Gerecht EU 13 september 2013, T-566/08, ECLI:EU:T:2013:423
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
13 september 2013 ( *1 )
„Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van paraffinewas — Markt van ‚slack wax’ — Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld — Vaststelling van prijzen en verdeling van markten — Bewijs van bestaan van mededingingsregeling — Begrip één enkele voortdurende inbreuk — Duur van inbreuk — Onderbreking van inbreuk — Richtsnoeren voor berekening van geldboeten van 2006 — Gelijke behandeling — Vermoeden van onschuld — Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag — Aansprakelijkheid van moedermaatschappij voor inbreuken op mededingingsregels door dochterondernemingen — Beslissende invloed van moedermaatschappij — Vermoeden bij 100 %-deelname — Evenredigheid — Methode van afronding — Volledige rechtsmacht”
In zaak T‑566/08,
Total Raffinage Marketing, gevestigd te Puteaux (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Vandencasteele, C. Falmagne, C. Lemaire en S. Naudin, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en A. Biolan als gemachtigden, bijgestaan door N. Coutrelis, advocaat,
verweerster,
betreffende, primair, een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2008) 5476 def. van de Commissie van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/39.181 – Kaarsenwas), en, subsidiair, een verzoek om verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: O. Czúcz (rapporteur), president, I. Labucka en K. O’Higgins, rechters,
griffier: C. Kristensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2010,
het navolgende
Arrest
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Bij beschikking C(2008) 5476 def. van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/39.181 – Kaarsenwas) (hierna: „bestreden beschikking”) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat verzoekster, Total Raffinage Marketing SA (voorheen Total France SA), en haar moedermaatschappij die haar voor 100 % in handen heeft, Total SA, samen met andere ondernemingen inbreuk hebben gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door deel te nemen aan een mededingingsregeling op de markt van paraffinewas in de EER en op de markt van „slack wax” in Duitsland.
2 De adressaten van de bestreden beschikking zijn, afgezien van verzoekster en haar moedermaatschappij Total SA (hierna tezamen: „groep Total” of „Total”), de volgende vennootschappen: ENI SpA, Esso Deutschland GmbH, Esso Société Anonyme Française, ExxonMobil Petroleum and Chemical BVBA en Exxon Mobil Corp. (hierna tezamen: „ExxonMobil”), H&R ChemPharm GmbH, H&R Wax Company Vertrieb GmbH en Hansen & Rosenthal KG (hierna tezamen: „H&R”), Tudapetrol Mineralölerzeugnisse Nils Hansen KG, MOL Nyrt., Repsol YPF Lubricantes y Especialidades SA, Repsol Petróleo SA en Repsol YPF SA (hierna tezamen: „Repsol”), Sasol Wax GmbH, Sasol Wax. International AG, Sasol Holding in Germany GmbH en Sasol Ltd (hierna tezamen: „Sasol”), Shell Deutschland Oil GmbH, Shell Deutschland Schmierstoff GmbH, Deutsche Shell GmbH, Shell International Petroleum Company Ltd, The Shell Petroleum Company Ltd, Shell Petroleum N.V. en The Shell Transport and Trading Company Ltd (hierna tezamen: „Shell”) en RWE Dea AG en RWE AG (hierna tezamen: „RWE”) (punt 1 van de bestreden beschikking).
3 Paraffinewas wordt gefabriceerd door raffinage van ruwe olie. Het wordt gebruikt voor de vervaardiging van producten als kaarsen, chemicaliën, banden en auto-onderdelen maar ook in sectoren als rubber, verpakkingen, zelfklevend materiaal en kauwgom (punt 4 van de bestreden beschikking).
4 „Slack wax” is de grondstof die nodig is voor de productie van paraffinewas. Het wordt in raffinaderijen geproduceerd als bijproduct bij de vervaardiging van basisoliën uit ruwe olie. Het wordt ook aan eindafnemers verkocht, bijvoorbeeld aan producenten van spaanplaat (punt 5 van de bestreden beschikking).
5 De Commissie is met haar onderzoek gestart nadat Shell Deutschland Schmierstoff haar bij brief van 17 maart 2005 had geïnformeerd over het bestaan van een mededingingsregeling en haar om immuniteit had verzocht overeenkomstig haar mededeling van 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”) (punt 72 van de bestreden beschikking).
6 Op 28 en 29 april 2005 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) inspecties verricht in de bedrijfsruimten van „H&R/Tudapetrol”, van ENI, van MOL en in de bedrijfsruimten van de vennootschappen van de groepen Sasol, ExxonMobil, Repsol en Total (punt 75 van de bestreden beschikking).
7 Op 29 mei 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gezonden aan de in punt 2 hierboven genoemde vennootschappen, waaronder Total France (punt 85 van de bestreden beschikking). Bij brief van 14 augustus 2007 heeft Total France geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar.
8 Op 10 en 11 december 2007 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden, die Total France heeft bijgewoond (punt 91 van de bestreden beschikking).
9 In de bestreden beschikking heeft de Commissie, gelet op de bewijzen die zij bezat, geoordeeld dat de adressaten, die binnen de EER de meerderheid vormden van de producenten van paraffinewas en „slack wax”, deel hadden genomen aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-overeenkomst, die het grondgebied van de EER bestreek. Deze inbreuk bestond in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij de prijzen zijn vastgesteld en commercieel gevoelige informatie is uitgewisseld met betrekking tot paraffinewas (hierna: „eerste deel van de inbreuk”). Wat RWE (later Shell), ExxonMobil, MOL, Repsol, Sasol en Total betreft, had de inbreuk inzake paraffinewas tevens betrekking op de verdeling van klanten of markten (hierna: „tweede deel van de inbreuk”). Voorts had de door RWE, ExxonMobil, Sasol en Total gepleegde inbreuk ook betrekking op aan eindafnemers op de Duitse markt verkochte „slack wax” (hierna: „‚slack wax’-deel van de inbreuk”) (punten 2, 95, 328 en artikel 1 van de bestreden beschikking).
10 De inbreukmakende gedragingen hebben plaatsgevonden tijdens mededingingsverstorende bijeenkomsten die door de deelnemers „technische bijeenkomsten” of soms „Blauer Salon”-bijeenkomsten werden genoemd, en tijdens „slack wax-bijeenkomsten”, die specifiek aan kwesties betreffende „slack wax” waren gewijd.
11 Volgens de bestreden beschikking hadden werknemers van Total France rechtstreeks aan de inbreuk deelgenomen tijdens de gehele duur ervan. De Commissie heeft Total France derhalve verantwoordelijk gehouden op grond van haar deelname aan de mededingingsregeling (punten 555 en 556 van de bestreden beschikking). Bovendien was Total France tussen 1990 en het einde van de inbreuk direct of indirect voor meer dan 98 % in handen van Total SA. De Commissie heeft geoordeeld dat op grond daarvan kon worden vermoed dat Total SA een beslissende invloed uitoefende op het gedrag van Total France, daar beide vennootschappen deel uitmaakten van dezelfde onderneming (punten 557‑559 van de bestreden beschikking). In antwoord op een mondelinge vraag ter terechtzitting inzake de toekenning van de aansprakelijkheid aan haar moedermaatschappij, heeft verzoekster verwezen naar alle informatie die door Total SA is verstrekt in de verwante zaak T‑548/08, Total SA/Commissie, waarin vandaag arrest is gewezen. In die zaak heeft Total SA in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht aangegeven dat zij Total France in de litigieuze periode direct of indirect voor 100 % in handen had.
12 Het bedrag van de in casu opgelegde geldboeten is berekend op basis van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2) (hierna: „richtsnoeren van 2006”), die van kracht waren ten tijde van de betekening van de mededeling van punten van bezwaar aan de in punt 2 hierboven genoemde vennootschappen.
13 In het geval van verzoekster heeft de Commissie eerst de waarde van de jaarlijkse verkopen op de betrokken markten in aanmerking genomen. Die was 31133865 EUR (waarvan 1993620 EUR voor „slack wax”).
14 Vervolgens heeft de Commissie voor de ernst van de inbreuk 18 % van de jaarlijkse waarde van de verkopen van paraffinewas en 15 % van de jaarlijkse waarde van de verkopen van „slack wax” in aanmerking genomen. De aldus verkregen bedragen zijn op grond van de duur van de inbreuk vermenigvuldigd met een coëfficiënt 13 voor paraffinewas en van 7 voor „slack wax”. Ook heeft de Commissie overeenkomstig punt 25 van de richtsnoeren van 2006 in het basisbedrag een extra bedrag opgenomen („leergeld” genoemd) ter hoogte van 18 % van de waarde van de jaarlijkse verkopen van paraffinewas en 15 % van de jaarlijkse waarde van de verkopen van „slack wax”. De Commissie heeft uiteindelijk het basisbedrag van de geldboete voor Total vastgesteld op 75390000 EUR (punt 671 van de bestreden beschikking).
15 De Commissie heeft voor verzoekster geen verzwarende of verzachtende omstandigheden in aanmerking genomen, zodat het basisbedrag van de geldboete niet om die reden is aangepast. Uit het oogpunt van de afschrikkende werking heeft de Commissie evenwel, gelet op de hoge totale omzet van de groep Total, overeenkomstig punt 30 van de richtsnoeren van 2006 een coëfficiënt van 1,7 vastgesteld. Door het basisbedrag met die coëfficiënt te vermenigvuldigen is de Commissie aldus gekomen tot het aangepaste basisbedrag van de geldboete van 128163000 EUR.
16 Omdat het bedrag van de geldboete niet is verminderd op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3), komt het aangepaste basisbedrag van 128163000 EUR overeen met het totale bedrag van de geldboete (punt 785 van de bestreden beschikking).
17 De bestreden beschikking bevat onder meer de volgende bepalingen: „Artikel 1 De volgende ondernemingen hebben artikel 81, lid 1, [EG] en vanaf 1 januari 1994 artikel van de 53 EER-overeenkomst geschonden door tijdens de aangegeven perioden deel te nemen aan één enkele voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de sector paraffinewas op de gemeenschappelijk markt en vanaf 1 januari 1994 in de EER: [...] Total France SA: van 3 september 1992 tot 28 april 2005; en Total SA: van 3 september 1992 tot 28 april 2005. Wat de volgende ondernemingen betreft heeft de inbreuk voor de aangegeven perioden ook betrekking op aan eindafnemers op de Duitse markt verkochte ‚slack wax’: Total France SA: van 30 oktober 1997 tot 12 mei 2004; en Total SA: van 30 oktober 1997 tot 12 mei 2004. [...] Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd: ENI SpA: 29120000 EUR; Esso Société Anonyme Française: 83588400 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met ExxonMobil Petroleum and Chemical BVBA en ExxonMobi1 Corporation 34670400 EUR waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met Esso Deutschland GmbH 27081600 EUR; Tudapetrol Mineralölerzeugnisse Nils Hansen KG: 12000000 EUR; Hansen & Rosenthal KG hoofdelijk en gezamenlijk met H&R Wax Company Vertrieb GmbH: 24000000 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met H&R ChemPharm GmbH 22000000 EUR; MOL Nyrt.: 23700000 EUR; Repsol YPF Lubricantes y Especialidades SA hoofdelijk en gezamenlijk met Repsol Petróleo SA en Repsol YPF SA: 19800000 EUR; Sasol Wax GmbH: 318200000 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met Sasol Wax International AG, Sasol Holding in Germany GmbH en Sasol Limited 250700000 EUR; Shell Deutschland Oil GmbH, Shell Deutschland Schmierstoff GmbH, Deutsche Shell GmbH, Shell International Petroleum Company Limited, the Shell Petroleum Company Limited, Shell Petroleum N.V. en the Shell Transport and Trading Company Limited: 0 EUR; RWE-Dea AG hoofdelijk en gezamenlijk met RWE AG: 37440000 EUR; Total France SA hoofdelijk en gezamenlijk met Total SA: 128163000 EUR.”
