht EU 25 september 2024, T-482/21, ECLI:EU:T:2024:650

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

25 september 2024 ( *1 )

„Energie – Interne markt voor elektriciteit – Capaciteitsberekeningsregio – CORE-regio – Vaststelling door ACER van de kostendelingsmethodologie voor de redispatching of de compensatiehandel – Motiveringsplicht – Vaststelling van het tolerantieniveau voor legitieme lusstromen – Artikel 16, lid 13, van verordening (EU) 2019/943”

In zaak T‑482/21,

TenneT TSO GmbH, gevestigd te Bayreuth (Duitsland),

TenneT TSO BV, gevestigd te Arnhem (Nederland),

vertegenwoordigd door D. Uwer, J. Meinzenbach, P. Rieger, R. Klein en S. Westphal, advocaten,

verzoeksters,

ondersteund door

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en N. Scheffel als gemachtigden,

interveniënte,

tegen

Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), vertegenwoordigd door P. Martinet, E. Tremmel en Z. Vujasinovic als gemachtigden, bijgestaan door P. Goffinet, L. Bersou en M. Shehu, advocaten,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: F. Schalin, president, P. Škvařilová-Pelzl, I. Nõmm, G. Steinfatt en D. Kukovec (rapporteur), rechters,

griffier: I. Kurme, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 12 en 13 juni 2023,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoeken verzoeksters, TenneT TSO GmbH en TenneT TSO BV, om vernietiging van de beslissing van de raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) van 28 mei 2021 houdende bevestiging van besluit nr. 30/2020 van ACER van 30 november 2020 betreffende het voorstel van de transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (hierna: „TSB’s”) in de regio bestaande uit België, Tsjechië, Duitsland, Frankrijk, Kroatië, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije (hierna: „CORE-regio”) inzake de als „CORE” aangeduide capaciteitsberekening voor de kostendelingsmethodologie voor redispatching en compensatiehandel, en houdende verwerping van hun beroepen in zaak A-001‑2021 (geconsolideerd) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoeksters zijn TSB’s die een elektriciteitstransmissiesysteem exploiteren in respectievelijk een deel van Duitsland en Nederland.

3 Overeenkomstig artikel 74, lid 1, van verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB 2015, L 197, blz. 24) ontwikkelen alle TSB’s in elke capaciteitsberekeningsregio, binnen een termijn van zestien maanden nadat het besluit betreffende de capaciteitsberekeningsregio’s is genomen, een voorstel voor een gemeenschappelijke kostendelingsmethodologie voor redispatching en compensatiehandel (hierna: „kostendelingsmethodologie”).

4 Op 17 november 2016 heeft ACER overeenkomstig artikel 15 van verordening 2015/1222 besluit nr. 06/2016 tot afbakening van de capaciteitsberekeningsregio’s vastgesteld. Artikel 1 van en bijlage I bij dit besluit bevatten een lijst van het grondgebied van de lidstaten dat tot de CORE-regio behoort.

5 Aangezien besluit nr. 06/2016 op 17 november 2016 is genomen, had het voorstel over de kostendelingsmethodologie van de TSB’s van de CORE-regio binnen zestien maanden na dat besluit moeten worden ingediend, te weten uiterlijk op 17 mei 2018.

6 De TSB’s van de CORE-regio hebben echter geen voorstel voor een kostendelingsmethodologie ingediend binnen de in punt 5 hierboven vermelde termijn. In overeenstemming met artikel 9, lid 4, van verordening 2015/1222 hebben deze TSB’s de nationale regulerende instanties (hierna: „NRI’s”) en ACER op de hoogte gebracht van het feit dat ze meer tijd nodig hadden om een dergelijk voorstel voor te bereiden. ACER heeft dit gemeld aan de Europese Commissie, die de TSB’s, de NRI’s en ACER raadpleegde om de TSB’s te helpen dit voorstel voor te bereiden en het zo snel mogelijk ter goedkeuring voor te leggen.

7 Op 27 maart 2019 hebben de TSB’s van de CORE-regio overeenkomstig artikel 9, lid 7, onder h), van verordening 2015/1222 bij alle NRI’s van die regio een voorstel voor een kostendelingsmethodologie en een toelichtend document ingediend. Die NRI’s beschikten overeenkomstig artikel 9, lid 10, van die verordening over een termijn van zes maanden om een besluit over dat voorstel te nemen.

8 Op 26 september 2019 heeft ACER op verzoek van de NRI’s besloten de termijn voor hun goedkeuring van het voorstel met zes maanden te verlengen tot 27 maart 2020.

9 Op 27 maart 2020 kondigde de voorzitter van het forum van de energieregulators van de CORE-regio namens alle NRI’s van die regio aan dat de NRI’s die dag geen beslissing konden nemen over het ingediende voorstel, aangezien het als grotendeels onvolledig werd beschouwd in die zin dat de NRI’s het niet konden goedkeuren of om een wijziging ervan konden verzoeken.

10 Daar de NRI’s van de CORE-regio geen overeenstemming bereikten over het door de TSB’s ingediende voorstel voor een kostendelingsmethodologie, heeft ACER zich op dezelfde dag bevoegd verklaard om een besluit te nemen over dit voorstel, overeenkomstig artikel 5, lid 3, en artikel 6, lid 10, van verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB 2019, L 158, blz. 22) en artikel 9, lid 11, van verordening 2015/1222. Krachtens laatstgenoemde bepaling moest ACER binnen zes maanden een dergelijk besluit vaststellen overeenkomstig artikel 6, lid 12, onder a), van verordening 2019/942.

11 Na een lange periode van samenwerking, overleg en discussies tussen ACER, alle NRI’s van de CORE-regio en alle TSB’s van deze regio over het voorstel voor een kostendelingsmethodologie die door deze TSB’s werd ingediend en over de amendementen die tijdens verschillende vergaderingen en stemrondes op dit voorstel werden aangebracht, heeft de raad van regulators van ACER – die bestaat uit vertegenwoordigers van de NRI’s – op 18 november 2020 een gunstig advies uitgebracht over het genoemde voorstel, overeenkomstig artikel 22, lid 5, onder a), van verordening 2019/942.

12 Op 30 november 2020 heeft ACER bij besluit nr. 30/2020 de kostendelingsmethodologie [„Common methodology for redispatching and countertrading cost sharing for the Core CCR in accordance with Article 74 of Commission Regulation (EU) 2015/1222 of 24 July 2015”] vastgesteld, zoals deze is opgenomen in bijlage I bij dat besluit (hierna: „betwiste kostendelingsmethodologie”).

13 Op 29 januari 2021 hebben verzoeksters overeenkomstig artikel 28 van verordening 2019/942 bij de raad van beroep van ACER beroep tot nietigverklaring van besluit nr. 30/2020 ingesteld. Andere TSB’s en NRI’s van de CORE-regio hebben ook beroep ingesteld tegen dit besluit. Op 18 februari 2021 heeft de raad van beroep al deze beroepen geconsolideerd.

14 Op 28 mei 2021 heeft de raad van beroep de bestreden beslissing genomen, waarbij zij besluit nr. 30/2020 heeft bevestigd en de daartegen ingestelde beroepen tot nietigverklaring in hun geheel heeft verworpen.

Conclusies van partijen

15 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – ACER te verwijzen in de kosten.

16 ACER verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

17 De Bondsrepubliek Duitsland, die intervenieert aan de zijde van verzoeksters, verzoekt het Gerecht om de bestreden beslissing te vernietigen.

In rechte

18 Verzoeksters baseren hun beroep op drie middelen.

19 Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de bepaling van het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie, het tweede aan de onwettigheid van de methode voor de ontleding van stromen en het derde aan een onjuiste bepaling van het tolerantieniveau voor legitieme lusstromen (hierna: „tolerantieniveau”).

20 ACER vordert dat alle door verzoeksters aangevoerde middelen ongegrond worden verklaard.

21 Volgens het Gerecht is het passend om eerst de door ACER opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot de memorie in interventie van de Bondsrepubliek Duitsland en de bijlage daarbij te onderzoeken.

Ontvankelijkheid van de memorie in interventie van de Bondsrepubliek Duitsland en de bijlage daarbij

22 Volgens ACER zijn de memorie in interventie van de Bondsrepubliek Duitsland en de bijlage daarbij niet-ontvankelijk.

23 Deze instelling stelt dat de memorie in interventie van de Bondsrepubliek Duitsland niet meer behelst dan enkele verklaringen van algemene aard. Een loutere algemene verwijzing naar de bijlage bij die memorie in interventie met de argumenten ter ondersteuning van de interventie van de Bondsrepubliek Duitsland in een andere zaak is niet rechtmatig en kan het ontbreken van juridische argumenten in de memorie in interventie in de onderhavige zaak niet goedmaken.

24 Ter terechtzitting is de Bondsrepubliek Duitsland verzocht zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van haar memorie in interventie.

25 Krachtens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Het is vaste rechtspraak dat een beroep slechts ontvankelijk is indien de wezenlijke feitelijke en juridische gronden van het beroep – op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken, teneinde de verwerende partij in staat te stellen haar verdediging voor te bereiden en het Gerecht in staat te stellen uitspraak te doen op het beroep, zo nodig zonder aanvullende bewijsstukken. De tekst van het verzoekschrift mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die volgens voornoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken. Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te vinden die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen louter als bewijsmiddel dienen [zie arrest van 1 juni 2022, Algebris (UK) en Anchorage Capital Group/Commissie, T‑570/17, EU:T:2022:314, punt 299 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

26 De in punt 25 hierboven aangehaalde rechtspraak is naar analogie van toepassing op de memorie in interventie (zie arrest van 14 maart 2013, Fresh Del Monte Produce/Commissie, T‑587/08, EU:T:2013:129, punt 541 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarvoor artikel 145, lid 2, onder b), van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat deze de door de interveniënt aangevoerde middelen en argumenten moet bevatten.

27 In casu moet allereerst worden vastgesteld dat de memorie in interventie van de Bondsrepubliek Duitsland bepaalde opmerkingen bevat over het eerste en het derde middel van verzoeksters. Ook moet worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland in die memorie alle middelen van verzoeksters ondersteunt. Vervolgens zij erop gewezen dat de Bondsrepubliek Duitsland bij haar memorie in interventie in de onderhavige zaak de memorie in interventie heeft gevoegd die zij heeft ingediend in de zaak BNetzA/ACER (T‑485/21), waarin eveneens vernietiging van de bestreden beslissing wordt gevorderd en waarnaar zij algemeen verwijst. Ten slotte moet worden opgemerkt dat de Bondsrepubliek Duitsland in haar memorie in interventie voor de onderhavige zaak een aantal overwegingen formuleert met betrekking tot de vermeende discriminerende behandeling van grote biedzones ten opzichte van kleinere, alsmede met betrekking tot het verbod om bij de toewijzing van de kosten tussen de verschillende soorten elektriciteitsstromen rekening te houden met congestieverminderende stromen, en met betrekking tot de prioriteit die bij het bepalen van de oorzaken van overbelasting van het net wordt gegeven aan lusstromen ten opzichte van interne stromen.

28 Ten eerste moet het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat zij tot interventie is toegelaten, worden afgewezen.

29 Dienaangaande volstaat het op te merken dat het er in casu niet om gaat de hoedanigheid van de Bondsrepubliek Duitsland als interveniënte ter discussie te stellen, maar om de ontvankelijkheid van haar memorie in interventie te beoordelen.

30 Ten tweede is het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat de interveniënt niet verplicht is om een memorie in interventie in te dienen, maar dit wel kan doen, evenmin steekhoudend.

31 Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland ervoor heeft gekozen een memorie in interventie in te dienen, moet worden nagegaan of die memorie voldoet aan de daarvoor geldende vormvereisten die in de punten 25 en 26 hierboven zijn uiteengezet.

32 Ten derde is volgens de in punt 25 hierboven genoemde rechtspraak, die naar analogie van toepassing is op de memorie in interventie, de algemene verwijzing naar de memorie in interventie in de zaak BNetzA/ACER (T‑485/21), die als bijlage bij de memorie in interventie in de onderhavige zaak is gevoegd, niet-ontvankelijk en kan zij dus niet in aanmerking worden genomen ter compensatie van het eventuele ontbreken van de wezenlijke gronden van het juridische betoog die volgens de in de punten 25 en 26 hierboven vermelde rechtspraak in de memorie in interventie moeten worden vermeld.

33 Ten vierde moet met betrekking tot de overwegingen aangaande de vermeende discriminerende behandeling van de grotere biedzones ten opzichte van kleinere worden opgemerkt dat, nog afgezien van het feit dat verzoeksters in de onderhavige zaak een dergelijk middel niet hebben aangevoerd, deze overwegingen ACER niet in staat stellen om zijn verweer voor te bereiden en het Gerecht evenmin in staat stellen om deze overwegingen te onderzoeken.

34 De Bondsrepubliek Duitsland voert in punt 4 van haar memorie in interventie namelijk het volgende aan: „In de bestreden beslissing benadeelt verweerder de grotere biedzones (met name de Franse en Duitse) ten gunste van de kleinere biedzones, die minder lusstromen genereren, al was het maar om fysieke redenen. Zonder rekening te houden met fysieke en geografische kenmerken, stelt verweerder een uniform tolerantieniveau vast voor legitieme lusstromen. Zoals steeds met het gelijkheidsbeginsel wordt dit niet alleen geschonden wanneer gelijke situaties verschillend worden behandeld, maar ook wanneer verschillende situaties gelijk worden behandeld. De (ruimst mogelijke) gelijke behandeling neemt de verschillen weg die er met betrekking tot legitieme en onvermijdelijke lusstromen bestaan tussen de verschillende netwerkelementen en de verschillende biedzones.”

35 Het is juist dat volgens vaste rechtspraak het algemene beginsel van non-discriminatie of gelijke behandeling vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld en dat verschillende situaties niet op dezelfde wijze worden behandeld tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 In casu kan het Gerecht zich echter niet over een dergelijk middel uitspreken op grond van de loutere bewering dat de grotere biedzones worden gediscrimineerd ten opzichte van de kleinere biedzones, zonder dat ook maar de minste aanwijzing wordt gegeven over de mate waarin deze biedzones verschillen of over het ontbreken van een rechtvaardiging voor de beweerdelijk gelijke behandeling van deze zones.

37 In die omstandigheden moet, ongeacht of een interveniënt andere middelen kan aanvoeren dan die welke zijn aangevoerd door de hoofdpartij die hij ondersteunt, worden geoordeeld dat het middel inzake de discriminerende behandeling van de verschillende biedzones niet-ontvankelijk is bij gebreke van een toereikende uiteenzetting die het Gerecht in staat stelt daarover uitspraak te doen.

38 Ten vijfde moet met betrekking tot de overwegingen inzake het verbod van compensatie tussen congestiestromen en congestieverminderende stromen enerzijds en de onterechte benadeling van de lusstromen ten opzichte van interne stromen anderzijds, worden opgemerkt dat, los van het feit dat verzoeksters in de onderhavige zaak geen dergelijk middel hebben aangevoerd, deze overwegingen ACER niet in staat stellen zijn verweer voor te bereiden en het Gerecht evenmin in staat stellen deze overwegingen te onderzoeken.

39 De Bondsrepubliek Duitsland voert in punt 5 van haar memorie in interventie namelijk het volgende aan: „Bovendien verbiedt deze methode dat bij de toewijzing van de kosten over de verschillende soorten elektriciteitsstromen rekening wordt gehouden met de congestieverminderende stromen, en deze methode geeft de lusstromen prioriteit boven interne stromen bij het bepalen van de oorzaken van netwerkoverbelasting. Beide aspecten zijn in strijd met de reguleringsdoelstelling van verordening 2019/943 om congestie in biedzones zo veel mogelijk te beperken en de grensoverschrijdende handel te vergroten.”

40 De loutere bewering dat het verbod om bij de toewijzing van de kosten rekening te houden met de congestieverminderende stromen en de benadeling van de lusstromen ten opzichte van interne stromen „in strijd zijn met de reguleringsdoelstelling van verordening 2019/943 om de congestie in biedzones zo veel mogelijk te beperken en de grensoverschrijdende handel te vergroten”, zonder ook maar het minste juridische argument aan te voeren, stelt het Gerecht echter niet in staat om zich over een dergelijk middel uit te spreken.

41 In die omstandigheden moet, ongeacht of een interveniënt andere middelen kan aanvoeren dan die welke worden aangevoerd door de hoofdpartij die hij ondersteunt, worden geoordeeld dat de middelen ontleend aan het feit dat bij de toewijzing van de kosten aan de verschillende soorten elektriciteitsstromen geen rekening mag worden gehouden met de congestieverminderende stromen en het feit dat bij het bepalen van de oorzaken van netwerkoverbelasting prioriteit wordt gegeven aan de lusstromen ten opzichte van interne stromen, niet-ontvankelijk zijn bij gebreke van een uiteenzetting die het Gerecht in staat stelt zich over die middelen uit te spreken.

42 Ten zesde zijn de opmerkingen van de Bondsrepubliek Duitsland over het eerste en het derde middel van verzoeksters weliswaar zeer summier, maar kunnen zij, gelezen in het licht van de argumenten van verzoeksters, door het Gerecht juridisch worden beoordeeld.

43 In het licht van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de memorie in interventie van de Bondsrepubliek Duitsland slechts gedeeltelijk ontvankelijk is voor zover deze het Gerecht, om de in de punten 36 en 40 hierboven uiteengezette redenen, niet in staat stelt uitspraak te doen over het argument dat in de eerste plaats is gebaseerd op de discriminerende behandeling van de verschillende biedzones, in de tweede plaats op een beweerd verbod van compensatie tussen congestiestromen en congestieverminderende stromen en in de derde plaats op de beweerdelijk onterechte benadeling van lusstromen ten opzichte van interne stromen.

Eerste middel: toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie

44 Met hun eerste middel betogen verzoeksters, daarin ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland, dat de raad van beroep van ACER blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie te bevestigen.

45 Ten eerste is de opname, in het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie, van alle elementen van het transmissiesysteem met een spanning van 220 kilovolt (kV) of meer onverenigbaar met artikel 16, lid 13, van verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB 2019, L 158, blz. 54) en artikel 74, lid 2, van verordening 2015/1222, zoals volgt uit de bewoordingen, de opzet en het doel van deze bepalingen.

46 Volgens verzoeksters heeft artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 betrekking op de toewijzing van de kosten voor remediërende maatregelen in verband met de congestie „tussen twee biedzones”. In overeenstemming met de definities van „congestie” en „kritische netwerkelementen” in artikel 2, punten 4 en 69, van verordening 2019/943 ziet artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 uitsluitend op de toewijzing van de kosten voor remediërende maatregelen met betrekking tot kritische netwerkelementen, met uitsluiting van andere netwerkelementen, die niet worden geacht invloed te kunnen hebben op de capaciteit om elektriciteit te verhandelen.

47 Het begrip „acties van grensoverschrijdende relevantie” in artikel 74, lid 2, van verordening 2015/1222 ziet ook enkel op remediërende maatregelen met betrekking tot kritische netwerkelementen, met uitsluiting van interne remediërende maatregelen. Dit wordt bevestigd door overweging 10 van die verordening en de algemene opzet van artikel 74 van verordening 2015/1222, die betrekking heeft op het toewijzingsproces voor de capaciteit.

48 Ten tweede is er geen rechtsgrondslag voor een dergelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie. Dit brede toepassingsgebied kan met name niet worden gerechtvaardigd door overwegingen in verband met het beginsel „de vervuiler betaalt” of de veronderstelde stimulansen die uit een dergelijke bepaling van het toepassingsgebied zouden voortvloeien.

49 Ten derde kan de uitbreiding van het toepassingsgebied tot alle elementen van het transmissiesysteem evenmin worden gerechtvaardigd door overwegingen van operationele veiligheid.

50 De Bondsrepubliek Duitsland steunt de argumenten van verzoeksters in hun geheel maar voert ook argumenten aan die zijn gebaseerd op de bewoordingen en de ontstaansgeschiedenis van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943.

51 ACER betwist de argumenten van verzoeksters en wordt daarin ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland.

Opmerkingen vooraf

52 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat de raad van beroep in de bestreden beslissing de argumenten heeft afgewezen die waren gebaseerd op de onrechtmatigheid van het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie, meer bepaald in de punten 89 tot en met 379 („First Consolidated Plea – Excessive scope of the RDCTCS and unlawful determination of XNEs”), in de punten 1078 tot en met 1105 („Eighth Consolidated Plea – Polluter Pays Principle”) alsook in de punten 1126 tot en met 1191 (blz. 203‑212) („Fourteenth Consolidated Plea – ACER exceeded its competence and infringed the principle of conferral”) van die beslissing.

53 Zoals in essentie blijkt uit de punten 196 tot en met 210 van de bestreden beslissing, is deze beslissing gedeeltelijk gebaseerd op een uitlegging van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 op grond waarvan deze bepaling het beginsel „de vervuiler betaalt” tot uitdrukking brengt. Evenzo vereist deze bepaling dat de oorsprong van de fysieke stromen die bijdragen aan de congestie tussen zones wordt vastgesteld, zonder evenwel de toewijzing van de kosten te beperken tot remediërende maatregelen die op de interconnecties worden genomen om congestie te verhelpen.

54 Evenzo heeft de raad van beroep, zoals in wezen blijkt uit de punten 173 tot en met 180 van de bestreden beslissing, geoordeeld dat de betwiste kostendelingsmethodologie in overeenstemming was met artikel 74, lid 2, van verordening 2015/1222, voor zover de transacties op netwerkelementen die binnen het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie vielen, van grensoverschrijdende relevantie waren.

55 In de tweede plaats impliceert het onderzoek van het eerste middel dat de rechtsgrondslag, het doel en het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie worden bepaald, zoals door de bestreden beslissing wordt bevestigd.

56 Ten eerste moet met betrekking tot de rechtsgrondslag en het doel van de betwiste kostendelingsmethodologie worden opgemerkt dat deze is vastgesteld op grond van artikel 74 van verordening 2015/1222 en dat lid 2 van die bepaling voorziet in de vaststelling van kostendelingsoplossingen voor remediërende maatregelen van grensoverschrijdende relevantie. Het doel van deze methodologie is dus om de kosten voor de activering van dure remediërende acties, meer bepaald redispatching en compensatiehandel, te verdelen tussen de TSB’s.

57 In zoverre definieert artikel 2, punt 13, van verordening 2015/1222 „remediërende maatregel” als „elke maatregel die door een TSB of door verschillende TSB’s manueel of automatisch wordt toegepast om de operationele veiligheid in stand te houden”.

58 In artikel 2, punt 26, van verordening 2019/943 wordt „redispatching” gedefinieerd als „een maatregel, met inbegrip van beperking, die door een of meerdere [TSB’s] of distributiesysteembeheerders wordt geactiveerd door een wijziging van het productie- en/of belastingspatroon teneinde de fysieke stromen in het elektriciteitssysteem te veranderen en fysieke congestie te verlichten of de systeemveiligheid op een andere manier te waarborgen”.

59 Artikel 2, punt 27, van verordening 2019/943 definieert „compensatiehandel” als „een zoneoverschrijdende transactie die door systeembeheerders tussen twee biedzones is opgestart om fysieke congestie te verlichten”.

60 „Congestie”, een risico voor de operationele veiligheid dat remediërende maatregelen vereist, wordt in artikel 2, punt 4, van verordening 2019/943 gedefinieerd als „een situatie waarin niet aan alle verzoeken van marktdeelnemers betreffende handel tussen netgebieden kan worden voldaan, aangezien de fysieke stromen op de netelementen die niet in deze stromen kunnen voorzien daardoor in aanzienlijke mate zouden worden getroffen”.

61 Congestie wordt veroorzaakt door fysieke stromen. Er bestaan verschillende soorten fysieke stromen die worden gedefinieerd in de betwiste kostendelingsmethodologie. Zo worden in artikel 2, lid 2, onder a), van de betwiste kostendelingsmethodologie de „toegewezen stromen” gedefinieerd als „een fysieke stroom op een netwerkelement waarbij de bron en de ontvanger zich in verschillende biedzones bevinden”. De „interne stromen” worden in artikel 2, lid 2, onder o), van de betwiste kostendelingsmethodologie gedefinieerd als „een fysieke stroom op een netwerkelement waarbij de bron en de ontvanger alsmede het volledige netwerkelement zich in dezelfde biedzone bevinden”. Een „lusstroom” is volgens artikel 2, lid 2, onder p), van de betwiste kostendelingsmethodologie „een fysieke stroom op een netwerkelement waarbij de bron en de ontvanger zich in dezelfde zone bevinden en het netwerkelement of een deel daarvan zich in een andere zone bevindt”.

62 Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 voorziet in de toewijzing van de kosten voor remediërende maatregelen om de congestie tussen twee biedzones te verlichten op basis van de mate waarin stromen als gevolg van transacties binnen een zone bijdragen aan de congestie. Deze bepaling schrijft met name voor dat „bij het toewijzen van de kosten voor corrigerende maatregelen tussen transmissiesysteembeheerders [...] regulerende instanties [analyseren] in hoeverre stromen als gevolg van transacties binnen biedzones bijdragen aan de congestie tussen twee biedzones en [...] de kosten, op basis van die bijdrage aan de congestie, [toewijzen] aan de transmissiesysteembeheerders van de biedzones die verantwoordelijk zijn voor het creëren van deze stromen, behalve wanneer het gaat om kosten die het resultaat zijn van stromen als gevolg van transacties binnen de biedzones die beneden het niveau liggen dat te verwachten is zonder structurele congestie in een biedzone”.

63 In dit verband wordt een „biedzone” in artikel 2, punt 65, van verordening 2019/943 gedefinieerd als „het grootste geografische gebied waarin marktdeelnemers in staat zijn energie uit te wisselen zonder capaciteitstoewijzing”. Op dit moment komen de zones die deel uitmaken van de CORE-regio meestal overeen met het grondgebied van de lidstaten.

64 Ten tweede moet, zoals blijkt uit artikel 5, lid 1, van de betwiste kostendelingsmethodologie, voor de toewijzing van de kosten van remediërende maatregelen het netwerkelement worden bepaald waarop elke remediërende maatregel daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

65 Zoals in de punten 106 tot en met 110 van de bestreden beslissing is uiteengezet, strekt het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie zich niet alleen uit tot netwerkelementen tussen zones (interconnecties), maar ook tot alle interne netwerkelementen met een spanningsniveau van 220 kV of meer.

66 Artikel 3, lid 4, van de betwiste kostendelingsmethodologie bepaalt namelijk dat alle „netwerkelementen van grensoverschrijdende relevantie voor kostendeling in aanmerking komen”.

67 De „netwerkelementen van grensoverschrijdende relevantie” worden in de betwiste kostendelingsmethodologie in artikel 2, lid 2, onder j), gedefinieerd als „netwerkelementen [...] waarvan is vastgesteld dat zij van grensoverschrijdende relevantie zijn en waar inbreuken op de operationele veiligheid op gecoördineerde wijze moeten worden aangepakt”.

68 In dit verband blijkt uit de punten 106 tot en met 110 van de bestreden beslissing – en zijn partijen het er bovendien over eens – dat het begrip „netwerkelementen van grensoverschrijdende relevantie” in dezelfde zin moet worden opgevat als de definitie in artikel 5 van de methodologie voor gecoördineerde redispatching en compensatiehandel in de CORE-regio (RDCT) overeenkomstig artikel 35, lid 1, van verordening 2015/1222, vastgesteld bij besluit 35/2020 van ACER van 4 december 2020 betreffende de methodologie voor gecoördineerde redispatching en compensatiehandel in de CORE-regio (hierna: „RDCT-methodologie), en artikel 5 van de methodologie voor de regionale coördinatie van de operationele veiligheid in de CORE-regio overeenkomstig artikel 76, lid 1, van verordening (EU) 2017/1485 van de Commissie van 2 augustus 2017 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende het beheer van elektriciteitstransmissiesystemen (PB 2017, L 220, blz. 1), vastgesteld bij besluit nr. 33/2020 van ACER van 4 december 2020 betreffende de methodologie voor de regionale coördinatie van de operationele veiligheid in de CORE-regio (hierna: „ROSC-methodologie”).

69 Het begrip „netwerkelementen van grensoverschrijdende relevantie” ziet dus zowel op alle kritische netwerkelementen, overeenkomstig artikel 5, lid 1, en artikel 7 van de gemeenschappelijke methoden voor de berekening van de day-ahead- en intradaycapaciteit, vastgesteld bij besluit nr. 02/2019 van ACER van 21 februari 2019 betreffende voorstellen van de TSB’s in de CORE-regio met betrekking tot gemeenschappelijke methodologieën voor de berekening van day-ahead- en intradaycapaciteit (hierna: „CCM-methodologieën”), namelijk, momenteel, interconnectoren en interne netwerkelementen bepaald door TSB’s met een vermogensoverdrachtverdelingsfactor, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 22, van verordening (EU) nr. 543/2013 van de Commissie van 14 juni 2013 betreffende de toezending en publicatie van gegevens inzake de elektriciteitsmarkten en houdende wijziging van bijlage I bij verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2013, L 163, blz. 1), gelijk aan of groter dan 5 %, als op, in principe, alle interne netwerkelementen met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 220 kV.

70 Een „kritisch netwerkelement” is overeenkomstig de definitie in artikel 2, punt 69, van verordening 2019/943 „een netwerkelement, binnen een biedzone, dan wel tussen biedzones, waarbij in het [proces voor de berekening van de zoneoverschrijdende capaciteit] rekening wordt gehouden om de hoeveelheid elektriciteit die [tussen zones] kan worden uitgewisseld, te beperken”.

71 Kritische netwerkelementen zijn dus ofwel interconnectoren ofwel interne elementen met een vermogensoverdrachtverdelingsfactor van 5 % of meer. Voor de toepassing van de betwiste kostendelingsmethodologie moet onder „netwerkelementen van grensoverschrijdende relevantie” worden verstaan kritische netwerkelementen en interne netwerkelementen met een spanningsniveau van 220 kV of meer.

72 Verder moet met betrekking tot het begrip „redispatching en compensatiehandel van grensoverschrijdende relevantie” worden opgemerkt dat artikel 3, lid 1, van de betwiste kostendelingsmethodologie preciseert dat deze bepaling ziet op redispatching- en compensatiehandelactiviteiten van grensoverschrijdende relevantie die worden geïdentificeerd door de RDCT-methodologie en door de ROSC-methodologie.

73 Hieruit volgt, zoals partijen hebben bevestigd, dat in de zin van de betwiste kostendelingsmethodologie, redispatching- en compensatiehandelactiviteiten van grensoverschrijdende relevantie in beginsel alle redispatching- en compensatiehandelactiviteiten zijn die erop gericht zijn de congestie op netwerkelementen van grensoverschrijdende relevantie te verlichten.

Analyse van het toepassingsgebied

– Omvang van het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie

74 Volgens verzoeksters mogen de kosten van remediërende maatregelen die worden toegeschreven aan interne netwerkelementen die geen kritische netwerkelementen zijn, niet in aanmerking worden genomen bij de verdeling.

75 Verzoeksters betogen in het bijzonder dat de aan de niet-kritische netwerkelementen toegerekende kosten moeten worden uitgesloten, aangezien het bij de congesties op die elementen gaat om „interne” congesties, die niet onder de definitie van „zoneoverschrijdende” congestie valt.

76 Derhalve moet worden onderzocht of verzoeksters op goede gronden aanvoeren dat de toewijzing van de kosten van de remediërende maatregelen moet worden beperkt tot de kritische netwerkelementen, zoals deze blijken uit de CCM-methodologieën, aangezien dit de elementen zijn die volgens artikel 2, punt 69, van verordening 2019/943 „de hoeveelheid elektriciteit die kan worden uitgewisseld [...] beperken”. Daarom is alleen congestie op die elementen „zoneoverschrijdende congestie” in de zin van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943.

77 Ten eerste moet worden onderzocht of de kritische netwerkelementen de enige zijn die van „grensoverschrijdende relevantie” zijn in de zin van artikel 74, lid 2, van verordening 2015/1222.

78 Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 74, lid 2, van verordening 2015/1222 de betwiste kostendelingsmethodologie „kostendelingsoplossingen voor acties van grensoverschrijdende relevantie [omvat]”. Daarnaast schrijft artikel 74, lid 4, onder b), van deze verordening voor dat in de betwiste kostendelingsmethodologie wordt bepaald „welke kosten, opgelopen door het gebruik van redispatching of compensatiehandel om de vastheid van de zoneoverschrijdende capaciteit te waarborgen, in aanmerking komen voor kostendeling tussen alle TSB’s van een capaciteitsberekeningsregio”, hier dus de CORE-regio.

79 Om vast te stellen of de betwiste kostendelingsmethodologie, zoals bevestigd in de bestreden beslissing, verenigbaar is met artikel 74, lid 2, van verordening 2015/1222, moet dus worden nagegaan in welke mate de remediërende maatregelen – waarvan die methodologie de kosten beoogt te verdelen – bedoeld zijn om de vastheid van de zoneoverschrijdende capaciteit te waarborgen.

80 Het is echter belangrijk eraan te herinneren dat verordening 2015/1222 een uitvoeringshandeling is van verordening 2019/943, zoals blijkt uit artikel 18, lid 5, van verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1228/2003 (PB 2009, L 211, blz. 15), die later vervangen is door verordening 2019/943. Verordening 2019/943 is dus een hiërarchisch hogere rechtsnorm die dateert van na verordening 2015/1222. Tenzij de betekenis ervan duidelijk en ondubbelzinnig is en derhalve geen uitlegging behoeft, moeten de bepalingen van een uitvoeringsverordening indien mogelijk worden uitgelegd in overeenstemming met de bepalingen van de basisverordening (arrest van 28 februari 2017, Canadian Solar Emea e.a./Raad, T‑162/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:124, punt 150). Artikel 74 van verordening 2015/1222 moet dus worden uitgelegd overeenkomstig artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943.

81 In dit verband moet erop worden gewezen dat artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 noch de netwerkelementen definieert waarop remediërende maatregelen ter vermindering van de zoneoverschrijdende congestie moeten worden uitgevoerd, noch de netwerkelementen waarop de kosten van remediërende maatregelen ter vermindering van de zoneoverschrijdende congestie moeten worden toegerekend.

82 Evenzo wordt in artikel 2, punt 4, van verordening 2019/943 niet gespecificeerd op welke netwerkelementen er fysieke congesties optreden, met inbegrip van congesties die verband houden met zoneoverschrijdende handel.

83 Artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 verwijst echter naar de kosten van remediërende maatregelen die door TSB’s worden geactiveerd om zoneoverschrijdende handel te garanderen en vereist vervolgens de toewijzing van de kosten daarvan tussen TSB’s naargelang van de mate waarin stromen als gevolg van transacties binnen de zones bijdragen aan de congestie tussen twee zones.

84 Daarom moet, overeenkomstig het doel van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, worden vastgesteld welke congesties op gecoördineerde wijze moeten worden verlicht om zoneoverschrijdende handel te waarborgen, wat het vervolgens, overeenkomstig de punten 79 en 80 hierboven, mogelijk zal maken om vast te stellen of de remediërende maatregelen waarnaar in de betwiste kostendelingsmethodologie wordt verwezen, bedoeld zijn om „de vastheid van de zoneoverschrijdende capaciteit te waarborgen” in de zin van artikel 74, lid 4, onder b), van verordening 2015/1222.

85 Ten tweede is het belangrijk om te benadrukken dat – om een dergelijke analyse uit te voeren teneinde te bepalen welke remediërende maatregelen de zoneoverschrijdende handel waarborgen en dus onder de kostendeling vallen – het noodzakelijk is de rol van de remediërende maatregelen te verduidelijken in de context van het proces voor de berekening van de zoneoverschrijdende capaciteit, zoals uiteengezet in de CCM-methodologieën, alsook in de context van het proces van de beoordeling van de regionale operationele veiligheid, zoals vastgesteld door de ROSC-methodologie, overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 (hierna: „CROSA-proces”).

86 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het proces voor de berekening van de zoneoverschrijdende capaciteit twee dagen vóór de levering van de elektriciteit begint en dient om te bepalen hoeveel energie er tussen zones kan worden uitgewisseld binnen de operationele veiligheidslimieten.

87 Het capaciteitsberekeningsproces wordt alleen uitgevoerd met betrekking tot kritische netwerkelementen. Enerzijds kunnen de TSB’s, voordat de markt wordt geopend, de hoeveelheid energie die door de deelnemers kan worden uitgewisseld, beperken om te voldoen aan de operationele veiligheidslimieten. Anderzijds wordt in dit proces ook gebruikgemaakt van remediërende maatregelen, zoals redispatching en compensatiehandel. Deze remediërende maatregelen – die kunnen worden geactiveerd om de beschikbare zoneoverschrijdende capaciteit overeenkomstig artikel 16, lid 4, van verordening 2019/943 te maximaliseren – worden door de TSB’s overwogen, maar zijn nog niet geactiveerd.

88 Dit komt omdat er geen remediërende actie wordt geactiveerd bij het berekenen van de zoneoverschrijdende capaciteit en er geen kosten worden gemaakt.

89 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de dure remediërende maatregelen van redispatching en compensatiehandel, die het voorwerp zijn van het huidige geschil, alleen plaatsvinden in de context van het CROSA-proces, dat nauw verband houdt met de berekening van de zoneoverschrijdende capaciteit.

90 Overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder b), iii), van verordening 2017/1485, waarin de gecoördineerde voorbereiding van remediërende maatregelen van grensoverschrijdende relevantie wordt geregeld, en zoals weergegeven in artikel 3, lid 2, onder b), van de veiligheidsmethodologie (ROSC), bestaat het doel van het CROSA-proces erin om remediërende maatregelen van grensoverschrijdende relevantie te coördineren, te valideren en uit te voeren. Zoals blijkt uit de artikelen 5 en 9 van voornoemde ROSC-methodologie, zijn remediërende maatregelen van grensoverschrijdende relevantie alle maatregelen die minstens soms in staat zijn om schendingen van de huidige stroomlimieten op netwerkelementen van grensoverschrijdende relevantie aan te pakken, dit wil zeggen in principe alle kritische netwerkelementen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de grensoverschrijdende capaciteit, en alle andere netwerkelementen met een spanning van 220 kV of meer.

91 Evenzo garandeert het CROSA-proces volgens overweging 12 en artikel 5, lid 1, van de ROSC-methodologie in principe de operationele veiligheid van alle netwerkelementen met een spanning groter dan of gelijk aan 220 kV nadat de marktresultaten en de toewijzing van zoneoverschrijdende capaciteit bekend zijn. Op dat moment beschikken de TSB’s over gedetailleerde informatie over de energie die in het net zal worden geïnjecteerd of eraan zal worden onttrokken.

92 Het CROSA-proces begint met de beoordeling van de plaatselijke operationele veiligheid, uitgevoerd door elke TSB in zijn netwerk, in overeenstemming met artikel 13 en artikel 14, lid 1, van de ROSC-methodologie, die leidt tot de creatie, door elke TSB, van een individueel netwerkmodel.

93 Vervolgens worden de individuele netwerkmodellen overeenkomstig artikel 18 van de ROSC-methodologie aan de regionale coördinatoren verstrekt en door hen samengevoegd met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschappelijk netwerkmodel voor alle uren van de dag, dat bestaat uit „een voor de gehele Unie geldende reeks gegevens [...] die de [...] kenmerken van het elektriciteitssysteem [...] omschrijven”, overeenkomstig artikel 2, punt 2, van verordening 2015/1222.

94 Wanneer de stroom in een netwerkelement de maximumstroom overschrijdt, moeten remediërende maatregelen worden voorbereid en uitgevoerd om te voldoen aan de operationele veiligheidslimieten.

95 Zoals blijkt uit overweging 10 van de ROSC-methodologie, is de optimalisatie van de remediërende maatregelen een onderdeel van het CROSA-proces.

96 Meer specifiek houdt deze optimalisatie binnen het CROSA-proces, beschreven in artikel 2, lid 1, onder p), van de ROSC-methodologie, in dat tijdens elke iteratie concreet wordt bepaald welke congestie op welk netwerkelement, kritisch of niet-kritisch, op een gecoördineerde manier moet worden beheerd.

97 Zo wordt in het gemeenschappelijke netwerkmodel voor elk uur vastgesteld welke van de voor de TSB’s beschikbare remediërende maatregelen de meest efficiënte en kostenefficiënte oplossing biedt, overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder b), iii), van verordening 2017/1485, en die alle congesties op alle interconnectoren en op alle interne netwerkelementen met een spanning van 220 kV of meer in het gemeenschappelijke netwerkmodel kan oplossen zonder nieuwe congesties te creëren, in overeenstemming met de artikelen 20, 23 en 24 en artikel 27, lid 1, van de ROSC-methodologie.

98 Ten derde moet in het licht van het voorgaande worden onderzocht of, zoals verzoeksters hebben opgemerkt, alleen de kosten van de remediërende maatregelen op kritische netwerkelementen (en dus alleen de interconnecties of de interne netwerkelementen met een vermogensoverdrachtverdelingsfactor van 5 % of meer) moeten worden opgenomen in het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie. Daartoe moet, zoals betoogd in punt 84 hierboven, worden bepaald welke congesties op gecoördineerde wijze moeten worden verlicht om de zoneoverschrijdende handel te waarborgen.

99 In dit verband kan, in de eerste plaats, het loutere feit dat in het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie kosten worden opgenomen die worden veroorzaakt door congesties op netwerkelementen met een spanning gelijk aan of groter dan 220 kV, niet in strijd zijn met artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, aangezien deze bepaling enkel inhoudt dat wordt vastgesteld welke congesties op gecoördineerde wijze moeten worden verlicht om de zoneoverschrijdende handel te waarborgen.

100 In de tweede plaats mag de TSB maximaal 30 % van de capaciteit van elk kritisch netwerkelement gebruiken om congesties op dat netwerkelement te verlichten, mits overeenkomstig artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), van verordening 2019/943, 70 % van die capaciteit beschikbaar blijft voor zoneoverschrijdende handel, zoals bepaald in artikel 16, leden 1 en 8, van verordening 2019/943.

101 Het feit dat congesties kunnen worden verlicht door tot 30 % van de capaciteit van een subgroep netwerkelementen te gebruiken, betekent echter niet dat alleen de kosten van de op deze subgroep uitgevoerde remediërende maatregelen moeten worden gedeeld.

102 In de derde plaats is het belangrijk om op te merken dat de vastheid van de minimumcapaciteit van 70 % van elk kritisch netwerkelement op de meest effectieve manier wordt gewaarborgd door de optimalisatie van de remediërende maatregelen die worden geactiveerd in alle netwerkelementen met een spanning gelijk aan of groter dan 220 kV. Deze optimalisatie van de remediërende maatregelen op al deze elementen verwezenlijkt dus de doelstellingen van verordening 2019/943, met name het afgeven van signalen door de markt voor meer efficiëntie en voorzieningszekerheid, overeenkomstig artikel 1, onder a), van verordening 2019/943.

103 Deze optimalisatie helpt de kosten van remediërende maatregelen te verlagen, waardoor de vermindering van de zoneoverschrijdende capaciteit wordt beperkt, zoals bepaald in artikel 16, lid 4, van verordening 2019/943.

104 In de vierde plaats moeten – wanneer de door een TSB geactiveerde remediërende maatregelen met betrekking tot interne netwerkelementen die niet-kritisch zijn, deel uitmaken van de optimale oplossing die nodig is om ook congesties op kritische netwerkelementen te beperken – de kosten met betrekking tot eerstgenoemde elementen op dezelfde wijze over de TSB’s worden omgeslagen als de kosten met betrekking tot laatstgenoemde elementen. Bijgevolg zou het niet opnemen van netwerkelementen met een spanning van 220 kV of meer in het toepassingsgebied van de kostendelingsmethodologie leiden tot een ongerechtvaardigde beperking, met name in het licht van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, dat vereist dat alle kosten van de remediërende maatregelen die worden geactiveerd om congestie tussen zones op te lossen, worden verdeeld, met uitzondering van de kosten van de stromen die wel bijdragen aan de congestie tussen twee biedzones maar het tolerantieniveau niet overschrijden.

105 Als de kostendeling beperkt zou blijven tot kritische netwerkelementen, zou deze willekeurig worden, aangezien de kosten voor congestiebeheer verschillend zouden worden verdeeld afhankelijk van het element waarop remediërende maatregelen werden geactiveerd. Zoals ACER terecht opmerkt, zou dit leiden tot discriminatie tussen de verschillende netwerkelementen en dus tussen de TSB’s die eigenaar zijn van die elementen, wat niet is voorzien in de betrokken regelgeving.

106 Bijgevolg kunnen de stromen als gevolg van interne transacties die bijdragen aan de congestie tussen twee biedzones, zoals omschreven in artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, en die de zoneoverschrijdende capaciteit in kritische netwerkelementen verminderen, bij de kostenverdeling niet verschillend worden behandeld wanneer deze stromen door niet-kritische netwerkelementen lopen. De remediërende maatregelen die op deze twee groepen van elementen worden geactiveerd, zijn geoptimaliseerd om congestieproblemen op te lossen.

107 In de vijfde plaats kunnen remediërende maatregelen die worden geactiveerd op niet-kritische netwerkelementen soms congesties op kritische netwerkelementen oplossen, zoals ACER heeft opgemerkt in antwoord op de vragen van het Gerecht.

108 Daarom moeten, wanneer die remediërende maatregelen kunnen helpen om dergelijke congesties op kritische netwerkelementen op te lossen, de kosten ervan worden gedeeld op grond van het beginsel „de vervuiler betaalt”. Indien zij daarentegen op een bepaald moment niet kunnen helpen om congestie op kritische netwerkelementen op te lossen, betekent dit niet dat de elementen waarop de remediërende maatregelen worden geactiveerd, niet langer verband houden met zoneoverschrijdende handel. Enerzijds zijn deze remediërende maatregelen immers niettemin gekozen in het kader van het CROSA-proces, rekening houdend met andere congesties en remediërende maatregelen, om de optimale oplossing op regionaal niveau te vinden. Anderzijds is deze congestie, doordat zij wordt veroorzaakt door een grensoverschrijdende stroom, meer bepaald een lusstroom, van grensoverschrijdende relevantie.

109 Bovendien moeten op een door concurrentie gekenmerkte open markt – zoals in overweging 35 van verordening 2019/943 staat te lezen – de TSB’s een vergoeding ontvangen voor de kosten in verband met het via hun systemen lopen van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen en wel van de beheerders van die transmissiesystemen waarvan de grensoverschrijdende stromen afkomstig zijn en van de systemen waar die stromen eindigen.

110 De remediërende maatregelen met betrekking tot alle netwerkelementen die deel uitmaken van het CROSA-proces, zijn dus potentieel relevant voor de zoneoverschrijdende handel, overeenkomstig artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, los van hun vermogensoverdrachtverdelingsfactor, aangezien dit begrip is overgenomen in de CCM-methodologieën, die niet bepalend kan zijn voor de toewijzing van de kosten overeenkomstig artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943.

111 In elk geval moet worden opgemerkt dat indien de TSB’s vaststellen dat een niet-kritisch netwerkelement met een spanning gelijk aan of hoger dan 220 kV in geen geval nuttig kan zijn om de regionale veiligheid te verzekeren en om de vastheid van de toegewezen zoneoverschrijdende capaciteit te verzekeren, zij dit element kunnen uitsluiten van het CROSA-proces, in overeenstemming met artikel 5, lid 1, onder b), en artikel 7, lid 3, onder b), van de ROSC-methodologie, en bijgevolg van de kostentoewijzing.

112 In de zesde plaats, met betrekking tot overweging 12 van verordening 2015/1222, die coördinatie tussen grensoverschrijdende en interne remediërende maatregelen vereist, moet worden opgemerkt dat alle remediërende maatregelen in het kader van het CROSA-proces van grensoverschrijdende relevantie zijn, terwijl alle andere remediërende maatregelen intern zijn. Het CROSA-proces zorgt dus voor coördinatie met de interne remediërende maatregelen en waarborgt de veiligheid van de „interne” netwerkelementen.

113 Zonder gecoördineerd beheer door het CROSA-proces zou het risico bestaan dat de operationele veiligheid in het gedrang komt, waardoor de zoneoverschrijdende handel in gevaar zou komen. Benadrukt moet immers worden dat de werking van het net een noodzakelijke voorwaarde is voor energievoorzieningszekerheid, aangezien elektriciteit de burgers van de Unie slechts kan bereiken via het net, overeenkomstig overweging 2 van verordening 2015/1222.

114 Met „zoneoverschrijdende” congesties wordt dus verwezen naar alle congesties in de CORE-regio die momenteel op gecoördineerde wijze wordt beheerd in het kader van het CROSA-proces. Bijgevolg moet het beginsel „de vervuiler betaalt” worden toegepast op de kosten van dit gecoördineerde beheer.

115 Er moet worden benadrukt dat de coördinatie en kostentoewijzing niet afhangen van het feit of er op een bepaald moment een bepaalde uitwisseling of toewijzing van stroom is op een netwerkelement, omdat alle remediërende maatregelen die worden geactiveerd op alle netwerkelementen, kritisch en niet-kritisch, met een spanning gelijk aan of groter dan 220 kV, potentieel bijdragen tot het vergemakkelijken van zoneoverschrijdende handel, hoewel hun werkelijke bijdrage aan het vergemakkelijken van uitwisselingen kan variëren, in het bijzonder afhankelijk van netwerktopologie, marktomstandigheden en bepaalde productie- en verbruiksschema’s. Bijgevolg is het niet mogelijk om van meet af aan de netwerkelementen met een spanning gelijk aan of hoger dan 220 kV uit te sluiten van het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie.

116 In de zevende plaats werden, zoals blijkt uit punt 167 van de bestreden beslissing, en zonder dat dit door partijen wordt betwist, netwerkelementen met een spanning gelijk aan of groter dan 220 kV geacht van grensoverschrijdende relevantie te zijn voor zover deze elementen niet structureel overbelast zouden zijn bij afwezigheid van energie-uitwisselingen. Bovendien waren, zoals uit dat punt blijkt, alle TSB’s in de CORE-regio in de toelichting op de ROSC-methodologie van mening dat deze elementen het meest relevant waren voor het CROSA-proces.

117 In dit verband blijkt uit bladzijde 8 van de toelichting op de ROSC-methodologie – waarover partijen ter terechtzitting overigens opmerkingen hebben kunnen maken – dat de TSB’s van mening waren dat de meest relevante netwerkelementen voor het CROSA-proces netwerkelementen met een spanning van 220 kV en 380 kV waren, „aangezien deze elementen [werden] gebruikt om de handel in energie tussen biedzones in het Europese energiesysteem te vergemakkelijken”.

118 In de toelichting op de ROSC-methodologie leggen de TSB’s uit dat netwerkelementen met een spanning van 220 kV of meer de handel in energie tussen biedzones in het Europese energiesysteem vergemakkelijken. De TSB’s hebben echter niet aangetoond welke elementen in aanmerking moeten worden genomen bij de toewijzing van de kosten van de remediërende maatregelen.

119 Bovendien werd in de CORE-regio voor het spanningsniveau van 220 kV gekozen vanwege het bijzonder dichte netwerk, hoewel artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 niet verhinderde dat andere oplossingen werden gekozen, zoals tijdens ter terechtzitting is verduidelijkt.

120 Daarnaast zijn partijen het erover eens dat kostendeling in deze context noodzakelijk is om een geïntegreerde elektriciteitsmarkt op Europees niveau tot stand te brengen.

121 A fortiori is het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie niet geografisch afgebakend en kan het niet worden beperkt tot netwerkelementen die zich op de grens tussen twee biedzones bevinden, of zelfs tot interconnecties die de netwerken van lidstaten met elkaar verbinden. Daarentegen vereist artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, zoals opgemerkt in punt 84 hierboven, dat wordt vastgesteld welke congesties op gecoördineerde wijze moeten worden verlicht om de zoneoverschrijdende handel te waarborgen.

122 Gelet op het voorgaande voeren verzoeksters ten onrechte aan dat de bestreden beslissing in strijd is met artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, aangezien alleen kritische netwerkelementen in de kostendeling mogen worden opgenomen.

123 In de CORE-regio komen alle congesties die worden verlicht door de remediërende maatregelen die zijn geactiveerd in overeenstemming met de ROSC-methodologie, zoals vastgesteld bij besluit nr. 33/2020 van ACER en bevestigd bij de bestreden beslissing, overeen met „congesties tussen [zones]” als bedoeld in artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943.

124 Tevens moet worden vastgesteld dat in de CORE-regio alle remediërende maatregelen die worden geactiveerd in overeenstemming met de ROSC-methodologie, zoals vastgesteld bij besluit nr. 33/2020, meehelpen om de vastheid van de zoneoverschrijdende capaciteit te waarborgen, overeenkomstig artikel 74, lid 4, onder b), van verordening 2015/1222.

125 De bestreden beslissing kan derhalve evenmin worden geacht in strijd te zijn met artikel 74 van verordening 2015/1222, uitgelegd overeenkomstig artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943. De raad van beroep heeft het beroep tegen de betwiste kostendelingsmethodologie dan ook terecht verworpen.

126 De argumenten die verzoeksters tegen de bestreden beslissing aanvoeren, kunnen aan deze gevolgtrekking niet afdoen.

127 Ten eerste is het juist dat, zoals verzoeksters stellen, de TSB’s wettelijk verplicht zijn om de operationele veiligheid te garanderen, ongeacht de eventuele toewijzing van de kosten. Niettemin moet worden vastgesteld dat het congestiebeheer op alle elementen met een spanning gelijk aan of groter dan 220 kV noodzakelijkerwijs coördinatie tussen alle TSB’s vereist en dat de kosten met betrekking tot deze coördinatie tussen hen moeten worden verdeeld, teneinde de TSB’s te compenseren voor al de interventies die zij moeten doen om de zoneoverschrijdende handel te verzekeren.

128 Wat ten tweede het argument van verzoeksters betreft dat een congestie op een niet-kritisch netwerkelement een „zuiver interne” congestie is waarvan de kosten niet kunnen worden toegewezen op grond van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, moet worden benadrukt dat in het kader van de toepassing van de betwiste kostendelingsmethodologie de enige hypothese waarin de kosten van de niet-kritische netwerkelementen overeenkomstig deze bepaling worden verdeeld, is wanneer de congestie op deze elementen wordt veroorzaakt door lusstromen zoals beschreven in punt 61 hierboven, die het in artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 genoemde tolerantieniveau overschrijden.

129 Volgens overweging 6 van de betwiste kostendelingsmethodologie zijn de lusstromen die het tolerantieniveau overschrijden, de belangrijkste factor in congesties waarvoor kostendeling wordt toegepast. Dit volgt uit de vaststelling dat de door interne stromen veroorzaakte congesties worden gedragen door de eigenaar van het overbelaste netwerkelement, terwijl, zoals duidelijk blijkt uit artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, de kosten die worden veroorzaakt door stromen als gevolg van interne transacties die bijdragen aan de congestie tussen twee biedzones, evenredig over de TSB’s moeten worden verdeeld.

130 Een lusstroom is een „grensoverschrijdende stroom” in de zin van artikel 2, punt 3, van verordening 2019/943, te weten een „fysieke stroom van elektriciteit op een transmissienet van een lidstaat die het gevolg is van de invloed van de activiteit van producenten, afnemers, of beide, buiten die lidstaat op zijn transmissienetwerk”, die niet beperkt is tot kritische netwerkelementen.

131 Bijgevolg kan een congestie die wordt veroorzaakt door een grensoverschrijdende stroom, zoals een lusstroom, niet worden aangemerkt als „zuiver interne” congestie die buiten de werkingssfeer van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 zou vallen.

132 Als de congestie op een niet-kritisch netwerkelement uitsluitend wordt veroorzaakt door interne stromen, worden de kosten van remediërende maatregelen om deze congestie op te heffen bovendien hoe dan ook gedragen door de eigenaar van dat netwerkelement, in overeenstemming met artikel 76, lid 1, onder b), v), van verordening 2017/1485. Anders dan verzoeksters stellen, blijft het beginsel „de vervuiler betaalt” dus de uitzondering op de regel, aangezien dit beginsel de facto alleen van toepassing is op lusstromen die het tolerantieniveau overschrijden, terwijl het beginsel „de eigenaar betaalt” ook van toepassing is op andere stromen, zoals lusstromen die het tolerantieniveau niet overschrijden en interne stromen.

133 Voorts is een congestie die geen congestie „tussen zones” is in de zin van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, de congestie die voorkomt op de netwerkelementen die zijn uitgesloten van de regionale coördinatie van de operationele veiligheid, hetzij omdat dit is besloten door de TSB’s, hetzij omdat het gaat om elementen die van meet af aan zijn uitgesloten van de coördinatie van de remediërende maatregelen, namelijk de netwerkelementen met een spanning van minder dan 220 kV.

134 Ten derde moet worden opgemerkt dat de enige uitzondering op de in artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 opgenomen regel dat de kosten voor remediërende maatregelen met betrekking tot stromen als gevolg van interne transacties die bijdragen aan de congestie tussen twee biedzones moeten worden omgeslagen, de uitzondering is met betrekking tot de genoemde stromen die het tolerantieniveau niet overschrijden, waarvoor de kosten moeten worden gedragen door de eigenaar van het overbelaste netwerkelement.

135 In dit verband zij erop gewezen dat, anders dan verzoeksters stellen, de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om een groep netwerkelementen uit te sluiten van de kostentoewijzing, aangezien hij in artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 heeft voorzien in de verdeling van de kosten die het gevolg zijn van de gecoördineerde opheffing van congestie tussen zones.

136 Evenzo is het feit dat artikel 76, lid 1, onder b), v), van verordening 2017/1485 voorziet in de mogelijkheid om andere methodologieën voor de toewijzing van kosten in verband met de verschillende in artikel 22 van die verordening bedoelde remediërende maatregelen vast te stellen, die in voorkomend geval de krachtens artikel 74 van verordening 2015/1222 ontwikkelde gemeenschappelijke methodologie aanvullen, niet relevant voor de uitlegging van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, en bovendien heeft deze bepaling een hogere rang.

137 Ten vierde kan niet worden ingestemd met het argument van verzoeksters dat het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie, zoals bevestigd door de bestreden beslissing, in strijd is met artikel 291 VWEU of van een rechtsgrondslag verstoken is omdat ACER de werkingssfeer waarin de wetgeving voorziet heeft uitgebreid.

138 Met name gecoördineerde remediërende maatregelen op netwerkelementen met een spanning van 220 kV of meer maken zoneoverschrijdende handel mogelijk, helpen de beperking van de zoneoverschrijdende capaciteit te voorkomen en waarborgen de vastheid van die capaciteit, overeenkomstig artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943.

139 Aangezien het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie in overeenstemming is met artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943, kan ACER ook niet worden verweten dat het het toepassingsgebied van de methodologie heeft verruimd tot buiten artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 door zich te beroepen op het beginsel „de vervuiler betaalt”.

140 Ten vijfde kan evenmin worden ingestemd met het argument dat de Bondsrepubliek Duitsland ter terechtzitting heeft aangevoerd inzake de ontstaansgeschiedenis van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 en dat inhoudt dat de wetgever de kosten als gevolg van de remediërende maatregelen die zijn genomen met betrekking tot de elementen binnen de zones, van de verdeling over de TSB’s heeft willen uitsluiten, toen hij weigerde om bij de formulering van die bepaling de zinssnede „congestie tussen twee biedzones” te vervangen door de zinssnede „de congestie tussen en binnen biedzones”.

141 Los van de vraag of de Bondsrepubliek Duitsland zich op documenten betreffende de wetgevingstrialoog kan baseren om de wil van de wetgever ten tijde van de vaststelling van artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 aan te tonen, volstaat in dit verband de vaststelling dat de eventuele weigering om congesties binnen een zone uitdrukkelijk op te nemen, niet doorslaggevend is voor de vraag welke elementen in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling welke factoren er allemaal bijdragen aan congesties „tussen twee zones”.

142 Zoals blijkt uit de punten 81 tot en met 84 en 135 hierboven, definieert artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 niet over welke netwerkelementen de kosten van remediërende maatregelen ter opheffing van congesties tussen zones moeten worden verdeeld, wat niet impliceert dat de wetgever een groep netwerkelementen van de kostendeling heeft willen uitsluiten.

143 Bijgevolg moeten de argumenten van verzoeksters dat „niet-kritische” interne netwerkelementen moeten worden uitgesloten van de betwiste kostendelingsmethodologie als bedoeld in artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 en artikel 74 van verordening 2015/1222, worden verworpen.

– Stimulansen die voortvloeien uit de opname van niet-kritische netwerkelementen in het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie

144 Met betrekking tot het argument van verzoeksters inzake de beweerdelijk onjuiste stimulansen die worden gegeven door netwerkelementen met een spanning van 220 kV of meer op te nemen in het toepassingsgebied van de betwiste kostendelingsmethodologie, zij eraan herinnerd dat artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 de TSB’s ertoe verplicht de kosten te dragen van remediërende maatregelen met betrekking tot stromen als gevolg van interne transacties die wel bijdragen tot de congestie tussen twee biedzones maar het tolerantieniveau niet overschrijden. Dit moedigt TSB’s aan om hun netten zodanig te ontwikkelen dat ze dergelijke stromen aankunnen wanneer deze het tolerantieniveau niet overschrijden, dat overeenkomt met het niveau van lusstromen dat wordt verwacht zonder structurele congestie in een biedzone.

145 Het relevante wettelijke kader verplicht de TSB’s echter niet om hun netten zodanig te ontwikkelen dat ze lusstromen boven het in punt 144 hierboven genoemde tolerantieniveau aankunnen. Door hun aard zijn deze stromen onvoorzien en onvoorspelbaar en de TSB die ze ontvangt heeft er geen invloed op.

146 Op dit punt moet worden opgemerkt dat, zoals aangegeven in overweging 27 van verordening 2019/943, het beperken van de effecten van lusstromen en interne congesties op de grensoverschrijdende handel, een van de belangrijkste doelstellingen van de Europese wetgever was bij het vaststellen van dat regelgevingskader.

147 Evenzo wordt op bladzijde 59 van de effectbeoordeling van de Commissie van 30 november 2016, die is uitgevoerd in het kader van de voorbereiding van het wetgevingspakket energie [SWD(2016) 410], gesteld dat lusstromen de zoneoverschrijdende capaciteit kunnen verminderen en kunnen leiden tot dure redispatching buiten de markt om en tot aanzienlijke prijsverstoringen en investeringssignalen in naburige zones. Dit heeft een aanzienlijk verlies van welvaart tot gevolg.

148 Daarnaast zou de uitsluiting van niet-kritische netwerkelementen betekenen dat de TSB die de lusstromen afgeeft geen prikkel zou hebben om voldoende in zijn netwerk te investeren, aangezien hij niet de volledige kosten zou dragen van de remediërende maatregelen die nodig zijn om de door hem veroorzaakte congesties op te lossen. Alleen die TSB, die kennis heeft van en verantwoordelijk is voor zijn net, kan immers andere noodzakelijke maatregelen nemen, zoals de splitsing van de zone of investeringen in zijn net. In deze context moet eraan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943 elke TSB verantwoordelijk is voor zijn netwerk en dat zijn interne problemen bijgevolg niet ten laste mogen komen van naburige TSB’s.

149 Indien elk van de twee verantwoordelijke naburige TSB’s zou worden aangemoedigd om in zijn eigen netwerk te investeren, om lusstromen te ontvangen of te verminderen, zou dit bovendien, bij gebrek aan onderlinge coördinatie tussen beide TSB’s, leiden tot overinvesteringen en een verkeerde toewijzing van middelen, zoals ACER terecht opmerkt in de punten 110 tot 115 van zijn verweerschrift.

150 In het licht van de beoordelingen hierboven moet worden opgemerkt dat verzoeksters in essentie verzoeken om te worden vrijgesteld van de kosten die zij veroorzaken voor andere TSB’s op de niet-kritische elementen van hun netten met lusstromen die het tolerantieniveau overschrijden, zelfs als de remediërende maatregelen op deze elementen helpen om de zoneoverschrijdende handel te waarborgen.

151 Een dergelijke aanpak zou ook in strijd zijn met het beginsel van energiesolidariteit, zoals uitgelegd door het Hof.

152 Het beginsel van energiesolidariteit brengt zowel voor de Unie als voor de lidstaten rechten en plichten mee, waarbij de Unie een solidariteitsverplichting jegens de lidstaten dient na te komen en de lidstaten zowel onderling solidair moeten zijn als zich solidair moeten tonen met het gemeenschappelijke belang van de Unie en met het door de Unie gevoerde beleid (arrest van 15 juli 2021, Duitsland/Polen, C‑848/19 P, EU:C:2021:598, punt 49).

153 In die omstandigheden zou het in strijd zijn met het beginsel van energiesolidariteit als TSB’s die lusstromen door andere biedzones transporteren de mogelijkheid hadden zich te onttrekken aan de kosten van de in het gemeenschappelijk belang geactiveerde remediërende maatregelen teneinde de zoneoverschrijdende capaciteit te optimaliseren, en tegelijkertijd zo efficiënt mogelijk de veiligheid van het netwerk te waarborgen, wat ten goede komt van alle TSB’s en dus ook van de elektriciteitsverbruikers.

154 Gelet op de overwegingen hierboven moet het eerste middel worden afgewezen.

Tweede middel: ontleding van stromen

155 Met hun tweede middel betogen verzoeksters dat de methode voor de ontleding van de stromen die in de betwiste kostendelingsmethodologie is gebruikt, en die in de bestreden beslissing is bevestigd, onwettig is.

156 Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen.

157 Met het eerste onderdeel stellen verzoeksters dat de gebruikte methode voor ontleding van de stromen, te weten de methode van het kleuren van stromen (Power Flow Colouring Method; hierna: „PFC-methode”), geen geschikte methode is, met als gevolg dat de toepassing ervan tot onjuiste resultaten leidt.

158 Met het tweede onderdeel bekritiseren verzoeksters in het bijzonder de behandeling van de netwerkelementen die dienen voor de transmissie van gelijkstroom.

Eerste onderdeel: ongeschiktheid van de PFC-methode

159 Met het eerste onderdeel van het tweede middel stellen verzoeksters dat de PFC-methode geen geschikte methode is om stromen te ontleden, aangezien zij onjuiste resultaten oplevert.

160 In dit verband brengen verzoeksters een groot aantal grieven naar voren, die worden ingedeeld in vier groepen.

161 Met de eerste groep grieven voeren verzoeksters aan dat de PFC-methode door haar opzet niet geschikt is om de stromen correct te ontleden.

162 Met de tweede groep grieven verwijten verzoeksters de raad van beroep dat hij de argumenten die zij tegen besluit nr. 30/2020 hadden aangevoerd, niet daadwerkelijk heeft onderzocht.

163 Met de derde groep grieven voeren verzoeksters aan dat de PFC-methode in verschillende opzichten tot onrealistische resultaten leidt.

164 Met de vierde groep grieven betogen verzoeksters dat de PFC-methode wegens de opzet ervan niet voldoet aan de gestelde juridische criteria.

165 ACER betwist de argumenten van verzoeksters.

– Opmerkingen vooraf

166 Het ontleden van stromen is een noodzakelijke stap bij het toewijzen van de kosten van remediërende maatregelen.

167 Het belang van de ontleding van de stromen is dat het de nodige inputgegevens oplevert voor de daaropvolgende toewijzing van de kosten. Als de ontleding van de stromen onjuist wordt uitgevoerd, heeft dit dus noodzakelijkerwijs gevolgen voor de resultaten van de kostentoewijzing.

168 Het doel van de ontleding van stromen is om de soorten stromen te identificeren die congesties op netwerkelementen veroorzaken.

169 Overeenkomstig artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 moet immers worden bepaald welke stromen bijdragen tot congestie tussen biedzones.

170 De verschillende „stromen”, zoals interne stromen of lusstromen, die moeten worden geïdentificeerd voor kostentoerekeningsdoeleinden, vertegenwoordigen de uiteenlopende herkomsten en bestemmingen van de onderdelen berekend op basis van een totale fysieke stroom, die als enige kan worden gemeten.

171 Het ontleden van stromen houdt dus in dat je de totale stroom in „onderdelen” verdeelt en de verhouding van deze onderdelen berekent.

172 Voor deze ontleding van de stromen wordt in de betwiste kostendelingsmethodologie gebruikgemaakt van de PFC-methode. Zoals blijkt uit het toelichtend document van 22 februari 2019 bij het voorstel voor de kostendelingsmethodologie van 27 maart 2019, werd deze methode voornamelijk ontwikkeld om consistent te blijven met het Europese zonale marktmodel en tegelijkertijd een volledige opdeling van de elektriciteitsstromen voor elk netwerkelement van het elektriciteitssysteem mogelijk te maken.

173 Tegen deze achtergrond voeren verzoeksters verschillende grieven aan tegen de bestreden beslissing, voor zover daarbij hun voor de raad van beroep aangevoerde argumenten zijn afgewezen.

– Motivering van de bestreden beslissing

174 Met het eerste onderdeel van hun tweede middel bekritiseren verzoeksters de PFC-methode met betrekking tot netwerkelementen die wisselstroom transporteren.

175 In een van de tegen de bestreden beslissing aangevoerde grieven bekritiseren verzoeksters in het bijzonder het feit dat de raad van beroep hun argumenten tegen de PFC-methode, die wordt gebruikt om de stromen te ontleden, niet naar behoren heeft onderzocht.

176 Volgens de rechtspraak mag de raad van beroep zich met betrekking tot ingewikkelde technische en economische beoordelingen vervat in een besluit van ACER niet beperken tot een toetsing van de vraag of er een kennelijke beoordelingsfout is begaan, maar moet hij op basis van de deskundigheid van zijn leden nagaan of met de voor hem aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat de overwegingen waarop dat besluit is gebaseerd, onjuist zijn (zie in die zin arrest van 18 november 2020, Aquind/ACER, T‑735/18, EU:T:2020:542, punt 69).

177 In dit verband zij eraan herinnerd dat de samenstelling van de raad van beroep voldoet aan de vereisten voor het kunnen verrichten van een volledige toetsing van de besluiten van ACER. Als van de leden van de raad van beroep wordt verlangd dat zij eerdere ervaring in de energiesector hebben, dan is dat omdat zij beschikken of moeten beschikken over de technische kennis die nodig is om beroepen grondig te kunnen behandelen. De Uniewetgever heeft de raad van beroep aldus willen voorzien van de nodige deskundigheid zodat deze raad zelf ingewikkelde technische en economische feiten op het gebied van energie zou kunnen beoordelen (arrest van 9 maart 2023, ACER/Aquind, C‑46/21 P, EU:C:2023:182, punten 63 en 64).

178 De vraag of de raad van beroep in casu haar toetsing aan de in punt 176 genoemde rechtspraak met de vereiste zorgvuldigheid heeft verricht, veronderstelt evenwel dat het Gerecht, met name gelet op de motivering van de bestreden beslissing, in staat is een dergelijke toetsing te verrichten. In deze context moet het Gerecht ambtshalve een middel inzake ontoereikende motivering van de bestreden beslissing opwerpen met betrekking tot het deel van de bestreden beslissing dat is gewijd aan de PFC-methode die is gebruikt om de stromen te ontleden.

179 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat een ontbrekende of ontoereikende motivering schending oplevert van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU en een middel van openbare orde vormt dat door de Unierechter ambtshalve kan en zelfs moet worden onderzocht (zie arrest van 9 maart 2023, Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie, C‑682/20 P, EU:C:2023:170, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

180 Gelet op het voorgaande zijn partijen in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van 5 mei 2023 door het Gerecht uitdrukkelijk verzocht om zich uit te spreken over „de toereikendheid van de motivering van het deel van de bestreden beslissing dat is gewijd aan het onderzoek van de kritiek van verzoeksters op de PFC-methode”.

181 Daarnaast is volgens vaste rechtspraak de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de context waarin deze is vastgesteld. De motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de maatregel teneinde hun rechten te kunnen verdedigen en te kunnen nagaan of de beslissing al dan niet gegrond is, en zodat de Unierechter zijn wettigheidstoetsing kan verrichten. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen van deze handeling, maar ook op de context waarin zij is vastgesteld en op het geheel van de rechtsregels die gelden voor de betreffende materie (arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 63, en 30 november 2011, Sniace/Commissie, T‑238/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:705, punt 37).

182 Met name is de instelling die de handeling heeft verricht niet verplicht een standpunt in te nemen ten aanzien van alle door de belanghebbenden aangedragen argumenten. Zij kan volstaan met een uiteenzetting van de feiten en de juridische overwegingen die in het bestek van haar handeling van wezenlijk belang zijn (zie arrest van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punt 96, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

183 Evenzo moet de toereikendheid van een motivering ook worden beoordeeld op basis van het belang dat de adressaten van de handeling kunnen hebben bij het ontvangen van uitleg. Bijgevolg is een bezwarende handeling toereikend gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een voor de betrokkene bekende context op basis waarvan hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

184 Er zij ten slotte aan herinnerd dat de verplichting om een handeling te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift vormt dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft. De motivering van een beslissing houdt immers in dat de gronden waarop deze beslissing berust formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten deze de inhoudelijke rechtmatigheid van de beslissing aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist. De grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van een bestreden handeling treffen derhalve geen doel in het kader van een middel betreffende een ontbrekende of ontoereikende motivering [zie in die zin arresten van 10 maart 2022, Commissie/Freistaat Bayern e.a., C‑167/19 P en C‑171/19 P, EU:C:2022:176, punt 77, en 13 mei 2020, Koenig & Bauer/EUIPO (we’re on it), T‑156/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:200, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

185 Aangezien de raad van beroep in casu overeenkomstig de in de punten 176 en 177 hierboven vermelde rechtspraak werd geacht besluit nr. 30/2020 volledig te onderzoeken, met inbegrip van de daarin vervatte beoordelingen betreffende ingewikkelde technische en economische feiten op het gebied van energie, zonder zich te kunnen beperken tot een toetsing van de vraag of er een kennelijke beoordelingsfout is begaan, moest de motivering van deze raad enerzijds de adressaat van de bestreden beslissing in staat stellen zijn rechten te verdedigen en na te gaan of deze beslissing al dan niet gegrond was, en anderzijds de Unierechter in staat stellen zijn toezicht uit te oefenen.

186 Zonder een toereikende motivering zouden verzoeksters en het Gerecht immers niet kunnen nagaan of de raad van beroep de voor hem aangevoerde argumenten daadwerkelijk overeenkomstig de in de punten 176 en 177 hierboven in herinnering gebrachte vereisten heeft onderzocht.

187 In het licht van deze overwegingen dient het middel te worden onderzocht dat het Gerecht ambtshalve heeft aangevoerd met betrekking tot de motivering van de bestreden beslissing wat de voor de ontleding van de stromen gebruikte PFC-methode betreft.

188 In hun beroep bij de raad van beroep hebben verzoeksters hun kritiek op besluit nr. 30/2020 uitvoerig uiteengezet. Ze stelden dat er een aantal ontwerpfouten in de PFC-methode zaten, waardoor deze foutieve resultaten opleverde.

189 In het bijzonder hebben verzoeksters kritiek geuit op de PFC-methode omdat deze geen rekening hield met de fysieke realiteit. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens het regelgevingskader een aanpak vereist was die trouw was aan de fysieke realiteit. Alleen een fysieke elektriciteitsstroom kan immers aanleiding geven tot congestie en de kostendelingsmethodologie kan bijgevolg de kosten van remediërende maatregelen alleen toewijzen aan stromen die daadwerkelijk bijdragen tot congestie. Verzoeksters betogen dat, wegens de „wet van de geringste weerstand” van Kirchhoff, elektriciteit wordt uitgewisseld via de kortste verbinding tussen het punt van opwekking en het punt van verbruik, ongeacht de grenzen van de biedzones en ongeacht wat de overeenkomsten inzake elektriciteitsuitwisselingen bepalen. De PFC-methode negeert dit wetenschappelijke feit echter en een uitwisseling van elektriciteit tussen een opwekkingspunt en een verbruikspunt in verschillende zones is alleen toegestaan indien, rekening houdend met alle geconsolideerde contractuele grensoverschrijdende uitwisselingen, de biedzone waarin het opwekkingspunt is gelegen een positieve nettopositie heeft en indien, rekening houdend met alle geconsolideerde contractuele grensoverschrijdende uitwisselingen, de biedzone waarin het verbruikspunt is gelegen een negatieve nettopositie heeft. De PFC-methode identificeert dus, afhankelijk van de nettopositie van de betrokken biedzones, interne stromen en lusstromen en geen grensoverschrijdende stromen. Bijgevolg heeft de PFC-methode, door geen rekening te houden met „natuurwetten”, de neiging om lusstromen te identificeren die in werkelijkheid niet bestaan. Ten slotte is de PFC-methode evenmin gerechtvaardigd door overwegingen in verband met de zonale configuratie van de elektriciteitsmarkt in de Unie.

190 Volgens de inhoudsopgave van de bestreden beslissing worden de door verzoeksters voor de raad van beroep opgeworpen vragen over de ontleding van stromen behandeld in het kader van het „derde geconsolideerde middel”, in de punten 407 tot en met 587 (blz. 61‑87) van de bestreden beslissing. In het kader van dit „derde geconsolideerde middel” hebben de punten 407 tot en met 551 (blz. 61‑81) van de bestreden beslissing betrekking op netwerkelementen die wisselstroom transporteren, hetgeen het eerste onderdeel van dit middel vormt, terwijl de punten 552 tot en met 587 (blz. 82‑87) van de bestreden beslissing betrekking hebben op netwerkelementen die gelijkstroom transporteren, hetgeen het tweede onderdeel van dit middel vormt.

191 De punten 588 tot en met 631 van de bestreden beslissing hebben daarentegen overeenkomstig de inhoudsopgave betrekking op het „vierde geconsolideerde middel”, betreffende de overschatting van lusstromen en interne stromen afkomstig van invoerende biedzones, dat, zoals blijkt uit de relevante punten van de bestreden beslissing, niet is aangevoerd door verzoeksters in de onderhavige zaak, maar door de verzoekende partij in de zaak Polskie sieci elektroenergetyczne/ACER (T‑484/21). In die omstandigheden hoeft voor het onderzoek naar de nakoming van de motiveringsplicht geen rekening te worden gehouden met de punten 588 tot en met 631 van de bestreden beslissing, tenzij in die punten wordt verwezen naar de punten 407 tot en met 551 van de bestreden beslissing.

192 Er moet echter worden vastgesteld dat de motivering in de punten 407 tot en met 551 van de bestreden beslissing weliswaar lang is maar niet voldoet aan de in de punten 181 tot en met 183 hierboven gestelde eisen.

193 Ten eerste toont het feit dat het onderzoek van het „derde geconsolideerde middel” ongeveer 150 punten van de bestreden beslissing in beslag neemt, op zich niet aan dat de argumenten die verzoeksters voor de raad van beroep hebben aangevoerd, nauwgezet en gedetailleerd zijn onderzocht. De lengte van dit deel van de bestreden beslissing is immers grotendeels te wijten aan de manier waarop die is opgesteld, waarbij hetzelfde onderwerp meermaals wordt behandeld in het licht van de verschillende aangevoerde rechtsbepalingen of feiten, wat talrijke kruisverwijzingen en herhalingen met zich brengt.

194 Ten tweede moet worden opgemerkt dat de raad van beroep zich in de bestreden beslissing in het algemeen herhaaldelijk heeft beperkt tot het doen van uitspraken van algemene aard, zonder daadwerkelijk in te gaan op de argumenten van verzoeksters, en zich vervolgens in het daaropvolgende onderzoek op diezelfde uitspraken heeft gebaseerd. De raad van beroep wekt dus de schijn van een omstandige redenering, zonder evenwel daadwerkelijk te antwoorden op de argumenten van verzoeksters.

195 Ten derde, wat meer bepaald de grief van verzoeksters betreft dat de PFC-methode de natuurwetten niet respecteert en dus leidt tot de identificatie van lusstromen die in feite niet bestaan, is de kern van de redenering van de raad van beroep uiteengezet in de punten 421 tot en met 461 van de bestreden beslissing, zoals ACER in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verklaard.

196 Vastgesteld moet echter worden dat de punten 421 tot en met 432 (blz. 65 en 66) van de bestreden beslissing, die staan onder de tussenkop 3.2 „Ontleding van stromen in de [betwiste kostendelingsmethodologie]”, wat het antwoord op de grieven van verzoeksters betreft, in punt 424 (blz. 65) beperkt blijven tot de opmerking dat „er verschillende methoden zijn om stromen te ontleden”.

197 De punten 433 tot en met 451 (blz. 66‑69) van de bestreden beslissing – die zijn opgenomen onder de tussenkop 3.3 „De PFC-methode houdt geen rekening met de elektrische afstand, creëert fictieve stromen en belemmert bijgevolg een redelijke toerekening van de kosten” – beperken zich wat het antwoord op de grieven van verzoeksters betreft tot enkele algemene en abstracte verklaringen, zonder echt in te gaan op de argumenten van verzoeksters.

198 In punt 437 (blz. 67) van de bestreden beslissing wordt enkel gesteld dat „uit de afdelingen 3.1 en 3.2 blijkt dat er uit technisch oogpunt verschillende geldige methoden voor de ontleding van stromen bestaan”.

199 Er zij evenwel op gewezen dat in het kader van het onderzoek van de „afdelingen 3.1 en 3.2” van de bestreden beslissing louter werd vastgesteld dat er verschillende methoden bestonden om stromen te ontleden. De raad van beroep heeft daarentegen geen enkele conclusie getrokken over de „geldigheid” van deze verschillende methoden.

200 Uit punt 439 (blz. 67) van de bestreden beslissing volgt dat de raad van beroep van oordeel was dat het gebruik van veranderingssleutels betreffende opwekking de PFC-methode of onderdelen van deze methode niet fictief maakte. Daaraan wordt toegevoegd dat het gebruik van veranderingssleutels betreffende opwekking kenmerkend is voor de capaciteitsberekeningsmethoden.

201 Echter moet worden opgemerkt dat verzoeksters in het kader van een andere grief voor de raad van beroep hebben aangevoerd dat de veranderingssleutels betreffende opwekking, juist omdat zij zijn ontworpen voor de berekening van de capaciteit, niet geschikt waren voor gebruik in het kader van de ontleding van de stromen. Verder biedt de verwijzing naar het gebruik van veranderingssleutels betreffende opwekking geen antwoord op de argumenten van verzoeksters dat er een ontwerpfout in de PFC-methode zit doordat zij niet ab initio rekening houdt met de elektrische afstand.

202 In punt 447 (blz. 68) van de bestreden beslissing stelt de raad van beroep vast dat „volgens hem de PFC-methode niet is gebaseerd op fictieve stromen”.

203 Uit het voorgaande wordt echter niet duidelijk waarom de raad van beroep de kritiek van verzoeksters heeft verworpen dat de PFC-methode heeft geleid tot de identificatie van lusstromen die in feite niet bestonden.

204 In punt 451 (blz. 69) van de bestreden beslissing maakt de raad van beroep de gevolgtrekking dat „de [Full Line Decomposition (FLD)]-methode niet geschikt is om stromen te ontleden”.

205 Voor zover de PFC-methode ter discussie staat, gaat de redenering van de raad van beroep dat de FLD-methode mogelijk inconsistent is met de verdeling van de markt in biedzones, echter niet in op het argument van verzoeksters waarin de PFC-methode wordt bekritiseerd.

206 Zelfs indien zou worden aanvaard dat de redenering met betrekking tot de FLD-methode moet worden begrepen als een impliciete reactie op de grieven van verzoeksters tegen de PFC-methode, blijkt uit deze redenering niet waarom de raad van beroep de door verzoeksters bij haar aangevoerde grieven heeft afgewezen.

207 In punt 449 (blz. 68) van de bestreden beslissing staat namelijk dat „de elektrische afstand [...] alleen volledig kan worden toegepast in een knooppuntenmarktmodel” en dat “indien echter een knooppuntenmarkt het toepasselijke model zou zijn, er [...] geen lusstromen zouden zijn en [...] er geen behoefte zou zijn aan een ontleding van de stromen”.

208 Enerzijds impliceert de gestelde onmogelijkheid om „volledig” rekening te houden met de elektrische afstand niet dat de elektrische afstand niet in aanmerking hoeft te worden genomen om de stromen correct te kunnen ontleden of dat de PFC-methode naar behoren rekening houdt met de elektrische afstand.

209 Anderzijds volgt uit de in punt 207 hierboven weergegeven verklaring evenmin dat het feit dat de door verzoeksters bekritiseerde PFC-methode geen rekening houdt met de elektrische afstand, inherent is aan het zonale model waarop de elektriciteitsmarkt in de Unie is gebaseerd, en dat dit zonale model niet toestaat dat rekening wordt gehouden met de elektrische afstand.

210 De punten 452 tot en met 462 (blz. 69 en 70) van de bestreden beslissing, die zijn opgenomen onder de tussenkop 3.4 „De PFC-methode schendt artikel 16, lid 13, [van verordening 2019/943 en het beginsel dat de vervuiler betaalt]”, bevatten evenmin gegevens waaruit blijkt waarom de grieven van verzoeksters zijn afgewezen.

211 In punt 460 (blz. 70) van de bestreden beslissing komt de raad van beroep tot de gevolgtrekking dat „de PFC-methode niet willekeurig is en niet op onjuiste veronderstellingen berust [en...] de fysieke stromen correct ontleedt”.

212 Uit het voorgaande wordt echter niet duidelijk waarom de raad van beroep de kritiek van verzoeksters heeft verworpen dat de PFC-methode leidt tot de identificatie van lusstromen die in feite niet bestaan.

213 De punten hierboven beperken zich immers tot eenvoudige beweringen die niet onderbouwd zijn en tot verwijzingen naar eerder getrokken conclusies die niet gebaseerd waren op enige echte redenering.

214 Zo wordt, wat het antwoord op de grieven van verzoeksters betreft, in punt 456 (blz. 69) van de bestreden beslissing enkel vastgesteld dat „uit hetgeen in het kader van afdeling 3.3 is uiteengezet, duidelijk blijkt dat de PFC-methode op correcte wijze lagen van fysieke stromen identificeert [en dat] zij niet op fictieve stromen is gebaseerd”. De andere punten die aan de conclusie in punt 460 van de bestreden beslissing voorafgaan, bevatten daarentegen niets dat specifiek betrekking heeft op de grieven van verzoeksters.

215 Ten vierde moet nog worden opgemerkt dat de andere punten van de motivering van de bestreden beslissing de tekortkomingen in de redenering in de punten 421 tot en met 461 van de bestreden beslissing niet goedmaken. Dit geldt in het bijzonder voor de punten 513 tot en met 551 (blz. 76‑81) van de bestreden beslissing, betreffende het gebruik van veranderingssleutels betreffende opwekking, die niet rechtstreeks ingaan op de grieven van verzoeksters dat de PFC-methode, in strijd met de „natuurwetten”, leidt tot de identificatie van lusstromen die in feite niet bestaan. Bovendien heeft ACER in de loop van de onderhavige procedure, en met name in antwoord op een vraag van het Gerecht, evenmin gepreciseerd op grond van welke onderdelen van de bestreden beslissing de leemten in de motivering kunnen worden opgevuld.

216 Ten vijfde wordt volgens de in de punten 181 tot en met 183 genoemde rechtspraak de verplichting om een handeling te motiveren gedifferentieerd naargelang de context en de adressaat.

217 De materie waarop de grieven van verzoeksters betrekking hebben, is inderdaad heel ingewikkeld en technisch. Daarenboven beschikken verzoeksters, zoals zij zelf verklaren, over een grote deskundigheid op dit gebied.

218 In het onderhavige geval blijkt echter dat verzoeksters gedurende de gehele procedure die tot de bestreden beslissing heeft geleid, dezelfde argumenten naar voren hebben gebracht die eerst bij besluit nr. 30/2020 en vervolgens bij de bestreden beslissing zijn afgewezen. Het is dus wegens het ontbreken van een motivering die verzoeksters in staat stelt te begrijpen waarom hun grieven door de raad van beroep waren afgewezen, dat zij voor het Gerecht dezelfde kritiek op de PFC-methode herhaalden die zij voor die raad hadden geuit.

219 Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de aard van het onderwerp waarop de bestreden beslissing betrekking heeft en met de deskundigheid van verzoeksters, blijkt de motivering derhalve niet aan de hierboven in de punten 181 tot en met 183 gestelde eisen te voldoen.

220 Ten zesde is de opsteller van de handeling volgens de in punt 182 genoemde rechtspraak niet verplicht om een standpunt in te nemen over alle argumenten die de belanghebbenden hem voorleggen, voor zover hij zich ertoe kan beperken de feiten en rechtsoverwegingen uiteen te zetten die in het bestek van die handeling van wezenlijk belang zijn.

221 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals in de punten 166 en 167 hierboven is opgemerkt, de ontleding van de stromen een noodzakelijke en belangrijke stap is bij het toewijzen van de kosten van remediërende maatregelen, aangezien zij de inputgegevens oplevert voor de daaropvolgende toewijzing van de kosten. Bovendien ziet de kritiek van verzoeksters op de opzet zelf van de PFC-methode. Deze kritiek staat centraal in de argumenten van verzoeksters tegen de in besluit nr. 30/2020 toegepaste methode voor de ontleding van de stromen en leidt, indien gegrond, tot de conclusie dat de bestreden beslissing nietig moet worden verklaard voor zover zij besluit nr. 30/2020 op dit punt heeft bevestigd.

222 In deze omstandigheden betroffen de argumenten van verzoeksters wezenlijke onderdelen van de bestreden beslissing, zodat de raad van beroep daarop moest antwoorden om te voldoen aan zijn motiveringsplicht overeenkomstig de hierboven in de punten 181 tot en met 183 uiteengezette vereisten.

223 Hieruit volgt dat de motivering van de bestreden beslissing, wat de voor de ontleding van de stromen gebruikte PFC-methode betreft, onvolledig en ontoereikend is en verzoeksters dus niet in staat stelt om de redenen voor die beslissing te kennen en het Gerecht niet in staat stelt om zijn rechterlijke toetsing van die beslissing uit te oefenen.

224 Bijgevolg schendt de bestreden beslissing wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU, zodat de bestreden beslissing moet worden vernietigd voor zover de raad van beroep daarin zonder toereikende motivering de door ACER in besluit nr. 30/2020 gebruikte methode voor de ontleding van de stromen heeft bevestigd.

Tweede onderdeel: behandeling van netwerkelementen die gelijkstroom transporteren

225 Voor zover de bestreden beslissing moet worden vernietigd voor zover de raad van beroep daarin zonder toereikende motivering de door ACER in besluit nr. 30/2020 gehanteerde methode voor de ontleding van de stromen heeft bevestigd (zie punt 224 hierboven), en voor zover de behandeling van de netwerkelementen die gelijkstroom transporteren, verband houdt met die methode voor de ontleding van de stromen, is het met het oog op een goede rechtsbedeling niet nodig om ook het tweede onderdeel van het tweede middel te onderzoeken.

Derde middel: vaststelling van het tolerantieniveau voor de lusstromen

226 Met hun derde middel betogen verzoeksters, ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland, dat de vaststelling van een gemeenschappelijk tolerantieniveau van 10 % voor lusstromen, zoals bevestigd door de bestreden beslissing, onwettig is.

227 In de eerste plaats stellen verzoeksters dat ACER is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat het beginsel „de vervuiler betaalt” alleen van toepassing was op lusstromen boven het tolerantieniveau, zodat het een hoog tolerantieniveau niet kon rechtvaardigen.

228 In de tweede plaats beweren verzoeksters dat het tolerantieniveau voor lusstromen niet het resultaat is van een „degelijke technische analyse”.

229 In de derde plaats voeren verzoeksters aan dat ACER niet bevoegd was om zijn „eigen” tijdelijke tolerantieniveau voor lusstromen vast te stellen.

230 In de vierde plaats stellen verzoeksters dat ACER artikel 16, lid 8, van verordening 2019/943 heeft geschonden door het tolerantieniveau voor lusstromen op 10 % vast te stellen.

231 In de vijfde plaats betogen verzoeksters dat ACER het evenredigheidsbeginsel onjuist heeft toegepast.

232 In de zesde plaats voeren verzoeksters aan dat het tolerantieniveau niet is vastgesteld per biedzonegrens, zoals artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 vereist.

233 De Bondsrepubliek Duitsland steunt de argumenten van verzoeksters.

234 ACER betwist de argumenten van verzoeksters zoals die worden ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland.

235 Vast staat dat zelfs als er geen sprake is van structurele congestie, lusstromen onvermijdelijk zijn in een sterk vermaasd geïnterconnecteerd elektriciteitsnetwerk dat werkt volgens een zonaal model.

236 Daarom is het doel van het vaststellen van een tolerantieniveau voor lusstromen om zulke stromen uit te sluiten van de toewijzing van kosten voor redispatching en compensatiehandel.

237 Wat de vaststelling van het tolerantieniveau betreft bepaalt artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 het volgende: „Bij het toewijzen van de kosten voor corrigerende maatregelen tussen [TSB’s] [wijzen NRI’s] de kosten [...] toe [...] behalve wanneer het gaat om kosten die het resultaat zijn van stromen als gevolg van transacties binnen de biedzones die beneden het niveau liggen dat te verwachten is zonder structurele congestie in een biedzone. Dit niveau wordt gezamenlijk geanalyseerd en vastgesteld door alle [TSB’s] van een capaciteitsberekeningsregio voor elke biedzonegrens en wordt onderworpen aan de goedkeuring door alle [NRI’s] van de capaciteitsberekeningsregio.”

238 Ten eerste blijkt uit artikel 16, lid 13, van verordening 2019/943 duidelijk dat het tolerantieniveau veronderstelt dat wordt gesimuleerd wat het verwachte niveau van de lusstromen zou zijn zonder structurele congestie.

239 „Structurele congestie” wordt in artikel 2, punt 6, van verordening 2019/943 gedefinieerd als „congestie in het transmissiesysteem die ondubbelzinnig kan worden gedefinieerd, voorspelbaar en in geografisch opzicht langdurig stabiel is alsmede herhaaldelijk onder normale elektriciteitssysteemomstandigheden voorkomt”.

240 Ten tweede volgt uit artikel 16, lid 13, tweede alinea, van verordening 2019/943 dat de vaststelling van het tolerantieniveau moet worden voorafgegaan door een analyse en dat deze analyse moet worden uitgevoerd door de TSB’s.

241 Ten derde volgt uit die bepaling dat het tolerantieniveau moet worden geanalyseerd en vastgesteld „voor elke biedzonegrens”.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken