Gerecht EU 22 november 2023, T-330/20, ECLI:EU:T:2023:733

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

22 november 2023 ( *1 )

„Economische en monetaire Unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Afwikkeling van Banco Popular Español – Besluit van de GAR houdende weigering om compensatie toe te kennen aan de aandeelhouders en crediteuren die getroffen waren door de afwikkelingsmaatregelen – Waardering van het verschil in behandeling – Onafhankelijkheid van de taxateur”

In zaak T‑330/20,

ACMO Sàrl, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), en de andere verzoekende partijen wier namen zijn opgenomen in de bijlage ( 1 ), vertegenwoordigd door T. Soames en I Prodromou-Stamoudi, advocaten, en R. East, solicitor,

verzoeksters,

tegen

Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door M. Fernández Rupérez, A. Lapresta Bienz, L. Forestier en J. Rius Riu als gemachtigden, bijgestaan door H.‑G. Kamann, F. Louis, V. Del Pozo Espinosa de los Monteros en L. Hesse, advocaten,

verweerder,

ondersteund door

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

interveniënt,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, G. De Baere (rapporteur), G. Steinfatt, K. Kecsmár en S. Kingston, rechters,

griffier: P. Nuñez Ruiz, administrateur,

gezien de stukken,

gezien de op 23 januari 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief waarbij PIMCO Dynamic Income Fund het Gerecht in kennis heeft gesteld van haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van PIMCO Income Opportunity Fund en PIMCO Dynamic Credit and Mortgage Income Fund,

gezien de op 13 november 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief waarbij Bybrook Capital Badminton Fund LP heeft verzocht om Cairn Global Funds PLC en Cairn Special Opportunities Credit Master Fund Limited te vervangen als verzoekende partij in de onderhavige zaak, en in het kader waarvan de andere partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun opmerkingen te maken,

gezien de op 16 november 2023 ter griffie van het Hof neergelegde brief waarbij PIMCO Global Cross-asset Opportunities Master Fund LDC heeft verzocht om in de plaats te mogen treden van PHFS series SPC – PHSF VII SP als verzoekende partij in de onderhavige zaak, en in het kader waarvan de andere partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun opmerkingen kenbaar te maken,

na de terechtzitting op 9 september 2022,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, ACMO Sàrl en de andere in de bijlage genoemde rechtspersonen, nietigverklaring van besluit SRB/EES/2020/52 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 17 maart 2020 om te bepalen of compensatie moet worden toegekend aan de aandeelhouders en crediteuren ten aanzien van wie de afwikkelingsmaatregelen aangaande Banco Popular Español S.A. zijn genomen (hierna: „bestreden besluit”).

I. Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoeksters zijn beleggingsfondsen die, voordat een afwikkelingsregeling werd vastgesteld voor Banco Popular Español, SA (hierna: „Banco Popular”), door die bank uitgegeven aanvullende tier 1-kapitaalinstrumenten en tier 2-kapitaalinstrumenten in handen hadden (waarvan sommige via compartimenten), met uitzondering van één daarvan, die in de rechten treedt van een entiteit die obligaties van Banco Popular aanhield.

3 Op 7 juni 2017 heeft de GAR tijdens zijn bestuursvergadering besluit SRB/EES/2017/08 over de vaststelling van een afwikkelingsregeling voor Banco Popular (hierna: „afwikkelingsregeling”) vastgesteld op grondslag van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).

4 Voorafgaand aan de vaststelling van de afwikkelingsregeling op 23 mei 2017, heeft de GAR, na een aanbestedingsprocedure, Deloitte Bedrijfsrevisoren (hierna: „Deloitte” of „taxatiebureau”) als taxateur in dienst genomen om een eventuele afwikkeling van Banco Popular te helpen voorbereiden. Deloitte kreeg een specifieke overeenkomst in aansluiting op een oproep tot mededinging in het kader van een meervoudig raamcontract voor diensten dat de GAR had gesloten met zes bureaus, waaronder Deloitte. Volgens de specifieke overeenkomst omvatte de opdracht van het taxatiebureau de waardering van Banco Popular voorafgaand aan een eventuele afwikkeling en de waardering van het in artikel 20, leden 16 tot en met 18, van verordening nr. 806/2014 bedoelde verschil in behandeling na een mogelijke afwikkeling.

5 Op 5 juni 2017 heeft de GAR overeenkomstig artikel 20, lid 5, onder a), van verordening nr. 806/2014 een eerste waardering opgesteld die tot doel had als onderbouwing te dienen voor de vaststelling of voldaan was aan de in artikel 18, lid 1, van verordening nr. 806/2014 vastgelegde voorwaarden voor afwikkeling.

6 Op 6 juni 2017 heeft Deloitte de GAR een tweede waardering (hierna: „waardering 2”) doen toekomen die werd opgesteld overeenkomstig artikel 20, lid 10, van verordening nr. 806/2014. Waardering 2 had tot doel de waarde van de activa en passiva van Banco Popular te bepalen, een inschatting te geven van de behandeling die de aandeelhouders en crediteuren zouden hebben genoten indien er een normale insolventieprocedure ten aanzien van Banco Popular was geopend, als onderbouwing te dienen voor het besluit over de aandelen en eigendomsinstrumenten die moeten worden overgedragen, en mede vorm te geven aan de opvatting van de GAR over de commerciële voorwaarden voor het instrument van verkoop van de onderneming.

7 In de afwikkelingsregeling heeft de GAR, die van oordeel was dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 806/2014, besloten om Banco Popular in afwikkeling te plaatsen. De GAR heeft besloten de kapitaalinstrumenten van Banco Popular overeenkomstig artikel 21 van verordening nr. 806/2014 af te schrijven en om te zetten, en het instrument van verkoop van de onderneming krachtens artikel 24 van verordening nr. 806/2014 toe te passen door de aandelen aan een koper over te dragen.

8 De GAR heeft besloten om de aandelen van Banco Popular voor 100 % in te trekken, de volledige hoofdsom van de door Banco Popular uitgegeven aanvullende tier 1-kapitaalinstrumenten om te zetten en af te schrijven en de volledige hoofdsom van de tier 2-kapitaalinstrumenten om te zetten in nieuw uitgegeven aandelen van Banco Popular, de „nieuwe aandelen II”. Na een transparant en open verkoopproces door de Spaanse afwikkelingsautoriteit, het Fondo de Reestructuración Ordenada Bancaria (FROB, fonds voor de ordelijke herstructurering van bankinstellingen, Spanje) zijn de „nieuwe aandelen II” overgedragen aan Banco Santander SA tegen betaling van een aankoopprijs van 1 EUR. Vervolgens werd Banco Santander op 28 september 2018, na een fusie door overneming, rechtsopvolgster onder algemene titel van Banco Popular.

9 Op 7 juni 2017 heeft de Europese Commissie besluit (EU) 2017/1246 tot goedkeuring van de afwikkelingsregeling voor Banco Popular (PB 2017, L 178, blz. 15) vastgesteld.

10 Op 14 juni 2018 heeft Deloitte de GAR de in artikel 20, leden 16 tot en met 18, van verordening nr. 806/2014 geregelde waardering van het verschil in behandeling doen toekomen die zij had uitgevoerd om vast te stellen of aandeelhouders en crediteuren beter zouden zijn behandeld indien er een normale insolventieprocedure tegen de instelling in afwikkeling was geopend (hierna: „waardering 3”). Op 31 juli 2018 heeft Deloitte de GAR een addendum bij die waardering toegezonden waarin een aantal vormfouten was rechtgezet.

11 Deloitte heeft in waardering 3 een inschatting gemaakt van de behandeling die de aandeelhouders en crediteuren zouden hebben genoten indien er op het moment van de vaststelling van de afwikkelingsregeling een normale insolventieprocedure ten aanzien van Banco Popular was geopend. Bij het maken van die inschatting is zij uitgegaan van een liquidatiescenario onder toepassing van Ley 22/2003, Concursal (faillissementswet 22/2003) van 9 juli 2003 (BOE nr. 164 van 10 juli 2003, blz. 26905).

12 Deloitte gaf aan dat het hypothetische liquidatiescenario was opgesteld op basis van niet-gecontroleerde financiële informatie van 6 juni 2017 of, indien deze niet beschikbaar was, informatie van 31 mei 2017. Volgens de inschatting van Deloitte zou de opening van een normale insolventieprocedure tegen Banco Popular op 7 juni 2017 hebben geleid tot een niet-geplande liquidatie. Om de verkoopwaarde van de activa te beoordelen, heeft Deloitte drie alternatieve liquidatiescenario’s van 18 maanden, 3 jaar en 7 jaar in aanmerking genomen, waarbij telkens werd uitgegaan van zowel een bestcasescenario als een worstcasescenario. Deloitte kwam tot de bevinding dat er in elk van deze scenario’s voor de getroffen aandeelhouders en de achtergestelde crediteuren geen terugvordering te verwachten zou zijn geweest in het kader van een normale insolventieprocedure, en dat er dus geen sprake was van een verschil in behandeling ten opzichte van de uit de afwikkelingsmaatregel voortvloeiende behandeling.

13 Op 6 augustus 2018 publiceerde de GAR op zijn website zijn bericht van 2 augustus 2018 betreffende zijn voorlopige besluit over het al dan niet toekennen van compensatie aan de aandeelhouders en crediteuren ten aanzien van wie de afwikkelingsmaatregelen aangaande Banco Popular waren genomen en betreffende de inleiding van de procedure om te worden gehoord (SRB/EES/2018/132) (hierna: „voorlopig besluit”), alsmede een niet-vertrouwelijke versie van waardering 3. Op 7 augustus 2018 is er een aankondiging met betrekking tot het bericht van de GAR bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2018, C 277 I, blz. 1).

14 In het voorlopige besluit heeft de GAR zich op het standpunt gesteld dat uit waardering 3 bleek dat er geen verschil was tussen enerzijds de behandeling die de door de afwikkeling van Banco Popular getroffen aandeelhouders en crediteuren daadwerkelijk hadden genoten, en anderzijds de behandeling die zij zouden hebben genoten indien er op de datum van afwikkeling ten aanzien van deze instelling een normale insolventieprocedure was geopend. De GAR heeft voorlopig besloten dat de getroffen aandeelhouders en crediteuren krachtens artikel 76, lid 1, onder e), van verordening nr. 806/2014 geen recht hadden op compensatie.

15 Om een definitief besluit te kunnen nemen over het al dan niet moeten betalen van compensatie aan de getroffen aandeelhouders en crediteuren, nodigde de GAR hen ertoe uit kenbaar te maken of zij gebruik wilden maken van hun recht om met betrekking tot het voorlopige besluit te worden gehoord op grond van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

16 De GAR heeft aangegeven dat de procedure betreffende het recht om te worden gehoord in twee fasen zou verlopen.

17 In een eerste fase, de inschrijvingsfase, werden de getroffen aandeelhouders en crediteuren ertoe uitgenodigd om tot en met 14 september 2018 via een online-inschrijvingsformulier kenbaar te maken of zij gebruik wilden maken van hun recht om te worden gehoord. Vervolgens moest de GAR verifiëren of elke partij die haar belangstelling kenbaar had gemaakt, de status van getroffen aandeelhouder of crediteur had. De getroffen aandeelhouders en crediteuren die daarvoor belangstelling hadden moesten hun identiteit aantonen en bewijzen dat zij op 6 juni 2017 een of meer kapitaalinstrumenten van Banco Popular bezaten die in het kader van de afwikkeling waren afgeschreven of omgezet en overgedragen.

18 In een tweede fase, de raadplegingsfase, konden de getroffen aandeelhouders en crediteuren die in de eerste fase hadden aangegeven hun recht om te worden gehoord te willen uitoefenen, en van wie de status door de GAR was geverifieerd, hun opmerkingen indienen over het voorlopige besluit en bijgevoegde waardering 3.

19 Op 16 oktober 2018 heeft de GAR aangekondigd dat de in aanmerking komende aandeelhouders en crediteuren werd verzocht vanaf 6 november 2018 hun schriftelijke opmerkingen over het voorlopige besluit in te dienen. Op 6 november 2018 heeft de GAR in aanmerking komende aandeelhouders en crediteuren een persoonlijke internetlink gestuurd die toegang bood tot een formulier waarmee zij tot 26 november 2018 opmerkingen konden indienen over het voorlopige besluit en de niet-vertrouwelijke versie van waardering 3.

20 Na afloop van de raadplegingsfase heeft de GAR de relevante opmerkingen van de getroffen aandeelhouders en crediteuren met betrekking tot het voorlopige besluit onderzocht. Hij verzocht Deloitte om hem een document met haar beoordeling van de relevante opmerkingen met betrekking tot waardering 3 over te leggen en na te gaan of waardering 3 in het licht van deze opmerkingen geldig bleef.

21 Op 18 december 2019 heeft Deloitte de GAR haar beoordeling met het opschrift „Toelichting bij de waardering van het verschil in behandeling” (hierna: „toelichtingsdocument”) overgelegd. In het toelichtingsdocument heeft Deloitte bevestigd dat de strategie en de verschillende hypothetische liquidatiescenario’s die in waardering 3 waren uiteengezet, alsook de gebruikte methoden en de uitgevoerde analysen, geldig bleven.

22 Op 17 maart 2020 heeft de GAR het bestreden besluit vastgesteld. Met betrekking tot dat besluit is een aankondiging gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 20 maart 2020 (PB 2020, C 91, blz. 2).

23 In het bestreden besluit heeft de GAR vastgesteld dat Deloitte onafhankelijk was volgens de vereisten van artikel 20, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en hoofdstuk IV van gedelegeerde verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie van 23 maart 2016 houdende aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de inhoud van herstelplannen, afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen, de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen met betrekking tot herstelplannen en groepsherstelplannen, de voorwaarden voor financiële steun binnen de groep, de voorwaarden voor onafhankelijke taxateurs, de contractuele erkenning van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, de procedures en de inhoud van de kennisgevingsvereisten en van de kennisgeving van opschorting en de operationele werking van de afwikkelingscolleges (PB 2016, L 184, blz. 1).

24 In titel 5 („waardering 3”) van het bestreden besluit heeft de GAR de inhoud van waardering 3 samengevat en zich op het standpunt gesteld dat deze in overeenstemming was met het toepasselijke rechtskader en voldoende gemotiveerd en volledig was om als grondslag te dienen voor een besluit krachtens artikel 76, lid 1, onder e), van verordening nr. 806/2014. Hij heeft geoordeeld dat waardering 3 de noodzakelijke elementen beoordeelde als bedoeld in artikel 20, lid 17, van verordening nr. 806/2014 en in gedelegeerde verordening (EU) 2018/344 van de Commissie van 14 november 2017 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methoden voor de waardering van het verschil in behandeling bij afwikkeling (PB 2018, L 67, blz. 3).

25 In titel 6 van het bestreden besluit heeft de GAR de opmerkingen van de getroffen aandeelhouders en crediteuren en de beoordeling daarvan weergegeven. In punt 6.1 („Beoordeling van de relevantie”) van het bestreden besluit heeft de GAR uitgelegd dat sommige van die opmerkingen, die geen betrekking hadden op zijn voorlopige besluit of op waardering 3, niet relevant waren, aangezien zij niet onder de procedure betreffende het recht om te worden gehoord vielen. In punt 6.2 van het bestreden besluit heeft hij de per onderwerp gegroepeerde relevante opmerkingen van de getroffen aandeelhouders en crediteuren over de onafhankelijkheid van Deloitte en de inhoud van waardering 3 onderzocht.

26 De GAR is tot de slotsom gekomen dat uit waardering 3, gelezen in samenhang met het toelichtingsdocument en de vaststellingen in punt 6.2 van het bestreden besluit, bleek dat er geen verschil was tussen de behandeling die de door de afwikkeling van Banco Popular getroffen aandeelhouders en crediteuren daadwerkelijk hadden genoten en de behandeling die zij zouden hebben genoten indien er op de datum van afwikkeling ten aanzien van Banco Popular een normale insolventieprocedure was geopend.

27 Bijgevolg heeft de GAR besloten: „Artikel 1 Waardering Om te bepalen of compensatie moet worden toegekend aan de aandeelhouders en crediteuren ten aanzien van wie de afwikkelingsmaatregelen aangaande Banco Popular […] zijn genomen, wordt de waardering van het verschil in behandeling bij afwikkeling als bedoeld in artikel 20, lid 16, van verordening nr. 806/2014 vastgesteld overeenkomstig bijlage I bij dit besluit, in combinatie met het toelichtingsdocument […] in bijlage II bij dit besluit. Artikel 2 Compensatie De aandeelhouders en crediteuren ten aanzien van wie de afwikkelingsmaatregelen aangaande Banco Popular […] zijn genomen hebben geen recht op compensatie uit het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds krachtens artikel 76, lid 1, onder e), van verordening nr. 806/2014. Artikel 3 Adressaten van het besluit Dit besluit is gericht tot het FROB, in zijn hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 3, lid 1, punt 3, van verordening nr. 806/2014.”

II. Conclusies van partijen

28 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de GAR te verwijzen in de kosten.

29 De GAR verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het is ingesteld door een vertegenwoordiger of door verzoeksters die slechts via hun compartimenten worden getroffen; – subsidiair en voor de andere verzoeksters, het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

30 Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A. Ontvankelijkheid

31 De GAR voert aan dat sommige verzoeksters hun procesbevoegdheid niet hebben aangetoond. Volgens hem moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover sommige verzoeksters optreden in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger, namelijk als beheerder van fondsen die obligaties van Banco Popular aanhielden, en andere verzoeksters enkel worden getroffen via hun compartimenten die kapitaalsinstrumenten van Banco Popular aanhielden.

32 Vastgesteld moet worden dat de GAR niet betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is ten aanzien van alle verzoeksters.

33 In dit verband blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde formele documenten dat meerdere verzoeksters op de datum van vaststelling van de afwikkelingsregeling daadwerkelijk aanvullende tier 1-kapitaalinstrumenten of tier 2-kapitaalinstrumenten van Banco Popular aanhielden. Bovendien hebben zij deelgenomen aan de procedure betreffende het recht om te worden gehoord.

34 Hieruit volgt dat deze verzoeksters behoren tot de categorie van aandeelhouders en crediteuren die door de afwikkeling van Banco Popular worden getroffen. Zij worden dus rechtstreeks en individueel geraakt door het bestreden besluit en hebben procesbevoegdheid om de nietigverklaring van het bestreden besluit te vorderen, hetgeen de GAR overigens niet betwist.

35 Volgens vaste rechtspraak hoeft, wanneer in één en hetzelfde beroep de procesbevoegdheid van een verzoekende partij vaststaat, niet te worden onderzocht of de andere verzoekende partijen procesbevoegd zijn (zie in die zin arrest van 9 juni 2011, Comitato Venezia vuole vivere e.a./Commissie,C‑71/09 P, C‑73/09 P en C‑76/09 P, EU:C:2011:368, punt 37; zie in die zin ook arrest van 24 oktober 2019, EPSU en Goudriaan/Commissie, T‑310/18, EU:T:2019:757, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Bijgevolg hoeft niet te worden ingegaan op de door de GAR opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid die is gebaseerd op de overweging dat verzoeksters, voor zover zij optreden in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger of met betrekking tot hun compartimenten, niet procesbevoegd zijn.

B. Ten gronde

37 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan. Met het eerste middel betogen zij dat de GAR kennelijk onjuiste beoordelingen heeft gemaakt bij de goedkeuring van waardering 3 wat de beoordeling van de duur van de insolventieperiode, de renderende leningen, de niet-renderende leningen, de onroerende activa en de juridische risico’s van Banco Popular betreft. Met het tweede, subsidiair aangevoerde middel, stellen zij dat de GAR een kennelijk onjuiste beoordeling heeft gemaakt door Deloitte als onafhankelijke taxateur aan te wijzen. Met het derde middel, dat eveneens subsidiair wordt aangevoerd, stellen zij dat de GAR de hem bij verordening nr. 806/2014 verleende beslissingsbevoegdheden ten onrechte aan Deloitte heeft gedelegeerd.

1. Opmerkingen vooraf

a) Omvang van de toetsing door het Gerecht

38 Opgemerkt zij dat de rechtspraak de omvang van de toetsing door het Gerecht heeft beperkt, zowel in situaties waarin de bestreden handeling berust op een beoordeling van uitermate ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten als in gevallen waarin er sprake is van ingewikkelde economische beoordelingen.

39 Ten eerste moet in situaties waarin de autoriteiten van de Europese Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, met name met betrekking tot de beoordeling van uitermate ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten teneinde de aard en de omvang te bepalen van de maatregelen die zij vaststellen, de toetsing door de Unierechter beperkt blijven tot de vraag of er bij de uitoefening van die bevoegdheid geen sprake was van een kennelijke fout of misbruik van bevoegdheid, dan wel of die autoriteiten de grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid niet klaarblijkelijk hebben overschreden. In die context kan de rechter van de Unie zijn beoordeling van de wetenschappelijke en technische feiten immers niet in de plaats stellen van die van de instellingen van de Unie, waaraan het VWEU die taak bij uitsluiting heeft toevertrouwd [zie arresten van 21 juli 2011, Etimine,C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 juni 2022, Algebris (UK) en Anchorage Capital Group/Commissie, T‑570/17, EU:T:2022:314, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

40 Ten tweede is de toetsing door de Unierechter van ingewikkelde economische beoordelingen die worden verricht door de autoriteiten van de Unie, een beperkte toetsing. Deze gaat noodzakelijkerwijs niet verder dan de vraag of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout dan wel van misbruik van bevoegdheid. Bij die toetsing mag de Unierechter dus evenmin zijn economische beoordeling in de plaats stellen van die van de bevoegde autoriteit van de Unie [zie arresten van 2 september 2010, Commissie/Scott,C‑290/07 P, EU:C:2010:480, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 juni 2022, Algebris (UK) en Anchorage Capital Group/Commissie, T‑570/17, EU:T:2022:314, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41 Aangezien de besluiten van de GAR om te bepalen of compensatie moet worden toegekend aan de aandeelhouders en crediteuren ten aanzien van wie de afwikkelingsmaatregelen aangaande een entiteit zijn genomen, berusten op uitermate ingewikkelde economische en technische beoordelingen, moeten de beginselen die voortvloeien uit de in de punten 39 en 40 hierboven vermelde rechtspraak worden geacht van toepassing te zijn op de toetsing die de rechter dient te verrichten.

42 Dat de GAR op economisch en technisch gebied over een beoordelingsmarge beschikt, betekent evenwel niet dat de Unierechter de interpretatie die de GAR geeft aan de economische gegevens waarop zijn besluit berust, niet mag toetsen. Zoals het Hof heeft geoordeeld, moet de Unierechter immers zelfs in geval van ingewikkelde beoordelingen niet alleen de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen alsook de betrouwbaarheid en samenhang ervan controleren, maar ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen dragen [zie arresten van 11 november 2021, Autostrada Wielkopolska/Commissie en Polen, C‑933/19 P, EU:C:2021:905, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 juni 2022, Algebris (UK) en Anchorage Capital Group/Commissie, T‑570/17, EU:T:2022:314, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43 De door een verzoeker aangedragen bewijzen kunnen slechts aantonen dat de GAR bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft begaan die de nietigverklaring van een bestreden besluit kan rechtvaardigen, indien deze bewijzen volstaan om de in dat besluit in aanmerking genomen beoordeling van de feiten te ontzenuwen [zie naar analogie arresten van 7 mei 2020, BTB Holding Investments en Duferco Participations Holding/Commissie, C‑148/19 P, EU:C:2020:354, punt 72, en 1 juni 2022, Algebris (UK) en Anchorage Capital Group/Commissie, T‑570/17, EU:T:2022:314, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44 Bijgevolg moet een middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout worden afgewezen indien de betrokken beoordeling ondanks de door de verzoeker aangevoerde elementen nog steeds juist of geldig kan worden geacht (zie arresten van 27 september 2018, Spiegel-Verlag Rudolf Augstein en Sauga/ECB, T‑116/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:614, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 november 2020, BMC/Gemeenschappelijke Onderneming Clean Sky 2, T‑71/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:567, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Uit vaste rechtspraak volgt bovendien dat, wanneer de instellingen over een dergelijke beoordelingsbevoegdheid beschikken, de eerbiediging van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen van des te fundamenteler belang is. Tot de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen behoort met name het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde beginsel van behoorlijk bestuur, waarmee voor de bevoegde instelling de verplichting samenhangt alle relevante gegevens van de zaak zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken. Enkel dan kan de rechter van de Unie nagaan of er is voldaan aan alle feitelijke en juridische vereisten waarvan de uitoefening van de beoordelingsvrijheid afhangt (zie in die zin arrest van 21 november 1991, Technische Universität München,C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14).

b) Ontvankelijkheid van de als bijlage bij de repliek overgelegde bewijzen

46 In dupliek voert de GAR aan dat verzoeksters als bijlage bij de repliek een tweede getuigenis van A en een addendum bij hun deskundigenverslag hebben overgelegd ter ondersteuning van argumenten die reeds in het verzoekschrift waren uiteengezet en die dus bij het verzoekschrift hadden moeten worden gevoegd. Verzoeksters hebben in strijd met artikel 85, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de vertraging bij het overleggen van deze nieuwe bewijselementen niet gerechtvaardigd en deze zijn dus niet-ontvankelijk.

47 Volgens artikel 85, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering worden het bewijs en de bewijsaanbiedingen overgelegd in het kader van de eerste memoriewisseling en de hoofdpartijen kunnen in de repliek en in de dupliek nog bewijs overleggen of aanbieden hun stellingen nader te bewijzen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd.

48 Ten eerste zij opgemerkt dat verzoeksters de getuigenis van 28 mei 2020 van een in het Spaanse faillissementsrecht gespecialiseerde advocaat, A, betreffende de relevante kwesties in verband met insolventierecht en insolventiepraktijk, hebben overgelegd als bijlage bij het verzoekschrift. Ten tweede hebben verzoeksters, eveneens als bijlage bij het verzoekschrift, een deskundigenverslag van 28 mei 2020 overgelegd, waarvan het aanvankelijke doel was om de bij waardering 3 gebruikte hypothesen en methoden te onderzoeken overeenkomstig het formulier dat de GAR in het kader van de procedure betreffende het recht om te worden gehoord had toegezonden, en dat is bijgewerkt na de vaststelling van het bestreden besluit en het toelichtingsdocument.

49 Als bijlage bij de repliek hebben verzoeksters een tweede getuigenis van A van 9 april 2021 overgelegd met betrekking tot bepaalde aspecten van het verweerschrift betreffende het Spaanse faillissementsrecht en een addendum bij hun deskundigenverslag van 13 april 2021, dat is opgesteld om bepaalde in het verweerschrift van de GAR opgeworpen vragen te beantwoorden.

50 Uit de rechtspraak volgt dat de vervalregel van artikel 85, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet van toepassing is op het tegenbewijs en nadere bewijsaanbiedingen na tegenbewijs in het verweerschrift van de tegenpartij. Deze bepaling betreft namelijk nieuwe bewijsaanbiedingen en moet worden gezien in het licht van artikel 92, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering, dat uitdrukkelijk bepaalt dat het tegenbewijs vrijstaat en nadere bewijsaanbiedingen toegelaten zijn (zie arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, EU:C:1998:608, punt 72, en 5 mei 2021, ITD en Danske Fragtmænd/Commissie, T‑561/18, EU:T:2021:240, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Aangezien uit deze bijlagen uitdrukkelijk blijkt dat zij dienen tot ondersteuning van argumenten die ertoe strekken in het verweerschrift uiteengezette beoordelingen te betwisten, moeten zij ontvankelijk worden geacht.

2. Eerste middel: kennelijke beoordelingsfouten bij de beoordeling van de duur van de insolventieperiode, de renderende leningen, de niet-renderende leningen, de onroerende activa en de juridische risico’s van Banco Popular

52 Met het eerste middel betogen verzoeksters in essentie dat de GAR kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt door waardering 3 en het toelichtingsdocument goed te keuren, en dat Deloitte kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de toepassing van het liquidatiescenario wat de duur van de hypothetische liquidatieprocedure en de waardering van bepaalde activaklassen van Banco Popular betreft. Deze fouten hebben geleid tot een onderwaardering van verzoeksters’ terugvorderingen in het kader van een hypothetische insolventieprocedure tegen Banco Popular en dus tot schending van hun eigendomsrecht.

53 Dit middel valt uiteen in vijf onderdelen. Ten eerste voeren verzoeksters aan dat de GAR en Deloitte een fout hebben gemaakt met betrekking tot de duur van het hypothetische liquidatiescenario. Ten tweede betogen zij dat de waardering van de renderende leningen in waardering 3 op onredelijke veronderstellingen is gebaseerd. Ten derde betwisten zij de door Deloitte gekozen strategie voor de verkoop van de portefeuille niet-renderende leningen van Banco Popular. Ten vierde betogen zij dat de in waardering 3 gemaakte raming van de vastgoedportefeuille van Banco Popular leemten en tegenstrijdigheden bevat. Ten vijfde betwisten zij de door Deloitte gevolgde benadering met betrekking tot de juridische risico’s.

54 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de GAR in het bestreden besluit heeft aangegeven dat waardering 3 volgens artikel 15, lid 1, onder g), van verordening nr. 806/2014 moest bepalen of de getroffen aandeelhouders en crediteuren in het kader van de afwikkeling minder goed waren behandeld dan wanneer Banco Popular „volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd”. De GAR merkte op, net als Deloitte in het toelichtingsdocument (punt 5.1.5) heeft gedaan, dat Ley 11/2005 de recuperación y resolución de entidades de crédito y empresas de servicios de inversión (wet 11/2015 voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen) van 18 juni 2015 (BOE nr. 146 van 19 juni 2015, blz. 50797), die strekt tot omzetting van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190), specifiek bepaalt dat de waardering van het verschil in behandeling moet worden verricht in de veronderstelling dat de entiteit in liquidatie is gegaan.

55 In dit verband heeft de GAR opgemerkt dat, gelet op de omstandigheden van de zaak en met name op het onvermogen van Banco Popular om haar schulden op de vervaldag af te lossen, de inleiding van een normale insolventieprocedure op de datum van afwikkeling overeenkomstig waardering 3 zou hebben geleid tot een liquidatie van Banco Popular, hetgeen een versnelde tegeldemaking van activa zou hebben betekend, zonder bindende minimumprijs, en de betaling van de netto-opbrengst aan de crediteuren overeenkomstig de hiërarchie die is vastgesteld in wet 22/2003.

56 In het bestreden besluit heeft de GAR zich op het standpunt gesteld dat waardering 3 in overeenstemming was met het toepasselijke rechtskader en een passende en toereikende grondslag vormde om het bestreden besluit vast te stellen. De GAR verklaarde dat hij zich had gebaseerd op waardering 3 en op het toelichtingsdocument, die als bijlage bij het bestreden besluit zijn gevoegd en integrerend deel uitmaken van de motivering.

57 In waardering 3 heeft Deloitte het standpunt ingenomen dat, gezien het feit dat de bankvergunning van Banco Popular zou zijn ingetrokken met de insolventverklaring, waardoor de activiteiten hadden moeten worden gestaakt en een verkoop als actieve onderneming zou zijn belet, de liquidatie onmiddellijk zou zijn begonnen. Deloitte voegde daaraan toe dat de Europese Centrale Bank (ECB) volgens de afwikkelingsregeling op 6 juni 2017 had vastgesteld dat Banco Popular faalde of waarschijnlijk zou falen in de zin van artikel 18, lid 4, onder c), van verordening nr. 806/2014. In de zienswijze van Deloitte was liquidatie in deze context het enige mogelijke insolventiescenario.

58 Deloitte heeft met name het volgende verklaard: „De opening van een normale insolventieprocedure tegen [Banco Popular] op 7 juni 2017 zou hebben geleid tot een niet-geplande liquidatie. Een dergelijke procedure is in beginsel waardevernietigend, wegens, onder meer: abrupte stopzetting van de activiteiten; verlies van klanten; een inefficiënt proces voor de tegeldemaking van activa en bijkomende kosten en vorderingen (die vaak aanzienlijk zijn). In het geval van [Banco Popular] zou een faillissement een gebeurtenis zonder precedent zijn in Spanje, gezien haar status van zesde grootste bank en belangrijke speler in sleutelsectoren zoals hypotheekfinanciering en leningen aan [kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)] en aan andere kleine bedrijven.”

59 In het toelichtingsdocument heeft Deloitte uitgelegd dat waardering 3 naar haar aard een hypothetische en prospectieve exercitie was om de waarde van de terugvorderingen van de crediteuren van Banco Popular te ramen, waarvoor het noodzakelijk was om met verschillende hypothetische scenario’s te werken. Deloitte heeft verduidelijkt dat zij haar veronderstellingen en ramingen had gebaseerd op de door Banco Popular verstrekte informatie, die is geanalyseerd en gecontroleerd, en op verschillende openbare informatie.

60 Overeenkomstig de in punt 43 hierboven aangehaalde rechtspraak tonen de door verzoeksters aangedragen bewijzen slechts aan dat de GAR een kennelijk onjuiste beoordeling heeft gemaakt die de nietigverklaring van het bestreden besluit kan rechtvaardigen, indien deze bewijzen volstaan om de in dat besluit in aanmerking genomen beoordeling van de feiten te ontzenuwen.

61 De toetsing door het Gerecht beperkt zich dus tot het onderzoek of de GAR kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt door waardering 3 goed te keuren, hetgeen impliceert dat moet worden nagegaan of Deloitte kennelijke fouten heeft gemaakt bij waardering 3, doordat de veronderstellingen en ramingen waarop zij zich heeft gebaseerd, niet aannemelijk waren. Het Gerecht kan evenwel zijn eigen beoordeling niet in de plaats stellen van die van de taxateur die waardering 3 heeft verricht.

62 In dit verband presenteren verzoeksters in het eerste middel herhaaldelijk de analyse die hun deskundigen in het bij het verzoekschrift gevoegde verslag hebben verricht ter vergelijking met waardering 3, teneinde aan te tonen dat de in dat verslag gemaakte waardering van de activa van Banco Popular in het kader van een insolventieprocedure, welke waardering is gebaseerd op andere hypothesen dan die in waardering 3, zou hebben geleid tot grotere terugvorderingen voor verschillende activaklassen.

63 Zo verwijzen verzoeksters in het tweede onderdeel naar de in hun deskundigenverslag vervatte analyse van de terugvordering van renderende leningen over een periode van zeven jaar, waarbij zij stellen dat deze analyse is gebaseerd op andere hypothesen dan die welke in waardering 3 zijn gebruikt. In het kader van het derde onderdeel presenteren verzoeksters de in hun deskundigenverslag opgenomen analyse van de terugvordering van niet-renderende leningen. Ten opzichte van waardering 3, zo stellen zij, gaat hun analyse uit van een langere periode, een schrapping van de herclassificatie van renderende leningen in niet-renderende leningen, alsook een lagere interne opbrengstvoet (internal rate of return, IRR). In het kader van het vierde onderdeel presenteren verzoeksters de in hun deskundigenverslag vervatte analyse van de terugvorderingen in verband met de onroerende activa van Banco Popular, met inbegrip van de indirect aangehouden onroerende activa, in de veronderstelling dat deze activa zouden worden verkocht binnen de drie en de zeven jaar.

64 Opgemerkt zij dat het bij het verzoekschrift gevoegde deskundigenverslag is opgesteld om de vragen te beantwoorden die zijn gesteld in het formulier dat door de GAR is toegezonden in het kader van de procedure betreffende het recht om te worden gehoord. Dit verslag bevat niet alleen een kritische analyse van waardering 3, maar maakt zelf een waardering van de activa van Banco Popular in een liquidatiescenario, ter vergelijking met die van Deloitte.

65 De analyse in dat verslag is gebaseerd op andere hypothesen dan die in waardering 3 en is gebaseerd op drie liquidatiescenario’s van vijf, zeven en tien jaar, waarbij waardering 3 niet voorziet in een scenario van tien jaar. In dat verslag stellen de deskundigen van verzoeksters met name het resultaat voor van de vergelijking van hun eigen berekeningen met de waardering die Deloitte heeft verricht op basis van een insolventiescenario van zeven jaar. Zij geven ook aan dat zij geen toegang hadden tot alle informatie waarover Deloitte beschikte.

66 Er zij aan herinnerd dat waardering 3 ingewikkelde economische en technische beoordelingen bevat. De waardering van de verschillende activaklassen van Banco Popular in het geval van een hypothetische normale insolventieprocedure is per definitie gebaseerd op veronderstellingen en bevat noodzakelijkerwijs ramingen op basis van de informatie die op de datum van afwikkeling beschikbaar is.

67 Bovendien is het enige geval waarin de beoordelingen van een op basis van ingewikkelde feiten genomen besluit door het Gerecht kunnen worden onderzocht, het geval waarin de verzoekende partij stelt dat de betrokken feitelijke beoordelingen niet aannemelijk zijn (arrest van 25 november 2020, BMC/Gemeenschappelijke Onderneming Clean Sky 2, T‑71/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:567, punt 77).

68 Overeenkomstig de in de punten 43 en 44 hierboven aangehaalde rechtspraak moeten verzoeksters bewijzen dat de GAR bij de beoordeling van ingewikkelde feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die een nietigverklaring van het bestreden besluit kan rechtvaardigen. Zij moeten dus afdoende bewijzen overleggen om de in waardering 3 door Deloitte gemaakte ramingen van de verschillende activaklassen te ontzenuwen.

69 De omstandigheid dat het resultaat van de raming van de waarde van de activa van Banco Popular in het geval van een hypothetische normale insolventieprocedure, zoals vervat in verzoeksters’ deskundigenverslag, afwijkt van de in waardering 3 vervatte taxaties, vormt echter, buiten het geval waarin verzoeksters stellen dat deze taxaties niet aannemelijk zijn, een betwisting die de beperkte toetsing door het Gerecht als bedoeld in de in de punten 39 en 40 hierboven genoemde rechtspraak te buiten gaat (zie in die zin en naar analogie arrest van 25 november 2020, BMC/Gemeenschappelijke Onderneming Clean Sky 2, T‑71/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:567, punt 78).

70 Bijgevolg kan de uiteenzetting door verzoeksters, in de verschillende onderdelen van het eerste middel, van de in hun deskundigenverslag gemaakte ramingen van de verschillende activaklassen van Banco Popular, op zich waardering 3 niet ontzenuwen en dus evenmin aantonen dat de GAR kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt.

71 Het eerste middel moet tegen de achtergrond van deze overwegingen worden onderzocht.

a) Eerste onderdeel: duur van het liquidatiescenario

72 Verzoeksters betogen dat de hypothesen die de GAR en Deloitte in aanmerking hebben genomen met betrekking tot de duur van het liquidatiescenario van Banco Popular tot een te lage raming van de terugvorderingen hebben geleid en kennelijk onjuist zijn. Met een eerste grief betogen verzoeksters dat deze hypothesen berusten op een onjuiste opvatting van de beginselen van wet 22/2003. Met een tweede grief verwijten zij Deloitte, onder verwijzing naar voorbeelden van bankfaillissementen, geen rekening te hebben gehouden met een liquidatieperiode van meer dan zeven jaar, wat tot grotere terugvorderingen zou hebben geleid.

73 In het bestreden besluit heeft de GAR het volgende opgemerkt: „Volgens Deloitte was het uiteindelijke doel van de vereffenaar om de activa binnen een redelijke termijn te gelde te maken. In dit verband heeft zij een aantal alternatieve scenario’s en mogelijke strategieën onderzocht die een vereffenaar had kunnen toepassen om de terugvorderingen voor de schuldeisers binnen een redelijke termijn te maximaliseren. Rekening houdend met het in waardering 3 bedoelde Spaanse regelgevingskader, dat voor de insolventieprocedure voorziet in een liquidatiefase van één jaar, na afloop waarvan elke betrokken partij om vervanging van de vereffenaar kan verzoeken indien die fase ten onrechte wordt verlengd, en met de complexiteit van de hypothetische liquidatieprocedure van [Banco Popular], heeft Deloitte drie alternatieve tijdsscenario’s overwogen, ervan uitgaande dat langere perioden grotere terugvorderingen mogelijk zouden hebben gemaakt dankzij een meer ordelijke verkoop en liquidatie van de activa: (i) een liquidatieperiode van 18 maanden, (ii) een liquidatieperiode van 3 jaar en (iii) een liquidatieperiode van 7 jaar. Deloitte was van mening dat de opschorting van de rentebetalingen na de opening van de liquidatie van belang kon zijn voor de wijze waarop de verschillende crediteuren het liquidatieplan zouden verwelkomen. Dit was gebaseerd op het feit dat crediteuren met een hogere rang konden menen dat het weinig waarschijnlijk was dat zij zouden worden gecompenseerd in geval van vertraging bij de terugbetaling van de verschuldigde bedragen, terwijl de opschorting van de rentebetaling ten goede zou kunnen komen aan crediteuren die een lagere rang hadden in de hiërarchie van schuldeisers. In dit verband was Deloitte van mening dat het onredelijk zou zijn om crediteuren te verplichten meer dan 7 jaar te wachten tot de liquidatie was voltooid.”

74 De GAR gaf tevens aan dat de getroffen aandeelhouders en crediteuren tijdens de procedure betreffende het recht om te worden gehoord opmerkingen hebben gemaakt over de duur van de liquidatie. Hij heeft erop gewezen dat Deloitte voor elk alternatief tijdsscenario de optimale strategie en de verkoopperiode had overwogen om de opbrengsten van de verschillende activaklassen te maximaliseren, afhankelijk van de aard en de liquiditeit ervan. De GAR heeft in dit verband opgemerkt dat, volgens het toelichtingsdocument, in punt 2.2 van waardering 3 stond dat na de hervorming van 2015, overeenkomstig wet 22/2003 een periode van 18 maanden het effectieve maximum zou zijn geweest voor de liquidatie van Banco Popular. Gelet op de complexiteit van de hypothetische insolventieprocedure van Banco Popular en het feit dat een zeer snel proces tot problemen met marktcapaciteit, dalende prijzen en lage verkoopprijzen zou leiden, had Deloitte echter ook twee liquidatiescenario’s overwogen die langer waren dan het bij wet 22/2003 vastgestelde scenario van 18 maanden, namelijk scenario’s van 3 en 7 jaar. Volgens Deloitte zouden deze aanvullende scenario’s het mogelijk maken de activa van Banco Popular efficiënter te vereffenen met hogere terugvorderingspercentages dan in het scenario van 18 maanden, met inachtneming evenwel van het beginsel dat de waarde binnen een redelijke termijn aan de crediteuren moet worden terugbetaald. Zij was van mening dat een langere liquidatieperiode dan het scenario van 7 jaar zou leiden tot hogere liquidatie, -beheers- en onderhoudskosten, alsook tot meer onzekerheid over de mate waarin de activa te gelde zouden kunnen worden gemaakt. Bovendien was Deloitte van mening dat een langere liquidatieperiode niet in overeenstemming was met de logica van wet 22/2003 en met de belangen van de concurrente crediteuren met een hogere rang. De GAR is tot de slotsom gekomen dat Deloitte de duur van de liquidatie correct had beoordeeld.

1) Eerste grief: onjuiste opvatting van wet 22/2003

75 Verzoeksters betogen in essentie dat de in waardering 3 gehanteerde hypothesen betreffende de duur van de liquidatiescenario’s zijn gebaseerd op drie fouten bij de uitlegging van wet 22/2003.

76 In de eerste plaats stellen zij dat volgens de bij het verzoekschrift gevoegde getuigenis van A, een advocaat gespecialiseerd in het Spaanse faillissementsrecht, de passende duur van de liquidatieperiode krachtens wet 22/2003 uitsluitend afhangt van het criterium van maximalisering van de terugvorderingen in het belang van de crediteuren en dat er a priori geen beperking in de tijd bestaat voor de duur van de insolventieprocedure. Hoewel de GAR en Deloitte erkennen dat de insolventieprocedure tot doel had de waarde van de activa te maximaliseren in het belang van de crediteuren, waren zij ten onrechte van mening dat op grond van dit beginsel van Spaans recht moest worden nagegaan of de liquidatieperiode „redelijk” was.

77 In waardering 3 heeft Deloitte opgemerkt dat wet 22/2003 de vereffenaar bij de tegeldemaking van de activa verplichtte om zorgvuldig te handelen om de beste waarde in de gegeven omstandigheden te verkrijgen, maar dat hij niet hoefde te speculeren op onzekere uitkomsten en rekening moest houden met de wens van de crediteuren om binnen een redelijke termijn terugbetaling van de verschuldigde bedragen te ontvangen.

78 In het toelichtingsdocument heeft Deloitte – in antwoord op de opmerkingen van de getroffen aandeelhouders en crediteuren dat de in waardering 3 beoogde liquidatiescenario’s te kort waren – verklaard dat een liquidatieperiode van meer dan zeven jaar onvermijdelijk hogere liquidatie-, beheers- en onderhoudskosten met zich mee zou brengen en zou zorgen voor meer onzekerheid over de mate waarin de vereffenaar de activa te gelde zou kunnen maken. Volgens haar zou een vereffenaar niet bereid zijn te speculeren over mogelijke toekomstige positieve punten die hoogst onzeker zijn.

79 In de zienswijze van Deloitte laten de doelstellingen van wet 22/2003 en de druk van de crediteuren geen scenario van meer dan zeven jaar toe. Ten eerste heeft zij opgemerkt dat de regels voor de liquidatie van de activa van de insolvente bank in wet 22/2003 zijn vastgesteld met het algemene doel om de hoogste verkoopwaarde te verkrijgen. Zoals in deze wet was bepaald, moest de vereffenaar zorgvuldig handelen om de best mogelijke verkoopwaarde van de activa van de entiteit te verkrijgen binnen de door het rechtskader toegestane parameters (met inbegrip van de voor de liquidatie gestelde termijn), maar was hij niet verplicht te speculeren op onzekere uitkomsten. Ten tweede heeft Deloitte erop gewezen dat wet 22/2003 de tijdige verkoop van de activa van de entiteit in liquidatie aanmoedigde. De in 2015 in wet 22/2003 aangebrachte wijzigingen waren bedoeld om de liquidatieprocedures te versnellen en onbepaalde verlengingen te voorkomen, die vóór de hervormingen een punt van zorg waren. In dit verband heeft Deloitte vastgesteld dat na die hervorming van 2015 de crediteuren krachtens wet 22/2003 het recht hadden om een rechter te verzoeken de vereffenaar te vervangen in geval van ongerechtvaardigde verlenging van de liquidatiefase. Deze vaststelling was met name relevant daar het een markt betrof die aan het begin van de liquidatie groot en liquide was. Ten derde heeft Deloitte aangegeven dat de crediteuren, met name degenen die een hogere rang bekleden in de hiërarchie van schuldeisers, zouden eisen dat hun vorderingen binnen een redelijke termijn worden voldaan. Dit zou met name het geval zijn wanneer, gelet op de bepalingen van wet 22/2003 betreffende de rente op ongedekte vorderingen (waarbij de rente na de liquidatie niet opeisbaar is), crediteuren met een hogere rang (met inbegrip van het depositogarantiestelsel) weinig kans zouden hebben om in geval van vertraging bij de terugbetaling van de verschuldigde bedragen te worden gecompenseerd en daardoor zouden aandringen op een kortere liquidatieperiode.

80 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat maximalisering van de terugvorderingen weliswaar het hoofddoel van de vereffenaar is, maar dat dit niet het enige doel is. Zoals de GAR en het Koninkrijk Spanje benadrukken, moet de vereffenaar met name ook andere doelstellingen in aanmerking nemen en verschillende belangen tegen elkaar afwegen.

81 Zoals de GAR en het Koninkrijk Spanje opmerken, kunnen bepaalde crediteuren naargelang van hun rang in de hiërarchie belang hebben bij een snelle afsluiting van de liquidatieprocedure. In dit verband betwisten verzoeksters niet dat dat belang met name voortvloeit uit wet 22/2003, voor zover deze voorziet in een opschorting van de rente voor concurrente schuldvorderingen, hetgeen, zoals de GAR opmerkt, betekent dat crediteuren met een hogere rang geen vergoeding ontvangen voor de vertraging bij de betaling van de verschuldigde bedragen.

82 Anders dan verzoeksters stellen, was de door Deloitte bij de afweging van de belangen van de verschillende categorieën crediteuren gehuldigde opvatting dat een scenario van meer dan zeven jaar niet denkbaar was, niet bedoeld om bepaalde groepen crediteuren te bevoordelen, maar om de terugvorderingen voor alle schuldeisers te maximaliseren.

83 Vervolgens hebben de GAR en Deloitte, voor hun vaststelling dat de liquidatieprocedure binnen een redelijke termijn moest verlopen, rekening gehouden met het feit dat een van de doelstellingen van wet 22/2003 was een buitensporig lange duur van de liquidatieprocedures te voorkomen.

84 In dit verband staat in overweging VII van wet 22/2003 het volgende te lezen: „de wet heeft tot doel te voorkomen dat liquidatieverrichtingen buitensporig lang duren en legt daartoe aan de curatoren de verplichting op om driemaandelijks verslag uit te brengen over de voortgang van deze verrichtingen en stelt een termijn van één jaar vast voor de voltooiing ervan, met sancties in geval van niet-naleving, waaronder ontslag van de curatoren en verlies van het recht op beloning”.

85 Bovendien voorziet artikel 153 van wet 22/2003 in de mogelijkheid voor elke belanghebbende om de faillissementsrechter te verzoeken de curatoren te ontslaan en nieuwe curatoren te benoemen wanneer de liquidatiefase één jaar na de opening ervan nog steeds niet is afgesloten.

86 Bovendien heeft de Juzgado de lo Mercantil nr. 6 Madrid (handelsrechter nr. 6 Madrid, Spanje), zoals het Koninkrijk Spanje opmerkt, in een beschikking van 19 juni 2015 geoordeeld dat wet 22/2003 „in geen geval dwingend [bepaalde] dat de liquidatie van de insolventie maximaal één jaar [mocht] duren, aangezien uit de bewoordingen van [afdeling VII] van wet [22/2003] en uit artikel 153 daarvan – op grond waarvan het ontslag van nalatige bestuurders kan worden gevraagd – [bleek] dat het de wens en de ambitie van de wetgever was dat de liquidatieverrichtingen niet langer zouden duren dan nodig, waarbij een periode van één jaar aanvankelijk redelijk werd geacht om die verrichtingen uit te voeren en te voltooien, met inbegrip van het verrichten van betalingen, het afleggen van rekening en verantwoording en het afsluiten van de faillissementsprocedure”.

87 De doelstelling om de liquidatieprocedure niet onnodig te verlengen, werd bevestigd door de wijziging van wet 22/2003 die is opgenomen in Ley 25/2015 de mecanismo de segunda oportunidad, reducción de la carga financiera y otras medidas de orden social (wet 25/2015 betreffende het tweedekansmechanisme, de vermindering van de financiële lasten en andere sociale maatregelen) van 28 juli 2015 (BOE nr. 180 van 29 juli 2015, blz. 64479). De derde overgangsbepaling betreffende het tarief van de honoraria van gerechtelijke vereffenaars van wet 25/2015 bepaalt: „Vanaf de dertiende maand na de aanvang van de liquidatiefase ontvangt de gerechtelijke vereffenaar geen vergoeding meer, tenzij de rechter, met opgave van redenen en na partijen te hebben gehoord, gelet op de omstandigheden van het geval, besluit deze termijn te verlengen. De overeengekomen verlengingen zijn driemaandelijks en duren niet langer dan zes maanden.”

88 In een arrest van 23 juni 2020 heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) de derde overgangsbepaling van wet 25/2015 aldus uitgelegd dat „in het algemeen de vereffenaar in de liquidatiefase alleen recht [had] op bezoldiging gedurende de eerste twaalf maanden” en dat „hij vanaf de dertiende maand geen recht meer [had] op uit de boedel geheven honoraria, tenzij de rechter dit op gemotiveerde wijze en na de partijen te hebben gehoord, toestond, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van de zaak”. De Tribunal Supremo heeft geoordeeld dat „deze bepaling deel uitmaakt van de wettelijke bepalingen die ervoor moeten zorgen dat de liquidatiefase niet te lang duurt (artikel 152 van wet 22/2003)”.

89 Hieruit volgt dat de uitlegging van wet 22/2003 door de Spaanse rechterlijke instanties steun biedt aan de opvatting van Deloitte dat de liquidatieprocedure binnen een redelijke termijn moet worden uitgevoerd.

90 Bovendien hebben de GAR en Deloitte bij hun overweging dat de liquidatieprocedure niet langer dan zeven jaar mocht duren, ook rekening gehouden met andere factoren. Zij hebben met name opgemerkt dat na een zekere tijd de maximalisering van de terugvorderingen niet meer kon worden gegarandeerd vanwege de procedurekosten en de onzekerheden in verband met de tegeldemaking van de activa. Zoals de GAR opmerkt, leiden langere liquidatieperioden tot meer onzekerheid in verband met potentiële waardedalingen en macro-economische risico’s.

91 Zoals de GAR en het Koninkrijk Spanje benadrukken, kunnen verzoeksters niet stellen dat het in aanmerking nemen van een langere procedure noodzakelijkerwijs voordelen oplevert en noodzakelijkerwijs leidt tot een maximalisering van de terugvorderingen.

92 Hieruit volgt dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat het aan de liquidatieprocedure ten grondslag liggende doel van maximalisering van de terugvorderingen voor de crediteuren in strijd was met de opvatting van Deloitte dat deze procedure binnen een redelijke termijn moet worden uitgevoerd. Evenmin hebben zij aangetoond dat deze opvatting het gevolg was van een onjuiste uitlegging van de Spaanse wetgeving.

93 In de tweede plaats betogen verzoeksters dat de GAR en Deloitte er ten onrechte van zijn uitgegaan dat artikel 153 van wet 22/2003, zoals gewijzigd in 2015, voorzag in een periode van één jaar voor de liquidatieprocedure. Zij verwijten Deloitte dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de bepalingen van wet 22/2003 betreffende de bezoldiging van de vereffenaar voorzagen in een „effectieve maximumtermijn” van 18 maanden voor de liquidatie van Banco Popular.

94 In waardering 3 heeft Deloitte aangegeven dat zij een liquidatiescenario van 18 maanden had overwogen, rekening houdend met het feit dat de vereffenaar volgens wet 22/2003 slechts 12 maanden zou worden betaald, met een mogelijke verlenging van 6 maanden voor complexe procedures. Deloitte was echter de mening toegedaan dat een dergelijk scenario, gelet op de omvang en de complexiteit van de bank, uiterst onwaarschijnlijk was.

95 In het toelichtingsdocument heeft Deloitte herhaald wat zij in waardering 3 had verklaard, namelijk dat de situatie op grond van wet 22/2003, na de hervorming van 2015, inhield dat een periode van 18 maanden het effectieve maximum voor de liquidatie van Banco Popular zou zijn. Zij heeft opgemerkt dat het doel van deze wijzigingen was om te voorkomen dat de liquidatieprocedure eindeloos zou worden verlengd, en dat wet 22/2003, zoals gewijzigd, de ongerechtvaardigde verlenging van de liquidatiefase tot grond voor de vervanging van de vereffenaar maakte. Deloitte heeft niettemin in herinnering gebracht dat zij – gelet op de complexiteit van de hypothetische insolventieprocedure van Banco Popular en het feit dat een te snelle procedure tot problemen met marktcapaciteit, dalende prijzen en lage terugvorderingen zou leiden – twee liquidatiescenario’s had overwogen die langer waren dan het scenario van 18 maanden waarin wet 22/2003 voorzag. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de aanvullende scenario’s van 3 en 7 jaar het mogelijk maken de activa van Banco Popular efficiënter te vereffenen tegen een hoger terugvorderingspercentage dan in het scenario van 18 maanden, met inachtneming evenwel van het beginsel dat de waarde binnen een redelijke termijn aan de crediteuren moet worden terugbetaald.

96 Aangezien Deloitte het liquidatiescenario van 18 maanden hoogst onwaarschijnlijk achtte en dus twee andere, langere scenario’s had uitgewerkt, zijn de argumenten waarmee verzoeksters Deloitte verwijten dat zij wet 22/2003 onjuist heeft uitgelegd door ervan uit te gaan dat daarin wordt bepaald dat een liquidatieperiode van 18 maanden het „effectieve maximum” is, dus niet ter zake dienend. Evenmin relevant zijn de in de getuigenis van A aangehaalde voorbeelden van insolventieprocedures die na 2015 zijn begonnen en langer dan 3 jaar hebben geduurd.

97 In de derde plaats betwisten verzoeksters, onder verwijzing naar de getuigenis van A, ten eerste de beoordeling van Deloitte in het toelichtingsdocument, volgens welke bepaalde crediteuren met een hogere rang dan de getroffen aandeelhouders en crediteuren zouden kunnen verzoeken om het ontslag van de vereffenaar indien de liquidatieperiode zonder rechtvaardiging langer dan een jaar zou duren, en ten tweede de hypothese dat de vereffenaar op dergelijke verzoeken zou anticiperen en de procedure zou versnellen.

98 Anders dan verzoeksters op basis van de getuigenis van A stellen, is de uitleg van Deloitte in het toelichtingsdocument niet bedoeld om een „versneld” liquidatiescenario te rechtvaardigen, maar om te rechtvaardigen waarom de liquidatieprocedure niet langer dan zeven jaar zou duren.

99 Uit het in punt 73 hierboven aangehaalde bestreden besluit blijkt dat de GAR heeft aangegeven dat Deloitte – aangaande de manier waarop de verschillende crediteuren het liquidatieplan verwelkomden – in waardering 3 rekening had gehouden met het feit dat de opschorting van de betaling van de rente na liquidatie van belang kon zijn, aangezien de crediteuren met een hogere rang meenden dat het weinig waarschijnlijk was dat zij zouden worden gecompenseerd voor de vertraging bij de terugbetaling van de verschuldigde bedragen.

100 Bijgevolg konden de verschillende crediteuren van Banco Popular naargelang van hun rang in de hiërarchie uiteenlopende belangen hebben waar het gaat om de duur van de liquidatieprocedure en kan Deloitte en de GAR niet het verwijt worden gemaakt dat zij al deze belangen in aanmerking hebben genomen.

101 Gelet op de inhoud van wet 22/2003, die voorziet in de mogelijkheid om de vereffenaar te ontslaan in geval van ongerechtvaardigde verlenging van de liquidatie, en gelet op het feit dat bepaalde crediteuren geen belang hebben bij een verlenging van de procedure, vormt dit ontslag bovendien een mogelijkheid waarmee Deloitte rekening kon houden bij de beoordeling van de duur van de liquidatieprocedure.

102 In dit verband moet worden opgemerkt dat A in zijn getuigenis, waarop verzoeksters zich beroepen, heeft verklaard dat „indien sommige groepen crediteuren druk op de vereffenaar zouden moeten uitoefenen om de liquidatieprocedure te versnellen, andere groepen crediteuren, zoals de houders van achtergestelde schuldvorderingen, een dergelijke strategie zouden kunnen dwarsbomen” door middel van een aansprakelijkheidsvordering tegen de vereffenaar. A heeft daaraan toegevoegd dat het daarom zijn zienswijze was „dat Deloitte ervan uit[ging] dat de rente en de hypothetische acties van de crediteuren met een hogere rang de vereffenaar meer zouden hebben beïnvloed dan de belangen van crediteuren van lagere rang” en dat hij „geen enkele reden zag om aan te nemen dat een vereffenaar bij de opstelling van het liquidatieplan zomaar een specifieke groep crediteuren zou bevoordelen boven de andere, door de insolventieprocedure onnodig te versnellen en als gevolg daarvan mogelijk afstand te doen van terugvorderingen voor houders van achtergestelde schuldvorderingen”.

103 Het volstaat erop te wijzen dat de getuigenis van A slechts een mening is die niet kan afdoen aan de door Deloitte in aanmerking genomen mogelijkheid dat bepaalde crediteuren zouden kunnen menen dat een liquidatieprocedure van langer dan zeven jaar ongerechtvaardigd is en als gevolg daarvan ertoe zouden kunnen worden aangezet het ontslag van de vereffenaar te vragen teneinde binnen een redelijke termijn terugbetaling van hun schuldvorderingen te verkrijgen.

104 Voorts voeren verzoeksters geen enkel argument aan ter betwisting van de andere elementen waarmee Deloitte in waardering 3 rekening heeft gehouden en die in het toelichtingsdocument in herinnering zijn gebracht ter rechtvaardiging dat de liquidatieprocedure niet langer dan zeven jaar zou duren, zoals hogere liquidatie-, beheers- en onderhoudskosten, meer onzekerheid over de mate waarin de vereffenaar de activa te gelde zou kunnen maken en het feit dat een vereffenaar niet bereid zou zijn te speculeren over mogelijke toekomstige positieve punten die hoogst onzeker zijn.

105 Hieruit volgt dat verzoeksters niet op goede gronden kunnen stellen dat de door de GAR of Deloitte in aanmerking genomen hypothesen betreffende de duur van de liquidatiescenario’s waren gebaseerd op een onjuiste opvatting van wet 22/2003, zodat de eerste grief moet worden afgewezen.

2) Tweede grief: niet-inaanmerkingneming van een langere liquidatieperiode

106 Verzoeksters betogen dat volgens de bij het verzoekschrift gevoegde getuigenis van A en het addendum daarbij, dat als bijlage bij de repliek is gevoegd, een redelijke raming van de duur van de insolventie tien jaar of meer en ten minste zeven jaar bedraagt. Zij baseren zich ook op hun deskundigenverslagen waaruit blijkt dat een liquidatiescenario van tien jaar tot hogere terugvorderingen zou hebben geleid. Zij halen voorbeelden aan van gevallen van insolventie, die in hun deskundigenverslagen en de getuigenverklaring van A worden genoemd, waarin de liquidatieperiode van de activaportefeuille langer was dan de door Deloitte in aanmerking genomen maximale liquidatieperiode van zeven jaar.

107 In herinnering moet worden gebracht dat artikel 4, lid 3, van gedelegeerde verordening 2018/344 luidt als volgt: „Bij de vaststelling van het gedisconteerde bedrag van de verwachte kasstromen in een normale insolventieprocedure houdt de taxateur rekening met het volgende: a) de toepasselijke insolventiewetgeving en -praktijk in het desbetreffende rechtsgebied, die van invloed kan zijn op factoren als de verwachte vervreemdingstermijn of uitwinningspercentages; […] c) de informatie over recente insolventiezaken van vergelijkbare entiteiten, voor zover beschikbaar en relevant.”

108 In overweging 121 van het bestreden besluit heeft de GAR opgemerkt dat bepaalde getroffen aandeelhouders en schuldeisers hadden verwezen naar eerdere insolventiezaken in Spanje en andere rechtsgebieden. Hij heeft aangegeven dat Deloitte in het toelichtingsdocument had opgemerkt weliswaar tot op zekere hoogte rekening te hebben gehouden met de insolventieprocedure van Banco de Madrid, maar dat latere belangrijke wijzigingen in de nationale insolventiewetgeving (bijvoorbeeld wijzigingen die van invloed waren op de duur van dergelijke procedures) een vergelijking met eerdere Spaanse zaken niet mogelijk maakten. Bovendien heeft hij vastgesteld dat Deloitte had onderzocht of andere liquidatiegevallen in Europa inzicht konden bieden in het hypothetische liquidatiescenario. Wegens het gebrek aan harmonisatie van de verschillende Europese insolventiewetgevingen was deze vergelijking volgens Deloitte echter slechts van beperkte waarde. Bovendien konden de macro-economische context, de transacties, de activiteiten en de activa van de entiteit van geval tot geval aanzienlijk verschillen en een invloed hebben op het resultaat van de waardering in het kader van een insolventieprocedure. De GAR was van mening dat Deloitte overeenkomstig artikel 4, lid 3, onder c), van gedelegeerde verordening 2018/344 rekening had gehouden met informatie over recente insolventiezaken van vergelijkbare entiteiten en voldoende had gemotiveerd waarom deze relevant waren.

109 In dit verband zij erop gewezen dat de voorbeelden die door verzoeksters zijn genoemd en die in hun bij het verzoekschrift en de repliek gevoegde deskundigenverslagen zijn aangehaald, geen relevante vergelijkingspunten vormen waar het gaat om de beoordeling van de duur van het liquidatiescenario van Banco Popular.

110 Met betrekking tot de zaken AFINSA Bienes Tangibles SA, Ploder Uicesa SA, Assignia Infraestructruras SA en Essentium Grupo SL, waarnaar in de getuigenis van A en het bij het verzoekschrift gevoegde deskundigenverslag wordt verwezen en waarvan de insolventieprocedures meer dan 18 maanden hebben geduurd, volstaat het vast te stellen, zoals de GAR heeft gedaan, dat deze ondernemingen geen banken zijn en dat het dus geen relevante voorbeelden zijn.

111 Wat de zaken Northern Rock, Bradford & Bingley, Dexia SA, Heta Asset Resolution AG, SNS Bank of Banco Espírito Santo betreft, moet worden opgemerkt dat dit geen Spaanse banken zijn en dat hun insolventieprocedure dus werd beheerst door nationale bepalingen die verschilden van die welke op de situatie van Banco Popular van toepassing waren.

112 Bovendien hebben de deskundigen van verzoeksters in hun bij het verzoekschrift gevoegde verslag verklaard dat er in Spanje geen gevallen van insolventie van met Banco Popular vergelijkbare banken bestonden en dat de voorbeelden van de Banco Espírito Santo (Portugal) en de SNS Bank (Nederland) berustten op verslagen van hypothetische insolventie. Zij kunnen dus niet dienen als voorbeeld voor de insolventiepraktijk in Spanje.

113 Bovendien heeft de GAR aangegeven dat de zaken Sociedad de Gestión de Activos procedentes de Reestructuración Bancaria (SAREB), Heta Asset Resolution, Northern Rock, Bradford & Bingley en Dexia geen insolventiezaken waren, wat verzoeksters en hun deskundigen ook erkennen in hun bij de repliek gevoegde verslag.

114 In dit verband hebben verzoeksters – wat SAREB betreft, het enige door hen genoemde voorbeeld van een Spaanse bank – niet de stelling van de GAR betwist dat de periode van vijftien jaar voor de ordelijke verkoop van de activa overeenkwam met een herstructureringsperiode die was vastgesteld in het kader van een algemene herstructurering van de Spaanse banksector en niet met een liquidatieperiode.

115 Ten slotte leggen verzoeksters niet uit in hoeverre de situatie van de verschillende door hen genoemde voorbeelden vergelijkbaar is met die van Banco Popular, met name wat de structuur van de activaportefeuilles of de macro-economische context betreft.

116 Wat het geval van Banco de Madrid betreft, betogen verzoeksters dat de insolventie van deze bank, die kleiner en minder complex is dan Banco Popular, al meer dan zes jaar duurt en aantoont dat een scenario van tien jaar geschikt is.

117 In dit verband heeft Deloitte in waardering 3 aangegeven dat zij rekening had gehouden met de zaak Banco de Madrid, die op dat moment de laatste Spaanse insolventieprocedure voor banken was, en daarbij vastgesteld dat deze zaak verschilde van de zaak Banco Popular wat de systemische gevolgen ervan betrof. Zij heeft tevens opgemerkt dat de liquidatie van Banco de Madrid dateert van vóór bepaalde belangrijke juridische wijzigingen van wet 22/2003 die van invloed zouden zijn op het op Banco Popular toegepaste scenario. Zij heeft niettemin aangegeven dat dit precedent nuttig was wat betreft de bevestiging van de intrekking van de bankvergunning en de waardering van bepaalde activa.

118 Zoals ook Deloitte in het toelichtingsdocument heeft aangegeven, dateert de insolventieprocedure van Banco de Madrid namelijk van vóór de wijziging van wet 22/2003, die mogelijk tot gevolg had dat de liquidatieprocedure tot 18 maanden werd beperkt. Zoals in punt 87 hierboven is aangegeven, had de vaststelling van wet 25/2015 immers tot doel de liquidatieprocedure niet onnodig te verlengen door te voorzien in de mogelijkheid om de vereffenaar slechts gedurende 18 maanden te betalen.

119 Bovendien liep op de datum van vaststelling van het bestreden besluit de liquidatieprocedure van Banco de Madrid, die in maart 2015 was begonnen, al 5 jaar en was zij dus niet in tegenspraak met de hypothese van een liquidatiescenario van maximaal zeven jaar. Ten slotte leggen verzoeksters niet uit waarom uit dit voorbeeld zou blijken dat een liquidatiescenario van tien jaar voor Banco Popular passend was.

120 Bijgevolg kan uit de door verzoeksters aangehaalde voorbeelden niet worden afgeleid dat het kennelijk onjuist was om een maximumduur van zeven jaar voor het liquidatiescenario van Banco Popular in aanmerking te nemen.

121 Voorts zij eraan herinnerd dat uit de punten 66 tot en met 70 hierboven blijkt dat het feit dat de deskundigen van verzoeksters hun eigen beoordeling van de liquidatieprocedure van Banco Popular hebben gemaakt om aan te tonen dat de terugvorderingen groter zouden zijn geweest over een periode van tien jaar, niet maakt dat de beoordelingen in waardering 3 niet aannemelijk zijn.

122 Bovendien is de stelling van A dat „een redelijke raming van de duur van de insolventie naar zijn inzicht tien jaar of meer en ten minste zeven jaar bedraagt”, louter een mening die niet is gebaseerd op een concrete beoordeling van de situatie van Banco Popular.

123 Derhalve moet de tweede grief worden afgewezen.

124 Uit de analyse van het eerste onderdeel blijkt dat verzoeksters geen argumenten hebben aangevoerd die de beoordeling van Deloitte dat de liquidatieprocedure van Banco Popular maximaal zeven jaar zou duren, kunnen ontzenuwen, met name gelet op de doelstelling om binnen een redelijke termijn tot een liquidatie te komen en op de onzekerheid die met een langere liquidatieperiode gepaard gaat. Zij hebben dus niet aangetoond dat de GAR een kennelijk onjuiste beoordeling heeft gemaakt door zich in het bestreden besluit op die beoordeling te baseren.

125 Bijgevolg moet het eerste onderdeel worden afgewezen.

b) Tweede onderdeel: waardering van renderende leningen

126 Verzoeksters betogen dat de door Deloitte in aanmerking genomen hypothesen waarop de GAR zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd met betrekking tot de waardering van de portefeuille renderende leningen van Banco Popular, kennelijk onjuist zijn en tot een aanzienlijke onderwaardering van die portefeuille hebben geleid.

127 Dit onderdeel bestaat uit vier grieven betreffende de analyse van Deloitte met betrekking tot, ten eerste, de herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen, ten tweede, de hypothesen van vervroegde aflossing van de renderende leningen, ten derde, de nieuwe wanbetalingen van de resterende renderende leningen en, ten vierde, de disconteringsvoet bij de verkoop van het restant van de portefeuille renderende leningen.

1) Eerste grief: herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen

128 Verzoeksters zijn van mening dat de redenen die Deloitte heeft aangehaald ter rechtvaardiging van de herclassificatie, in waardering 3, van 1,1 miljard EUR aan renderende leningen als niet-renderende leningen, kennelijk onjuist zijn.

129 In de eerste plaats betogen zij dat het gebruik van IFRS 9 [International Financial Reporting Standard (internationale standaard voor financiële rapportering)] en circular 4/2017 del Banco de España, a entidades de crédito, sobre normas de información financiera pública y reservada, y modelos de estados financieros [tot kredietinstellingen gerichte circulaire 4/2017 van de Spaanse centrale bank betreffende de regels voor openbare en voorbehouden financiële verslaglegging en de modellen voor financiële verslaglegging], van 27 november 2017 (BOE nr. 296 van 6 december 2017, blz. 119454) ongeschikt is in de context van een insolventie en dat Deloitte IFRS 9, met het oog op de herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen, te restrictief heeft toegepast. De door Deloitte gehanteerde criteria komen niet overeen met hetgeen IFRS 9 definieert als een lening die in fase 3 moet worden ingedeeld en waarop dus een „waardevermindering moet worden geboekt” en die uit de groep renderende leningen moet worden verwijderd.

130 In dit verband heeft Deloitte in waardering 3, met betrekking tot de herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen, rekening gehouden met de klanten die in de boekhouding van Banco Popular in fase 2 waren ingedeeld onder IFRS 9, namelijk klanten met een hoog risico op wanbetaling, en heeft zij vervolgens objectieve criteria toegepast om te bepalen welke door deze klanten aangegane leningsovereenkomsten waarschijnlijk zouden worden geherclassificeerd als niet-renderende leningen, in het bijzonder in geval van insolventie van de bank. Deloitte was vervolgens van mening dat leningen die al meer dan 30 dagen in gebreke waren en waarvan het uitstaande bedrag hoger was dan het niveau van de verstrekte garanties, moesten worden geherclassificeerd als niet-renderende leningen, evenals leningen van klanten die reeds een leningsovereenkomst in wanbetaling hadden waarbij ofwel de verstrekte garanties ontoereikend waren, ofwel de overeenkomst in gebreke belangrijk was in de algehele relatie met de bank.

131 Hieruit blijkt dat Deloitte niet van mening was dat bepaalde leningen in fase 3 moesten worden ingedeeld volgens de criteria van IFRS 9 en dat zij bepaalde renderende leningen niet op grond van die standaard heeft geherclassificeerd als niet-renderende leningen.

132 Bovendien betekent het feit dat Deloitte in waardering 3 heeft aangegeven dat haar methode in overeenstemming was met circulaire 4/2017 van de Spaanse centrale bank, anders dan verzoeksters stellen, niet dat zij deze heeft toegepast voor de herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen.

133 Bijgevolg moet het argument van verzoeksters worden afgewezen omdat het berust op een onjuiste lezing van waardering 3.

134 In de tweede plaats betogen verzoeksters dat Deloitte in het toelichtingsdocument de bevriezing van de tegoeden van een kredietnemer ten onrechte heeft beschouwd als rechtvaardigingsgrond voor de moeilijkheden die deze ervaart om zijn lening terug te betalen, en daarbij voorbij is gegaan aan het feit dat een kredietnemer rekeningen bij andere banken kan hebben, alsook aan de werking van het Spaanse depositogarantiestelsel. De verwijzing naar niet nader gespecificeerde „reconventionele vorderingen” is louter giswerk. Zij betogen dat deze beweringen vaag en niet onderbouwd zijn en de bij waardering 3 verrichte substantiële herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen niet kunnen rechtvaardigen.

135 In antwoord op de opmerkingen van de getroffen aandeelhouders en crediteuren om opheldering te verkrijgen over de herclassificatie van bepaalde renderende leningen als niet-renderende leningen in waardering 3, heeft Deloitte in het toelichtingsdocument de volgende verduidelijking gegeven: „Zoals in [waardering 3] is aangegeven, zou insolventie van Banco Popular aanzienlijke gevolgen hebben, ook voor kredietnemers, en zou dit kunnen leiden tot een toename van het aantal wanbetalingen (zo zouden kredietnemers die ook lopende rekeningen bij Banco Popular aanhouden, met bevriezing van deze rekeningen kunnen worden geconfronteerd en geen toegang hebben tot hun tegoeden; anderen zouden reconventionele vorderingen kunnen instellen om de geplande aflossingen niet uit te voeren of te vertragen). Deze toename zou zich voornamelijk voordoen in de delen van de portefeuille en/of bij de kredietnemers die reeds in moeilijkheden verkeren en wordt nog verergerd door de moeilijkheden om een proactieve houding aan te nemen bij het beheer van deze leningen, gezien de verstoring van de activiteiten en de onrust bij het personeel van Banco Popular als gevolg van de insolventie. Op basis van [haar] ervaring en [haar] oordeel van expert [was] [zij] van mening dat de kredietnemers die volgens de verstrekte gegevens in fase 2 verkeerden [volgens IFRS 9], een hoog risico op wanbetaling [hadden]. Deze classificatie, in combinatie met andere factoren (bijvoorbeeld de bijbehorende zekerheden) determineerde de raming van de toename van wanbetaling en herclassificatie. In dat opzicht was de situatie verschillend van een boekhoudkundige analyse op basis van doorlopende bedrijfsuitoefening.”

136 Het volstaat op te merken dat verzoeksters enkel stellen dat de door Deloitte gegeven voorbeelden van handelwijzen die kredietnemers in geval van liquidatie van Banco Popular zouden kunnen volgen, de omvang van de in waardering 3 doorgevoerde herclassificatie niet rechtvaardigen. Deze argumenten zijn niet ter zake dienend.

137 De uitleg in waardering 3 en in het toelichtingsdocument betreffende de herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen zijn namelijk niet op die voorbeelden gebaseerd. Verzoeksters lijken zich er niet van bewust te zijn dat de in punt 130 hierboven bedoelde herclassificatie in waardering 3 enkel betrekking had op bepaalde leningen van kredietnemers die reeds een betalingsrisico liepen. In dit verband voeren zij geen argumenten aan ter betwisting van de beoordelingen van Deloitte met betrekking tot de gevolgen van een plotselinge stopzetting van de activiteiten van de bank, zowel voor de verslechtering van de situatie van kredietnemers die al moeite hadden om hun leningen terug te betalen toen Banco Popular nog actief was, als voor de toename van het risico van wanbetaling op leningen die vanwege hun kenmerken, zoals het lage niveau van de bijbehorende zekerheden, al vóór de liquidatie risico’s van niet-terugbetaling inhielden.

138 Hieruit volgt dat verzoeksters niet op goede gronden kunnen stellen dat de GAR had moeten oordelen dat de herclassificatie van renderende leningen als niet-renderende leningen in waardering 3 kennelijk onjuist was. Derhalve moet de eerste grief worden afgewezen.

2) Tweede grief: de hypothesen van vervroegde aflossing van renderende leningen

139 Verzoeksters betogen dat de conclusie van Deloitte in waardering 3 met betrekking tot de inkrimping van de portefeuille renderende leningen van 59,5 miljard EUR tot 24,9 miljard EUR in 18 maanden, uitgaat van onrealistische veronderstellingen inzake vervroegde aflossing. Zij betwisten deze veronderstellingen wat betreft renderende leningen aan ondernemingen en renderende hypotheekleningen.

140 Vooraf moet worden opgemerkt dat de door verzoeksters gemaakte vergelijking tussen de percentages vervroegde aflossingen op de Spaanse markt in 2017 en de door Deloitte gemaakte veronderstellingen, niet relevant is. Aangezien waardering 3 uitgaat van de veronderstelling dat Banco Popular zou zijn geliquideerd, zijn de percentages vervroegde aflossingen voor ondernemingen met een doorlopende bedrijfsuitoefening immers niet vergelijkbaar.

i) Renderende leningen aan ondernemingen

141 Verzoeksters betwisten de hypothese van Deloitte dat 80,23 % van de portefeuille renderende leningen van de zakelijke klanten van Banco Popular vervroegd zou worden afgelost binnen een jaar na de insolventie van Banco Popular. Deze hypothese is volgens hen gebaseerd op de onlogische en met de kenmerken van de Spaanse markt strijdige veronderstelling dat zakelijke klanten die een bank nodig hebben die commerciële bankdiensten aanbiedt, gedwongen zouden zijn om hun leningen te herfinancieren bij een nieuwe bank die deze diensten kan aanbieden.

142 Ten eerste betogen verzoeksters dat er geen verband bestaat tussen een lening en een lopende rekening, dat het onjuist is dat een zakelijke kredietnemer slechts één bankrelatie voor al zijn behoeften heeft en dat moet worden erkend dat kredietnemers niet van bank veranderen. Deloitte heeft dit in het toelichtingsdocument toegegeven en heeft zich gebaseerd op algemene verklaringen over de nauwe banden van de Spaanse banken met hun klanten of over de strategieën van concurrerende banken, zonder na te gaan hoeveel van de zakelijke klanten van Banco Popular die leningen hadden verkregen, gebruikmaakten van andere bankfuncties die zij hadden moeten migreren.

143 In waardering 3 was Deloitte van mening dat het percentage vervroegde aflossingen in een liquidatiescenario aanzienlijk hoger zou zijn dan in het geval van een operationele bank, aangezien klanten die daartoe in staat waren, geneigd zouden zijn naar andere financiële instellingen over te stappen en hun schulden aan de bank af te lossen, en andere grote Spaanse banken waarschijnlijk ook actief zouden proberen om de beste klanten van de bank in liquidatie aan te trekken. Deloitte heeft geoordeeld dat dit des te meer het geval was voor zakelijke klanten die voor het beheer van hun dagelijkse activiteiten aangewezen waren op een volledig operationele bank die producten en diensten zoals doorlopende kredietfaciliteiten, andere kredietopnemingen, een loketfunctie en vele andere diensten kon leveren die Banco Popular na haar liquidatie niet zou kunnen blijven aanbieden.

144 Zij heeft ook aangegeven dat zij ervan was uitgegaan dat alle zakelijke klanten zouden migreren, met uitzondering van de ondernemingen die onder verscherpt toezicht stonden, die zich waarschijnlijk niet bij een andere bank zouden herfinancieren, en de vastgoedontwikkelingsbedrijven waarin concurrerende banken op het moment van afwikkeling weinig interesse hadden.

145 Naar aanleiding van opmerkingen van getroffen aandeelhouders en crediteuren volgens welke de aannamen inzake vervroegde aflossing van renderende leningen te hoog leken, heeft Deloitte in het toelichtingsdocument het volgende verklaard: „Bovendien stelden wij vast dat het Spaanse bedrijfsmodel voor retailbanking gebaseerd is op het opbouwen van nauwe relaties met klanten. In dit liquidatiescenario van Banco Popular zou een groot aantal zakelijke klanten commerciële besprekingen aangaan met alternatieve aanbieders van bankdiensten, waarbij de alternatieve entiteit in een goede positie zou verkeren om zowel de leningen van zakelijke klanten als hun transactionele bankactiviteiten in de wacht te slepen. Voor alle duidelijkheid: wij gaan niet uit van een operationeel verband tussen de twee producten. Wij gaan er wel van uit dat tijdens de desbetreffende commerciële besprekingen alle bankbehoeften van de klant aan bod komen (zowel handelstransacties als leningen) en dat de andere aanbieder zoveel mogelijk nieuwe activiteiten zou willen binnenhalen. Deze besprekingen kunnen gemakkelijker zijn als er al een bankrelatie bestaat (klanten met meerdere banken). Met name de kmo’s en de franchises in het lagere segment van Banco Popular zouden naar onze mening op dat moment van strategisch belang zijn geweest voor andere Spaanse banken, zodat een proactieve strategie, van een of meer concurrenten, om de klanten van Banco Popular in te lijven, de waarschijnlijke uitkomst van een liquidatiescenario zou zijn geweest. In dit verband zijn wij van mening dat de aannamen die ten grondslag liggen aan de toename van het aantal vervroegd afgeloste leningen, zoals uiteengezet in [waardering 3], redelijk zijn.”

146 In antwoord op opmerkingen van getroffen aandeelhouders en crediteuren dat kredietnemers minder zouden migreren omdat ze inert zijn en dat het gedrag van de klanten niet altijd rationeel is, was Deloitte het er bovendien mee eens dat dit weliswaar een factor was in een situatie van doorlopende bedrijfsuitoefening, maar dat de situatie zich heel anders aandiende in een liquidatiescenario. Deloitte wees erop dat klanten die voor transactionele bankdiensten afhankelijk waren van Banco Popular, gedwongen zouden zijn van bank te veranderen en dat zij, zelfs als er geen operationeel verband zou bestaan, hun leningen waarschijnlijk tegelijkertijd zouden migreren om het dienstverleningsniveau te handhaven en om redenen van administratief gemak.

147 Hieruit volgt dat, anders dan verzoeksters stellen, het feit dat Deloitte heeft erkend dat er geen operationeel verband bestaat tussen een lening en een lopende rekening, niet afdoet aan haar stellingname dat de zakelijke klanten aangewezen zijn op een bank die hun een volledig assortiment producten en diensten kan aanbieden. Het feit dat Banco Popular als gevolg van haar liquidatie niet langer in staat zou zijn hun deze diensten aan te bieden, is een factor die de migratie van deze cliënten naar andere banken en derhalve de vervroegde aflossing van hun leningen in de hand kan werken.

148 Bovendien blijkt uit waardering 3 niet dat Deloitte is uitgegaan van de veronderstelling dat een onderneming voor al haar behoeften slechts één bankrelatie heeft. Verzoeksters kunnen dus niet stellen dat Deloitte heeft toegegeven dat haar hypothese onjuist was toen zij in het toelichtingsdocument in antwoord op bepaalde opmerkingen erkende dat er klanten met meerdere banken zijn. In dit verband heeft Deloitte zich op het standpunt gesteld dat het feit dat een klant van Banco Popular een rekening bij een andere bank had, een element kon zijn dat de terugkoop van hun leningen door die andere aanbieder en dus de vervroegde aflossing van de renderende leningen zou vergemakkelijken.

149 Bovendien heeft Deloitte, anders dan verzoeksters stellen, in het toelichtingsdocument niet erkend dat kredietnemers niet van bank zouden veranderen indien Banco Popular zou worden geliquideerd.

150 Ten slotte – voor zover Deloitte duidelijk heeft aangegeven welke categorieën zakelijke klanten zij van haar hypothese had uitgesloten omdat zij niet in staat waren om hun leningen over te dragen – is het argument waarmee haar wordt verweten dat zij niet heeft vastgesteld hoeveel van de zakelijke klanten die leningen hadden verkregen, gebruikmaakten van andere bankfuncties, irrelevant.

151 Voorts betogen verzoeksters in repliek dat volgens Deloitte de „nauwe bankrelaties” boven alle andere overwegingen, waaronder de kosten van leningen, heeft geplaatst als bepalende factor voor de vervroegde aflossing. Volgens hen zijn voor zakelijke klanten, met name kmo’s, de kosten van de lening belangrijker dan de aard van hun bankrelaties.

152 Het volstaat vast te stellen dat dit argument van verzoeksters geen rekening houdt met de gevolgen van de liquidatie van Banco Popular, niet alleen voor haar onvermogen om alle bankdiensten te verlenen, maar ook voor de houding van de concurrerende banken. In het bijzonder heeft Deloitte in het toelichtingsdocument aangegeven dat sommige zakelijke klanten van Banco Popular, in het bijzonder de kmo’s, van strategisch belang zouden zijn voor andere Spaanse banken, die een strategie zouden kunnen uitwerken om deze klanten in geval van liquidatie aan zich te binden.

153 Verzoeksters voeren dus geen enkel argument aan waaruit blijkt dat het bestaan van nauwe banden tussen de Spaanse zakelijke klanten en hun bank geen relevant gegeven was dat door Deloitte in aanmerking kon worden genomen. De argumenten van verzoeksters leiden niet tot onaannemelijkheid van de door Deloitte in aanmerking genomen hypothese dat de zakelijke klanten die vanwege de liquidatie van Banco Popular hun commerciële transacties naar een andere bank zouden overmaken, ervoor zouden kiezen om ook hun leningen over te dragen om een relatie te behouden die alle bankdiensten omvat.

154 Ten tweede voeren verzoeksters kort samengevat aan dat de motivering ontoereikend is omdat Deloitte geen cijfers heeft verstrekt met betrekking tot de relatieve rentevoeten en de beëindigingsvergoeding die zij in aanmerking heeft genomen.

155 In het toelichtingsdocument heeft Deloitte, in antwoord op opmerkingen over de relatieve rentevoeten en de overdrachtskosten, aangegeven dat zij bij de formulering van haar aannamen ten aanzien van vervroegde aflossing rekening had gehouden met de bereidheid van de klant om te migreren (bijvoorbeeld de relatieve rentevoeten die tussen Banco Popular en andere aanbieders worden toegepast), potentiële belemmeringen (bijvoorbeeld overdrachtskosten) en de aantrekkelijkheid van de klant voor andere banken wanneer zij overwegen de leningen van de klant te herfinancieren (rekening houdend met het risicoprofiel van de kredietnemer, de kredietgeschiedenis, de segmentering, de financiële situatie, enz.). Zij verklaarde dat zij de relatieve rentevoeten had onderzocht door de rente op uitstaande leningen (zoals uiteengezet in de verstrekte gegevens) te vergelijken met de rentevoeten die op de datum van beëindiging van toepassing waren op soortgelijke nieuwe transacties, alsmede de beëindigingskosten, waarbij zij als steekproef overeenkomsten onderzocht om inzicht te krijgen in de verwachte beëindigingskosten voor elke standaardovereenkomst, alsook de mate waarin de beëindiging van die overeenkomst gevolgen had.

156 Vastgesteld moet worden dat deze motivering volstaat om aan te tonen dat Deloitte in waardering 3 daadwerkelijk rekening heeft gehouden met de door Banco Popular en de andere banken toegepaste rentevoeten en met de kosten voor de overdracht van een lening. Deze uitleg is in overeenstemming met de vereisten van artikel 6, onder b), van gedelegeerde verordening 2018/344, volgens welke de waardering een toelichting op de belangrijkste gehanteerde methoden en aannamen, en de gevoeligheid van de waardering voor de gemaakte keuzen moet bevatten. Deloitte moest in waardering 3 niet alle elementen en cijfers specificeren waarop zij zich had gebaseerd.

157 Hieruit volgt dat verzoeksters geen enkel argument hebben aangevoerd op grond waarvan de hypothese van Deloitte dat 80,23 % van de portefeuille renderende leningen van de zakelijke klanten van Banco Popular vervroegd zou worden afgelost, niet aannemelijk zou zijn.

ii) Renderende hypotheekleningen

158 Verzoeksters betogen dat de door Deloitte gehanteerde hypothese dat 33,55 % van de portefeuille renderende hypotheekleningen van Banco Popular vervroegd zou worden afgelost binnen een termijn van 18 maanden, berust op niet-onderbouwde veralgemeningen.

159 In de eerste plaats betogen verzoeksters dat de hypotheekrente op de Spaanse markt aanzienlijk hoger was dan de door Deloitte toegepaste rentevoeten van 1 en 1,2 %, en baseren zij zich op hun deskundigenverslag, waarin wordt verwezen naar de gegevens van het Statistisch Bulletin van de Spaanse centrale bank van juli 2018 en naar de gegevens van de ECB zoals gepubliceerd door Standard & Poor’s. Zij voeren aan dat de klanten die een rentevoet van 2 % of minder op hun hypothecaire lening betaalden – wat overeenkomt met de rentevoet voor dergelijke leningen op de Spaanse markt in juni 2017 – er geen belang bij hadden om van bank te veranderen. In het toelichtingsdocument heeft Deloitte deze gegevens en de relevantie ervan niet betwist, maar een irrelevant onderscheid gemaakt tussen de rentevoeten op de Spaanse markt in juni 2017 en de rentevoeten die gedurende de gehele looptijd van de hypotheek golden.

160 Verzoeksters betwisten het gebruik van de gedurende de gehele looptijd van de hypotheek geldende rentevoeten, voor zover de klant niet op basis van een dergelijke rentevoet beslist om een hypothecaire lening te sluiten, maar uitsluitend op basis van de aanvankelijke rentevoet die op de markt beschikbaar is, en de aanvankelijke rentevoeten doorgaans lager zijn dan een gemiddelde rentevoet over de looptijd van de lening.

161 In waardering 3 heeft Deloitte het standpunt ingenomen dat klanten van wie de verhouding tussen de lening en de waarde van het met deze lening gekochte goed (hierna: „loan-to-valueratio”) minder dan 90 % bedraagt en die niet onder verscherpt toezicht stonden, of klanten van wie de looptijd van de lening nog meer dan 2 jaar bedroeg een grotere kans hadden om te willen migreren. Volgens Deloitte zouden klanten met een loan-to-valueratio van minder dan 80 % hun leningen vervroegd aflossen indien zij een rente van 1 % of meer betaalden, en zouden klanten met een loan-to-valueratio tussen 80 % en 90 % hun leningen vervroegd aflossen indien zij een rente van 1,2 % of meer betaalden.

162 Opgemerkt zij dat de argumenten waarmee verzoeksters opkomen tegen het feit dat rekening is gehouden met rentevoeten van 1 en 1,2 %, reeds door bepaalde getroffen aandeelhouders en schuldeisers zijn aangevoerd in de procedure betreffende het recht om te worden gehoord.

163 In dit verband heeft Deloitte in het toelichtingsdocument aangegeven dat de gegevens van het Statistisch Bulletin van de Spaanse centrale bank van juli 2018 en de gegevens van de ECB zoals gepubliceerd door Standard & Poor’s, waarop de getroffen aandeelhouders en schuldeisers zich beroepen, verschilden van de in waardering 3 gebruikte gegevens, aangezien zij slechts de oorspronkelijke hypotheekrente weergaven.

164 Deloitte heeft uitgelegd dat de in waardering 3 gehanteerde hypotheektarieven waren berekend door de (vaste en variabele) tarieven van de portefeuille van Banco Popular te vergelijken met de tarieven die op 6 juni 2017 door de belangrijkste hypotheekverstrekkers op de Spaanse markt werden aangeboden. Bovendien verklaarde zij rekening te hebben gehouden met de gedurende de gehele looptijd van de hypotheek geldende rentevoeten (en niet alleen gedurende de oorspronkelijke looptijd), aangezien hypotheekleningen in Spanje over het algemeen een andere rentevoet hebben bij het begin van de lening dan tijdens de rest van de looptijd van de overeenkomst. Deloitte merkte op dat deze rentevoeten waren berekend door het gemiddelde te nemen van het percentage van zowel variabele als vaste hypotheekleningen op de Spaanse markt op dat moment, en dat deze wegingen respectievelijk waren vermenigvuldigd met het gemiddelde renteaanbod voor nieuwe hypothecaire overeenkomsten met variabele en vaste rente.

165 Hieruit volgt dat verzoeksters niet kunnen stellen dat Deloitte de relevantie van hun gegevens van het Statistisch Bulletin van de Spaanse centrale bank van juli 2018 en van de gegevens van de ECB zoals gepubliceerd door Standard & Poor’s, niet heeft betwist. Deloitte heeft duidelijk gemaakt dat deze gegevens niet in aanmerking waren genomen bij waardering 3 omdat zij niet de rentevoet van de hypotheek over de gehele looptijd van de lening weergaven.

166 Bovendien wordt de stelling van verzoeksters dat de klanten enkel rekening zouden houden met de aanvankelijke rentevoet van de lening en niet met de rentevoet die gedurende de gehele looptijd van de hypothecaire lening van toepassing is, niet gestaafd door enig feitelijk bewijs. Zoals de GAR opmerkt, wordt deze stelling ook weersproken door verzoeksters’ argument dat klanten „een lagere gemiddelde rente op lange termijn trachten te verkrijgen”.

167 Ook verzoeksters’ stelling dat de aanvankelijke rentevoeten doorgaans lager zijn dan een gemiddelde rentevoet over de looptijd van de lening, wordt niet gestaafd door enig bewijs.

168 Hieruit volgt dat verzoeksters met hun argumenten uitsluitend eigen hypothesen aanvoeren om de bij waardering 3 gebruikte hypothesen te weerleggen, en dat zij de beoordeling van Deloitte niet kunnen ontkrachten. Bovendien houden deze argumenten geen rekening met de andere elementen, zoals de loan-to-valueratio en de looptijd van de lening, die Deloitte in aanmerking heeft genomen om vast te stellen welke renderende hypotheekleningen vervroegd zouden worden afgelost.

169 In de tweede plaats betwisten verzoeksters de raming van Deloitte dat de kosten voor vervroegde aflossing van een hypothecaire lening geen relevante factor vormden, en zijn zij van mening dat Deloitte ten onrechte de kosten voor het sluiten van een nieuwe hypothecaire lening heeft uitgesloten.

170 In het toelichtingsdocument heeft Deloitte aangegeven dat zij bij het opstellen van de hypothesen voor vervroegde aflossing rekening had gehouden met alle factoren die van invloed konden zijn op het proces van overstap van klanten naar een andere entiteit, zowel langs aanbodzijde, zoals kredietkwaliteit van de klant of beschikbaarheid van zekerheden, als langs vraagzijde, namelijk de impact van de kosten voor het annuleren van hypothecaire leningen bij Banco Popular en de kosten voor het aangaan van nieuwe hypothecaire leningen bij de andere aanbieder.

171 Zij verwees opnieuw naar haar in waardering 3 geformuleerde bevinding dat er geen enkel beletsel bestond voor een klant om zijn hypothecair krediet over te dragen naar een andere aanbieder, ondanks het feit dat voor sommige leningen kosten voor vervroegde aflossing in rekening worden gebracht. Zij was van mening dat klanten die deposito’s bij Banco Popular aanhielden, een andere aanbieder voor die deposito’s moesten vinden en dat het waarschijnlijk was dat die aanbieders het proces voor de overdracht van hun andere producten zouden aanmoedigen en vereenvoudigen. Bijgevolg was Deloitte niet van mening dat deze kosten de klanten ervan weerhielden hun hypothecair krediet over te sluiten. Zij meende voorts dat de vereffenaar mogelijk niet in staat zou zijn om de kosten voor vervroegde aflossing op te leggen indien ervan uit werd gegaan dat de klanten van aanbieder moesten veranderen wegens de operationele moeilijkheden waarmee Banco Popular na liquidatie te kampen zou hebben. Ten slotte heeft zij deze kosten geraamd op ongeveer 40 miljoen EUR voor alle klanten die Banco Popular zouden verlaten, en heeft zij de daarmee verband houdende inkomsten dus niet meegerekend.

172 Wat dit laatste punt betreft, heeft Deloitte in het toelichtingsdocument ook aangegeven dat zij als steekproef transacties had onderzocht om de door Banco Popular aangerekende standaardannuleringskosten te begrijpen en dat zij daaruit had afgeleid dat deze marktconform waren.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken