HvJ EU 11 juni 2026, C-801/24, ECLI:EU:C:2026:472
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
11 juni 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Beperkende maatregelen gelet op de militaire agressie tegen Oekraïne – Besluit 2014/145/GBVB – Artikel 2, lid 1, onder f) – Verordening (EU) nr. 269/2014 – Artikel 3, lid 1, onder f) – Bevriezing van tegoeden en economische middelen – Begrip ‚materiële of financiële steun aan de regering van de Russische Federatie’ – Motiveringsplicht – Uitlegging – Eigendomsrecht – Beperkingen – Evenredigheidsbeginsel – Inaanmerkingneming van de situatie en de economische belangen van de klanten van de verzoekende partij”
In zaak C‑801/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 20 november 2024,
NKO AO National Settlement Depository (NSD), gevestigd te Moskou (Rusland), vertegenwoordigd door É. Épron en A. Genko, avocats,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door L. Berger en E. Nadbath als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Carpus-Carcea, L. Mantl en G. von Rintelen als gemachtigden,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo (rapporteur) en A. Kornezov, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 januari 2026,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt NKO AO National Settlement Depository (NSD) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 september 2024, NSD/Raad (T‑494/22, EU:T:2024:607; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep heeft verworpen dat strekte tot nietigverklaring van: – besluit (GBVB) 2022/883 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 153, blz. 92), en uitvoeringsverordening (EU) 2022/878 van de Raad van 3 juni 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 153, blz. 15) (hierna samen: „oorspronkelijke litigieuze handelingen”). – besluit (GBVB) 2023/572 van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 134) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/571 van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 1) (hierna samen: „eerste litigieuze handhavingshandelingen”), en – besluit (GBVB) 2023/1767 van de Raad van 13 september 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 104) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1765 van de Raad van 13 september 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 3) (hierna samen: „tweede litigieuze handhavingshandelingen”), voor zover al deze handelingen (hierna: „litigieuze handelingen”) haar betreffen.
I. Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van het geding
2 De feitelijke en juridische context van het geding wordt uiteengezet in de punten 2 tot en met 20 van het bestreden arrest en kan als volgt worden samengevat en verduidelijkt.
3 Rekwirante, een vennootschap naar Russisch recht, is een erkende bewaarder die in Rusland als centrale bewaarinstelling diensten verleent op het gebied van effectenarchivering en -bewaring en die ook financiële diensten verleent, met name als niet-bancaire kredietinstelling met een vergunning die haar het recht geeft bankvereffenings- en -afwikkelingsdiensten te verlenen.
4 De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen waartoe de Europese Unie sinds 2014 heeft besloten naar aanleiding van acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.
5 Op 17 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 29 VEU besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) vastgesteld.
6 Op dezelfde datum heeft de Raad op grond van artikel 215, lid 2, VWEU verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld.
7 Na de invasie van Oekraïne door de strijdkrachten van de Russische Federatie op 24 februari 2022 heeft de Raad op 25 februari 2022 besluit (GBVB) 2022/329 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 50, blz. 1, met rectificatie in PB L 241, blz. 17), en verordening (EU) 2022/330 tot wijziging van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 51, blz. 1) vastgesteld.
A. Besluit 2022/329
8 In de overwegingen 5 en 9 tot en met 11 van besluit 2022/329 staat te lezen: „(5) Op 24 januari 2022 heeft de Raad […] [herhaald] dat elke verdere militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne enorme gevolgen en hoge kosten met zich mee zou brengen, waaronder een breed scala aan sectorale en individuele beperkende maatregelen die in overleg met partners zouden worden uitgevaardigd. […] (9) Op 24 februari 2022 heeft de president van de Russische Federatie een militaire operatie aangekondigd in Oekraïne en zijn Russische strijdkrachten begonnen met een aanval op Oekraïne. Die aanval is een flagrante schending van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne. (10) Op 24 februari 2022 heeft de hoge vertegenwoordiger [van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid] namens de Unie een verklaring afgelegd waarin hij de niet-uitgelokte invasie van Oekraïne door de strijdkrachten van de Russische Federatie en de betrokkenheid van Belarus in deze agressie tegen Oekraïne in niet mis te verstane bewoordingen veroordeelde. De hoge vertegenwoordiger gaf aan dat de respons van de Unie uit zowel sectorale als individuele beperkende maatregelen zou bestaan. (11) Gezien de ernst van de situatie is de Raad van oordeel dat de criteria voor aanwijzing moeten worden gewijzigd zodat er ook personen en entiteiten kunnen worden opgenomen die steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie en personen en entiteiten die een belangrijke inkomstenbron voor de regering zijn.”
B. Besluit 2014/145
9 Artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329 (hierna: „besluit 2014/145”), bepaalt: „Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van: […] f) natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne [hierna: ‚criterium f)’], […] […] en natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die met hen verbonden zijn, als opgesomd in de bijlage, worden bevroren.”
10 Artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145 bepaalt in essentie dat de bevriezing van de tegoeden en economische middelen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam, niet belet dat die persoon, die entiteit of dat lichaam betalingen doet die verschuldigd zijn uit hoofde van een contract dat is gesloten vóór de datum waarop die persoon, die entiteit of dat lichaam op de lijst in de bijlage bij dat besluit werd geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet rechtstreeks of onrechtstreeks wordt ontvangen door op die lijst geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.
11 Artikel 6, derde alinea, van dit besluit bepaalt dat het voortdurend wordt geëvalueerd en zo nodig wordt verlengd of gewijzigd, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.
C. Verordening nr. 269/2014
12 Artikel 3, lid 1, onder f), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 (hierna: „verordening nr. 269/2014”), voorziet in een criterium dat identiek is aan criterium f) voor de bevriezing, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van deze verordening, van economische middelen die toebehoren aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die aan dit criterium beantwoorden.
13 Artikel 6, lid 1, van deze verordening bepaalt dat mits een betaling verschuldigd is door een op de lijst in bijlage I bij deze verordening opgenomen natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam op grond van een contract of overeenkomst die door deze is gesloten of op grond van een verplichting die voor hem is ontstaan vóór de datum waarop de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in deze bijlage werd opgenomen, de bevoegde nationale autoriteiten toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat die tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een in die lijst vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en de te verrichten betaling niet in strijd is met het verbod om tegoeden of economische middelen, direct of indirect ter beschikking te stellen aan de in die bijlage genoemde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen of met hen geassocieerde personen, entiteiten of lichamen.
14 Artikel 14, lid 4, van verordening nr. 269/2014 bepaalt dat de lijst in bijlage I ervan op gezette tijden, en ten minste om de twaalf maanden, wordt geëvalueerd.
D. Verordening nr. 833/2014
15 Artikel 1 van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/328 van de Raad van 25 februari 2022 (PB 2022, L 49, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 833/2014”), bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] o) ‚financiering of financiële bijstand’: elke actie, ongeacht het gekozen middel, waarbij een persoon, entiteit of lichaam, met of zonder voorwaarden, eigen vermogen of eigen economische middelen uitbetaalt of toezegt, […]; […]”
16 Artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014 was in zijn oorspronkelijke versie als volgt geformuleerd: „De bevoegde autoriteit in kwestie moet een vergunning verlenen voor de verstrekking van: […] b) financiering of financiële bijstand in verband met in bijlage II genoemde technologieën, met inbegrip van in het bijzonder subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van deze goederen, of voor de verstrekking van daarmee verband houdende technische bijstand, direct of indirect, aan natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Rusland of, indien die bijstand betrekking heeft op technologieën bestemd voor gebruik in Rusland, aan personen, entiteiten of lichamen in een ander land.”
17 Zoals artikel 3, lid 3, van verordening nr. 833/2014, in zijn oorspronkelijke versie, in essentie bepaalde, bevatte bijlage II bij deze verordening een lijst van een aantal technologieën waarvan de olie-industrie gebruik kan maken bij de exploratie en productie van olie in diepe wateren, de exploratie en productie van olie in Arctische wateren, of schalie-olieprojecten in Rusland.
E. Verordening nr. 909/2014
18 In overweging 2 van verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en verordening (EU) nr. 236/2012 (PB 2014, L 257, blz. 1) staat te lezen: „Wegens hun sleutelpositie in het afwikkelingsproces zijn de door [centrale effectenbewaarinstellingen] geëxploiteerde systemen voor de afwikkeling van effectentransacties systeemrelevant voor de werking van de effectenmarkten. […]”
F. Litigieuze handelingen
1. Oorspronkelijke litigieuze handelingen
19 Op 3 juni 2022 heeft de Raad, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, de oorspronkelijke litigieuze handelingen vastgesteld.
20 Overweging 2 van deze handelingen luidt als volgt: „De Unie blijft de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne onverminderd steunen, en acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit van Oekraïne ondermijnen, veroordelen.”
21 Bij besluit 2022/883 en uitvoeringsverordening 2022/878 is rekwirantes naam onder nummer 101 toegevoegd aan respectievelijk de lijst van entiteiten die is opgenomen in de bijlage bij besluit 2014/145 en de lijst die is opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 269/2014 (hierna: „litigieuze lijsten”), op de volgende gronden: „NSD is een Russische niet-bancaire financiële instelling en de centrale effectenbewaarinstelling van Rusland. Het is de grootste effectenbewaarinstelling in Rusland op marktwaarde van het eigen vermogen en op in bewaring gegeven schuldbewijzen, en de enige met toegang tot het internationale financiële stelsel. NSD wordt door de regering en de centrale bank van Rusland erkend als een systeemrelevante Russische financiële instelling. De instelling speelt een essentiële rol in de werking van het financiële stelsel van Rusland en in de wisselwerking daarvan met het internationale financiële stelsel, en stelt de Russische regering derhalve direct en indirect in staat haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien. NSD is nagenoeg volledig in handen van de Beurs van Moskou, die als doel heeft uitgebreide toegang te verlenen tot de Russische financiële markten. De Beurs van Moskou staat vanwege haar rol en aandeelhouders dan weer in hoge mate onder zeggenschap van de Russische regering. NSD is bijgevolg een entiteit of organisatie die materiële of financiële steun verleent aan de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”
22 Op 3 juni 2022 heeft de Raad tevens een kennisgeving aan de personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen van besluit 2014/145/GBVB van de Raad, als gewijzigd bij besluit (GBVB) 2022/883 van de Raad, en van verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad, als uitgevoerd bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/878 van de Raad, betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2022, C 219 I, blz. 1). In deze kennisgeving stond onder meer vermeld dat de betrokken personen, entiteiten en lichamen onder overlegging van bewijsstukken, bij de Raad een verzoek konden indienen tot heroverweging van het besluit waarbij hun namen op de litigieuze lijsten waren geplaatst.
23 Bij brief van 4 augustus 2022 heeft rekwirante de Raad verzocht om de motivering en het bewijs ter rechtvaardiging van haar plaatsing op de litigieuze lijsten over te leggen.
24 Op 10 augustus 2022 heeft de Raad dossier WK 7236/2022/EXT 1, waarop hij zijn besluit had gebaseerd, aan rekwirante toegezonden.
2. Eerste litigieuze handhavingshandelingen
25 Bij brief van 22 december 2022 heeft de Raad rekwirante ervan in kennis gesteld dat hij voornemens was de beperkende maatregelen tegen haar te handhaven, haar dossier WK 17708/2022 INIT toegezonden en haar verzocht om uiterlijk op 12 januari 2023 opmerkingen in te dienen.
26 Op 13 maart 2023 heeft de Raad de eerste litigieuze handhavingshandelingen vastgesteld, waaruit blijkt dat rekwirantes naam is gehandhaafd op de litigieuze lijsten, op dezelfde gronden als die welke in punt 21 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet.
27 Bij brief van 14 maart 2023 heeft de Raad rekwirante in kennis gesteld van de vaststelling van deze handelingen en heeft hij haar verzocht om uiterlijk op 1 juni 2023 haar opmerkingen in te dienen.
3. Tweede litigieuze handhavingshandelingen
28 Bij brief van 10 juli 2023 heeft de Raad rekwirante laten weten dat hij voornemens was de beperkende maatregelen tegen haar te handhaven, haar dossier WK 7807/2023 REV2 toegezonden en haar verzocht om uiterlijk op 25 juli 2023 opmerkingen in te dienen.
29 Op 13 september 2023 heeft de Raad de tweede litigieuze handhavingshandelingen vastgesteld, waaruit blijkt dat rekwirantes naam is gehandhaafd op de litigieuze lijsten, op dezelfde gronden als welke in punt 21 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet.
II. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 augustus 2022, heeft rekwirante beroep tot nietigverklaring van de oorspronkelijke litigieuze handelingen ingesteld.
31 Bij beslissing van de president van de Eerste kamer van het Gerecht van 7 november 2023 is de Europese Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
32 Bij twee memories houdende aanpassing, ingediend op 25 april en 24 november 2023, vordert verzoekster in essentie nietigverklaring van de litigieuze handelingen voor zover deze op haar betrekking hebben.
33 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht alle middelen die verzoekster ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, die in essentie zijn ontleend aan, ten eerste, schending van de motiveringsplicht, ten tweede, kennelijke beoordelingsfout, ten derde, onevenredige schending van de grondrechten, en ten vierde, ontoereikendheid van het bewijs, verworpen.
III. Conclusies van partijen in hogere voorziening
34 Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof in essentie: – het bestreden arrest te vernietigen; – de litigieuze handelingen nietig te verklaren voor zover deze op haar betrekking hebben, en – de Raad te verwijzen in de kosten.
35 De Raad, ondersteund door de Commissie, verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – verzoekster te verwijzen in de kosten.
IV. Hogere voorziening
36 Rekwirante voert ter ondersteuning van haar hogere voorziening drie middelen aan, die in essentie zijn ontleend aan, ten eerste, een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door te oordelen dat de Raad had voldaan aan zijn verplichting om de litigieuze handelingen te motiveren, ten tweede, een onjuiste uitlegging van criterium f), en ten derde, een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door te oordelen dat de tegen haar genomen beperkende maatregelen in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel.
A. Eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
1. Argumenten van partijen
37 Met haar eerste middel betoogt rekwirante in essentie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Raad had voldaan aan zijn verplichting om de litigieuze handelingen te motiveren.
38 In de eerste plaats merkt zij op dat het Gerecht enerzijds, in punt 39 van het bestreden arrest zijn rechtspraak in herinnering heeft gebracht volgens welke de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd, de specifieke en concrete redenen dient aan te geven waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel moet worden vastgesteld. Anderzijds heeft het in punt 42 van dat arrest, over de toereikendheid van de motivering van de litigieuze handelingen, geoordeeld dat aangezien het niet noodzakelijk is dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, rekwirantes argument dat in die handelingen noch het tijdstip en de omstandigheden van de aan de Russische regering verleende steun, noch een specifieke operatie in dat verband worden vermeld, niet kan slagen. Rekwirante merkt deze redenering aan als „tegenstrijdig” omdat het Gerecht hiermee volgens haar impliciet heeft erkend dat de motivering van die handelingen niet toereikend is, en strijdig met de rechtspraak die het in punt 39 van dat arrest zelf in herinnering heeft gebracht.
39 Die redenering geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat zij leidt tot de bevestiging van handelingen die niet overeenkomstig de vereisten van artikel 296 VWEU zijn gemotiveerd.
40 In de tweede plaats betoogt rekwirante dat de ter ondersteuning van de motivering van de litigieuze handelingen ingeroepen overwegingen, zoals deze in punt 41 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, slechts contextuele elementen zijn die geen verband houden met enige materiële of financiële steun aan de Russische regering. De Raad heeft met die gegevens enkel gespecificeerd op welke entiteit de betrokken beperkende maatregelen van toepassing waren en wat het maatschappelijk doel en de aandeelhoudersstructuur daarvan was. Bij gebreke van feitelijke gegevens in verband met een dergelijke materiële of financiële steun kan echter onmogelijk worden nagegaan of de motivering van de litigieuze handelingen voldoende precies en concreet is.
41 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist rekwirantes betoog.
2. Beoordeling door het Hof
42 De verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging, dient er volgens vaste rechtspraak enerzijds toe de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de rechter van de Unie kan worden betwist, en anderzijds de rechter van de Unie in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba,C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 De motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd, moet de specifieke en concrete redenen aangeven waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba,C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 52).
44 De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet evenwel beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, of dat daarin op gedetailleerde wijze wordt geantwoord op de opmerkingen die de betrokkene tijdens zijn raadpleging vóór de vaststelling van dezelfde handeling heeft gemaakt, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arresten van 15 november 2012, Raad/Bamba,C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 april 2021, Raad/PKK,C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Met name is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba,C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 54).
46 In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat in de litigieuze handelingen de context ervan en de rechtsgrondslagen waarop zij berustten waren gepreciseerd.
47 Met name heeft het Gerecht er in essentie op gewezen dat uit de preambules van die handelingen bleek dat de ernst van de situatie in Oekraïne en de voortdurende acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van dat land ondermijnen of bedreigen, rechtvaardigden dat de betrokken personen op de litigieuze lijsten worden geplaatst en gehandhaafd.
48 Daarnaast heeft het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest vastgesteld bij de redenen voor de plaatsing van rekwirantes naam op de litigieuze lijsten inzonderheid werd gepreciseerd dat zij de grootste effectenbewaarinstelling in Rusland is, toegang heeft tot het internationale financiële stelsel en erkend wordt als een systeemrelevante financiële instelling die een essentiële rol speelt in de werking van het financiële stelsel van Rusland, zodat zij de Russische regering direct en indirect in staat stelt haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien. Bij die redenen werd ook melding gemaakt van het feit dat rekwirante nagenoeg volledig in handen is van de Beurs van Moskou, die in hoge mate onder controle van die regering staat.
49 Gelet op de context waarin de litigieuze handelingen zijn vastgesteld en de daarin opgenomen motivering, kon rekwirante als centrale effectenbewaarinstelling van Rusland, zoals zij in haar verzoekschrift in hogere voorziening zelf erkent, door zichzelf een „belangrijk en centraal onderdeel van het financiële stelsel in Rusland” te noemen, redelijkerwijs niet onkundig zijn van de redenen waarom de Raad tegen haar beperkende maatregelen heeft genomen.
50 Het Gerecht heeft in punt 41 van het bestreden arrest dan ook terecht geoordeeld dat de uiteenzetting van de feitelijke omstandigheden in de litigieuze handelingen een voldoende duidelijke en nauwkeurige motivering biedt die rekwirante in staat stelde te begrijpen waarom haar naam op de litigieuze lijsten was geplaatst en vervolgens daarop is gehandhaafd, en die het Gerecht in staat stelde de rechtmatigheid van die handelingen te toetsen.
51 Voorts heeft het Gerecht, anders dan rekwirante beweert, in punt 42 van het bestreden arrest geenszins erkend, zelfs niet impliciet, dat de litigieuze handelingen ontoereikend waren gemotiveerd. Het heeft immers alleen maar, op grond van de in punt 44 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak van het Hof, in essentie geoordeeld dat rekwirantes betoog dat in de bestreden handelingen noch het tijdstip en de omstandigheden van de aan de Russische regering verleende steun, noch een specifieke operatie worden vermeld, niet afdoet aan het feit dat de motivering van die handelingen toereikend en consistent is.
52 Hieruit volgt dat het betoog van rekwirante, zoals het in de punten 38 en 39 van het onderhavige arrest is samengevat, op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust.
53 In de tweede plaats betoogt rekwirante dat de ter ondersteuning van de motivering van de litigieuze handelingen ingeroepen overwegingen slechts contextuele elementen zijn die geen verband houden met enige materiële of financiële steun aan de Russische regering, en niet de mogelijkheid bieden om na te gaan of de motivering van die handelingen voldoende precies en concreet is.
54 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de kwestie van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de bestreden handeling betreft. De motivering van een handeling houdt immers in dat de gronden waarop deze handeling berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten deze de inhoudelijke rechtmatigheid van die handeling aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist. Grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van een handeling treffen derhalve geen doel in het kader van een middel betreffende een ontbrekende of ontoereikende motivering (arrest van 18 juni 2015, Ipatau/Raad,C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 In het onderhavige geval beoogt rekwirante onder het mom van een schending van de motiveringsplicht in werkelijkheid de gegrondheid van de motivering van de litigieuze handelingen ter discussie te stellen. Het argument van rekwirante dat in punt 40 van het onderhavige arrest is uiteengezet moet dan ook worden verworpen.
56 Gelet op het voorgaande dient het eerste middel ongegrond te worden verklaard.
B. Tweede middel: onjuiste uitlegging van criterium f)
57 Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen, ontleend aan, ten eerste, een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven bij de uitlegging van het begrip „materiële of financiële steun aan de regering van de Russische federatie” in de zin van criterium f), en ten tweede, een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door ten onrechte de op de Raad rustende bewijslast te verlichten.
1. Eerste onderdeel van het tweede middel
a) Argumenten van partijen
58 Met het eerste onderdeel van haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het is uitgegaan van een „ruime, vage en onjuiste” uitlegging van het begrip „materiële of financiële steun aan de regering van de Russische Federatie”, in de zin van criterium f). Volgens haar moet dit begrip strikt worden uitgelegd, in die zin dat het alleen verwijst naar vormen van steun die bestaan in concrete leveringen van goederen of de overdracht van tegoeden die direct ten goede komen aan de Russische regering. Meer bepaald heeft criterium f) enkel tot doel personen, lichamen en entiteiten te sanctioneren die deze regering – die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne – „financieren”, niet die welke „bijdragen tot het vergemakkelijken” van die financiering.
59 In dit verband betoogt rekwirante in de eerste plaats dat het arrest van 7 april 2016, Central Bank of Iran/Raad (C‑266/15 P, EU:C:2016:208, punt 44), waarop het Gerecht zich in punt 57 van het bestreden arrest naar analogie heeft gebaseerd om criterium f) uit te leggen, niet relevant is. Het criterium voor plaatsing op de lijst dat aan de orde was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, inzake „steun aan de Iraanse regering”, dat weliswaar bepaalde gelijkenissen vertoont met criterium f), is namelijk niet identiek aan dit criterium, zodat het Gerecht zich niet dienstig op dat arrest kon baseren.
60 In de tweede plaats voert rekwirante aan dat het begrip „materiële of financiële steun” van criterium f) analoog moet worden uitgelegd aan het begrip „financiële bijstand” van artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014. Zij beroept zich daarbij op het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 176‑184), waarin het Hof volgens haar de verwerking van een betaling door een bank of een andere financiële instelling van dit begrip „financiële bijstand” heeft uitgesloten.
61 In deze context stelt rekwirante dat haar taak als centrale effectenbewaarinstelling er enkel in bestond de technische middelen te verstrekken die nodig zijn om de uitgifte van staatsobligaties te organiseren. Een dergelijke activiteit kan niet worden geacht onder het begrip „materiële of financiële steun” in de zin van criterium f) te vallen. Bovendien wijst het bestreden arrest er geenszins op dat zij direct materiële of financiële steun aan de Russische regering heeft verleend, in de vorm van aan de staat overgedragen inkomsten.
62 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist rekwirantes betoog.
b) Beoordeling door het Hof
63 Criterium f) voorziet in de bevriezing van „[a]lle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van” natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne, „of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen”.
64 In punt 57 van het bestreden arrest heeft het Gerecht –naar analogie verwijzend naar het arrest van 7 april 2016, Central Bank of Iran/Raad (C‑266/15 P, EU:C:2016:208, punt 44) – in essentie geoordeeld dat het begrip „materiële of financiële steun aan de regering van de Russische Federatie” in de zin van criterium f), niet vereist dat de betrokken personen of entiteiten steun verlenen die direct of indirect verband houdt met de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne. Die steun moet volgens het Gerecht immers worden opgevat als elke steun die vanwege het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan de Russische regering middelen of materiële of financiële faciliteiten kan verschaffen die haar in staat stellen haar acties ter destabilisatie van Oekraïne voort te zetten.
65 In dit verband zij in herinnering gebracht dat het vaste rechtspraak is dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft en niet naar het recht van de lidstaten verwijst, moeten worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken (zie arresten van 27 januari 1988, Denemarken/Commissie,349/85, EU:C:1988:34, punt 9, en 12 februari 2026, Stichting Koskea,C‑490/24, EU:C:2026:89, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van criterium f) betreft, moet worden opgemerkt dat noch artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145 noch enige andere bepaling van dit besluit een definitie van de term „steun” bevat, noch naar het recht van de lidstaten verwijst om de draagwijdte ervan te bepalen.
67 Volgens de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis betekent „steun” doorgaans hulp of bijstand die wordt verleend bij het optreden of aan de doelstelling van een ander, teneinde deze te versterken of de verwezenlijking ervan te vergemakkelijken.
68 Deze ruime betekenis van het begrip „steun” wordt bevestigd door het feit dat de bewoordingen van criterium f), behalve de precisering dat de verleende steun „materieel of financieel” moet zijn, geen enkel vereiste bevatten met betrekking tot de vorm of de modaliteiten daarvan. Het maakt evenmin een onderscheid al naargelang die steun direct of indirect wordt verleend.
69 Hieruit volgt dat de toepassing van dit criterium naar de letter genomen niet afhankelijk is van de concrete levering van goederen of een overdracht van tegoeden die direct ten goede komen aan de Russische regering.
70 Wat in de tweede plaats de context van criterium f) betreft, moet worden opgemerkt dat indien dit criterium, zoals rekwirante betoogt, aldus moet worden uitgelegd dat het uitsluitend ziet op personen, lichamen en entiteiten die de Russische regering – die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne – „financieren”, en niet op personen, lichamen en entiteiten die „bijdragen tot het vergemakkelijken” van die financiering, afbreuk wordt gedaan aan de reikwijdte en het nuttige effect van criterium f), aangezien „materiële of financiële steun” aan de Russische regering niet beperkt is tot de financiering van deze regering, maar ook betrekking heeft op elke bijdrage die vanwege haar kwantitatieve of kwalitatieve belang van dien aard is dat zij de financiering van die regering kan vergemakkelijken. Een dergelijke uitlegging zou er immers op neerkomen dat de opgelegde beperkende maatregelen kunnen worden omzeild door een kunstmatig onderscheid te maken tussen entiteiten die financiële steun verlenen aan die regering en entiteiten die „bijdragen tot het vergemakkelijken” van die financiering.
71 Wat verzoeksters argument betreft dat het begrip „materiële of financiële steun” in de zin van criterium f) op vergelijkbare wijze moet worden uitgelegd als het begrip „financiële bijstand” van artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014 zij eraan herinnerd dat dit laatste begrip volgens artikel 1, onder o), van die verordening in essentie veronderstelt dat de persoon, de entiteit of het lichaam in kwestie eigen vermogen of eigen economische middelen uitbetaalt of toezegt.
72 Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van haar conclusie heeft opgemerkt, hebben artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014, enerzijds, en artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145, anderzijds, echter een verschillende materiële werkingssfeer. De eerste van deze bepalingen verwijst namelijk specifiek en uitsluitend naar de in bijlage II bij verordening nr. 833/2014 opgesomde goederen en technologieën, waarbij de verstrekking van financiering of financiële bijstand in verband daarmee aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Rusland niet uitdrukkelijk verboden is, maar wel de voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat vereist. In de tweede bepaling is een van de plaatsingscriteria opgenomen op grond waarvan de tegoeden of economische middelen die toebehoren aan de personen, entiteiten of lichamen die door de Raad zijn aangewezen als personen, entiteiten of lichamen die aan het betrokken criterium voldoen, worden bevroren.
73 De uitlegging van criterium f) kan niet afhangen van het begrip „financiële bijstand” in de zin van artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014. Om dezelfde reden is de uitlegging die het Hof in het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), aan dit begrip heeft gegeven in casu niet relevant.
74 Wat in de derde plaats de doelstellingen betreft die worden nagestreefd met criterium f) en de regeling waarin het is opgenomen, moet erop worden gewezen dat dit criterium blijkens overweging 11 van besluit 2022/329 is ingevoerd op de dag na de invasie van Oekraïne door de strijdkrachten van de Russische Federatie, welke zoals vermeld in de overwegingen 9 en 10 van dat besluit zowel door de Raad als door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid werd aangemerkt als een „niet-uitgelokte” invasie en een „flagrante schending van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne”.
75 Gelet op de ernst van deze invasie en op het feit dat de Raad, zoals blijkt uit overweging 5 van dat besluit, een maand eerder had verklaard dat elke verdere militaire agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne enorme gevolgen en hoge kosten met zich mee zou brengen, waaronder een breed scala aan sectorale en individuele beperkende maatregelen, moet worden geoordeeld dat de Raad, zoals het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest in essentie heeft verklaard, met de vaststelling van criterium f) extra druk wilde uitoefenen op de Russische Federatie en de prijs wilde verhogen van de acties van deze laatste die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnden, opdat Rusland een einde zou maken aan zijn militaire agressie tegen Oekraïne en aan zijn acties en beleid waarmee dit land wordt gedestabiliseerd.
76 Zoals de advocaat-generaal in dit verband in punt 42 van haar conclusie in essentie heeft aangegeven, kan criterium f) niet op doeltreffende wijze bijdragen tot de verwezenlijking van die doelstellingen indien het aldus moet worden uitgelegd dat daaronder alleen steun wordt verstaan in de vorm van directe financiering van de Russische regering of directe levering van materiële middelen aan deze regering.
77 Om ervoor te zorgen dat die doelstellingen worden bereikt moet criterium f) namelijk aldus worden uitgelegd dat het verwijst naar elke steun die vanwege het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan de Russische regering materiële of financiële middelen of faciliteiten kan verschaffen die haar in staat stellen om haar acties ter destabilisatie van Oekraïne voort te zetten, zonder dat moet worden aangetoond dat er een direct of indirect verband bestaat tussen die steun en die acties. Deze uitlegging waarborgt dat de Unie druk kan uitoefenen op die regering, aangezien zij het mogelijk maakt natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen te treffen die, hoewel zij zelf niet direct middelen of activa aan die regering overdragen, niettemin een cruciale rol spelen bij de terbeschikkingstelling, het verkeer of de veiligstelling van de materiële of financiële middelen die deze regering ontvangt.
78 Zoals het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, worden centrale effectenbewaarinstellingen zoals rekwirante beschouwd als systeemrelevante entiteiten die met name van essentieel belang zijn voor de effectieve uitvoering van het monetair beleid, de geloofwaardigheid van een programma voor het beheer van de overheidsschuld, het beheer van garanties en de veiligheid en efficiëntie van de effectenmarkten. Wat dit laatste betreft, erkent rekwirante in haar verzoekschrift in hogere voorziening zelf dat zij technische middelen ter beschikking stelt die noodzakelijk zijn voor het verrichten van financiële diensten in het kader van de uitgifte van staatsobligaties en dat het merendeel van de Russische financiële investeringen in de Unie via haar diensten verlopen. Overigens bevestigt het Unierecht in verordening nr. 909/2014, met name in overweging 2 ervan, uitdrukkelijk de systeemrelevantie van centrale effectenbewaarinstellingen.
79 Gelet op de overwegingen in de punten 66 tot en met 78 van het onderhavige arrest moet worden vastgesteld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 57 van het bestreden arrest te oordelen dat het begrip „materiële of financiële steun aan de regering van de Russische Federatie” in de zin van criterium f) niet vereist dat de betrokken personen of entiteiten steun verlenen die direct of indirect verband houdt met de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne, maar deze steun moet worden opgevat als elke steun die vanwege het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan die regering materiële of financiële middelen of faciliteiten kan verschaffen die haar in staat stellen haar acties ter destabilisatie van Oekraïne voort te zetten.
80 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
2. Tweede onderdeel van het tweede middel
a) Argumenten van partijen
81 Met het tweede onderdeel van haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 50 van het bestreden arrest te oordelen dat de Raad aan de op hem rustende bewijslast voldoet indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er een toereikend verband bestaat tussen de persoon of entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren en het regime of, meer in het algemeen, de bestreden situaties.
82 Volgens haar kan van een dergelijke bewijsstandaard slechts sprake zijn indien een besluit van de Raad daarin voorziet. Aangezien dit in casu niet het geval is, heeft het Gerecht de op de Raad rustende bewijslast ten onrechte verlicht.
83 Rekwirante betoogt dat hoe dan ook niets in de weg staat aan een ontwikkeling van de in punt 50 van het bestreden arrest genoemde rechtspraak, waarbij de hantering van deze bewijsstandaard wordt opgegeven teneinde de rechtsstaat te versterken in een context die wordt gekenmerkt door de vaststelling van volgens haar „steeds willekeurigere” normen.
84 De Commissie voert aan dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is op grond dat rekwirante niet met de vereiste duidelijkheid en nauwkeurigheid heeft uiteengezet van welke onjuiste rechtsopvatting het Gerecht blijk zou hebben gegeven. Wat de inhoud betreft, betogen zowel de Raad als de Commissie dat het Gerecht zich heeft gehouden aan de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de bewijsstandaard die van toepassing is op het gebied van beperkende maatregelen.
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
85 Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel (arresten van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie,C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 januari 2026, Anbouba/Raad,C‑494/24 P, EU:C:2026:9, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 In casu moet worden vastgesteld dat rekwirante nauwkeurig heeft aangegeven tegen welk punt van het bestreden arrest zij met het tweede onderdeel van haar tweede middel wil opkomen en dat zij heeft uiteengezet van welke onjuiste rechtsopvatting het Gerecht in dat punt blijk zou hebben gegeven. Bijgevolg is dit tweede onderdeel ontvankelijk.
87 De exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie dient dus te worden verworpen.
2) Ten gronde
88 Het Gerecht heeft in punt 50 van het bestreden arrest zijn rechtspraak in herinnering gebracht volgens welke – kort gezegd – bij de beoordeling of de feitelijke grondslag die de Raad in een besluit houdende vaststelling of handhaving van beperkende maatregelen in aanmerking heeft genomen, voldoende solide is, de bewijselementen niet afzonderlijk maar in hun context moeten worden onderzocht. Volgens deze rechtspraak voldoet de Raad aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de persoon of de entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties kan worden vastgesteld.
89 In dit verband zij er ten eerste op gewezen dat die rechtspraak van het Gerecht zijn oorsprong vindt in de rechtspraak van het Hof (zie met name arresten van 21 april 2015, Anbouba/Raad,C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punten 52 en 54; 28 juli 2016, Tomana e.a./Raad en Commissie, C‑330/15 P, EU:C:2016:601, punt 82, en 1 augustus 2025, Timchenko/Raad,C‑702/23 P, EU:C:2025:605, punt 39).
90 Ten tweede vereist geen enkele regel van Unierecht dat de Raad in zijn besluiten tot vaststelling van beperkende maatregelen preciseert welke bewijsstandaard ter zake van toepassing is.
91 Het Gerecht kan dus niet worden verweten dat het zich heeft gebaseerd op de in punt 50 van het bestreden arrest genoemde beginselen.
92 Voorts is er wat criterium f) betreft sprake van een toereikend verband tussen de persoon of de entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties wanneer, zoals in punt 77 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de betrokken entiteit de Russische regering enige steun verleent die vanwege het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan de Russische regering materiële of financiële middelen of faciliteiten kan verschaffen die haar in staat stellen om haar acties ter destabilisatie van Oekraïne voort te zetten, zonder dat moet worden aangetoond dat er een direct of indirect verband bestaat tussen die steun en die acties.
93 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door rekwirantes argument dat de in punt 50 van het bestreden arrest genoemde rechtspraak in die zin zou moeten worden gewijzigd dat de hantering van een bewijsstandaard die is gebaseerd op een „bundel aanwijzingen” wordt opgegeven, teneinde de rechtsstaat te versterken. De door de Unierechter gehanteerde bewijsstandaard op het gebied van beperkende maatregelen is immers aangepast aan de bewarende, tijdelijke en omkeerbare aard van die maatregelen, waarvan de geldigheid altijd afhangt van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan (zie in die zin arrest van 9 februari 2023, Boshab/Raad,C‑708/21 P, EU:C:2023:84, punt 59). Die bewijsstandaard is bovendien niet van invloed op het feit dat bij de toetsing van de wettigheid van de redenen waarop het besluit tot plaatsing of handhaving van de naam van een bepaald persoon op de lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, is gebaseerd, de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat die toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste een daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (zie in die zin arrest van 20 april 2023, Raad/El-Qaddafi,C‑413/21 P, EU:C:2023:306, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Hieruit volgt dat deze bewijsstandaard de Unierechter in staat stelt om de feitelijke grondslag van de door de Raad vastgestelde beperkende maatregelen volledig en doeltreffend te toetsen, zonder de Raad evenwel een bewijslast op te leggen die onverenigbaar is met de dwingende spoed bij de invoering van dergelijke maatregelen en met het preventieve karakter ervan.
95 Het tweede onderdeel van het tweede middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.
96 Bijgevolg moet het tweede middel in zijn geheel ongegrond worden verklaard.
C. Derde middel: onjuiste beoordeling van de evenredigheid van de betrokken beperkende maatregelen
97 Het derde middel bestaat uit twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door bij het onderzoek van de vermeende onevenredige aantasting van rekwirantes grondrechten niet de rechtspositie van haar klanten en de gevolgen van de betrokken beperkende maatregelen voor die klanten te beoordelen, en het tweede aan een onjuiste rechtsopvatting in zoverre het Gerecht heeft geoordeeld dat die maatregelen in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel.
1. Eerste onderdeel van het derde middel
a) Argumenten van partijen
98 Met het eerste onderdeel van haar derde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht bij het onderzoek van de vermeende onevenredige aantasting van haar grondrechten geen rekening heeft gehouden met de situatie van haar klanten en de gevolgen van de betrokken beperkende maatregelen voor hun economische belangen, met name voor hun vermogen om over hun investeringen te beschikken en deze te beheren, noch met de schade die zij hebben geleden, ook al waren deze klanten geenszins betrokken bij het gewapende conflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
99 In dit verband betoogt zij ten eerste dat de in punt 129 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak, volgens welke – kort gezegd – schending van een subjectief recht slechts kan worden aangevoerd door de persoon wiens recht zou zijn geschonden, en niet door derden, in casu niet relevant is. Zij stelt dat die rechtspraak niet is ontwikkeld in het kader van beperkende maatregelen of van het onderzoek of het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen.
100 Bij het onderzoek naar de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel moet volgens rekwirante noodzakelijkerwijs rekening worden gehouden met alle gevolgen van de betrokken beperkende maatregelen, hetgeen het Gerecht ertoe had moeten brengen de gestelde schending van haar grondrechten te beoordelen vanuit het oogpunt van het eigendomsrecht van haar klanten.
101 Rekwirante preciseert evenwel dat zij niet om nietigverklaring van de betrokken beperkende maatregelen verzoekt wegens schending van het eigendomsrecht van haar klanten, maar wegens de economische gevolgen die volstrekt onevenredig en contraproductief zijn in het licht van de doelstellingen van die maatregelen, die haar klanten en gebruikers treffen.
102 Ten tweede voert zij aan dat de betrokken beperkende maatregelen, bij gebreke van een effectief stelsel van afwijkingen in verordening nr. 269/2014 op grond waarvan toestemming kan worden gegeven voor de vrijgave van bevroren tegoeden of economische middelen, het eigendomsrecht van haar klanten ernstig aantasten. Zij voegt daaraan toe dat de toepassing van de afwijkingen door de bevoegde nationale autoriteiten in de praktijk aan bijzonder strenge voorwaarden is onderworpen en dat deze autoriteiten de nadere regels voor de indiening en de behandeling van verzoeken om vrijgave van bevroren tegoeden of economische middelen niet of te laat hebben bekendgemaakt, wat het buitensporig moeilijk maakt om een dergelijke afwijking te vragen. Daardoor hebben haar klanten geen vrijgave van hun bevroren tegoeden of economische middelen kunnen verkrijgen.
103 De Raad voert aan dat het eerste onderdeel van het derde middel niet-ontvankelijk is omdat het een nieuw argument is, aangezien rekwirante voor het eerst in hogere voorziening een opzichzelfstaande schending van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van Unierecht aanvoert, los van de vermeende schendingen van de grondrechten die zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Dit nieuwe argument is dus van dien aard dat het voorwerp van het bij het Gerecht aanhangige geding wordt gewijzigd. In ieder geval betogen de Raad en de Commissie dat het derde middel ongegrond is.
b) Beoordeling door het Hof
1) Ontvankelijkheid
104 Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 170, lid 1, tweede volzin, van het Reglement voor de procesvoering het voorwerp van het geschil voor het Gerecht niet mag worden gewijzigd in hogere voorziening.
105 Volgens vaste rechtspraak is het Hof dus in hogere voorziening enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing van de rechter in eerste aanleg op de middelen en argumenten die voor hem zijn aangevoerd. Een partij kan een middel dat zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd dus niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren, aangezien zij anders bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. Een verzoekende partij mag wel een hogere voorziening instellen waarin zij voor het Hof middelen en argumenten aanvoert die uit het bestreden arrest zelf voortvloeien en ertoe strekken de gegrondheid ervan in rechte te betwisten (arrest van 6 oktober 2021, Sigma Alimentos Exterior/Commissie,C‑50/19 P, EU:C:2021:792, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
106 In casu verwijt rekwirante het Gerecht met het eerste onderdeel van haar derde middel dat het bij het onderzoek van de vermeende onevenredige aantasting van haar grondrechten geen rekening heeft gehouden met de situatie van haar klanten of met de gevolgen van de betrokken beperkende maatregelen voor die klanten, en betwist zij de beoordeling volgens welke zij zich ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring niet kon beroepen op een eigendomsrecht waarvan zij niet de houder was. Dit betoog vindt zijn oorsprong in het bestreden arrest zelf, met name in het onderzoek van het derde ter ondersteuning van dat beroep aangevoerde middel, ontleend aan een onevenredige schending van rekwirantes grondrechten.
107 Met dit eerste onderdeel stelt rekwirante dus de gevolgen in rechte ter discussie die het Gerecht heeft getrokken uit de rechtsbeslissing die het zelf heeft gegeven op een middel dat in eerste aanleg is besproken, zodat dit onderdeel, anders dan de Raad stelt, geen nieuw argument vormt en het voorwerp van het geschil waarover het Gerecht heeft beslist niet wijzigt.
108 Bijgevolg dient de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Raad te worden verworpen.
2) Ten gronde
109 Rekwirantes betoog dat het Gerecht bij het onderzoek naar de vermeende onevenredige aantasting van haar grondrechten geen rekening heeft gehouden met de situatie van haar klanten en met de gevolgen van de betrokken beperkende maatregelen voor hun economische belangen, kan niet slagen.
110 In dit verband moet vooraf worden gepreciseerd dat het Gerecht in punt 129 van het bestreden arrest in essentie heeft geoordeeld dat de verzoekende partij zich ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring niet kan beroepen op een eigendomsrecht waarvan zij niet de houder is. Uit het betoog dat rekwirante in het eerste onderdeel van haar derde middel ontwikkelt, blijkt dat zij de betrokken beperkende maatregelen niet betwist vanwege schending van het eigendomsrecht van haar klanten, maar vanwege de economische gevolgen ervan, die volgens haar volstrekt onevenredig en contraproductief zijn in het licht van de gestelde doelstellingen van die maatregelen en voorspelbare en aantoonbare gevolgen hebben of zullen hebben voor haar klanten en gebruikers, die niet aan beperkende maatregelen zijn onderworpen.
111 Bijgevolg moet verzoeksters betoog aldus worden opgevat dat het in essentie schending van het evenredigheidsbeginsel betreft. In die omstandigheden hoeft in casu niet te worden beslist over de vraag of rekwirante zich kan beroepen op schending van een eigendomsrecht waarvan zij niet de houder is.
112 Na deze precisering moet worden opgemerkt dat het Gerecht, door te onderzoeken of de betrokken beperkende maatregelen evenredig zijn aan het nagestreefde doel, daadwerkelijk rekening heeft gehouden met de economische gevolgen van die maatregelen, ook voor rekwirantes klanten.
113 Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 129 van het bestreden arrest in eerste instantie vastgesteld dat rekwirantes klanten beschikten over rechtsmiddelen bij de nationale rechterlijke instanties, waar zij met name konden aanvoeren dat inbreuk was gemaakt op hun in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde eigendomsrecht.
114 Daarnaast heeft het Gerecht in de punten 132 en 133 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat wanneer een nationale autoriteit beslist over een verzoek tot vrijgave van bevroren tegoeden overeenkomstig de afwijkingen waarin besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014 voorzien, zij het Handvest moet eerbiedigen, zoals bepaald in artikel 51, lid 1, ervan (zie naar analogie arrest van 12 juni 2014, Peftiev e.a.,C‑314/13, EU:C:2014:1645, punt 24). Het heeft daaruit afgeleid dat de nationale autoriteiten, wanneer een klant van rekwirante die niet op de litigieuze lijsten is geplaatst een verzoek indient tot vrijgave van zijn tegoeden of economische middelen die zijn bevroren wegens de plaatsing van rekwirante op die lijsten, moeten nagaan of de inmenging in het eigendomsrecht van die klant voldoet aan de voorwaarden van artikel 52 van het Handvest.
115 In tweede instantie heeft het Gerecht het in verordening nr. 269/2014 neergelegde stelsel van uitzonderingen met het oog op de verlening van toestemming voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen onderzocht teneinde na te gaan of dit rekwirante de mogelijkheid bood om de effecten van haar klanten die zij op haar bevroren rekeningen bij in de Unie gevestigde effectenbewaarinstellingen aanhield, terug te geven.
116 Dienaangaande heeft het in punt 149 van het bestreden arrest om te beginnen opgemerkt dat volgens de uitzondering van artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145, de bevriezing van tegoeden of economische middelen van een persoon, entiteit of lichaam niet belet dat die persoon, die entiteit of dat lichaam betalingen doet die verschuldigd zijn uit hoofde van een overeenkomst die is gesloten vóór de datum waarop die persoon, die entiteit of dat lichaam op de lijst in de bijlage bij dat besluit is geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet direct of indirect wordt ontvangen door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam die/dat op die lijst staat.
117 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 150 van het bestreden arrest in essentie opgemerkt dat de bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 toestemming kunnen geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, mits een betaling verschuldigd is door een op de lijst in bijlage I bij deze verordening opgenomen natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam op grond van een contract dat of een overeenkomst die door deze is gesloten of op grond van een verplichting die voor hem is ontstaan vóór de datum waarop de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in deze bijlage werd opgenomen, indien zij hebben vastgesteld dat die tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam vermeld in die bijlage en de te verrichten betaling niet in strijd is met het verbod om tegoeden of economische middelen, direct of indirect ter beschikking te stellen aan de in dezelfde bijlage vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen of met hen geassocieerde personen, entiteiten of lichamen.
118 Binnen het aldus geschetste kader heeft het Gerecht in de punten 151 en 152 van het bestreden arrest in essentie geoordeeld, zonder dat dit door rekwirant wordt betwist, dat aangezien tegoeden of economische middelen kunnen worden vrijgegeven om een persoon, entiteit of lichaam in staat te stellen een „betaling” te verrichten op grond van een contract of overeenkomst die/dat vóór de datum van de plaatsing van die persoon, die entiteit of dat lichaam op de litigieuze lijsten met een derde is gesloten, het begrip „betaling”, als bedoeld in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014, ruim moet worden uitgelegd en niet kan worden beperkt tot betalingen in de vorm van een overdracht van een geldsom. Een restrictieve uitlegging van dit begrip zou namelijk tegenstrijdig zijn met de mogelijkheid zelf om de bevroren tegoeden of economische middelen van rekwirante vrij te geven. Het heeft daaruit geconcludeerd dat de uitzondering waarin artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 voorzien de nationale autoriteiten de mogelijkheid biedt om die tegoeden of economische middelen vrij te geven om rekwirante in staat te stellen een betaling te verrichten in de vorm van een teruggave van de effecten van haar klanten die zij op haar bevroren rekeningen bij in de Unie gevestigde effectenbewaarinstellingen aanhield.
119 Wat ten slotte rekwirantes argument betreft dat de uitzonderingen waarin verordening nr. 269/2014 voorziet, haar klanten niet in staat hebben gesteld de vrijgave van hun tegoeden of economische middelen te verkrijgen, wegens de te beperkende voorwaarden die de nationale autoriteiten hebben gesteld of het te laat optreden van deze autoriteiten, moet in navolging van wat het Gerecht in punt 155 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, worden opgemerkt dat de Unierechter niet bevoegd is om zich in een beroep krachtens artikel 263 VWEU uit te spreken over de wettigheid van een handeling van een nationale autoriteit (arrest van 17 september 2014, Liivimaa Lihaveis,C‑562/12, EU:C:2014:2229, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
120 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.
2. Tweede onderdeel van het derde middel
a) Argumenten van partijen
121 Met het tweede onderdeel van het derde middel bestrijdt rekwirante in essentie de punten 134 tot en met 146 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat aan de in artikel 52, lid 1, van het Handvest gestelde voorwaarden om een inmenging in haar eigendomsrecht en haar vrijheid van ondernemerschap te rechtvaardigen, was voldaan.
122 Dienaangaande betoogt zij in de eerste plaats dat de Raad door rekwirante op de litigieuze lijsten te plaatsen eigenlijk de tegoeden van alle Russische beleggers wilde bevriezen, zonder hen afzonderlijk op lijsten te plaatsen en zonder het vereiste identificatieniveau. Een dergelijke handelwijze levert misbruik van bevoegdheid op, zodat de litigieuze handelingen kennelijk en onherstelbaar het evenredigheidsbeginsel schenden.
123 In de tweede plaats betoogt rekwirante dat de jegens haar vastgestelde beperkende maatregelen niet tijdelijk maar permanent zijn, aangezien zij meer dan twee jaar na de vaststelling ervan, en zonder dat er zich in Rusland politieke ontwikkelingen hebben voorgedaan, nog steeds van kracht zijn. Bovendien verwijt zij het Gerecht dat het in de punten 137 en 139 van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de concrete doeltreffendheid van die maatregelen.
124 In de derde en laatste plaats betoogt rekwirante dat haar enkele hoedanigheid van nominale houder van rekeningen bij in de Unie gevestigde effectenbewaarinstellingen niet volstaat om haar aan te merken als houder van tegoeden en economische middelen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 269/2014.
125 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist rekwirantes betoog.
b) Beoordeling door het Hof
126 Wat in de eerste plaats rekwirantes argument betreft dat haar plaatsing op de litigieuze lijsten voortvloeit uit de wil van de Raad om zonder onderscheid de tegoeden van alle Russische beleggers te bevriezen, zonder hen afzonderlijk op lijsten te plaatsen en zonder hen afdoende te identificeren, hetgeen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, moet worden vastgesteld dat dit argument voor het eerst in het stadium van de hogere voorziening wordt aangevoerd. Overeenkomstig de in punt 105 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet een dergelijk argument niet-ontvankelijk worden verklaard.
127 Wat in de tweede plaats rekwirantes betoog inzake het gestelde permanente karakter van de betrokken beperkende maatregelen betreft, volstaat het op te merken dat besluit 2014/145 overeenkomstig artikel 6, derde alinea, ervan voortdurend wordt geëvalueerd en zo nodig wordt verlengd of gewijzigd, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt. Evenzo wordt de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014 volgens artikel 14, lid 4, van deze verordening op gezette tijden, en ten minste om de twaalf maanden, geëvalueerd.
128 Hieruit volgt dat deze maatregelen tijdelijk en omkeerbaar zijn, zoals het Gerecht in punt 136 van het bestreden arrest heeft opgemerkt.
129 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat deze tijdelijke en omkeerbare aard wordt ontkracht door het feit dat die maatregelen gedurende meer dan twee jaar na de vaststelling ervan, en zonder dat er zich in Rusland politieke ontwikkelingen hebben voorgedaan, gehandhaafd zijn gebleven. Volgens de rechtspraak vergt de rechtmatigheid van beperkende maatregelen niet dat deze maatregelen onmiddellijk effect sorteren, maar uitsluitend dat zij niet kennelijk ongeschikt zijn in het licht van het doel dat de bevoegde instelling voor ogen staat (arrest van 17 september 2020, Rosneft e.a./Raad,C‑732/18 P, EU:C:2020:727, punt 97).
130 Overeenkomstig deze rechtspraak moet rekwirantes argument waarmee zij het Gerecht verwijt dat het in de punten 137 en 139 van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de concrete doeltreffendheid van de betrokken beperkende maatregelen, worden afgewezen.
131 Dienaangaande moet worden opgemerkt, zoals het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat aangezien het doel dat de Raad met de bestreden handelingen nastreeft erin bestaat de inkomsten van de Russische Staat te verminderen en druk uit te oefenen op de Russische regering teneinde haar minder capabel te maken om haar acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, te financieren, de aanpak om de maatregelen te richten tegen marktdeelnemers die, zoals rekwirante, materiële of financiële steun verlenen aan deze regering immers een logische manier is om dit doel te verwezenlijken en dus niet kan worden aangemerkt als kennelijk ongeschikt voor dat doel (zie naar analogie arrest van 28 maart 2017, Rosneft,C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 147).
132 In het onderhavige geval stelt rekwirante niet, en bewijst zij bijgevolg evenmin, dat die maatregelen kennelijk ongeschikt waren voor het nagestreefde doel.
133 Wat in de derde en laatste plaats het argument betreft waarmee rekwirante betwist dat zij kan worden aangemerkt als houder van tegoeden of economische middelen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 269/2014, moet worden opgemerkt dat een dermate onnauwkeurige kritiek, die meer bepaald niet uitdrukkelijk gericht is tegen enig punt van het bestreden arrest, het Hof niet in staat stelt de gegrondheid ervan te beoordelen en dus niet voldoet aan de vereisten van de in punt 85 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. Dit argument moet dus worden afgewezen als zijnde niet ter zake dienend.
134 Gelet op een en ander moet het tweede onderdeel van het derde middel deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk worden verklaard.
135 Bijgevolg moet het derde middel in zijn geheel deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk worden verklaard.
136 Aangezien geen van de door rekwirante opgeworpen middelen kan worden aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
V. Kosten
137 Krachtens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
138 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
139 Aangezien de Raad heeft geconcludeerd tot verwijzing van rekwirante in de kosten en deze laatste in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Raad.
140 Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Bijgevolg zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) NKO AO National Settlement Depository (NSD) draagt haar eigen kosten alsook die van de Raad van de Europese Unie.
3) De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 12 februari 2026, C-490/24, ECLI:EU:C:2026:89
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-702/23, ECLI:EU:C:2025:605
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-581/22, ECLI:EU:C:2024:821
- Gerecht EU 11 september 2024, T-494/22, ECLI:EU:T:2024:607
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-50/19, ECLI:EU:C:2021:792
- HvJ EU 22 april 2021, C-46/19, ECLI:EU:C:2021:316
- HvJ EU 28 maart 2017, C-72/15, ECLI:EU:C:2017:236
- HvJ EU 7 april 2016, C-266/15, ECLI:EU:C:2016:208
- HvJ EU 18 juni 2015, C-535/14, ECLI:EU:C:2015:407
- HvJ EU 21 april 2015, C-605/13, ECLI:EU:C:2015:248
- HvJ EU 17 september 2014, C-562/12, ECLI:EU:C:2014:2229
- HvJ EU 12 juni 2014, C-314/13, ECLI:EU:C:2014:1645
- HvJ EU 15 november 2012, C-417/11, ECLI:EU:C:2012:718