Procesverloop en conclusies van partijen
18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 december 2008, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
19 Verzoekster verzoekt het Hof: — de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op haar; — het bedrag van de haar in artikel 2 van de bestreden beschikking opgelegde geldboete aanmerkelijk te verlagen; — de Europese Commissie te verwijzen in de kosten.
20 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
21 Ter onderbouwing van haar conclusies tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking en de verlaging van de haar opgelegde geldboete voert verzoekster elf middelen aan.
22 Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 81 EG en de motiveringsplicht op het punt van de beoordeling van het „slack wax”-deel van de inbreuk. Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 81 EG en de motiveringsplicht wat de uitvoering van de gedragingen inzake paraffinewas betreft. Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 81 EG en de beginselen van het vermoeden van onschuld, van rechtszekerheid en van gelijke behandeling wat de deelname van verzoekster aan de inbreuk na 12 mei 2004 betreft. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 81 EG en het beginsel van het vermoeden van onschuld omdat de Commissie de onderbreking van de deelname van verzoekster aan de betrokken gedragingen heeft genegeerd. Het vijfde middel is ontleend aan schending van de motiveringsplicht en de richtsnoeren van 2006 op grond van het feit dat de mededingingsregeling niet is uitgevoerd. Het zesde middel is ontleend aan schending van de motiveringsplicht en de richtsnoeren van 2006 bij de bepaling van de referentieperiode voor de berekening van het basisbedrag van de geldboete. Het zevende middel is ontleend aan schending van de richtsnoeren van 2006 en het evenredigheidsbeginsel op het punt van de vaststelling van het in aanmerking te nemen percentage van de waarde van de verkopen van „slack wax”. Het achtste middel is ontleend aan schending van verordening nr. 1/2003 en van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van het vermoeden van onschuld met betrekking tot de door de richtsnoeren van 2006 vastgestelde berekeningsmethode. Het negende middel is ontleend aan schending van de richtsnoeren van 2006 en van het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties en van het evenredigheidsbeginsel met betrekking tot de vaststelling van het extra bedrag van de geldboete uit het oogpunt van de afschrikkende werking. Het tiende middel is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete. Het elfde middel is ontleend aan schending van artikel 81 EG met betrekking tot de toerekening van het mededingingsverstorend gedrag van Total France aan haar moedermaatschappij, Total SA. Voorts heeft verzoekster ter terechtzitting een twaalfde middel aangevoerd, ontleend aan schending van haar rechten van verdediging wegens het feit dat de omzet van andere ondernemingen die tot de groep Total behoren is meegeteld bij de bepaling van de waarde van de verkopen die is gebruikt voor de berekening van het bedrag van de geldboete.
23 Het Gerecht acht het zinvol te beginnen met het onderzoek van het tweede middel.
1. Tweede middel: schending van artikel 81 EG en de motiveringsplicht met betrekking tot de gedragingen inzake paraffinewas
24 Om te beginnen wordt in herinnering gebracht dat de Commissie in punt 2 van de bestreden beschikking onder het kopje „Samenvatting van de inbreuk” heeft geoordeeld dat de adressaten hadden deelgenomen aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en op artikel 53 van de EER-overeenkomst. Wat paraffinewas betreft bestond die inbreuk „in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de vaststelling van prijzen en de uitwisseling en bekendmaking van commercieel gevoelige informatie” (eerste deel van de inbreuk) en in de „verdeling van klanten en/of markten” (tweede deel van de inbreuk).
25 Verzoekster stelt dat de beoordeling door de Commissie van de bewijzen inzake de eerste twee delen van de inbreuk, betreffende paraffinewas, onjuist is. Derhalve heeft de Commissie artikel 81 EG en haar motiveringsplicht geschonden.
26 Met het eerste onderdeel van dit middel stelt verzoekster dat van de tot het eerste deel van de inbreuk behorende gedragingen enkel de uitwisseling van informatie over de situatie op de markt voor paraffinewas, de gehanteerde verkoopvolumes en prijzen kan worden vastgesteld, terwijl de overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende de vaststelling van de prijs voor paraffinewas op basis van de gegevens in het dossier niet op goede gronden tegen haar in aanmerking kunnen worden genomen.
27 In het tweede onderdeel voert verzoekster aan dat de Commissie op onrechtmatige wijze heeft genegeerd dat er geen bewijzen zijn met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomsten inzake vaststelling van de prijzen.
28 Met het derde onderdeel verwijt verzoekster de Commissie dat de bewijsstukken in het dossier niet haar deelname aan het tweede deel van de inbreuk kunnen aantonen, dat wil zeggen de verdeling van geografische markten en van klanten tijdens de technische bijeenkomsten betreffende paraffinewas.
29 Met het vierde onderdeel stelt verzoekster dat de door haar verstrekte economische analyse van de verkoopprijzen haar toetreding tot een overeenkomst inzake vaststelling van de prijzen ontkracht.
Opmerkingen vooraf
Begrippen overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging
30 Volgens artikel 81, lid 1, EG zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
31 Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 256, en 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T-9/99, Jurispr. blz. II-1487, punt 199).
32 Aangenomen kan worden dat een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is gesloten wanneer er een wilsovereenstemming bestaat over het beginsel zelf van de mededingingsbeperking, zelfs indien over de specifieke elementen van de voorgenomen beperking nog onderhandelingen worden gevoerd (zie in die zin arrest HFB e.a./Commissie, aangehaald in punt 31 hierboven, punten 151‑157 en 206).
33 De onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 115, en arrest Hof Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 158).
34 In dat verband staat artikel 81, lid 1, EG in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken ondernemer zelf vertoont of heeft voorgenomen, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft de mededinging te beperken (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 33 hierboven, punten 116 en 117).
Beginselen voor de beoordeling van bewijzen
35 Volgens de rechtspraak dient de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en de elementen te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen (zie arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 58, en arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punt 59 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, is het vaste rechtspraak dat het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG aanhangig is, in het algemeen een volledig onderzoek moet instellen naar de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG is voldaan (zie arrest Gerecht van 26 oktober 2000, Bayer/Commissie, T-41/96, Jurispr. blz. II-3383, punt 62 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In die context dient twijfel bij de rechter in het voordeel te werken van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, indien daarover bij hem twijfel blijft bestaan, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd (arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 35 hierboven, punt 60).
38 In het laatstgenoemde geval moet immers rekening worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europese Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die de algemene beginselen van het Unierecht vormen. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties, is het onschuldvermoeden inzonderheid van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (zie in die zin arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 35 hierboven, punt 61 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 De Commissie moet dus nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren om het bestaan van de inbreuk aan te tonen. Evenwel dient te worden beklemtoond dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het volstaat dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 35 hierboven, punten 62 en 63 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 De aanwijzingen die de Commissie in de bestreden beschikking aanvoert om schending van artikel 81, lid 1, EG door een onderneming te bewijzen, dienen niet afzonderlijk maar in hun geheel te worden bezien (zie arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T-53/03, Jurispr. blz. II-1333, punt 185 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Ook dient te worden opgemerkt dat de Commissie in de praktijk vaak verplicht is het bestaan van de inbreuk in moeilijke omstandigheden te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt. De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een onrechtmatige prijsvaststellingsovereenkomst is gesloten, maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel diende te worden bereikt. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een onrechtmatige overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsbeperkende doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. In een dergelijk geval kunnen de ondernemingen zich nuttig verweren wanneer zij de gelegenheid krijgen een verklaring te geven voor alle door de Commissie tegen hen aangevoerde bewijselementen (arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T-67/00, T-68/00, T-71/00 en T-78/00, Jurispr. blz. II-2501, punt 203).
42 Met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG aan te tonen, primeert in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering (arrest Gerecht van 8 juli 2004, Dalmine/Commissie, T-50/00, Jurispr. blz. II-2395, punt 72).
43 Wat de bewijskracht van de verschillende bewijsstukken aangaat, is het enige voor de beoordeling van de aangevoerde bewijzen relevante criterium de geloofwaardigheid ervan (arrest Dalmine/Commissie, aangehaald in punt 42 hierboven, punt 72).
44 Volgens de algemene bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en bijgevolg de bewijskracht van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het gericht is en van de inhoud ervan (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punten 1053 en 1838).
45 Wanneer de Commissie uitsluitend op basis van het marktgedrag van de betrokken ondernemingen een inbreuk vaststelt, is het voldoende dat deze ondernemingen omstandigheden aantonen die een ander licht werpen op de door de Commissie vastgestelde feiten en een andere plausibele verklaring van de feiten bieden die in de plaats kan worden gesteld van die op basis waarvan zij tot de conclusie is gekomen dat sprake is van schending van de mededingingsregels van de Unie (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punt 186).
46 Wanneer de Commissie zich daarentegen heeft gebaseerd op schriftelijke bewijzen, dienen de betrokken ondernemingen niet louter een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen van de inbreuk in de bestreden beschikking ontoereikend zijn (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punt 187). Een dergelijke bewijslevering schendt het beginsel van het vermoeden van onschuld niet (zie in die zin arrest Hof van 8 juli 1999, Montecatini/Commissie, C-235/92 P, Jurispr. blz. I-4539, punt 181).
47 Daar het verbod op deelname aan mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten en de sancties die overtreders riskeren, algemeen bekend zijn, worden de activiteiten die met die gedragingen en overeenkomsten verband houden, doorgaans clandestien verricht, worden de bijeenkomsten in het geheim gehouden en wordt de desbetreffende documentatie tot een minimum beperkt. Bijgevolg kan niet van de Commissie worden gevraagd dat zij stukken overlegt waaruit uitdrukkelijk blijkt dat de betrokken marktdeelnemers overleg hebben gepleegd. Zelfs wanneer de Commissie dergelijke stukken ontdekt, zullen deze doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst kan derhalve worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die, in hun totaliteit beschouwd en bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, Jurispr. blz. I-123, punten 55‑57; zie ook arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 35 hierboven, punten 64 en 65 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Uit het beginsel van de vrije bewijslevering vloeit voort dat, ook al kan het ontbreken van schriftelijke bewijzen in het kader van de globale beoordeling van de door de Commissie ingeroepen bundel van aanwijzingen van belang blijken, deze omstandigheid er op zich niet toe leidt dat de betrokken onderneming het betoog van de Commissie ter discussie kan stellen door een andere uitleg aan de feiten te geven. Dat is enkel het geval indien uit de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een inbreuk, zonder dat daarvoor enige interpretatie hoeft te worden verricht (zie in die zin arrest Gerecht van 12 september 2007, Coats Holdings en Coats/Commissie, T‑36/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).
49 De aangehaalde rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op artikel 53 van de EER-overeenkomst.
Eerste onderdeel: het vermeende ontbreken van bewijzen op grond waarvan de overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen inzake de vaststelling van de prijzen van paraffinewas kunnen worden vastgesteld
50 In het kader van dit onderdeel betwist verzoekster de door de Commissie toegepaste beginselen bij de beoordeling van de bewijzen en bekritiseert zij de beoordeling van de bewijzen betreffende de technische bijeenkomsten ten aanzien waarvan de Commissie een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met het oog op de vaststelling van de prijzen van paraffinewas heeft geconstateerd.
Beschrijving van het eerste deel van de inbreuk in de bestreden beschikking
51 In punt 4.1 van de bestreden beschikking heeft de Commissie onder het kopje „Basisbeginselen en werking van de mededingingsregeling” de inhoud van de gedragingen tot vaststelling van de prijzen als volgt beschreven: „[...] (106) De technische bijeenkomsten vielen altijd uiteen in twee delen: eerst werden technische kwesties besproken, gevolgd door besprekingen van mededingingsverstorende aard over onder meer prijsafspraken, verdeling van de markten en de klanten (in bepaalde gevallen), en uitwisseling en openbaarmaking van commercieel gevoelige informatie, zoals het huidige en toekomstige prijsbeleid, de klanten, de productiecapaciteit en verkoopvolumes. (107) De besprekingen over de prijzen en potentiële prijsverhogingen vonden doorgaans plaats aan het einde van de technische bijeenkomsten. In het algemeen nam Sasol het voortouw bij de prijsbesprekingen, maar vervolgens werden de prijzen en de prijsbeleidsstrategieën door alle deelnemers besproken in de vorm van een rondvraag. Het ging daarbij zowel om prijsverhogingen en indicatieve prijzen voor specifieke klanten als om algemene prijsverhogingen alsook minimumprijzen en indicatieve prijzen voor de gehele markt. Normaal gesproken werden de prijsverhogingen overeengekomen in absolute cijfers en niet in percentages (bijvoorbeeld 60 EUR per ton voor volledig geraffineerde paraffinewas). De minimumprijzen werden niet alleen overeengekomen wanneer er een overeenkomst over prijsverhoging bestond, maar ook wanneer een prijsverhoging niet mogelijk was (bijvoorbeeld wanneer de prijzen daalden). [...] (109) De vertegenwoordigers van de ondernemingen wisselden voorts commercieel gevoelige informatie uit en maakten hun algemene strategie bekend. (110) De ondernemingen, met uitzondering van MOL, werden vertegenwoordigd door leidinggevenden die bevoegd waren de prijsstrategie van hun respectieve onderneming te bepalen en prijzen voor individuele klanten vast te stellen. [...] (111) Tijdens de meeste technische bijeenkomsten hadden de gesprekken over de prijzen in het algemeen betrekking op paraffinewas en slechts zelden op de verschillende soorten paraffinewas (zoals volledig geraffineerde paraffinewas, gedeeltelijk geraffineerde paraffinewas, wasmengsels/wasspecialiteiten, harde paraffinewas of „hydrofinished” was). Het was voor alle ondernemingen duidelijk dat de prijzen voor alle soorten paraffinewas met hetzelfde bedrag of hetzelfde percentage zouden stijgen. [...] (113) Het resultaat van de technische bijeenkomsten werd in het algemeen uitgevoerd door de aankondiging van prijsverhogingen aan de klanten of ongeldigverklaring van de bestaande tariefformules. Incidentele gevallen van ontduiking of niet-toepassing werden besproken tijdens volgende bijeenkomsten (zie bijvoorbeeld de punten 149 en 157). In het algemeen nam een van de vertegenwoordigde ondernemingen het initiatief en begon haar prijzen te verhogen. Doorgaans was dit Sasol, maar zij vroeg soms een andere deelnemer om te beginnen. Kort nadat een onderneming haar klanten op de hoogte had gesteld van haar voornemen de prijzen te verhogen, volgden de andere leveranciers en kondigden ook zij prijsverhogingen aan. De personen die de ondernemingen tijdens de technische bijeenkomsten vertegenwoordigden, informeerden de anderen over de genomen stappen ter uitvoering van het resultaat van de technische bijeenkomsten. Deze informatie werd mondeling verstrekt of door toezending van een kopie van de aankondiging van de prijsverhogingen of ongeldigverklaring van de betrokken prijzen aan een van de andere [deelnemende] ondernemingen of aan al deze ondernemingen. De Commissie heeft namelijk ontdekt dat dergelijke aankondigingen werden uitgewisseld tussen partijen. Bij een steekproef van ongeveer 150 van dit soort brieven is vastgesteld dat zij binnen zes weken na de technische bijeenkomsten zijn uitgewisseld. Ook werd verklaard dat de vertegenwoordigde ondernemingen op grond van een overeenkomst de toepassing van een afgesproken prijsverhoging niet mochten aangrijpen om hun eigen marktaandeel te vergroten. Deze stelling is niet betwist in de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar.”
52 In punt 4.2 van de bestreden beschikking heeft de Commissie onder het kopje „Gedetailleerde informatie over de technische overeenkomsten” eerst een overzichtstabel gepresenteerd met de plaats en de datum van de technische bijeenkomsten en de aanwezige ondernemingen (punt 124 van de bestreden beschikking). Daarna heeft zij de beschikbare bewijzen inzake elk van de technische bijeenkomsten onderzocht (punten 126‑177 van de bestreden beschikking).
53 In punt 5.3 van de bestreden beschikking heeft de Commissie onder het kopje „Aard van de betrokken schending” de beginselen met betrekking tot de kwalificatie van de in casu toepasselijke mededingingsverstorende gedragingen toegelicht: „[...] (205) [I]n het geval van een complexe inbreuk van aanzienlijke duur hoeft de Commissie haar niet te kwalificeren [als overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging]. De begrippen [overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging] zijn vaag en kunnen elkaar overlappen. Het mededingingsverstorend gedrag kan heel goed op gezette tijden zijn gewijzigd en de mechanismen kunnen zijn aangepast of versterkt om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen. Het kan namelijk zelfs onmogelijk zijn dit onderscheid te maken, daar een inbreuk tegelijkertijd de kenmerken kan vertonen van elk van de vormen van verboden gedrag, terwijl sommige van de manifestaties ervan, op zichzelf beschouwd, juist eerder als behorend tot de ene dan tot de andere vorm kunnen worden gedefinieerd. Een onderverdeling van wat duidelijk de uitvoering van gedragingen met eenzelfde algemene doelstelling is in een aantal afzonderlijke inbreukvormen, zou gekunsteld zijn. Een mededingingsregeling kan dus tegelijk een overeenkomst en een onderling afgestemde feitelijke gedraging zijn. Artikel 81 [EG] houdt geen specifieke kwalificatie in voor een complexe inbreuk van het type als beschreven in deze beschikking. (206) Wanneer sprake is van een groot aantal deelnemers aan een mededingingsregeling wier mededingingsverstorend gedrag naar de duur kan worden aangemerkt als een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging (complexe inbreuken), hoeft de Commissie niet precies aan te geven tot welke categorie elk type gedrag behoort.”
54 In hetzelfde punt van de bestreden beschikking heeft de Commissie de inhoud van de inbreuk als volgt beschreven: „5.3.2 Uitvoering (210) Uit de in [punt] 4 van deze beschikking beschreven feiten is gebleken dat alle ondernemingen waarop deze procedure betrekking heeft, hebben deelgenomen aan mededingingsbeperkende activiteiten betreffende paraffinewas en, wat de in punt 2 genoemde ondernemingen betreft, inzake ‚slack wax’ [...] en dat zij regelmatig hebben deelgenomen aan bijeenkomsten waarin de volgende punten werden besproken: 1) de vaststelling van de prijzen[;] 2) [...] de verdeling van klanten en/of de verdeling van markten[;] 3) de openbaarmaking en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie, met name over klanten, tarifering, productiecapaciteit en verkoopvolumes[;] [...] 5.3.2.2. Vaststelling van de prijzen (240) De punten 98, 107, 126, 128, 131, 133, 135, 137, 139, 140, 142, 145, 147, 149, 152, 153, 156, 157, 163, 168, 174, 176 en 177 tonen aan dat de betrokken ondernemingen minimumprijzen vaststelden en prijsverhogingen overeenkwamen (‚vaststelling van de prijzen’). (241) ExxonMobil, Repsol, Sasol en Shell hebben het bestaan van gedragingen inzake vaststelling van de prijzen bevestigd [zie punt 107] en dit tijdens hun hoorzitting en in hun schriftelijke antwoord op de mededeling van punten van bezwaar opnieuw bevestigd.”
55 Wat verzoekster betreft blijkt uit de bijlage bij de bestreden beschikking dat zij 39 technische bijeenkomsten en „slack wax-bijeenkomsten” van in totaal 51 bijeenkomsten heeft bijgewoond tijdens de periode van haar deelname aan de mededingingsregeling, dat wil zeggen tussen 3 september 1992 en 28 april 2005.
Bewijskracht van de door de Commissie vergaarde bewijzen
56 Om te beginnen moeten de bewijzen inzake de inhoud van de tijdens de technische bijeenkomsten gevoerde besprekingen worden onderzocht, waarop de Commissie zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd. Die bewijzen bestaan in verklaringen van ondernemingen en handgeschreven notities met betrekking tot de technische bijeenkomsten die hetzij tijdens een specifieke technische bijeenkomst, hetzij kort daarna zijn gemaakt, en die de inhoud van de aldaar gevoerde gesprekken beschrijven.
57 In dit verband stelt verzoekster de beginselen inzake de door de Commissie in de bestreden beschikking gehanteerde uitlegging van de bewijzen ter discussie, alsook de bewijskracht van de verklaringen en de schriftelijke bewijzen.
– Verklaringen van ondernemingen
58 Volgens de verklaring van Sasol van 12 mei 2005 leidden de technische bijeenkomsten in het algemeen tot een mededingingsbeperkende activiteit, omdat er werd gesproken over prijsverhogingen en -verlagingen en informatie werd uitgewisseld over de brutoprijzen en de planning op het gebied van capaciteit.
59 Volgens de verklaring van Repsol van 19 mei 2005 werden tijdens de technische bijeenkomsten de door de deelnemers gehanteerde prijsniveaus besproken.
60 Shell heeft verklaard dat alle technische bijeenkomsten betrekking hadden op de vaststelling van de prijzen. Volgens haar verklaring van 14 juni 2006 zijn de prijzen van paraffinewas nooit eenzijdig vastgesteld, maar zijn zij altijd door de concurrenten tijdens de technische bijeenkomsten overeengekomen, sinds ten minste 1999, toen haar vertegenwoordiger die als getuige is opgetreden, aan de technische bijeenkomsten begon deel te nemen.
61 Voorts hebben dezelfde ondernemingen in dezelfde verklaringen ook beweerd dat de deelnemers tijdens een aantal technische bijeenkomsten inderdaad overeenstemming hadden bereikt over minimumprijzen of prijsverhogingen, soms zelfs over prijsverhogende maatregelen. Verder blijkt uit die verklaringen dat Total volledig heeft deelgenomen aan die mededingingsverstorende afspraken.
62 Bovendien verwees de Commissie naar de betrokken verklaringen (zie de punten 58‑61 hierboven) in de punten 107 en 113 van de bestreden beschikking.
63 Verzoekster merkt op dat de in het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002 afgelegde verklaringen beperkte bewijskracht hebben, vooral wanneer zij niet door andere bewijzen worden bevestigd. Die verklaringen zijn namelijk naar hun aard subjectief en strekken ertoe „de anderen in plaats van zichzelf te beschuldigen”. Bovendien zijn de verklaringen van Sasol en Repsol over de ernst van de inbreuk afgelegd „op instigatie van de Commissie” en om in aanmerking te blijven komen voor inwilliging van hun clementieverzoek.
64 Dergelijke argumenten zijn reeds onderzocht en verworpen door de Unierechter.
65 Volgens de rechtspraak verbiedt geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht de Commissie zich jegens een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere ondernemingen die zij verwijt aan het kartel te hebben deelgenomen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met artikel 81 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met haar taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepaling (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punt 192).
66 Bijzonder grote bewijskracht kan worden toegekend aan verklaringen die, ten eerste, betrouwbaar zijn, ten tweede, in naam van een onderneming zijn gegeven, ten derde, zijn afgelegd door een persoon die de professionele verplichting had om in het belang van deze vennootschap te handelen, ten vierde, tegen de belangen van diezelfde persoon ingaan, ten vijfde, van een directe getuige van de beschreven omstandigheden afkomstig zijn, en ten zesde, schriftelijk en na weloverwogen en rijp beraad zijn afgelegd (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punten 205‑210).
67 Hoewel voorts een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, aangezien deze deelnemers geneigd kunnen zijn het belang van hun eigen bijdrage te bagatelliseren en dat van de anderen te overdrijven, neemt dit niet weg dat wanneer om toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 wordt verzocht teneinde immuniteit of verlaging van de geldboete te verkrijgen, dit er niet noodzakelijkerwijs een aanzet toe vormt om bewijzen vertekend weer te geven, wat de deelname van de andere kartelleden betreft. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt uit de mededeling inzake medewerking van 2002 te trekken, in gevaar brengen (zie in die zin arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T-120/04, Jurispr. blz. II-4441, punt 70).
68 In het bijzonder impliceert het feit dat een persoon toegeeft dat hij een inbreuk heeft gepleegd en aldus meer feiten bekent dan rechtstreeks uit de betrokken stukken had kunnen worden afgeleid, automatisch, behoudens bijzondere omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt, dat de betrokkene vastbesloten is om de waarheid te spreken. Derhalve moeten verklaringen die ingaan tegen de belangen van degene die ze heeft afgelegd, in beginsel als bijzonder betrouwbare bewijzen worden beschouwd (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punten 211 en 212; arresten Gerecht van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T-109/02, T-118/02, T-122/02, T-125/02, T-126/02, T-128/02, T-129/02, T-132/02 en T-136/02, Jurispr. blz. II-947, punt 166, en 8 juli 2008, Lafarge/Commissie, T‑54/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 59).
69 In casu zijn de betrokken verklaringen na rijp beraad afgelegd op basis van getuigenissen van personen die hebben deelgenomen aan de technische bijeenkomsten en beschuldigen zij ook de ondernemingen in naam waarvan zij zijn afgelegd. Bovendien stemmen de verklaringen met elkaar overeen wat de hoofdlijnen van de beschrijving van de inbreuk betreft, hetgeen de betrouwbaarheid ervan nog meer verhoogt. Bijgevolg zijn zij in de zin van de in punt 66 hierboven genoemde rechtspraak en anders dan verzoekster stelt bijzonder betrouwbaar.
70 Overigens voert verzoekster geen verwijzing of bewijsstuk aan ter onderbouwing van haar stelling dat de verklaringen van Sasol en Repsol „op instigatie van de Commissie” zijn afgelegd. Bovendien gaat van de mededeling inzake medewerking van 2002 geen stimulans uit om de ernst van de inbreuk te overdrijven en kan deze in casu evenmin worden vastgesteld. Integendeel, de verklaringen van Sasol, Repsol en ExxonMobil zijn na de verificaties afgelegd, zodat deze ondernemingen konden vermoeden dat er een geringe kans was dat zij als eerste ondernemingen informatie verstrekten die de Commissie in staat stelden een verificatie te gelasten of het bestaan van een inbreuk vast te stellen (zie punt 8 van de mededeling inzake medewerking van 2002). Naar hun mening bestond er een grote kans dat zij ten hoogste in aanmerking zouden komen voor een vermindering van maximaal 50 % van het bedrag van de geldboete (zie punt 23 van de mededeling inzake medewerking van 2002). In die omstandigheden was er geen economische reden die de bovengenoemde ondernemingen ertoe kon aanzetten de inbreuk als ernstiger voor te stellen dan hij in werkelijkheid was, aangezien het zwaardere karakter van de inbreuk tot hogere geldboeten had kunnen leiden. Ten slotte kan het afleggen van onjuiste verklaringen de betrokken onderneming het profijt van de mededeling inzake medewerking van 2002 ontnemen (zie punt 67 hierboven).
71 De argumenten van verzoekster inzake een vermeende „instigatie” voor de ondernemingen die een clementieverzoek hebben ingediend om de inbreuk ernstiger voor te stellen dan hij in werkelijkheid was, moeten bijgevolg worden afgewezen.
72 Voorts stelt verzoekster dat de Commissie haar conclusies niet kan baseren op de verklaring van een onderneming waarvan de juistheid door een aantal beschuldigde ondernemingen wordt betwist en die niet door andere elementen wordt bevestigd.
73 Volgens de rechtspraak van het Gerecht kan de verklaring van een onderneming die van deelname aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, inderdaad niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijselementen wordt gestaafd, met dien verstande dat deze verklaringen gezien hun betrouwbaarheid een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging behoeven dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig waren geweest (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punten 219 en 220).
74 In casu heeft de Commissie zich evenwel niet gebaseerd op een verklaring van één enkele deelnemer die door de andere deelnemers werd betwist, maar op verklaringen die door verschillende ondernemingen onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd, die wat de beschrijving van de inbreuk in hoofdlijnen betreft met elkaar overeenstemmen (zie de punten 58‑61 hierboven). Bovendien heeft de Commissie zich gebaseerd op talloze schriftelijke bewijzen die de inhoud van de verklaringen van de ondernemingen aanvullen en bevestigen, waarvan een gedeelte zal worden onderzocht in de punten 76 en volgende hieronder.
75 Derhalve maken de betrokken verklaringen deel uit van het geheel van bewijzen die overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen aantonen inzake de vaststelling van de prijzen van paraffinewas, waartoe is besloten tijdens de technische bijeenkomsten waaraan verzoekster heeft deelgenomen. Haar argumenten die de bewijskracht ervan ter discussie stellen, moeten bijgevolg worden afgewezen.
– Schriftelijke bewijzen
76 De bestreden beschikking bevat verwijzingen naar een groot aantal schriftelijke bewijzen die uit de periode van de inbreuk stammen en die bij de inspecties in de bedrijfsruimten van de betrokken ondernemingen zijn gevonden. Deze bewijzen bestaan voor het merendeel uit handgeschreven notities van MOL en verslagen van „Blauer Salon”-bijeenkomsten van Sasol.
77 Verzoekster betwist de bewijskracht van deze schriftelijke bewijzen. Zij stelt dat wanneer de handgeschreven notities zijn gemaakt tijdens de technische bijeenkomsten, zoals die van MOL, zij niet uitputtend zijn en tekens of symbolen bevatten waarvan alleen de auteur de betekenis kent. De bewijskracht van de verslagen van de „Blauer Salon”-bijeenkomsten van Sasol is beperkt, daar zij niet zijn opgesteld tijdens de technische bijeenkomsten, noch door een persoon die daaraan heeft deelgenomen. Bovendien vloeide bepaalde informatie in deze verslagen voort uit terloopse opmerkingen buiten het kader van de technische bijeenkomsten. Het argument van de Commissie dat zij zijn opgesteld in tempore non suspecto kan niet worden aanvaard, temeer daar de lezing ervan zelden duidelijk is.
78 Het Gerecht en het Hof hebben reeds de gelegenheid gehad dergelijke argumenten te onderzoeken en te verwerpen.
79 Daar, zoals uit de in punt 47 hierboven genoemde rechtspraak blijkt, het verbod op deelname aan mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten en de sancties die overtreders riskeren, algemeen bekend zijn, worden de activiteiten die met die gedragingen en overeenkomsten verband houden doorgaans clandestien verricht, worden de bijeenkomsten in het geheim gehouden en wordt de desbetreffende documentatie tot een minimum beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit uitdrukkelijk blijkt dat de marktdeelnemers onrechtmatige contacten hebben onderhouden, zoals de verslagen van een bijeenkomst, zullen deze doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat bepaalde details vaak via deductie moeten worden gereconstrueerd.
80 Voorts moet volgens de rechtspraak bij de beoordeling van de bewijskracht van schriftelijke bewijzen groot belang worden gehecht aan het feit dat een stuk in rechtstreeks verband met de feiten is opgesteld (arresten Gerecht van 11 maart 1999, Ensidesa/Commissie, T-157/94, Jurispr. blz. II-707, punt 312, en 16 december 2003, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie/Commissie, T-5/00 en T-6/00, Jurispr. blz. II-5761, punt 181) of door een directe getuige van die feiten (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punt 207).
81 Het feit dat een stuk niet gedateerd of niet ondertekend of slecht geschreven is, ontneemt hieraan niet elke bewijskracht mits de herkomst, de waarschijnlijke datum en de inhoud ervan met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld (arrest Gerecht van 13 december 2006, FNCBV/Commissie, T-217/03 en T-245/03, Jurispr. blz. II-4987, punt 124; zie ook in die zin arrest Gerecht van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T-11/89, Jurispr. blz. II-757, punt 86).
82 In casu waren, zoals de Commissie in punt 215 van de bestreden beschikking heeft gesteld, de aantekeningen van MOL evenwel tijdens de bijeenkomsten opgesteld door de persoon die daaraan had deelgenomen, en is de inhoud ervan gestructureerd en tamelijk gedetailleerd. De bewijskracht van die aantekeningen is dus zeer groot. Wat de verslagen van de „Blauer Salon”-bijeenkomsten van Sasol betreft, zijn dat stukken die dateren van de periode van de feiten en die zijn opgesteld in tempore non suspecto, dus kort na elke technische bijeenkomst. Mocht de persoon die ze heeft opgesteld de technische bijeenkomsten niet hebben bijgewoond, dan heeft hij zich gebaseerd op de van een deelnemer verkregen informatie. De bewijskracht van deze verslagen is dus ook groot.
83 Derhalve moeten verzoeksters argumenten die de bewijskracht van de in de bestreden beschikking genoemde schriftelijke bewijzen ter discussie stellen, worden afgewezen.
Gedetailleerd onderzoek van verzoeksters argumenten betreffende de specifieke technische bijeenkomsten
84 Verzoekster stelt dat de Commissie met betrekking tot 36 van de 52 technische bijeenkomsten niet stelt dat de deelnemers overeenkomsten over de prijzen hebben gesloten. Ten eerste heeft de Commissie wat vier technische overeenkomsten betreft in de bestreden beschikking erkend dat zij er niet zeker van was dat die bijeenkomsten hadden plaatsgevonden of dat de inhoud van de bijeenkomsten kon worden vastgesteld. Ten tweede heeft de Commissie wat 12 technische bijeenkomsten betreft in de bestreden beschikking erkend dat zij over de inhoud ervan geen andere aanwijzingen had dan de verklaringen van sommige deelnemers, volgens welke die bijeenkomsten een mededingingsbeperkend doel hadden, zonder dat de aard van de betrokken gedragingen precies is vastgesteld. Ten derde heeft de Commissie met betrekking tot 6 andere technische bijeenkomsten in de bestreden beschikking niet gesteld dat daarin over de prijzen was gesproken. Ten vierde heeft de Commissie met betrekking tot 14 andere technische bijeenkomsten in de bestreden beschikking erkend dat, ook al was daarin informatie over de prijzen uitgewisseld, geen overeenkomst over een verhoging, laat staan over een gezamenlijke prijsverhoging, was gesloten of dat zij hoe dan ook niet zeker was van het resultaat van die uitwisseling.
85 Voorts stelt verzoekster dat de Commissie slechts bij 16 technische bijeenkomsten ervan uit is gegaan dat de deelnemers een overeenkomst over de prijzen hadden gesloten. Zij voert gedetailleerde argumenten aan over de haars inziens onjuiste beoordeling van de bewijzen ten aanzien van elk van die technische bijeenkomsten.
86 In de eerste plaats heeft de Commissie zich wat de technische bijeenkomst van 3 en 4 september 1992 betreft in punt 126 van de bestreden beschikking gebaseerd op een verslag van een „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol met de vermelding „tot 22/11, prijs ‚0’”. Zij heeft daaruit afgeleid dat in de overeenkomst was afgesproken de prijzen niet te wijzigen.
87 Verzoekster stelt dat het verslag van Sasol een interne mededeling tussen twee werknemers van Sasol betreft, waarbij K. aan O. de opdracht geeft de prijs niet te wijzigen, zodat dat verslag niet aantoont dat tijdens de technische bijeenkomst een overeenkomst is gesloten.
88 Vastgesteld moet worden dat Sasol in een verklaring in het kader van de administratieve procedure die vermelding heeft opgevat als een overeenkomst om de prijzen niet te verhogen. Voorts volgt uit talloze verslagen van „Blauer Salon”-bijeenkomsten van Sasol en verklaringen van haar dat K., vertegenwoordiger van Sasol op de technische bijeenkomsten, via die verslagen O. heeft geïnformeerd over de inhoud van de tijdens die bijeenkomsten gevoerde gesprekken. Bovendien werd het cijfer „0” vaak door de deelnemers gebruikt om handhaving van de prijzen aan te geven. Ook al is het betrokken verslag strikt genomen een interne mededeling tussen K. en O., dat neemt derhalve niet weg dat die mededeling getuigt van een overeenkomst om de prijzen niet te wijzigen die is gesloten tijdens de betrokken technische bijeenkomst. Verzoeksters argumenten betreffende dit punt moeten dan ook worden verworpen.
89 Verder kan verzoekster de Commissie niet op goede gronden tegenwerpen dat er tijdens die bijeenkomsten geen verhoging is overeengekomen. Een overeenkomst over de handhaving van de prijzen is namelijk ook een overeenkomst over vaststelling van de prijzen, daar er wilsovereenstemming tussen de deelnemers bestaat over de toepassing van een prijsniveau dat zij gezamenlijk hebben vastgesteld.
90 Derhalve heeft de Commissie zich in punt 240 van de bestreden beschikking terecht op de betrokken technische overeenkomst gebaseerd voor de conclusie dat „de betrokken ondernemingen minimumprijzen vaststelden”.
91 In de tweede plaats heeft de Commissie wat de bijeenkomst van 23 en 24 november 1992 betreft in punt 128 van de bestreden beschikking verwezen naar een aantekening van MOL met de opmerking „eerste trimester – de prijzen handhaven – informatie-uitwisseling indien nodig – minimumprijs”. Zij heeft daaruit afgeleid dat dit duidde op het bestaan van een overeenkomst over de handhaving van de prijzen.
92 Volgens verzoekster heeft de opmerking in de aantekening van MOL „geen betekenis” omdat zij niet gekoppeld kan worden aan een vastgestelde prijs. Voorts heeft MOL die uitlegging niet bevestigd en is een andere uitlegging even geloofwaardig, namelijk dat het slechts om een uitwisseling van informatie gaat.
93 Het Gerecht oordeelt dat de uitleg van verzoekster niet aannemelijk is. Vóór die opmerking wordt namelijk geen naam van een onderneming genoemd, zodat niet kan worden geconcludeerd dat het om een eenzijdige mededeling ging. Als voorbeeld van het tegendeel bevatte de aantekening van Sasol over de „Blauer Salon”-bijeenkomst van 17 en 18 september 1996 de opmerking „MOL, HU DEM 110,- flü.ffr ab 1/10.96”. De Commissie heeft op basis daarvan geconcludeerd dat dit „aantoonde dat de personen die de ondernemingen op die bijeenkomst vertegenwoordigden over hun toekomstige intenties inzake het prijsbeleid [hadden] gesproken en die [hadden] bekendgemaakt” (punt 141 van de bestreden beschikking).
94 De Commissie heeft zich in punt 240 van de bestreden beschikking dus terecht op die technische overeenkomst gebaseerd voor de conclusie dat „de betrokken ondernemingen minimumprijzen vaststelden” (zie punt 89 hierboven).
95 In de derde plaats stelt verzoekster met betrekking tot de bijeenkomst van 7 en 8 september 1995 (punt 137 van de bestreden beschikking) dat de deelnemers enkel informatie over hun prijzen hebben uitgewisseld.
96 Deze uitlegging wordt weersproken door het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol, zoals door laatstgenoemde uitgelegd in het kader van de administratieve procedure, en door de aantekening van MOL over die bijeenkomst.
97 De aantekening van MOL bevat namelijk de volgende gegevens: „11. Schümann DEM 970, - min. prijs [...] 13. Total DEM 920,- is verhoogd van 950 DM.- tot 970 DM,- voorzien vóór het einde van het jaar [...] 15. wij verhogen tot 900”.
98 In het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst staat „Preise hoch per 1/1.95”. Voorts was volgens het antwoord van Sasol van 16 december 2006 op een verzoek om inlichtingen van de Commissie de verkeerde datum opgegeven, zodat de prijsverhoging in feite was beoogd voor 1 januari 1996. Volgens dat antwoord geeft dit het resultaat weer van de bijeenkomst van 7 en 8 september 1995.
99 Bijgevolg berust de stelling van de Commissie dat de deelnemers aan die bijeenkomst „informatie hebben uitgewisseld over hun toekomstige prijsbeleid en prijsverhogingen alsook minimumprijzen hebben besproken en vastgesteld” op een zeer coherent geheel van bewijzen. De verklaring van Sasol neemt elke onzekerheid over het bestaan van wilsovereenstemming over een verhoging van de prijzen weg. Het enkele feit dat het niveau van de verhoging en dat van de minimumprijzen per onderneming verschillen heeft geen invloed op de kwalificatie van deze bijeenkomst als bijeenkomst die tot een prijsvaststellingsovereenkomst heeft geleid, waarbij de term „prijsvaststelling” niet betekent dat één prijs voor alle deelnemers wordt gehanteerd.
100 In de vierde plaats heeft de Commissie zich wat de technische bijeenkomst van 22 en 23 februari 1996 betreft in punt 139 van de bestreden beschikking gebaseerd op een aantekening van MOL met de volgende inhoud: „Paraffine – alle kwaliteitsniveaus – zelfde prijs DEM 108; kleine/grote klant – zelfde prijs DEM 108; dompelwas DEM 1200‑1250”. Volgens dat punt toont dit aan dat de deelnemende ondernemingen het eens zijn geworden over de prijs van paraffinewas.
101 Verzoekster is van mening dat een dergelijke conclusie niet uit lezing van deze aantekening in haar totaliteit kan worden getrokken. De informatie is namelijk gepresenteerd in de normale stijl van de aantekeningen van MOL, namelijk een „rondvraag”, waarbij de door de deelnemers bekend gemaakte en uitgewisselde informatie wordt overgenomen.
102 Sasol en Repsol hebben evenwel, los van elkaar, de mededingingsverstorende aard van de technische bijeenkomst van 22 en 23 februari 1996 bevestigd. Bovendien bevat die aantekening van MOL ook de opmerking „vanaf 1.8. DEM 80/t overal verhogen”, dus de datum en het niveau van de prijsverhoging.
103 De Commissie heeft in punt 240 van de bestreden beschikking dus correct vastgesteld dat de betrokken ondernemingen tijdens die technische overeenkomst minimumprijzen hadden vastgesteld en prijsverhogingen waren overeengekomen.
104 In de vijfde plaats staat in het verslag over de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol met betrekking tot de bijeenkomst van 14 en 15 mei 1996 (punt 140 van de bestreden beschikking) het volgende: „Het uitgangspunt was de prijsverhoging van het tweede semester 1996 - D + F: op 1.8.96 kaarsen – FRP min 115,- nto nto flü ffr kaarsen voor warmhoudplaat 115 % grafkaarsen 115 % vaste paraffine + 5 % op de huidige prijs mixer FRP min 105,- nto, nto flü ffr”
105 Op basis hiervan heeft de Commissie geconcludeerd dat „de betrokken Duitse en Franse ondernemingen tijdens de besprekingen [waren] overeengekomen de prijzen te verhogen in de loop van het tweede halfjaar van 1996 door op 1 augustus 1996 een prijsverhoging van paraffinewas voor kaarsen te plannen”.
106 Verzoekster stelt dat er geen overeenkomst over de prijzen bestond en dat zij hoe dan ook niet aanwezig was op die bijeenkomst.
107 Deze argumenten kunnen niet afdoen aan de analyse van de Commissie. Uit het antwoord van Sasol van 16 december 2006 op een verzoek om inlichtingen van de Commissie blijkt namelijk ondubbelzinnig dat tijdens die bijeenkomst een overeenkomst over de prijzen is gesloten.
108 Dat verzoekster die bijeenkomst niet heeft bijgewoond, kan de Commissie niet beletten in zijn algemeenheid te concluderen dat zij had deelgenomen aan prijsvaststellingsovereenkomsten en in dit verband de bewijzen betreffende die bijeenkomst in aanmerking te nemen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere bestanddelen van de mededingingsregeling, voor de gehele mededingingsregeling aansprakelijk worden gesteld wanneer zij wist of noodzakelijkerwijs moest weten dat de heimelijke afspraken waaraan zij deelnam, inzonderheid via bijeenkomsten die jarenlang op regelmatige tijdstippen werden georganiseerd, deel uitmaakten van een algemeen plan om de normale werking van de mededinging te vervalsen, en dat dit algemene plan alle bestanddelen van de mededingingsregeling omvatte (zie arrest JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 41 hierboven, punt 370 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
109 Volgens het antwoord van Sasol van 16 december 2006 op een verzoek om inlichtingen van de Commissie heeft Sasol evenwel via telefoongesprekken na de bijeenkomst gehoord dat Total haar prijzen inderdaad had verhoogd tot 115 Duitse mark (DEM) per 100 kg, maar voor bepaalde subcategorieën producten kortingen had toegekend. Verzoekster was dus niet alleen geïnformeerd over de tijdens de betrokken bijeenkomst gesloten overeenkomst, zij heeft ook het resultaat ervan gedeeltelijk toegepast. Aangezien dit onderdeel van de verklaring met betrekking tot het gedrag van verzoekster de aansprakelijkheid van Sasol niet had kunnen verminderen, Sasol niet langer voor de mededeling inzake medewerking in aanmerking had kunnen komen indien zij de Commissie onjuiste informatie zou hebben verstrekt en Sasol hoe dan ook heeft onderstreept dat verzoekster slechts gedeeltelijk tot de overeenkomst was toegetreden, hoeft aan de betrouwbaarheid van die verklaring niet te worden getwijfeld.
110 In de zesde plaats moeten de argumenten van verzoekster met betrekking tot de bijeenkomsten van 30 en 31 oktober 1997 (punt 145 van de bestreden beschikking) en 5 en 6 mei 1998 (punt 147 van de bestreden beschikking) worden onderzocht.
111 In het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst inzake de eerstgenoemde bijeenkomst staat het volgende: „Datum Verhoging Min. prijs √ SCHS, D √ Dea, D √ SRS-Tuda, D √ MOL, HU 1.1. √ Total, F 1.1. DEM 10,- DEM 120 Mobil-Bp, F √ Repsol, E √ Agip, I 1.1. DEM 10”
112 Sasol heeft verklaard dat blijkens dit verslag alle deelnemers het eens waren geworden over verhoging van de prijzen met 10 à 12 DEM per 100 kg, dat Total en Agip de prijzen met 10 DEM wensten te verhogen en dat dit tot een minimumprijs van 120 DEM per 100 kg zou leiden, voor Total althans.
113 De niveaus en data van de verhogingen worden volledig bevestigd door twee aantekeningen met betrekking tot deze bijeenkomsten, die gevonden zijn in de bedrijfsruimten van MOL.
114 Verzoekster stelt enkel dat er een andere uitleg van de bij MOL gevonden aantekeningen bestaat, volgens welke de prijzen van de diverse soorten paraffinewas hardop door een van de deelnemers zijn voorgelezen. Deze vermeende uitleg wordt evenwel duidelijk tegengesproken door het verslag van Sasol, zoals door haar geïnterpreteerd, waartegen verzoekster geen argumenten heeft aangevoerd.
115 Voorts is het argument van verzoekster dat blijkens de verschillende data voor de geplande verhogingen de deelnemers geen overeenkomst hebben kunnen sluiten, volledig ongefundeerd. De verschillende data voor de geplande verhogingen kunnen namelijk erop wijzen dat de deelnemers rekening hebben gehouden met de individuele commerciële situatie van de verschillende vertegenwoordigde ondernemingen. Om bij de klanten de illusie te laten voortbestaan dat de markt voor paraffinewas zich altijd aan de regels van vraag en aanbod hield, had het voor de deelnemende ondernemingen redelijk kunnen lijken om nieuwe prijzen op verschillende data te introduceren en aldus te veinzen dat de door hen ingevoerde verhogingen de uitkomst waren van onafhankelijke commerciële besluiten. Een dergelijke uitlegging van de toepassing van verschillende data en niveaus van de verhogingen is verstrekt door Shell voor de periode na het begin van het jaar 2004.
116 De conclusie van de Commissie dat voor ten minste een aantal deelnemers tijdens de bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 een minimumprijs van 1200 DEM per ton is vastgesteld, wordt ook nog bevestigd door een aantekening van MOL over de bijeenkomst van 5 en 6 mei 1998, met de tekst „Repsol – min. prijs 1180 DEM (niet in staat te verkopen voor 1200)”. De meest coherente uitleg van deze tekst is dat Repsol de tijdens de vorige bijeenkomst overeengekomen prijs niet kon toepassen en de minimumprijs die zij leek te kunnen hanteren heeft aangegeven.
117 Derhalve heeft de Commissie rechtens genoegzaam aangetoond dat de deelnemers tijdens de bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 de prijzen voor paraffinewas hadden vastgesteld.
118 In de zevende plaats heeft de Commissie zich met betrekking tot de technische bijeenkomst van 3 en 4 november 1998 in punt 149 van de bestreden beschikking gebaseerd op een aantekening van MOL en op een verslag van een „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol.
119 Het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol bevat de volgende gegevens: „Voorstel op 1/1 99 + DEM 6?,- voor alle [prijzen] onder 120,- DEM = er zal een circulaire worden opgesteld met als argumentatie ‚situatie bij de grondstoffen’ (= beschikbaarheid van hoeveelheden) met de bedoeling dat — de prijzen onder 120 DEM worden verhoogd, — de prijzen niet dalen, — de kaarsenfabrikanten ‚documenten’ krijgen voor hun onderhandelingen met ketens [waarschijnlijk winkelketens]”
120 De aantekening van MOL bevat de volgende vermelding: „60 DEM/t – verhogen met ingang van 1 januari 1999”.
121 De Commissie heeft in de bestreden beschikking daaruit afgeleid dat de deelnemers hadden gesproken over de situatie van na hun overeenkomst, die dateerde van de technische overeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 en tot doel had een prijsverhoging voor paraffinewas tot boven 120 DEM per 100 kg, die nog niet was gerealiseerd. De deelnemers zijn vervolgens tijdens de technische bijeenkomst van 3 en 4 november 1998 een prijsverhoging van 6 DEM overeengekomen voor alle klanten die paraffinewas beneden 120 DEM kochten, die op 1 januari 1999 zou ingaan. Ook zou volgens de bestreden beschikking bij de klanten als rechtvaardiging voor die verhoging grondstoffenschaarste worden aangevoerd. Bovendien zijn de personen die de ondernemingen vertegenwoordigden overeengekomen dat de prijzen hoe dan ook niet mochten dalen.
122 Verzoekster stelt dat de vermelding in de aantekening van MOL betrekking heeft op een opmerking van S. (Shell) omdat zij onder de naam „S” is geplaatst. De woorden in het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol volgens welke „een circulaire zal worden opgesteld [...] met de bedoeling dat [...] de prijzen niet dalen” verwijzen naar een interne circulaire van Sasol en kunnen niet worden opgevat als een tijdens de technische bijeenkomst gesloten overeenkomst, maar alleen als een tot uitdrukking gebracht doel dat Sasol zich heeft gesteld.
123 In dit verband wordt opgemerkt dat de uitleg van verzoekster niet aannemelijk is en niet berust op een coherente uitlegging van de schriftelijke bewijzen. Verzoekster legt namelijk niet uit waarom Sasol heeft besloten een circulaire voor haar klanten op te stellen en een prijsverhoging van 6 DEM per 100 kg aan te kondigen na de eenzijdige verklaring van een andere deelnemer, Shell, bij gebreke van overeenstemming tussen de deelnemers over de verhoging van de prijzen. Bovendien toont de uitlegging van de Commissie, anders dan die van verzoekster, het verband aan met de tijdens de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 gevoerde besprekingen.
124 De Commissie kon dus op goede gronden uit de bewijzen betreffende de technische bijeenkomst van 3 en 4 november 1998 afleiden dat de deelnemers toen een overeenkomst over een prijsverhoging hadden gesloten.
125 In de achtste plaats moeten de argumenten van verzoekster met betrekking tot de bijeenkomst van 27 en 28 oktober 1999 worden onderzocht.
126 Dienaangaande beschikte de Commissie over een verslag van een „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol, waarin het volgende staat: „Verhoging Aanwezig: Total per 15/1.2000 + Ffr 2300 = DEM 6,85 Aanwezig: Repsol Aanwezig:SRS-Tuda per 10/1.2000 Aanwezig: Dea per 17/1.2000 volgens [B. van Dea] +8,50 DEM Aanwezig: SCHS per 15/1.2000 Mobil-Bp, F Afwezig: MOL per 1/2.2000 (alt DEM 110.- flü ffr) + 6 DEM, - volgens T. T. 10/1 Afwezig: Mobil [Afwezig] Esso, F per 1/2.2000 + 40 $,- (volgens MA 19/1) Kuwait, NL per? + 8 DEM,- (volgens Buchh [Buchhaltung (boekhoudafdeling)]) 24/1 Algemeen voor alle industrieën - Vloeibaar + DEM 7‑9,- % kg (in geen geval minder dan 6 DEM) - Vast + 11 DEM,- % kg”
127 De Commissie heeft deze notitie als volgt uitgelegd, met inachtneming van de uitleg van Sasol (punt 156 van de bestreden beschikking): „Uit deze notitie blijkt dat Total, Repsol, H&R/Tudapetrol (‚SRSTuda’), Dea en Sasol zijn overeengekomen de prijzen in januari 2000 te verhogen. Total zou de prijzen op 15 januari 2000 met 2300 FRF verhogen, H&R/Tudapetrol op 10 januari 2000, Dea op 17 januari 2000 met 8,50 DEM en Sasol op 15 januari 2000. Wat de niet-aanwezige ondernemingen betreft wordt de verhoging voor MOL bepaald op 6 DEM per 1 januari 2000. Esso zou per 1 februari 2000 de prijs verhogen met 40 USD en Kuwait met 8 DEM op een nog onbekende datum. Deze drie laatste gegevens heeft Sasol tijdens bilaterale contacten na de technische bijeenkomst verkregen, en zijn volgens Sasol toegevoegd aan het stuk van 7 december 1999. Dat blijkt uit de passages ‚volgens’ met een naam en datum. Sasol heeft de vertegenwoordigers van die ondernemingen op de genoemde data gebeld en de informatie over de prijsverhoging gekregen.”
128 Verzoekster kan niet op goede gronden stellen dat het slechts om uitwisseling van informatie ging. Dat wordt duidelijk weersproken door de verklaring van Sasol van 16 december 2006, volgens welke Total, Repsol, „SRSTuda (Hansen & Rosenthal)” aanwezig waren en een prijsverhoging in januari 2000 zijn overeengekomen.
129 Dat de data naast de naam van de ondernemingen variëren kan de stelling van verzoekster niet dragen, om de reeds in punt 115 hierboven uiteengezette redenen.
130 Ook is de meest aannemelijke verklaring voor het ontbreken van cijfers naast de naam van de op de bijeenkomst vertegenwoordigde ondernemingen, gelet op de verklaring van Sasol, dat het niveau van de prijsverhoging voor al die ondernemingen hetzelfde was, namelijk 6,85 DEM.
131 De Commissie heeft derhalve rechtens genoegzaam het bestaan van een prijsvaststellingsovereenkomst tijdens de betrokken bijeenkomst aangetoond.
132 In de negende plaats moeten de argumenten van verzoekster inzake de bijeenkomst van 26 en 27 juni 2001 (punt 163 van de bestreden beschikking) worden onderzocht.
133 In dit verband staat in het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol het volgende: „In juli: de prijzen voor speciale klanten zo snel mogelijk ongeldig verklaren [...] Eind augustus alle prijzen op 30/9.01 ongeldig verklaren op 1/10.01 + 7 €,-”
134 Volgens de bestreden beschikking toont dit aan dat de vertegenwoordigers van de ondernemingen een prijsverhoging voor paraffine van 7 EUR per 1 oktober 2001 zijn overeengekomen, voorafgegaan door ongeldigverklaring van alle bestaande prijsafspraken ter zake tot en met 30 september.
135 Verzoekster stelt dat de verklaring van Sasol van 16 december 2006 deze uitlegging niet ondersteunt en slechts blijk geeft van een bespreking over de prijzen.
136 Dit wordt evenwel tegengesproken door die verklaring. Volgens deze heeft O. van Sasol namelijk het resultaat van de technische bijeenkomst van 26 en 27 juni 2001 genoteerd, en de intentie om de prijzen te verhogen weerspiegelde de uit die bijeenkomst getrokken conclusies.
137 Daar de verklaring melding maakt van tijdens de bijeenkomst getrokken conclusies inzake een prijsverhoging, moet die verklaring worden geacht een prijsvaststellingsovereenkomst aan te tonen die tijdens die bijeenkomst is gesloten.
138 In de tiende plaats bekritiseert verzoekster de beoordeling van de bewijzen inzake de bijeenkomst van 11 en 12 mei 2004 in punt 174 van de bestreden beschikking.
139 In dit verband bevat de in de bedrijfsruimten van Total France gevonden handgeschreven notitie het volgende: „-> Sasol 40 €/50 $. – eind juli. -> Mer: 38‑28. -> 1 juli + FRP: 70 -> 6000 €/T + kaarsen voor warmhoudplaat: 50 ->500 €/T + microwas: 25 -> 50 €/ [...] -> 40 €/T ‚slack wax’”
140 Volgens de bestreden beschikking blijkt uit de algemene context van de in de bedrijfsruimten van Total France gevonden handgeschreven notitie dat een pijltje vóór de prijs wijst op het bestaan van een voor de toekomst afgesproken strategie, zodat de deelnemers een prijsverhoging waren overeengekomen.
141 Volgens verzoekster kan de uitlegging van de Commissie van de in de bedrijfsruimten van Total France gevonden handgeschreven notitie niet worden aanvaard wegens de tegenstrijdige verklaringen inzake die technische bijeenkomst. Shell heeft namelijk verklaard dat er een prijsverhoging was overeengekomen, terwijl volgens Sasol een prijsverhoging was besproken. Derhalve kan enkel, ook gelet op de bij Total France gevonden handgeschreven notitie, worden uitgegaan van een uitwisseling van informatie.
142 De verklaring van Shell van 14 juni 2006 is geenszins dubbelzinnig, voor zover daarin wordt bevestigd dat op die technische bijeenkomst een prijsverhoging is overeengekomen die op 1 juli 2004 zou ingaan.
143 Verzoekster kan zich niet op goede gronden op de verklaring van Sasol van 12 augustus 2005 baseren voor haar ontkenning van de sluiting van een overeenkomst op die bijeenkomst. Het feit dat Sasol erkent dat er tijdens die bijeenkomst over de prijzen is gesproken sluit namelijk geenszins uit dat de deelnemers op basis van die gesprekken een overeenkomst hebben gesloten. Sasol heeft in die verklaring ook gesteld dat zij een „ketenbrief” had gestuurd waarin een prijsverhoging van 5 tot 7 EUR per 100 kg op 14 juni 2004 werd aangekondigd en dat zij een brief van H&R had ontvangen waarin een verhoging van haar prijzen van 5,20 tot 6,80 EUR per 100 kg werd aangekondigd.
144 Blijkens die verklaring had Sasol haar prijzen dus met hetzelfde bedrag willen verhogen als aangegeven in de bij Total France gevonden handgeschreven notitie en had H&R daarna ook een brief met een prijsverhoging verzonden, welke verhoging die van Sasol sterk benaderde.
145 De Commissie heeft in de bestreden beschikking bijgevolg terecht vastgesteld dat de deelnemers tijdens die technische bijeenkomst een verhoging van de prijzen van paraffinewas waren overeengekomen.
146 In het licht van het voorgaande en zonder dat alle technische bijeenkomsten waaraan verzoekster heeft deelgenomen hoeven te worden onderzocht, concludeert het Gerecht dat de Commissie in de bestreden beschikking rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de kartelleden overeenkomsten over de vaststelling van de prijzen van paraffinewas hadden gesloten tijdens de technische bijeenkomsten van 3 en 4 september 1992 (punt 126 van de bestreden beschikking), 23 en 24 november 1992 (punt 128), 7 en 8 september 1995 (punt 137), 22 en 23 februari 1996 (punt 139), 14 en 15 mei 1996 (punt 140), 30 en 31 oktober 1997 (punt 145), 3 en 4 november 1998 (punt 149), 27 en 28 oktober 1999 (punt 156), 26 en 27 juni 2001 (punt 163) en 11 en 12 mei 2004 (punt 174).
Algemene beoordeling
147 In de eerste plaats hebben Shell, Sasol en Repsol toegegeven dat de prijzen van paraffinewas tijdens de technische bijeenkomsten waren besproken met als algemeen doel overeenstemming te bereiken over het niveau ervan. Volgens de in punt 32 hierboven genoemde rechtspraak vormt een dergelijk gemeenschappelijk doel reeds een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, daar er een wilsovereenstemming over het beginsel zelf van de mededingingsbeperking bestond. Voorts hebben dezelfde ondernemingen verklaard dat de deelnemers tijdens een aantal technische bijeenkomsten inderdaad overeenstemming hadden bereikt over minimumprijzen of prijsverhogingen, soms zelfs over prijsverhogende maatregelen. Onderstreept moet worden dat de ondernemingen in hun verklaringen ook hebben verwezen naar de deelname van Total aan de technische bijeenkomsten en de namen hebben genoemd van de werknemers van verzoekster die haar tijdens de bijeenkomsten hadden vertegenwoordigd.
148 In de tweede plaats worden de betrokken verklaringen bevestigd door talloze handgeschreven notities van dezelfde datum als de technische bijeenkomsten die de Commissie bij de inspecties heeft gevonden, waartoe verzoekster toegang had gedurende de administratieve procedure en waarvan een gedeelte met name wordt genoemd in de punten 126, 128, 137, 139, 140, 145, 149, 156, 163 en 174 van de bestreden beschikking.
149 In de derde plaats heeft verzoekster 39 van de in totaal 51 mededingingsverstorende bijeenkomsten bijgewoond die tijdens de periode van haar deelname aan de inbreuk zijn gehouden, namelijk tussen 3 september 1992 en 28 april 2005.
150 In dit verband wordt ten eerste in herinnering gebracht (zie punt 146 hierboven) dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat de kartelleden overeenkomsten inzake vaststelling van de prijzen van paraffinewas hadden gesloten tijdens de technische bijeenkomsten van 3 en 4 september 1992 (punt 126 van de bestreden beschikking), 23 en 24 november 1992 (punt 128), 7 en 8 september 1995 (punt 137), 22 en 23 februari 1996 (punt 139), 14 en 15 mei 1996 (punt 140), 30 en 31 oktober 1997 (punt 145), 3 en 4 november 1998 (punt 149), 27 en 28 oktober 1999 (punt 156), 26 en 27 juni 2001 (punt 163) en 11 en 12 mei 2004 (punt 174). Met uitzondering van die van 14 en 15 mei 1996, heeft verzoekster al deze technische bijeenkomsten bijgewoond.
151 Ten tweede geeft verzoekster toe dat informatie over de prijzen van paraffinewas is uitgewisseld tijdens de technische bijeenkomsten van 30 september 1994 (punt 133 van de bestreden beschikking), 27 januari 1995 (punt 134), 17 en 18 september 1996 (punt 141), 2 en 3 september 1998 (punt 148), 3 en 4 februari 2000 (punt 157), 25 en 26 mei 2000 (punt 159), 21 en 22 februari 2002 (punt 165), 18 december 2002 (punt 168), 27 en 28 februari 2003 (punt 169) en 14 en 15 januari 2004 (punt 173), die zij heeft bijgewoond.
152 Verzoekster voert evenwel geen specifieke argumenten aan ter weerlegging van de verklaringen van Sasol, Repsol en Shell volgens welke het doel van de technische bijeenkomsten de vaststelling van de prijzen was.
153 De Commissie beschikte dus, althans voor de in de punten 146 en 151 hierboven genoemde technische bijeenkomsten, over een geheel van onweerlegbare bewijzen waaruit bleek dat de deelnemers langer dan twaalf jaar regelmatig informatie hadden uitgewisseld over hun prijzen en over de tijdens technische bijeenkomsten geplande prijsverhogingen. Verzoekster heeft geen coherente uitleg over die activiteiten gegeven die zou kunnen afdoen aan de stelling van de Commissie dat het doel van deze gedragingen met name vaststelling van de prijzen was. De lange periode waarin de bijeenkomsten systematisch zijn gehouden vormt op zichzelf juist een aanwijzing dat de deelnemers tot doel hadden hun prijsbeleid te harmoniseren door de marktrisico’s welbewust te vervangen door hun onderlinge samenwerking, door met betrekking tot de prijs van paraffinewas hun feitelijke gedragingen onderling af te stemmen en zelfs, althans wat de in punt 146 hierboven genoemde technische bijeenkomsten betreft, prijsvaststellingsovereenkomsten te sluiten.
154 Ten overvloede wordt erop gewezen dat volgens de in punt 34 aangehaalde rechtspraak artikel 81, lid 1, EG in de weg staat aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken ondernemer zelf vertoont of zich heeft voorgenomen, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft de mededinging te beperken. In casu ontkent verzoekster noch de contacten, noch de uitwisseling van gevoelige informatie tijdens de technische bijeenkomsten.
155 In de vierde plaats kan verzoekster niet op goede gronden stellen dat de Commissie haar deelname aan de tijdens de technische bijeenkomsten tot stand gekomen overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen niet heeft aangetoond.
156 Wat mededingingsverstorende overeenkomsten betreft waarvan, zoals in casu, blijkt tijdens bijeenkomsten van concurrerende ondernemingen, heeft het Hof namelijk reeds geoordeeld dat er sprake was van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG wanneer die bijeenkomsten tot doel hadden de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en aldus een kunstmatige regulering van de werking van de markt beoogden. In een dergelijk geval volstaat het voor de Commissie om aan te tonen dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, om de deelname van deze onderneming aan de mededingingsregeling te bewijzen. Wanneer de deelname aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, dient die onderneming aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelname aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek aan die bijeenkomsten deelnam (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 47 hierboven, punt 81, en arrest Hof van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C-403/04 P en C-405/04 P, Jurispr. blz. I-729, punt 47).
157 Aan deze regel ligt de gedachte ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst deelneemt zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden (arresten Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 47 hierboven, punt 82, en Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, aangehaald in punt 156 hierboven, punt 48).
158 Verzoekster, die regelmatig aan de technische bijeenkomsten heeft deelgenomen, stelt evenwel niet dat zij zich publiekelijk van de inhoud van de mededingingsverstorende overeenkomsten heeft gedistantieerd.
159 In de vijfde plaats betreffen de toelichtingen van verzoekster steeds specifieke technische bijeenkomsten. Zij kunnen dus geen aannemelijke uitleg vormen voor het geheel van de door de Commissie vergaarde bewijzen op grond waarvan zij het bestaan van één enkele complexe en voortdurende inbreuk heeft kunnen vaststellen.
160 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de Commissie in de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld dat de kartelleden, waaronder verzoekster, een inbreuk hadden gepleegd die onder meer bestond „in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de vaststelling van de prijzen en de uitwisseling en openbaarmaking van commercieel gevoelige informatie”.
161 Bijgevolg heeft de Commissie artikel 81 EG in dit verband niet geschonden.
162 Het eerste onderdeel van dit middel faalt derhalve.
Tweede onderdeel: geen bewijs voor de uitvoering van de prijsvaststellingsovereenkomsten
163 Met het tweede onderdeel voert verzoekster aan dat de Commissie artikel 81 EG heeft geschonden door vast te stellen dat de inbreuk was uitgevoerd. De Commissie heeft met name niet aangetoond dat de verzending van brieven met de aankondiging van prijsverhogingen de uitvoering van het eerste deel van de inbreuk vormde.
164 Om te beginnen wordt in herinnering gebracht dat de Commissie in punt 4.1 van de bestreden beschikking onder het kopje „Basisbeginselen en werking van de mededingingsregeling” het volgende heeft vastgesteld: „[...] (113) Het resultaat van de technische bijeenkomsten werd in het algemeen uitgevoerd door de aankondiging van prijsverhogingen aan de klanten of ongeldigverklaring van de bestaande tariefformules. Incidentele gevallen van ontduiking of niet-toepassing werden besproken tijdens volgende bijeenkomsten (zie bijvoorbeeld de punten 149 en 157). In het algemeen nam een van de vertegenwoordigde ondernemingen het initiatief en begon zij haar prijzen te verhogen. Doorgaans was dit Sasol, maar zij vroeg soms een andere deelnemer om te beginnen. Kort nadat een onderneming haar klanten op de hoogte had gesteld van haar voornemen de prijzen te verhogen, volgden de andere leveranciers/ondernemingen en kondigden ook zij prijsverhogingen aan. De personen die de ondernemingen tijdens de technische bijeenkomsten vertegenwoordigden, informeerden de anderen over de genomen stappen voor de uitvoering van het resultaat van de technische bijeenkomsten. Deze informatie werd mondeling verstrekt of door toezending van een kopie van de aankondiging van de prijsverhogingen of ongeldigverklaring van de betrokken prijzen aan een van de andere [deelnemende] ondernemingen of aan al deze ondernemingen. De Commissie heeft namelijk ontdekt dat dergelijke aankondigingen werden uitgewisseld tussen partijen. Bij een steekproef van ongeveer 150 van dit soort brieven is vastgesteld dat zij zijn uitgewisseld binnen zes weken na de technische bijeenkomsten. Ook werd verklaard dat de vertegenwoordigde ondernemingen volgens een overeenkomst de toepassing van een afgesproken prijsverhoging niet mochten aangrijpen om hun eigen marktaandeel te vergroten. Deze verklaring is niet betwist in de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar.”
165 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.1 van de bestreden beschikking onder het kopje „Uitvoering” onder meer het volgende uiteengezet: „[...] (299) Hoewel de Commissie de uitvoering van een mededingingsverstorende overeenkomst niet hoeft te bewijzen, kan die uitvoering in casu worden aangetoond. De uitwisseling van prijsstellingsbrieven en van mondelinge informatie over de prijsstelling (zie punt 248) dienden ook ter controle van de uitvoering van de overeenkomst. Door alle andere kartelleden te informeren over toekomstige prijsverhogingen of ongeldigverklaring van de prijzen, konden de kartelleden nagaan of een onderneming de tijdens de technische bijeenkomsten gemaakte afspraken naleefde. Voorts werd de uitvoering tijdens de technische bijeenkomsten incidenteel besproken, bijvoorbeeld tijdens de in de punten 147 en 149 beschreven bijeenkomsten. Dat de kartelleden onderling ook contacten onderhielden als leveranciers, wat in beginsel bepaalde communicatie tussen hen zou kunnen verklaren, verandert niets aan dit oordeel. Het gaat er niet om of bepaalde communicatie hoe dan ook zou hebben plaatsgevonden na deze bilaterale kruiselingse leveringen, maar of die communicatie al dan niet objectief heeft geholpen de controle van de uitvoering van de inbreuk te waarborgen.”
166 In de eerste plaats stelt verzoekster dat de verzending van prijsstellingsbrieven aan de andere deelnemers volgens de verklaringen van de ondernemingen niet systematisch was, zodat zij geen middel vormde om het eerste deel van de inbreuk uit te voeren. Indien de technische bijeenkomsten tot doel hadden gehad gezamenlijk nieuwe prijzen vast te stellen, had volgens haar elk van de deelnemers, om de deelnemers in staat te stellen na te gaan of de overeenkomst door iedereen werd nageleefd, haar nieuwe prijzen aan alle anderen moeten doorgeven of op zijn minst aan een van hen, die met die verificatie was belast, wat niet het geval was.
167 Hoe dan ook kan de praktijk van prijsstellingsbrieven niet aan Total France worden verweten. Om te beginnen heeft Total France, zoals Shell erkent, haar klanten niet vaak brieven inzake prijsverhogingen gezonden en haar prijsverhogingen doorgaans mondeling bekendgemaakt tijdens bezoeken aan klanten, zonder de concurrenten te informeren. Voorts worden van de 123 door de Commissie genoemde brieven slechts negen toegeschreven aan Total France en bij de meeste daarvan gaat het om een briefwisseling over prijsaanvragen en ‑aanbiedingen met het oog op een eventuele aankoop.
168 Deze argumenten van verzoekster betreffen de briefwisseling die de kartelleden over prijsstelling hebben gevoerd.
169 Deze briefwisseling vormde evenwel niet de eigenlijke uitvoering van de betrokken inbreuk, daar die bestond in de toepassing van het prijsniveau op klanten, de handhaving van de prijzen of de tijdens de bijeenkomsten besproken en vastgestelde prijsverhogingen. In feite heeft de Commissie in punt 113 van de bestreden beschikking uiteengezet dat „[d]e uitkomst van de technische bijeenkomsten in het algemeen [werd] uitgevoerd door de aankondiging van prijsverhogingen aan de klanten of ongeldigverklaring van de bestaande prijsstellingen”. De briefwisseling over prijsstelling en de mondelinge discussies na de bijeenkomsten betreffen het controlemechanisme voor de uitvoering van de inbreuk door de deelnemers.
170 Het argument van verzoekster dat van de steekproef van de Commissie van 123 brieven slechts negen tussen concurrenten uitgewisselde prijsstellingsbrieven aan haar kunnen worden toegeschreven, is derhalve niet relevant. Hoe dan ook geeft verzoekster zelf toe dat zij de klanten niet vaak prijsstellingsbrieven met een aankondiging van prijsverhogingen heeft verzonden, maar de prijsverhogingen doorgaans tijdens bezoeken aan klanten mondeling heeft bekendgemaakt. Enerzijds erkent verzoekster dus zelf dat zij regelmatig haar prijzen heeft verhoogd en anderzijds legt zij uit waarom zij slechts weinig prijsstellingsbrieven aan de concurrenten kon sturen: in geval van mondelinge mededeling van prijsverhogingen aan de klanten kon geen kopie van een prijsstellingsbrief aan de concurrenten worden gezonden, omdat er geen prijsstellingsbrief aan hen was gericht.
171 In de tweede plaats wordt de stelling van verzoekster dat de inbreuk is casu niet is uitgevoerd tegengesproken door de bewijsstukken waarop de bestreden beschikking is gebaseerd.
172 Shell heeft in haar verklaring van 18 maart 2005 namelijk uitdrukkelijk gesteld dat haar vertegenwoordiger na de technische bijeenkomsten gewoonlijk een prijsstellingsbrief kreeg waarin de prijsverhoging door een concurrent werd aangekondigd. Die brieven waren regelmatige aankondigingen over de nieuwe prijzen die de producenten van paraffinewas naar de klanten en andere producenten zonden, die vaak ook onderling paraffinewas kochten in het kader van kruiselingse leveringen. Volgens de aanwijzingen van Shell gaven, toen de eerste producent aldus had aangegeven dat hij de prijzen wilde verhogen, de andere deelnemers aan de mededingingsregeling daaraan gevolg overeenkomstig de tijdens de technische bijeenkomsten gevoerde besprekingen.
173 In haar verklaring van 14 juni 2006 heeft Shell ook aangegeven dat, steeds als zij een prijsstellingsbrief met een aankondiging van een prijsverhoging had verzonden, daarin de prijs stond die was afgesproken op de vorige technische bijeenkomst. Tevens heeft zij aangegeven dat zij regelmatig dergelijke brieven van Sasol, H&R en ExxonMobil had ontvangen, ook al had zij bij laatstgenoemde nooit paraffinewas gekocht. Hoewel Total niet vaak dergelijke brieven aan haar klanten heeft gezonden, heeft Shell er wel een of twee van Total ontvangen. Voorts heeft volgens de verklaring van Shell haar vertegenwoordiger telefonisch contact opgenomen met de vertegenwoordigers van Sasol, H&R, Total en ExxonMobil alvorens de prijsonderhandelingen met de klanten te starten, om te zorgen voor een juiste uitvoering van de tijdens de technische bijeenkomsten overeengekomen prijsverhogingen.
174 Dit mechanisme voor de uitvoering van de mededingingsregeling wordt bevestigd door de verklaring van Sasol van 12 augustus 2005, die ook gedetailleerde voorbeelden van concrete technische bijeenkomsten bevat.
175 In de derde plaats brengt verzoekster tegen de Commissie in dat er geen verband bestaat tussen de beschikbare informatie over de technische bijeenkomsten en de door de Commissie genoemde prijsstellingsbrieven.
176 Ten eerste volgt uit een aantal bovengenoemde verklaringen dat de tijdens de technische bijeenkomsten overeengekomen prijsverhogingen in het algemeen niet volledig konden worden toegepast op klanten. Shell heeft verklaard dat ongeveer twee derde van de overeengekomen prijsverhogingen kon worden uitgevoerd. Voorts bestaan er verschillende aanwijzingen in het dossier dat de deelnemers de overeengekomen prijsverhoging vaak helemaal niet konden uitvoeren.
177 Ten tweede zijn volgens de in punt 47 hierboven aangehaalde rechtspraak de bewijzen van mededingingsregelingen doorgaans fragmentarisch en schaars. Aangezien de Commissie dus geen gedetailleerde bewijzen over de inhoud van de in elke technische bijeenkomst gevoerde besprekingen bezat en zij slechts een klein gedeelte van door de deelnemers aan de klanten gezonden prijsstellingsbrieven bezat, kan verzoekster geen enkel steekhoudend argument ontlenen aan het feit dat de Commissie de precieze band tussen de tijdens de technische bijeenkomsten gevoerde besprekingen en de in die prijsstellingsbrieven aangegeven prijzen niet kon reconstrueren, temeer daar de prijzen van de diverse paraffinewasproducten sterk varieerden en de klanten zich logischerwijs tegen de verhogingen probeerden te verzetten.
178 Dit argument moet derhalve worden afgewezen.
179 In de vierde plaats stelt verzoekster dat het toezenden van prijsstellingsbrieven met prijsverhogingen aan de concurrenten gerechtvaardigd was door de klant-leverancier-relatie tussen de aan de mededingingsregeling deelnemende ondernemingen.
180 In dit verband wordt erop gewezen dat de uitvoering van het eerste deel van de inbreuk bestond in de aankondiging van prijsverhogingen aan de klanten of de ongeldigverklaring van de bestaande prijsstellingen en niet in de verzending van prijsstellingsbrieven aan de concurrenten, die eerder een middel was om die uitvoering na te gaan. Hoe dan ook, Shell heeft verklaard dat zij prijsstellingsbrieven van een concurrent had ontvangen waarvan zij geen leverancier was (zie punt 173 hierboven). Zowel Shell als Sasol heeft ook bevestigd dat de toezending van prijsstellingsbrieven onderdeel uitmaakte van het mechanisme voor de uitvoering van het eerste deel van de inbreuk.
181 Bijgevolg faalt dit argument van verzoekster.
182 In de vijfde plaats betoogt verzoekster ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet aan de uitvoering van de inbreuk heeft deelgenomen, dat zij bij de enige keer dat Sasol een beroep op haar heeft gedaan om als eerste een brief inzake prijsverhogingen te zenden, van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om haar concurrentiepositie te versterken door een fictieve brief inzake prijsverhogingen aan haar concurrenten te sturen, en niet aan haar klanten, aldus de verklaring van Shell.
183 In dit verband moet worden onderstreept dat, toen Sasol verzoekster vroeg als eerste aan de klanten een prijsstellingsbrief te zenden met vermelding van een prijsverhoging, zij dit blijkens de verklaring van Shell inderdaad niet heeft gedaan, maar de „kopie” van een fictieve brief inzake prijsverhoging aan de concurrenten heeft gezonden. Dat toont dus slechts aan dat verzoekster niet heeft voldaan aan het verzoek van Sasol om als eerste een prijsstellingsbrief met vermelding van een prijsverhoging rond te zenden
184 Volgens de rechtspraak verandert de niet-eerbiediging van een kartel evenwel niets aan het bestaan zelf ervan (zie in die zin arrest Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T-141/94, Jurispr. blz. II-347, punten 233, 255, 256 en 341). Zelfs wanneer vaststaat dat sommige kartelleden andere leden hebben bedrogen door onjuiste informatie te verzenden en het kartel ten eigen voordele te gebruiken door het niet na te leven, wordt de gepleegde inbreuk door dit enkele feit niet ongedaan gemaakt (arrest Gerecht van 8 juli 2008, Knauf Gips/Commissie, T‑52/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 201; zie ook in die zin arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).
185 Bijgevolg moet verzoeksters betoog dienaangaande worden afgewezen.
186 In de zesde plaats moet de uitvoering van één enkele complexe en voortdurende inbreuk, zoals de Commissie terecht opmerkt, in haar totaliteit worden beoordeeld.
187 In dit verband heeft het Gerecht reeds geoordeeld dat in het geval dat concurrenten deelnamen aan bijeenkomsten waarop zij informatie uitwisselden over met name de prijzen die zij op de markt toegepast wensten te zien, een onderneming, door een bijeenkomst met een mededingingsverstorend doel bij te wonen, niet alleen ernaar had gestreefd de onzekerheid over het toekomstig gedrag van haar concurrenten bij voorbaat uit te sluiten maar bij de bepaling van het marktbeleid dat zij voornemens was te voeren, noodzakelijkerwijs – al dan niet rechtstreeks – rekening had moeten houden met de tijdens die bijeenkomsten verkregen informatie (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T-1/89, Jurispr. blz. II-867, punten 122 en 123, en arrest Knauf Gips/Commissie, aangehaald in punt 184 hierboven, punt 276).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex