Gerecht EU 8 juli 2004, T-44/00, ECLI:EU:T:2004:218

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

8 juli 2004 ( *1 )

In zaak T-44/00,

Mannesmannröhren-Werke AG, gevestigd te Mülheim an der Ruhr (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Klusmann, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Erhart en A. Whelan als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B — naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1), of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: N. J. Forwood, kamerpresident, J. Pirrung en A. W. H. Meij, rechters,

griffier: J. Plingers, administrateur,

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 19, 20 en 2 maart 2003,

het navolgende

Arrest

Feiten en procedure ( 1 )

1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 2003/382/EG van de Commissie van 8 december 1999 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/E-1/35.860-B — naadloze stalen buizen) (PB 2003, L 140, blz. 1; hierna: „bestreden beschikking”).

[...]

Procesverloop voor het Gerecht

34 Bij zeven verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 28 februari en 3 april 2000, hebben Mannesmann, Corus, Dalmine, NKK Corp., Nippon, Kawasaki en Sumitomo beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld.

35 Bij beschikking van 18 juni 2002 is beslist, de partijen gehoord, om de zeven zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering te voegen voor de mondelinge behandeling. Ten gevolge van deze voeging hebben de verzoeksters in de zeven zaken alle dossiers betreffende de onderhavige procedure ter griffie van het Gerecht kunnen raadplegen. Er zijn ook maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen.

36 Op rapport van de rechterrapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) beslist over te gaan tot de mondelinge behandeling. De partijen hebben pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting van 19, 20 en 21 maart 2003.

Conclusies van de partijen

37 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage: — de bestreden beschikking nietig te verklaren; — subsidiair, het bedrag van de haar opgelegde geldboete te verminderen; — de Commissie in de kosten te verwijzen.

38 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage: — het beroep te verwerpen; — verzoekster in de kosten te verwijzen.

De vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking

39 Tot staving van haar vordering tot nietigverklaring voert verzoekster om te beginnen een reeks middelen aan inzake het onregelmatige verloop van de administratieve procedure. Verder stelt zij dat de Commissie artikel 81, lid 1, EG heeft geschonden, aangezien zij de haar in de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking verweten inbreuken niet rechtens genoegzaam heeft bewezen.

De middelen inzake proceduregebreken

Het middel inzake schending van de rechten van de verdediging doordat de Commissie verzoekster de toegang tot bepaalde dossierstukken heeft geweigerd

— Argumenten van partijen

40 Verzoekster stelt dat zij geen toegang heeft gekregen tot het volledige administratieve dossier. De Commissie heeft haar geen inzage verleend in de door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA toegezonden stukken en heeft zich daarbij verschuild achter het interne karakter van deze documenten, zonder enige verdere uitleg en zonder de inhoud ervan te hebben onderzocht. Mannesmann is van mening dat zij daardoor mogelijkerwijs geen gebruik heeft kunnen maken van bepaalde stukken à décharge.

41 Verder verwijt Mannesmann de Commissie dat zij zich niet heeft gehouden aan de procedure die is beschreven in punt II A van mededeling 97/C 23/03 van de Commissie inzake de interne procedureregels voor de behandeling van verzoeken om toegang tot een dossier bij de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het EG-Verdrag, van de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (PB 1997, C 23, blz. 3; hierna: „mededeling inzake de toegang tot het dossier”). Volgens deze mededeling is de raadadviseurauditeur verplicht toezicht te houden op de classificatie van de dossierstukken en in voorkomend geval de kwalificatie ervan als interne documenten te verifiëren. Hij is tot deze toezichtsverplichting gehouden zonder dat de ondernemingen daarvoor enig initiatief hoeven te nemen. Mannesmann heeft daardoor naar eigen zeggen niet de gelegenheid gehad uit te maken of de mededeling van punten van bezwaar en het administratieve dossier alle stukken à décharge bevatten.

42 Verder verwijt Mannesmann de Commissie dat zij haar geen lijst van alle dossierstukken heeft meegedeeld om haar de mogelijkheid te bieden om inzage van bepaalde stukken te verzoeken (arresten Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T-30/91, Jurispr. blz. II-1775, punten 89 en 93-95, en ICI/Commissie, T-36/91, Jurispr. blz. II-1847, punten 99 en 103-105). Overigens dient de Commissie op deze lijst de interne stukken aan te duiden (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, bekend als het „cement-arrest”, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punten 168 en 186). Aldus heeft de Commissie de rechten van de verdediging geschonden. Een dergelijke schending kan niet worden „geregulariseerd” voor het Gerecht (arrest Solvay/Commissie, reeds aangehaald, punt 98).

43 Ter terechtzitting heeft Mannesmann aangevoerd dat verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43) van overeenkomstige toepassing is.

44 De Commissie antwoordt hierop dat zij volgens vaste rechtspraak geen toegang tot haar interne documenten hoeft te verlenen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 54; 1 april 1993, BPB Industries en British Gypsum/Commissie, T-65/89, Jurispr. blz. II-389, en cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punt 420). Deze documenten kunnen naar hun aard niet als bewijs van een inbreuk worden aangevoerd (zie punt I A 3 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier). In elk geval heeft Mannesmann niet aangetoond dat de bestreden beschikking berust op documenten waartoe zij geen toegang heeft gehad.

45 Volgens de Commissie lijdt het geen twijfel dat de betrokken stukken interne documenten zijn. Volgens punt II A 2, sub c, van de mededeling inzake de toegang tot het dossier valt de briefwisseling tussen de Commissie en andere openbare instanties, zoals de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, onder het begrip intern document.

46 Wat de nakoming door de raadadviseurauditeur van zijn toezichtsverplichting met betrekking tot de dossierstukken betreft, heeft Mannesmann geen enkel bewijs tot staving van haar beweringen aangevoerd. Verder beklemtoont de Commissie dat Mannesmann geen gebruik heeft gemaakt van de door punt II A 2 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier geboden mogelijkheid om de raadadviseurauditeur te verzoeken te garanderen dat de betrokken stukken interne documenten zijn.

47 Ten slotte verwerpt de Commissie de stelling dat zij de ondernemingen een lijst van de interne documenten van het dossier zou moeten bezorgen.

— Beoordeling door het Gerecht

48 Punt II A 2 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier luidt als volgt: „Om redenen van administratieve vereenvoudiging en doeltreffendheid worden de interne documenten voortaan opgenomen in een (niet-toegankelijk) bestand van interne documenten met betrekking tot zaken die in onderzoek verkeren, waarin alle interne documenten chronologisch zijn gerangschikt. Deze classificatie geschiedt onder toezicht van de raadaviseur-auditeur die, indien nodig, kan garanderen dat de daarin opgenomen stukken ‚interne documenten’zijn. Als ‚interne documenten’ worden onder meer aangemerkt: [...] c) de briefwisseling betreffende een zaak met andere openbare instanties (19); [...]”

49 In voetnoot 19 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier is gepreciseerd: „De vertrouwelijkheid van documenten die van het openbaar gezag uitgaan, dient bescherming te genieten. Deze regel geldt niet alleen ten aanzien van documenten van mededingingsautoriteiten maar tevens ten aanzien van die van andere overheden, van een lidstaat of van een derde land. [...] Niettemin dient onderscheid te worden gemaakt tussen de beoordelingen of opmerkingen van deze andere autoriteiten ten aanzien waarvan een absolute bescherming geldt, en de concrete stukken welke zij eventueel hebben verstrekt, aangezien deze laatste niet altijd onder de uitzondering vallen. [...]”

50 Uit de formulering van punt II A 2 van de mededeling inzake de toegang tot het dossier blijkt dat de raadadviseurauditeur, anders dan Mannesmann stelt, in het kader van de administratieve procedure niet stelselmatig toezicht hoeft uit te oefenen om na te gaan of de dossierstukken interne documenten zijn. Aangezien de raadadviseurauditeur volgens dat punt „indien nodig” een dergelijke verificatie „kan” verrichten, dient te worden vastgesteld dat, wanneer de kwalificatie van bepaalde documenten als „interne documenten” niet of, in voorkomend geval, niet meer wordt betwist, hij geen verificatie hoeft te verrichten. Een tegenovergestelde uitlegging zou de werklast van de Commissie in het kader van de administratieve procedure onevenredig verzwaren en zou ingaan tegen het doel waarmee deze classificatiemethode is vastgesteld, namelijk om „redenen van administratieve vereenvoudiging en doeltreffendheid”. Bijgevolg is het van belang om na te gaan of Mannesmann tijdens de administratieve procedure de raadadviseurauditeur heeft verzocht om na te gaan of de documenten die de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA aan de Commissie heeft toegezonden en die als interne documenten zijn gekwalificeerd, dat ook zijn.

51 Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat Mannesmann bij een bij het verzoekschrift gevoegde brief van 12 maart 1999 om inzage van de betrokken documenten heeft verzocht. De Commissie heeft dit verzoek evenwel afgewezen bij brief van 22 maart 1999, die ook bij het verzoekschrift is gevoegd, omdat deze documenten volgens haar daadwerkelijk interne documenten in de zin van punt II A van de mededeling inzake de toegang tot het dossier waren (zie in het bijzonder punt II A 2 van deze mededeling).

52 In haar verweerschrift heeft de Commissie gesteld, zonder op dit punt door Mannesmann te zijn tegengesproken, dat deze later niet is opgekomen tegen de weigering in de brief van 22 maart 1999 om toegang te verlenen, en de raadadviseurauditeur niet heeft verzocht om na te gaan of de Commissie op goede gronden deze toegang had geweigerd. Mannesmann heeft immers enkel — in repliek — gesteld dat zij geen nieuw verzoek tot de raadadviseurauditeur hoefde te richten. Verder blijkt uit een passage van het verslag van de raadadviseurauditeur, die de Commissie in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft aangehaald, dat de partijen „geen enkele vraag betreffende de rechten van de verdediging sensu stricto, en meer bepaald betreffende de toegang tot het dossier hebben opgeworpen [...]”.

53 Aangezien Mannesmann na ontvangst van de brief van 22 maart 1999 niet heeft verzocht om te verifiëren of de documenten op de bladzijden 1 tot en met 350 van het administratief dossier van de Commissie terecht als interne documenten waren gekwalificeerd, hoefde de raadadviseurauditeur in casu een dergelijke verificatie niet te verrichten. Wanneer de Commissie schriftelijk een verzoek om toegang tot bepaalde dossierstukken afwijst omdat het om interne documenten gaat, staat het immers vervolgens aan degene die om toegang heeft verzocht, om dit verzoek opnieuw in te dienen en daarbij het interne karakter van deze documenten te betwisten, indien hij wil dat de raadadviseurauditeur deze vraag onderzoekt.

54 Wat het verwijt van Mannesmann betreft dat de Commissie haar geen lijst van alle dossierstukken, daaronder begrepen de interne documenten, heeft bezorgd, vloeit uit de rechtspraak die zij tot staving van haar stelling heeft aangevoerd niet voort dat het feit dat de Commissie de partijen tijdens de administratieve procedure niet een dergelijke lijst heeft verstrekt op zich een schending van de rechten van de verdediging vormt. In de hierboven in punt 42 aangehaalde arresten Solvay/Commissie (punten 89 en 93-95) en ICI/Commissie (punten 99 en 103-105) heeft het Gerecht zich immers enkel gebogen over de noodzakelijke afweging tussen het recht van toegang tot documenten à charge en à décharge en de bescherming van zakengeheimen van ondernemingen, en niet over de afweging tussen eerstgenoemd recht en de bescherming van interne documenten. Bovendien heeft het Gerecht weliswaar in het hierboven in punt 42 aangehaalde cementarrest (punten 5, 168 en 186) bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht om een beschrijving op te stellen van de interne documenten waarvan de inhoud zelfs niet summier was weergegeven in de tijdens de administratieve procedure aan de partijen verstrekte lijst, maar het heeft uit deze omstandigheid niet afgeleid dat de Commissie de rechten van de verdediging had geschonden.

55 In elk geval dient te worden opgemerkt dat de rechten van de verdediging slechts door een procedurele onregelmatigheid worden geschonden indien deze een concrete weerslag heeft gehad op de mogelijkheid voor de beschuldigde ondernemingen om zich te verdedigen (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punten 852-860).

56 In casu heeft het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht om een overzicht van de inhoud van de bladzijden 1 tot en met 350 van haar administratief dossier. Uit dit overzicht blijkt dat alle betrokken documenten interne documenten zijn en geen bewijselementen à charge of à décharge vormen, in die zin dat zij niet kunnen aantonen dat deze of gene van de betrokken ondernemingen al dan niet een inbreuk heeft gepleegd, zodat noch het feit dat de raadadviseurauditeur het interne karakter van deze documenten niet heeft geverifieerd, noch de weigering van de Commissie om Mannesmann een lijst met een beschrijving van deze documenten te bezorgen afbreuk hebben kunnen doen aan de mogelijkheid voor deze laatste om zich te verdedigen, en dus haar rechten van verdediging niet hebben kunnen schenden. Mannesmann heeft immers na ontvangst van een kopie van deze lijst ter terechtzitting niet langer het tot dan toe ingenomen standpunt gehandhaafd dat bepaalde van de daarin opgesomde documenten in werkelijkheid geen interne documenten waren.

57 Gelet op het vorige punt, dient ook het argument dat Mannesmann ter terechtzitting heeft aangevoerd en dat is gebaseerd op de overeenkomstige toepassing van verordening nr. 1049/2001, te worden verworpen. Ook al zou Mannesmann immers hebben kunnen aantonen dat zij gerechtigd was om de betrokken documenten in te zien, zou zij zich hierdoor niet beter hebben kunnen verdedigen in het kader van de door de Commissie gevoerde procedure. Dit argument kan dus hoe dan ook niet de nietigverklaring van de bestreden beschikking rechtvaardigen.

58 Verder dient te worden vastgesteld dat verordening nr. 1049/2001 en besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom van de Commissie van 8 februari 1994 inzake de toegang tot documenten van de Commissie (PB L 46, blz. 58), dat door de verordening is vervangen, bepalen dat degene die om toegang verzoekt specifieke procedurele stappen dient te zetten, en in het bijzonder een oorspronkelijk formeel verzoek en, ingeval van weigering, een conflrmatief verzoek dient in te dienen, om zich op de materiële bepalingen ervan te kunnen beroepen. Aangezien Mannesmann in casu deze procedure niet heeft gevolgd, kan zij deze niet omzeilen door te verzoeken om de overeenkomstige toepassing van deze materiële bepalingen.

59 Gelet op het voorgaande, dient het onderhavige middel te worden verworpen.

Ontoereikendheid van de termijn om op de mededeling van punten van bezwaar te antwoorden

— Argumenten van partijen

60 Mannesmann is van mening dat zij onvoldoende tijd heeft gekregen om op de mededeling van punten van bezwaar te antwoorden. Volgens haar heeft de Commissie bij de vaststelling van de termijn geen rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de onderhavige zaak. Deze termijn is begonnen op 11 februari 1999, op het ogenblik dat de adressaten van de bestreden beschikking toegang kregen tot het dossier, en is op 20 april 1999 verstreken. Hoewel het dossier zeer omvangrijk was en bepaalde stukken in niet-gebruikelijke talen waren opgesteld, heeft de Commissie zonder speciale motivering op 22 maart 1999 haar verzoek tot verlening van een extra termijn afgewezen. Verder liep er nog een onderzoek in een aanverwante zaak, zodat Mannesmann naar eigen zeggen gedwongen was om zich in twee zaken te verdedigen, terwijl zij daartoe slechts over een uiterst korte termijn beschikte. Onder de adressaten van de bestreden beschikking was zij de enige in een dergelijke situatie. Zij is dan ook van mening dat zij ongelijk is behandeld.

61 De Commissie betwist deze aantijgingen. Alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar beschikten vanaf de betekening ervan, dat wil zeggen vanaf 3 februari 1999, over twee maanden om hun antwoord voor te bereiden. Op verzoek van Mannesmann heeft de Commissie overigens bij brief van 22 maart 1999 de datum waarop deze ten laatste haar opmerkingen over de mededeling van punten van bezwaar diende in te dienen, verschoven naar 20 april 1999. Een dergelijke maatregel valt niet onder de motiveringsplicht van artikel 253 EG. Volgens de Commissie was de termijn van ongeveer tweeënhalve maand waarover Mannesmann beschikte om haar antwoord voor te bereiden, toereikend. Dienaangaande verwijst zij met name naar het hierboven in punt 42 aangehaalde cementarrest (punten 654 en 655).

— Beoordeling door het Gerecht

62 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 127, blz. 2268), die ten tijde van de verzending van de mededeling van punten van bezwaar aan verzoekster van toepassing was, en artikel 14 van verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen [81] en [82] van het EG-Verdrag (PB L 354, blz. 18), die na 31 januari 1999 van toepassing was, beide beogen te verzekeren dat de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar over voldoende tijd beschikken om hun rechten van verdediging naar behoren uit te oefenen, en bepalen dat de Commissie bij de vaststelling van deze termijn, die minstens twee weken dient te bedragen, rekening moet houden met de tijd die nodig is voor het opstellen van de verklaringen en met de dringendheid van de zaak. De verleende termijn dient in concreto te worden beoordeeld op basis van de complexiteit van de zaak (cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punt 653, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Zoals de Commissie in haar verweerschrift heeft opgemerkt, blijkt uit punt 207 van haar XXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid, van 1993, dat in zaken van middelmatig belang een algemene termijn van twee maanden wordt verleend en in ingewikkelde zaken een termijn van drie maanden. Deze termijnen worden in voorkomend geval verlengd om rekening te houden met de vakantieperioden. Daarentegen is aan het einde van hetzelfde punt gepreciseerd dat, anders dan in de vroegere praktijk het geval was, deze relatief lange termijnen „in beginsel” niet worden verlengd.

64 In casu heeft de Commissie bij haar brief van 21 januari 1999, waarbij de mededeling van punten van bezwaar was gevoegd, verzoekster krachtens verordening nr. 99/63 een termijn van twee maanden vanaf de betekening van deze mededeling verleend. Nadat Mannesmann bij brief van 12 maart 1999 om een extra termijn van twee maanden had verzocht, heeft de Commissie bij haar brief van 22 maart 1999 de termijn om op de mededeling van punten van bezwaar te antwoorden verlengd met 17 dagen, bovenop de twee maanden die zij in haar oorspronkelijke bij de mededeling van punten van bezwaar gevoegde brief van 21 januari 1999 had verleend.

65 Aangaande de aanvangsdatum die in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de termijn waarover de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar beschikten om daarover opmerkingen te maken, dient te worden opgemerkt dat alle belangrijkste documenten van het dossier, dat wil zeggen 32 documenten in totaal, bij de mededeling van punten van bezwaar zijn gevoegd. In deze omstandigheden dient ervan te worden uitgegaan dat de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, zoals de Commissie stelt, reeds bij de betekening ervan — die voor Mannesmann plaatsvond op 3 februari 1999 — naar behoren konden beginnen met de analyse ervan, en niet hoefden te wachten tot zij toegang kregen tot het gehele dossier, dat wil zeggen tot 11 februari 1999, zoals Mannesmann beweert. Bijgevolg heeft de Commissie, door een extra termijn te verlenen tot 20 april 1999, de oorspronkelijke termijn met 17 dagen verlengd.

66 Weliswaar is in de onderhavige zaak sprake van een omvangrijk dossier van meer dan 15000 bladzijden, maar, zoals de Commissie terecht stelt, is het niet uitzonderlijk dat onderzoeksdossiers in mededingingszaken zo omvangrijk zijn. De feiten in de onderhavige zaak zijn niet zo ingewikkeld als die in de zaak die heeft geleid tot het hierboven in punt 42 aangehaalde cementarrest, waarin de mededeling van punten van bezwaar was gericht tot 76 ondernemingen en ondernemersverenigingen (punten 3, 4 en 654 van het arrest), waarbij aan de betrokken ondernemingen een totale termijn van vier maanden — met inbegrip van twee verlengingen — werd verleend om hun opmerkingen over de mededeling van punten van bezwaar te maken. In casu heeft Mannesmann geen enkel specifiek element aangevoerd waaruit blijkt dat de onderhavige zaak bijzonder belangrijk en/of ingewikkeld is.

67 Met betrekking tot het argument van Mannesmann dat zij in twee parallelle zaken op mededelingen van punten van bezwaar heeft moeten antwoorden (zaken IV/E-1/35.860-B en IV/E-1/35.860-A), heeft de Commissie in haar verweerschrift opgemerkt dat de twee betrokken zaken „nauw met elkaar verbonden waren en elkaar op veel punten overlapten, zowel wat de grieven betreft als wat de betrokken documenten betreft”. Verder heeft de Commissie beklemtoond dat ook aan Corus en de Japanse producenten twee mededelingen van punten van bezwaar zijn toegezonden. Mannesmann heeft deze opmerkingen inhoudelijk niet betwist, maar heeft in repliek enkel de vraag opgeworpen waarom de Commissie niet één enkele mededeling van punten van bezwaar tot de betrokken ondernemingen heeft gericht indien de twee zaken zo nauw met elkaar verbonden waren. Deze opmerking is in de onderhavige context irrelevant. Er dient dus te worden vastgesteld dat de zaken waarop de twee mededelingen van punten van bezwaar betrekking hadden, veel gelijkenissen vertoonden, zodat het feit dat Mannesmann tegelijkertijd in de twee zaken opmerkingen heeft moeten maken, geen grote extra werklast voor haar heeft meegebracht.

68 Gelet op een en ander, bood de totale termijn van tweeënhalve maand die aan Mannesmann is verleend, haar voldoende gelegenheid om haar opmerkingen te maken en zich dus naar behoren te verdedigen (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73-48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punten 94-99).

69 Met betrekking tot het argument van Mannesmann dat zij het slachtoffer is van een schending van het beginsel van gelijke behandeling, dient te worden geoordeeld dat, voor zover de verleende termijnen volstaan om de partijen toe te laten zich te verdedigen, deze termijnen forfaitair mogen worden vastgesteld en niet evenredig hoeven te zijn aan het werk dat in elk individueel geval dient te worden verricht om de opmerkingen op te stellen.

70 In dit verband kan een parallel worden getrokken met artikel 230, vijfde alinea, EG, volgens hetwelk een beroep tot nietigverklaring dient te worden ingesteld binnen een termijn van twee maanden, die volgens vaste rechtspraak in geen geval kan worden verlengd; de niet-inachtneming van deze termijn heeft automatisch de nietontvankelijkheid van het beroep tot gevolg, op het uitzonderlijke geval van overmacht na (zie in die zin beschikking Gerecht van 21 maart 2002, Laboratoire Monique Rémy/Commissie, T-218/01, Jurispr. blz. II-2139, in hogere voorziening bevestigd door beschikking Hof van 30 januari 2003, Laboratoire Monique Rémy/Commissie, C-176/02 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). In deze omstandigheden kan de vaststelling van forfaitaire termijnen op zich niet worden beschouwd als een mogelijke schending van het gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke behandeling (zie dienaangaande ook cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punt 654).

71 Dat aan andere adressaten van de betrokken mededelingen van punten van bezwaar dezelfde termijn is verleend om één enkele mededeling van punten van bezwaar te beantwoorden dan aan Mannesmann om twee mededelingen te beantwoorden, kan dus niet als onwettig worden beschouwd, aangezien is geoordeeld dat de aan Mannesmann verleende termijn toereikend was.

72 Wat ten slotte het argument betreft dat de weigering om Mannesmann een extra termijn van twee maanden voor de indiening van haar opmerkingen te verlenen, niet gemotiveerd is, dient te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak dat de aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Hof van 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C-76/00 P, Jurispr. blz. I-79, punt 81, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat volgens punt 207 van het XXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid in zaken van middelmatig belang in beginsel een termijn van twee maanden wordt verleend om te antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar (zie hierboven, punt 63). Hieruit dient te worden afgeleid dat de Commissie, die in casu een termijn van twee maanden heeft verleend, noodzakelijkerwijs ervan is uitgegaan dat de onderhavige zaak van „middelmatig” belang was, en dat de verleende termijn de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar dus in beginsel voldoende gelegenheid bood om hun opmerkingen in te dienen. In het licht van deze vaststelling dient de motivering van de weigering van de Commissie om een extra termijn te verlenen, te worden onderzocht.

74 In casu dient te worden geoordeeld dat de weigering van de Commissie om de gevraagde extra termijn van twee maanden te verlenen, niet specifiek hoefde te worden gemotiveerd. Aangezien de Commissie overeenkomstig punt 207 van het XXIIIe Verslag over het mededingingsbeleid een standpunt heeft ingenomen over het belang van de zaak, heeft deze instelling, door Mannesmann 17 extra dagen te verlenen en tegelijkertijd te verklaren dat het „onmogelijk” was om de gevraagde termijn van twee maanden te verlenen, impliciet haar oorspronkelijke standpunt bevestigd. Aangezien het beleid van de Commissie erin bestaat om de termijnen om op de mededelingen van punten van bezwaar te antwoorden in beginsel niet te verlengen, zoals in bovenbedoeld punt 207 is uiteengezet, moet de verleende extra termijn worden beschouwd als een toegeving van de Commissie aan Mannesmann. Bijgevolg kan deze onderneming niet de nietigverklaring van de beschikking vorderen op grond van het feit dat de weigering om haar de extra termijn te verlenen, niet specifiek is gemotiveerd.

75 Uit een en ander volgt dat alle grieven van Mannesmann inzake de weigering van de Commissie om haar de gevraagde extra termijn te verlenen, dienen te worden verworpen.

Het gebruik van het document Verdeelsleutel als element à charge

— Argumenten van partijen

76 Mannesmann stelt dat het document Verdeelsleutel niet-ontvankelijk is als bewijs. Zij preciseert dat de Commissie zich voor de vaststelling van de in de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuken hoofdzakelijk op dit document heeft gebaseerd. Aangezien de Commissie niet heeft bekendgemaakt wie dit document heeft opgesteld, dienen de authenticiteit en de bewijskracht ervan met de nodige omzichtigheid te worden beoordeeld.

77 De Commissie had ten minste moeten preciseren in welke omstandigheden zij dit document, dat zij als een rechtstreeks bewijs van een onrechtmatige handeling heeft aangevoerd, in handen heeft gekregen. Overeenkomstig de beginselen van de rechtsstaat kan alleen wanneer deze informatie wordt gegeven, de persoon tegen wie een dergelijk bewijs wordt aangevoerd, zichzelf verdedigen (arrest Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche, 85/76, Jurispr. blz. 461).

78 Geen van de betrokken ondernemingen heeft de authenticiteit van dit stuk erkend, anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 7 november 1985, Adams/Commissie (145/83, Jurispr. blz. 3539), waarin geen twijfel bestond over de geloofwaardigheid van de informant van de Commissie. Aangezien de Commissie de authenticiteit van het document Verdeelsleutel niet heeft aangetoond, kon zij zich hier tegenover Mannesmann niet op baseren. Deze schending van de rechten van de verdediging rechtvaardigt de nietigverklaring van de bestreden beschikking.

79 Voor het geval dat het gebruik van dit document toch geoorloofd zou zijn, betwist Mannesmann de bewijswaarde ervan. In de eerste plaats is het document Verdeelsleutel in tegenspraak met andere tijdens het onderzoek verzamelde elementen. Zo is de Commissie in punt 86 van de bestreden beschikking van mening dat het document Verdeelsleutel de verklaringen van Vallourec uitdrukkelijk tegenspreekt, hoewel deze laatste in aanzienlijke mate hebben bijgedragen tot de vaststelling van de feiten. In de tweede plaats wordt het document Verdeelsleutel tegengesproken door het feit dat de ondernemingen Siderca en Tubos de Acero de México SA hoogstwaarschijnlijk buizen in Europa hebben geleverd. Het valt dus niet in te zien hoe dit document een bewijs van de verweten inbreuk kan vormen.

80 De Commissie herinnert eraan dat zij op grond van artikel 287 EG door de geheimhoudingsplicht is gebonden, en dat zij ook, op het gevaar af dat zij haar actie dient te beperken, de anonimiteit van haar informanten moet waarborgen. Het belang van ondernemingen om te weten van wie bepaalde documenten afkomstig zijn, dient te worden verzoend met het algemeen belang dat eist dat ongeoorloofde kartels worden vervolgd en informanten worden beschermd (arrest Adams/Commissie, hierboven aangehaald in punt 78, punt 34). In casu zijn de rechten van de verdediging geëerbiedigd. Mannesmann heeft niet aangetoond in welke zin het anonieme karakter van bovenbedoeld document haar rechten van verdediging zou schenden.

— Beoordeling door het Gerecht

81 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de Commissie zich in de punten van de bestreden beschikking die verband houden met de in artikel 1 ervan vastgestelde inbreuk, in verregaande mate baseert op de verklaring van Verluca van 17 september 1996 (zie in het bijzonder punten 56-58, 60-62 en 131), zoals aangevuld door zijn verklaring van 14 oktober 1996 en door het document „Verificatie bij Vallourec” (hierna tezamen: „verklaringen van Verluca”). Weliswaar baseert de Commissie zich in deze context, in het bijzonder in de punten 85 en 86 van de bestreden beschikking, ook op het document Verdeelsleutel, maar dit document neemt in de algemene opzet van de bestreden beschikking een minder belangrijke plaats in dan de verklaringen van Verluca.

82 Bijgevolg dient het argument van Mannesmann dat de Commissie zich voor de vaststelling van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk hoofdzakelijk op dit document heeft gebaseerd, meteen te worden verworpen. Wat de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk betreft, spelen de verklaringen van Verluca en het document Verdeelsleutel slechts een zeer indirecte rol.

83 In punt 85 van de bestreden beschikking verklaart de Commissie dat het document Verdeelsleutel haar op 12 november 1997 door een niet bij de procedure betrokken persoon is bezorgd. Zij baseert zich met name op dit document om haar beschrijving van de evolutie van de betrekkingen binnen de Europa-Japanclub vanaf eind 1993 te onderbouwen. Volgens de informant was dit document afkomstig van een handelsagent van een van de bij deze club aangesloten ondernemingen. Volgens de Commissie blijkt uit dit document dat de met de Latijns-Amerikaanse producenten aangeknoopte contacten gedeeltelijk succesvol waren en geeft de daarin opgenomen tabel weer hoe de genoemde markten tussen de Europese, de Japanse en de Latijns-Amerikaanse producenten waren verdeeld. In het bijzonder voorziet dit document in een marktaandeel van 100 % voor de Europese producenten in Europa en van 100 % voor de Japanse producenten in Japan. Wat de andere markten betreft, zouden de Europese producenten met name een aandeel van 0 % hebben in het Verre Oosten, van 20 % in het Midden-Oosten en van 0 % in Latijns-Amerika.

84 Wat de ontvankelijkheid van het document Verdeelsleutel als bewijs van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk betreft, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat in het gemeenschapsrecht het beginsel van de vrije bewijslevering primeert en dat het enige relevante criterium ter beoordeling van aangevoerde bewijzen de geloofwaardigheid ervan is (conclusie van rechter Vesterdorf, aangewezen als advocaatgeneraal, bij arrest van Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T-1/89, Jurispr. blz. II-867,II-869, II-954; zie ook in die zin arrest Hof van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol, C-310/98 en C-406/98, Jurispr. blz. I-1797, punt 29, en arrest Gerecht van 7 november 2002, Vela en Tecnagrind/Commissie, T-141/99, T-142/99, T-150/99 en T-151/99, Jurispr. blz. II-4547, punt 223). Verder kan het noodzakelijk zijn voor de Commissie om de anonimiteit van de informanten te beschermen (zie in die zin arrest Adams/Commissie, hierboven aangehaald in punt 78, punt 34) en deze omstandigheid alleen kan de Commissie niet verplichten een van de bewijzen waarover zij beschikt, terzijde te schuiven.

85 De argumenten van Mannesmann kunnen dus weliswaar relevant zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid en dus van de bewijskracht van het document Verdeelsleutel, maar er is geen reden om vast te stellen dat dit document niet-ontvankelijk is als bewijs en uit het dossier dient te worden verwijderd.

86 Voorzover Mannesmann verder uit de vermeende niet-ontvankelijkheid van dit document afleidt dat het ook niet geloofwaardig is, moet worden vastgesteld dat de geloofwaardigheid van dit document noodzakelijkerwijs vermindert doordat onopgehelderd is in welke context het is opgesteld en de verklaringen van de Commissie dienaangaande niet kunnen worden geverifieerd (zie hierboven, punt 83).

87 Voorzover evenwel het document Verdeelsleutel specifieke informatie bevat die met die in andere documenten, met name in de verklaringen van Verluca, overeenstemt, dient te worden geoordeeld dat deze elementen elkaar onderling kunnen versterken.

88 Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat in de verklaring van Verluca van 17 september 1996 sprake is van een „initiële” verdeelsleutel voor „internationale offerteaanvragen” die betrekking had op de tussen de Japanse en de Europese producenten gesloten overeenkomsten, zodat genoegzaam is aangetoond dat binnen de Europa-Japanclub een dergelijke verdeling bestond. Verder blijkt uit de interne nota van Vallourec van 27 januari 1994, „Verslag over het onderhoud met JF te Brussel op 25/1”, dat is weergegeven op bladzijde 4822 van het dossier van de Commissie, dat Vallourec, om „zich aan de regeling te houden [...], uit [het Verre Oosten] en Zuid-Amerika diende weg te blijven, en zich diende te beperken tot het Midden-Oosten, waar zij 20 % van de markt diende te delen met twee andere ondernemingen”. Op het verzoek van de Commissie om deze twee documenten te becommentariëren, heeft Verluca verklaard dat zij verband hielden met een poging om in 1993 de toepasselijke verdeelsleutels te wijzigen om rekening te houden met de verkopen van de Latijns-Amerikaanse producenten en met de op de verschillende markten „verworven posities”.

89 Volgens Mannesmann is het document Verdeelsleutel in tegenspraak met de verklaring van Verluca in het document Verificatie bij Vallourec (punt 1.3) met betrekking tot de vraag of de Latijns-Amerikaanse producenten gunstig hebben gereageerd op de toenadering van de Europese producenten eind 1993, wat afdoet aan de betrouwbaarheid van deze twee bewijselementen. In punt 86 van de bestreden beschikking heeft de Commissie immers op basis van het document Verdeelsleutel verklaard dat „de met de Latijns-Amerikanen aangeknoopte contacten gedeeltelijk succesvol waren”, en zij erkent zelf dat deze verklaring in tegenspraak is met die van Verluca in het document Verificatie bij Vallourec, die luidt als volgt: „de Zuid-Amerikaanse producenten maakten geen deel uit van de Europa-Japanclub [...] eind 1993 zijn er verkennende gesprekken met hen geweest om een evenwicht te bereiken op basis van de verworven posities (ongeveer 20 % in het Midden-Oosten voor de Europeanen). Deze pogingen bleken zeer snel tot mislukking gedoemd.”

90 Evenwel dient te worden opgemerkt dat volgens het document Verdeelsleutel de Latijns-Amerikaanse producenten de voorgestelde verdeelsleutel hebben aanvaard, „behalve voor de Europese markt”, waarbinnen de offerteaanvragen van geval tot geval in een geest van samenwerking dienden te worden onderzocht. In punt 94 van de bestreden beschikking is de Commissie dan ook tot de conclusie gekomen dat de Latijns-Amerikaanse producenten niet aanvaardden dat de Europese markt aan de Europese producenten was voorbehouden.

91 Uit de verschillende in de bestreden beschikking genoemde nota's van Vallourec, het document „Nota voor de presidenten” („Paper for Presidents”), weergegeven op bladzijde 4902 van het dossier van de Commissie, en het document „g) Japans”, („g) Japanese” document), weergegeven op bladzijde 4909 van hel dossier van de Commissie, blijkt dat een van de voornaamste doelen die de Europese producenten via hun contacten met de Japanse producenten nastreefden bestond in de bescherming van hun thuismarkten, en dat zij met name wilden verzekeren dat de markt van het Verenigd Koninkrijk na de sluiting door Corus van haar fabriek te Clydesdale een thuismarkt zou blijven. De hierboven in punt 89 genoemde tegenstrijdigheid vermindert zeker de bewijskracht van het document Verdeelsleutel en in zekere mate die van de verklaringen van Verluca, maar het belang ervan dient sterk te worden gerelativeerd, gelet op de in het begin van dit punt aangehaalde omstandigheid. Ook al zouden immers de Latijns-Amerikaanse producenten er mee hebben ingestemd voor andere markten dan de Europese een verdeelsleutel toe te passen, dan nog dient te worden opgemerkt dat de onderhandelingen met deze producenten uit het oogpunt van de Europeanen grotendeels zijn mislukt, zodat de negatieve beoordeling van Verluca over de uitkomst van deze onderhandelingen op dit cruciale punt daadwerkelijk met de beschrijving in het document Verdeelsleutel overeenstemt.

92 Gelet op een en ander, doet de door de Commissie zelf in punt 86 van de bestreden beschikking genoemde tegenstrijdigheid tussen een van de verklaringen van Verluca en het document Verdeelsleutel niet wezenlijk af aan de geloofwaardigheid van deze twee bewijselementen.

93 Ten slotte dient, gelet op het standpunt dat de Latijns-Amerikaanse producenten volgens het document Verdeelsleutel zelf ten aanzien van Europa hebben ingenomen (zie hierboven, punt 90), te worden vastgesteld dat het door Mannesmann aangevoerde feit dat deze producenten buizen hebben verkocht in Europa, gesteld al dat dit zou zijn bewezen, geenszins afdoet aan de betrouwbaarheid van dit document.

94 Gelet op het voorgaande, dient te worden vastgesteld dat het document Verdeelsleutel een zekere bewijskracht behoudt en in het kader van de door de Commissie in aanmerking genomen reeks van onderling overeenstemmende aanwijzingen bepaalde wezenlijke verklaringen van Verluca met betrekking tot het bestaan van een marktverdelingsovereenkomst voor naadloze OCTG-buizen bevestigt. Uit dit bewijselement volgt immers dat de Japanse producenten enerzijds en de Europese producenten anderzijds het beginsel hebben aanvaard dat zij bepaalde naadloze stalen buizen niet in het kader van „algemene” offerteaanvragen op de thuismarkt van de andere producenten mochten verkopen. Dit document bevestigt ook dat er een verdeelsleutel bestond voor de markten in de verschillende regio's van de wereld, en versterkt dus de geloofwaardigheid van de verklaringen van Verluca, aangezien ook daarin naar dit begrip wordt verwezen.

95 De bezwaren die Mannesmann tegen het gebruik van het document Verdeelsleutel aanvoert, dienen dan ook te worden verworpen.

Schending van de rechten van de verdediging doordat de mededeling van punten van bezwaar en de bestreden beschikking niet met elkaar overeenstemmen met betrekking tot de in artikel 2 van de beschikking bedoelde inbreuk

— Argumenten van partijen

96 Volgens Mannesmann wijkt de bestreden beschikking af van de mededeling van punten van bezwaar. In deze laatste heeft de Commissie immers verklaard dat de leveringscontracten tussen Corus enerzijds en Vallourec, Dalmine en Mannesmann anderzijds deel uitmaakten van een ongeoorloofde mededingingsregeling, die tot doel had de markt van naadloze stalen buizen die werden gekocht door Corus, die een machtspositie had op de Britse markt van OCTG-buizen, te verdelen. Deze contracten hingen dus samen met de later in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk (zie punten 147-151 van de mededeling van punten van bezwaar). In de bestreden beschikking daarentegen heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat deze contracten een maatregel waren om de Britse markt van de Japanse ondernemingen af te schermen, en dus een constitutief bestandsdeel vormden van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk (punt 147). Mannesmann had over een zo belangrijke wijziging van de grieven moeten worden gehoord (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punten 9, 14 en 16). Aangezien zij niet is gehoord, zijn haar rechten van verdediging onherstelbaar geschonden (arrest Solvay/Commissie, hierboven aangehaald in punt 42, punten 89 e.V.).

97 De Commissie betwist deze grieven en stelt dat de feitelijke uiteenzetting en de juridische beoordeling in de bestreden beschikking volledig met die in de mededeling van punten van bezwaar overeenstemmen.

— Beoordeling door het Gerecht

98 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat een verschil tussen de mededeling van punten van bezwaar en de uiteindelijke beschikking slechts een schending van de rechten van de verdediging oplevert indien een in de beschikking vastgestelde grief niet op zo'n duidelijke wijze in de mededeling van punten van bezwaar is uiteengezet dat de adressaten zich daartegen hebben kunnen verdedigen (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punten 852-860).

99 In de mededeling van de punten van bezwaren hoeft de Commissie enkel de aangevoerde grieven uiteen te zetten en duidelijk te vermelden op welke feiten zij zich baseert en welke kwalificatie zij daaraan heeft gegeven, opdat de adressaten ervan zich naar behoren zouden kunnen verdedigen (zie in die zin arrest Hof van 3 juli 1991, AKZO/Commissie, C-62/86, Jurispr. blz. I-3359, punt 29, en arrest Gerecht van 14 mei 1998, Mo och Domsjö/Commissie, T-352/94, Jurispr. blz. II-1989, punt 63).

100 Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat de juridische kwalificatie van de feiten in de mededeling van punten van bezwaar per definitie slechts voorlopig kan zijn, en een latere beschikking van de Commissie kan niet nietig worden verklaard op de loutere grond dat de uiteindelijke conclusies die uit deze feiten zijn getrokken, niet exact met deze tussentijdse kwalificatie overeenstemmen. De Commissie moet immers de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar horen en, in voorkomend geval, op basis van hun opmerkingen op de vastgestelde punten van bezwaar haar standpunt wijzigen, precies om hun rechten van verdediging te eerbiedigen.

101 In casu bestaat het enige relevante verschil tussen de mededeling van punten van bezwaar en de bestreden beschikking hierin dat de Commissie in punt 164 van de beschikking ervan is uitgegaan dat de overeenkomsten die de tweede inbreuk uitmaken „in feite [...] een middel [vormen] om [de eerste inbreuk] ten uitvoer te leggen”, terwijl zij in punt 144 van de mededeling van punten van bezwaar enkel heeft gesteld dat het „doel” van de leveringscontracten was ervoor te zorgen dat de markt van het Verenigd Koninkrijk een „thuismarkt” in de zin van de fundamentele regels zou blijven, waarbij zij met betrekking tot de Japanse producenten naar punt 63 van de mededeling van punten van bezwaar heeft verwezen. Met betrekking tot punt 147 van de bestreden beschikking, dat in dit verband door Mannesmann wordt aangehaald, kan worden volstaan met op te merken dat de inhoud ervan overeenstemt met die van punt 144 van de mededeling van punten van bezwaar, voor zover de Commissie daarin opmerkt dat er, „zoals blijkt uit de overwegingen 78 tot en met 81, een overeenkomst was tussen [Corus] en Vallourec [...] die inhield dat [Corus] haar gladde buizen zou betrekken bij [Mannesmann], Dalmine en Vallourec zodat het ‚nationale’karakter van de Britse markt ten opzichte van de Japanse ondernemingen bewaard zou blijven”.

102 In punt 364 van het op heden gewezen arrest van het Gerecht, JFE Engineering e.a./Commissie, T-67/00, T-68/00, T-71/00 en T-78/00, Jurispr. blz. II-2501, is geoordeeld dat de stelling van de Commissie in de bestreden beschikking onjuist is, aangezien de overeenkomsten die de tweede inbreuk uitmaakten meer dan één doel hadden. Maar ook al zou de analyse in de mededeling van punten van bezwaar op dit punt verschillen van die in de bestreden beschikking, is het duidelijk dat de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar de gelegenheid hebben gehad hun opmerkingen te maken over de basisidee die aan de benadering van de Commissie ten grondslag ligt, namelijk dat de Europese producenten de overeenkomsten die de tweede inbreuk uitmaken met name hebben gesloten om de toepassing van de fundamentele regels op de offshore-markt van het Verenigd Koninkrijk te versterken.

103 In deze omstandigheden zijn de rechten van de verdediging op dit punt niet geschonden en dient het onderhavige middel dus te worden verworpen.

Het bestaan van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk op artikel 81, lid 1, EG

De vermeende tegenspraak tussen de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking

— Argumenten van partijen

104 Mannesmann stelt dat de bestreden beschikking een tegenstrijdigheid bevat. De Commissie is ervan uitgegaan dat de adressaten van de bestreden beschikking in het kader van de Europa-Japanclub regels hebben vastgesteld om van eikaars thuismarkten weg te blijven. Het enige bewijselement dat daartoe wordt aangevoerd, is de tabel in punt 68 van de bestreden beschikking. Deze tabel geeft de procentuele aandelen weer van de nationale producenten in de leveringen van naadloze OCTG-buizen in de landen waar de Europa-Japanclub actief is. Sinds 1991 heeft Corus zich evenwel bevoorraad in Duitsland, Frankrijk en Italië, zodat het verkeerd zou zijn ervan uit te gaan dat de toegang tot de Britse markt was voorbehouden aan de nationale producent.

105 Mannesmann verwijt de Commissie dat zij een inbreuk — bestaande in een overeenkomst tot eerbiediging van de thuismarkten — heeft vastgesteld (artikel 1 van de bestreden beschikking), op basis van vaststellingen met betrekking tot de leveringscontracten van Corus, die op hun beurt de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk uitmaakten. Deze tweede inbreuk is evenwel niet aangetoond. De leveringscontracten tussen Corus enerzijds en Dalmine, Vallourec en Mannesmann anderzijds wijzen enkel op een tendens om van eikaars thuismarkten weg te blijven, indien zij tezamen worden beschouwd. De leveringen van de betrokken producten uit derde landen, waaronder Japan, vertegenwoordigden evenwel nog steeds 20 % van de Britse markt, zodat er geen sprake kan zijn van een daadwerkelijke bescherming van deze markt. De redenen die leiden tot de onwettigheid van artikel 2 van de bestreden beschikking, hebben dus ook de onwettigheid van artikel 1 tot gevolg.

106 De Commissie betwist deze grieven, die volgens haar op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking zijn gebaseerd. Zij herinnert eraan dat in artikel 1 van de bestreden beschikking is vastgesteld dat bepaalde ondernemingen artikel 81, lid 1, EG hebben geschonden door deel te nemen aan een overeenkomst die met name bepaalde dat zij van eikaars thuismarkten dienden weg te blijven. Anderzijds wordt Mannesmann in artikel 2 van de bestreden beschikking verweten dat zij in strijd met artikel 81 EG, „in het kader van de in artikel 1 genoemde inbreuk”, contracten heeft gesloten die hebben geleid tot een verdeling van de leveringen van gladde OCTG-buizen aan Corus. Artikel 2 heeft dus betrekking op de bescherming van de Britse markt na de terugtrekking van Corus.

— Beoordeling door het Gerecht

107 De redenering van Mannesmann in het kader van het onderhavige middel is onjuist en moet dan ook worden verworpen aangezien zij voorbijgaat aan het wezenlijke feit dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk betrekking heeft op de markt van OCTG-buizen met schroefdraad (en die van „project”-transportbuizen), en die van artikel 2 op de opwaartse markt van gladde buizen.

108 Hoewel in artikel 1 van de Duitse versie van de bestreden beschikking is gepreciseerd dat de daarin vastgestelde inbreuk betrekking heeft op „naadloze standaard-OCTGbuizen en [,project'-transportbuizen]”, blijkt uit de algemene opzet van de bestreden beschikking dat de OCTG-buizen waarop de inbreuk betrekking heeft enkel OCTG-buizen met standaardschroefdraad zijn. Meer bepaald is in de verklaring van Verluca van 17 september 1996, waarop volgens punt 56 van de beschikking de omschrijving van de betrokken productmarkt is gebaseerd, gesteld dat de inbreuk enkel betrekking heeft op „standaardschroefdraadbuizen en [,project'-transportbuizen]”. De verwijzing in punt 56 heeft dus betrekking op API-OCTG-buizen met schroefdraad, dat wil zeggen op OCTG-buizen met „standaardschroefdraad”, en niet op gladde OCTG-buizen. Deze uitlegging van de strekking van artikel 1 van de bestreden beschikking wordt bevestigd door de drie andere authentieke taalversies van de bestreden beschikking, aangezien in artikel 1 van al die versies uitdrukkelijk is gepreciseerd dat het gaat om OCTG-buizen met standaardschroefdraad. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een gemeenschapstekst, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie bijvoorbeeld arrest Hof van 9 maart 2000, EKW en Wein & Co., C-437/97, Jurispr. blz. I-1157, punt 42), en in elk geval kan één enkele taalversie niet primeren boven de andere taalversies wanneer deze alle met een bepaalde uitlegging overeenstemmen (arrest Gerecht van 29 september 1999, Neumann en Neumann-Schölles/Commissie, T-68/97, JurAmbt. blz. I-A-193 en II-1005, punt 80; zie ook in die zin arrest Hof van 17 juli 1997, Ferriere Nord/Commissie, C-219/95 P, Jurispr. blz. I-4411, punt 15, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Omgekeerd heeft artikel 2 van de bestreden beschikking volgens de bewoordingen ervan uitsluitend betrekking op de „leveringen van gladde OCTG-buizen aan [Corus] (vanaf 1994 Vallourec SA)”.

109 Uit deze vaststelling volgt dat de door Mannesmann aangevoerde schijnbare tegenstelling niet bestaat.

110 In werkelijkheid blijkt uit de bestreden beschikking, in haar geheel beschouwd, dat de hoofdreden waarom de Britse markt voor schroefdraadbuizen, waarop de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk betrekking heeft, een „thuismarkt” in de zin van de fundamentele regels is gebleven, is dat Corus er verder OCTG-buizen in de handel heeft gebracht, die zij van een schroefdraad voorzag, waarbij zij gebruik maakte van de gladde buizen die de drie andere Europese producenten daartoe leverden. Aldus is een belangrijk deel van de Britse opwaartse markt van gladde buizen, die werd gevormd door de behoeften van Corus, ten laatste vanaf 1993 tussen Vallourec, Dalmine en Mannesmann verdeeld. Uit deze onderlinge samenhang tussen de twee inbreuken blijkt dat zij niet alleen met elkaar verenigbaar, maar bovendien complementair zijn.

111 Aangaande de specifieke argumenten van Mannesmann betreffende de Britse markt, en meer bepaald haar analyse van de tabel in punt 68 van de bestreden beschikking, dient te worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak uit de tekst zelf van artikel 81, lid 1, EG volgt dat overeenkomsten tussen ondernemingen, ongeacht of zij gevolgen hebben gehad, verboden zijn, wanneer zij een mededingingsbeperkend doel hebben (zie met name arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 123). In casu heeft de Commissie zich hoofdzakelijk op het mededingingsbeperkende doel van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bestrafte overeenkomst gebaseerd, en heeft zij, met name in de punten 62 tot en met 67 ervan, vele schriftelijke bewijselementen aangevoerd die volgens haar zowel het bestaan als het mededingingsbeperkende doel van deze overeenkomst aantonen.

112 Ook al zou Mannesmann dus kunnen aantonen dat de cijfers in de tabel de verklaringen van de Commissie over de daadwerkelijke bescherming van de Britse markt niet doeltreffend kunnen schragen, doet dit feit niet af aan het bestaan van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk.

113 Verder blijkt uit punt 62 van de bestreden beschikking, dat op de verklaring van Verluca van 17 september 1996 is gebaseerd, dat de offshore-markt van het Verenigd Koninkrijk slechts „half beschermd” was. Het door Mannesmann aangehaalde feit dat de Britse markt volgens de tabel in punt 68 van de bestreden beschikking een minder verregaande bescherming genoot dan de andere nationale markten waarop de marktverdelingsovereenkomst betrekking had, doet dus geenszins af aan de analyse van de Commissie.

114 Gelet op een en ander, dient het onderhavige middel te worden verworpen.

De gestelde redeneerfouten van de Commissie met betrekking tot de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk

— Argumenten van partijen

115 Mannesmann stelt in repliek dat de juridische en feitelijke vaststellingen betreffende de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk onvoldoende zijn gemotiveerd. In de eerste plaats heeft de Commissie de extracommunautaire en de intracommunautaire aspecten van de fundamentele regels op dezelfde wijze behandeld. Zij heeft geen onderscheid gemaakt lussen de bepalingen inzake de toegang van de Japanse producenten tot de communautaire markt en die inzake de toegang van de communautaire producenten tot eikaars thuismarkten. De Commissie heeft zich voor de vaststelling van deze twee aspecten op dezelfde elementen gebaseerd (punten 54, 63, 64, 66, 67, 129 e.v. van de bestreden beschikking). Deze elementen hebben evenwel slechts betrekking op het externe aspect van de fundamentele regels, namelijk de toegang van de Japanse producenten tot de communautaire markt. Uit deze elementen kan daarentegen niet worden afgeleid dat er overeenkomsten bestonden om binnen de Gemeenschap van eikaars thuismarkten weg te blijven.

116 In de tweede plaats verwijt Mannesmann de Commissie, eveneens in repliek, dat zij niet heeft aangetoond dat de overeenkomst betreffende de toegang tot de communautaire markt aan de voorwaarden van artikel 81, lid 1, EG voldoet, dat wil zeggen de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloedt en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt op merkbare wijze beperkt.

117 Om te beginnen heeft de Commissie de relevante markt niet nauwkeurig afgebakend en heeft zij dus niet kunnen beoordelen of aan deze twee voorwaarden was voldaan.

118 Verder kunnen de door de Commissie beschreven overeenkomsten met de Japanse ondernemingen volgens Mannesmann geen merkbaar effect hebben op de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt of de handel tussen lidstaten. Mannesmann betwist de vaststellingen die de Commissie met name in de bijlagen 1 tot en met 4 van de bestreden beschikking heeft verricht. Zij stelt dat er op de wereldmarkt daadwerkelijk een werkzame mededinging bestaat tussen de communautaire producenten van naadloze stalen buizen en de producenten uit derde landen, wat de Commissie overigens heeft erkend in haar beschikking van 3 juni 1997 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard (zaak nr. IV/M.906 — Mannesmann/Vallourec) op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (PB C 238, biz. 15). Bovendien heeft de Commissie in punt 103 van de bestreden beschikking erkend dat zij niet bij machte is om het bewijs van een restrictieve invloed op de prijzen en het aanbod binnen de gemeenschappelijke markt te leveren.

119 Ten slotte kunnen de in de bestreden beschikking bedoelde ondernemingen, gelet op de kenmerken van de betrokken markt, volgens Mannesmann niet het voornemen hebben gehad de mededinging te beperken in de zin van artikel 81, lid 1, EG.

120 Volgens de Commissie zijn de argumenten van Mannesmann betreffende de omschrijving van de relevante markt en de toepassingsvoorwaarden van artikel 81, lid 1, EG, volgens hetwelk er sprake moet zijn van een merkbare beperking van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten, nieuwe middelen. Op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering zijn al deze middelen niet-ontvankelijk.

121 Subsidiair is de Commissie van mening dat deze middelen ongegrond zijn. Zoals blijkt uit de punten 29 en volgende van de bestreden beschikking stemt de omschrijving van de relevante markt overeen met die in bovengenoemde beschikking Mannesmann/Vallourec.

122 Volgens de Commissie blijkt duidelijk uit de bestreden beschikking dat de mededingingsregeling ook de bescherming van de thuismarkt van elk van de vier betrokken communautaire producenten omvatte (punten 62, 54, 66, 64 en 69 van de bestreden beschikking). De betrokken overeenkomst kon dus wegens het doel ervan de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 81, lid 1, EG is dus voldaan, zoals in punt 102 van de bestreden beschikking is vastgesteld.

123 Verder ligt het volgens de Commissie voor de hand dat bovenbedoelde overeenkomst gevolgen voor de intracommunautaire handel heeft gehad, aangezien elk van de Europese producenten op zijn thuismarkt een machtspositie innam (zie de tabel in punt 68 van de bestreden beschikking). Gelet op het in het vorige punt vastgestelde doel van de overeenkomst, hoeven de gevolgen ervan in elk geval niet te worden onderzocht (arresten Hofvan 15 juli 1970, Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 128, en 30 januari 1985, BNIC, 123/83, Jurispr. blz. 391, punt 22).

124 Met betrekking tot de vraag of de overeenkomst in casu een merkbare invloed heeft gehad op de intracommunautaire markt, herinnert de Commissie eraan dat de verkopen van de betrokken communautaire producenten op de Duitse, de Britse, de Franse en de Italiaanse markt ongeveer 15 % van het totale gebruik van OCTGII - 2263 buizen en transportbuizen in de Gemeenschap vertegenwoordigden (punt 106 van de bestreden beschikking). Gelet op de marktaandelen van de communautaire producenten is het duidelijk dat een overeenkomst over de eerbiediging van de Duitse, de Britse, de Franse en de Italiaanse markt een merkbaar ongunstige invloed heeft op de handel tussen de lidstaten. Dat de betrokken overeenkomst op de wereldmarkt slechts betrekking had op een klein percentage van de betrokken producten, is in dit opzicht irrelevant.

— Beoordeling van het Gerecht

125 Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat de hierboven samengevatte grieven van verzoekster inderdaad op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk zijn, voor zover zij betrekking hebben op de vraag of de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk een merkbare invloed heeft gehad op de handel tussen de lidstaten.

126 Met deze argumenten, die voor het eerst in repliek zijn aangevoerd, verwijt Mannesmann de Commissie immers, anders dan zij in punt 26 van haar memorie van repliek heeft gesteld, een juridische of een beoordelingsfout met betrekking tot een van de toepassingsvoorwaarden van artikel 81, lid 1, EG, en geen motiveringsgebrek. Aangezien middelen over de grond van de zaak, anders dan middelen inzake ontoereikende motivering niet van openbare orde zijn, kan de gemeenschapsrechter deze niet ambtshalve aanvoeren (zie, naar analogie, arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 67).

127 Voorzover nodig dient te worden opgemerkt dat het Gerecht in zaken die voor de terechtzitting met de onderhavige zaak zijn gevoegd, vergelijkbare argumenten als die welke Mannesmann ter zake heeft aangevoerd, heeft verworpen (arresten Gerecht van heden, Dalmine/Commissie, T-50/00, Jurispr. blz. II-2395, in het bijzonder de punten 156 en 157, en JFE Engineering e.a./Commissie, hierboven aangehaald in punt 102, in het bijzonder de punten 337 en 367-395).

128 Verder dient het argument dat er geen sprake is van een merkbare beperking van de mededinging — dat ook betrekking heeft op de grond van de zaak en niet op een motiveringsgebrek — ontvankelijk te worden geacht aangezien hiermee het reeds in het verzoekschrift aangevoerde argument verder wordt uitgewerkt dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde overeenkomst tot doel of tot gevolg had dat de mededinging werd beperkt in de zin van artikel 81, lid 1, EG.

129 Ten gronde dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat de Commissie zich in casu primair heeft gebaseerd op het mededingingsbeperkende doel van de in artikel 1 van de bestreden beschikking bestrafte overeenkomst (zie hierboven, punt 111).

130 Ondernemingen die een overeenkomst sluiten die tot doel heeft de mededinging te beperken, kunnen zich in beginsel niet aan de toepassing van artikel 81, lid 1, EG onttrekken met het argument dat hun overeenkomst wellicht geen merkbare invloed op de mededinging heeft gehad.

131 Aangezien de in artikel 1 van de bestreden beschikking bestrafte overeenkomst een verdeling van de markten tussen de leden van de Europa-Japanclub beoogde, had zij slechts zin voor zover zij erop gericht was de mededinging merkbaar, of op een voor hen commercieel interessante wijze, te beperken. De Commissie heeft rechtens genoegzaam bewezen dat een dergelijke overeenkomst daadwerkelijk heeft beslaan.

132 Hieruit volgt dat het argument van Mannesmann dat de Commissie de betrokken markt niet nauwkeurig heeft afgebakend, irrelevant is. De Commissie hoeft in een beschikking op grond van artikel 81 EG de markt immers enkel af te bakenen, wanneer zonder een dergelijke afbakening niet kan worden uitgemaakt of de betrokken overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en of zij ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst (zie in die zin arrest Gerecht van15 september 1998, European Night Services e.a./Commissie, T-374/94, T-375/94, T-384/94 en T-388/94, Jurispr. blz. II-3141, punten 93-95 en 105). Indien de overeenkomst als zodanig tot doel heeft de mededinging via een „marktverdeling” te beperken, hoeven de betrokken geografische markten in beginsel niet nauwkeurig te worden omschreven, aangezien de bestaande of potentiële mededinging binnen de betrokken gebieden noodzakelijkerwijs is beperkt, ongeacht of deze gebieden „markten” stricto sensu zijn.

133 Ook al zou Mannesmann kunnen aantonen dat de Commissie in casu de markt waarop de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk is gepleegd, ontoereikend of onjuist heeft omschreven, zou dit dus niet afdoen aan het bestaan van deze inbreuk.

134 Gelet op een en ander, dienen de hierboven samengevatte grieven ongegrond te worden verklaard, voor zover zij de vraag aan de orde stellen of de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk ertoe strekte of ten gevolge had dat de mededinging op merkbare wijze werd beperkt.

Het bestaan van de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk op artikel 81, lid 1, EG

Argumenten van partijen

135 Mannesmann stelt dat de conclusie van de Commissie dat de leveringscontracten tussen Corus, enerzijds, en Vallourec, Dalmine en Mannesmann, anderzijds, zijn uitgedacht om een gemeenschappelijke handelsstrategie ten uitvoer te leggen en een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG vormen, berust op een kennelijke beoordelingsfout.

136 In de eerste plaats stelt Mannesmann dat de bewijselementen die met betrekking tot de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuk zijn aangevoerd, enkel betrekking hebben op Vallourec en Corus (punten 78, 91, 110, 146 en 152 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft geenszins aangetoond dat Mannesmann aan de tenuitvoerlegging van de binnen de Europa-Japanclub vastgestelde fundamentele regels heeft deelgenomen. Aangezien de grieven van de Commissie tegenover Mannesmann uitsluitend betrekking hebben op de overeenkomsten tussen Corus en derden, kan Mannesmann zich naar eigen zeggen niet naar behoren verdedigen. Zij verzoekt het Gerecht dan ook om de volgende maatregelen tot organisatie van de procesgang te nemen: — de Commissie te gelasten om aan het Gerecht de documenten over te leggen waarop Corus zich in zaak T-48/00 beroept en die betrekking hebben op de feiten die de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk vormen; — Mannesmann toegang te verlenen tot deze documenten, voor zover zij niet vertrouwelijk zijn, en haar toe te laten daarover in aanvullende schriftelijke opmerkingen een standpunt in te nemen.

137 De Commissie is het niet eens met de verwijten van Mannesmann en stelt dat haar deelneming aan de in artikel 2 vastgestelde inbreuk rechtens genoegzaam is bewezen in de punten 146 tot en met 155 van de bestreden beschikking.

138 In de tweede plaats betwist Mannesmann de stelling van de Commissie dat de door Corus gesloten leveringscontracten voor naadloze buizen deel uitmaken van een mededingingsregeling. Mocht dat het geval zijn, dan zou Corus om te beginnen niet nog eens twee jaren hebben gewacht om een overeenkomst met Mannesmann te sluiten. In werkelijkheid is elk van de leveringscontracten afzonderlijk gesloten. Dat deze contracten overeenkomsten vertonen, valt te verklaren door het feit dat Corus, die bij elk van deze contracten partij was, deze wenste te uniformiseren.

139 Verder waren er objectieve en wettige gronden om deze contracten te sluiten. Corus had zeer goede redenen om de productie van bepaalde soorten stalen buizen stop te zetten en tegelijkertijd haar draadsnijcapaciteit voor naadloze buizen te behouden. Corus heeft een leveringscontract met Vallourec gesloten omdat deze de „VAM”-draadsnijtechniek beheerste, een cruciale voorwaarde om toegang te krijgen tot de Britse markt van premium-OCTGbuizen. Mannesmann herinnert eraan dat de gerechtelijke procedures tussen haar en Vallourec met betrekking tot de industriële eigendomsrechten voor VAM-„premium”-verbindingen in het voordeel van Vallourec zijn beslecht, waardoor deze haar marktaandeel ten koste van Mannesmann heeft kunnen vergroten. In plaats van zich van de Britse offshore-markt terug te trekken, heeft Mannesmann er vervolgens voor geopteerd zich te concentreren op de verkoop van naadloze gladde buizen, die door haar klanten van een schroefdraad kunnen worden voorzien. Verder was Vallourec niet in staat om volledig in de behoeften van Corus te voorzien. In deze context heeft Mannesmann naadloze buizen aan Corus geleverd.

140 Ten slotte herinnert Mannesmann eraan dat de betrokken leveringscontracten slechts betrekking hebben op buizen met een diameter van meer dan vijfenhalve inch. De enige ondernemingen in de Gemeenschap die in staat zijn buizen met deze afmetingen te produceren, zijn Vallourec, Dalmine en Mannesmann. Door een beroep te doen op deze drie ondernemingen en dus haar bevoorradingsbronnen te diversifiëren, heeft Corus zich ingedekt tegen het risico van prijsverhogingen. De Commissie kan deze onderneming niet verwijten dat zij aldus haar winst op de verkoop van haar eindproducten heeft trachten te maximaliseren.

141 De Commissie is het niet met deze uitleg eens. Volgens haar was het werkelijke doel van de betrokken leveringscontracten te zorgen voor de naleving van de in het kader van de Europa-Japanclub vastgestelde fundamentele regels, die de eerbiediging van de nationale markten beoogden (punt 146 van de bestreden beschikking).

142 Deze contracten, die in 1993 zijn verlengd, zijn dus gesloten in het kader van een met artikel 81, lid 1, EG strijdige mededingingsregeling. Zij voorzagen in een verdeling van de leveringen aan Corus tussen Vallourec, Dalmine en Mannesmann ten belope van respectievelijk 40 %, 30 % en 30 %. Hoewel Corus deze contracten op verschillende data heeft gesloten, vormen zij één enkele inbreuk op artikel 81, lid 1, EG. Hoe belangrijk het ook kan zijn om de VAM-techniek te beheersen, dit neemt volgens de Commissie niet weg dat rechtens genoegzaam is bewezen dat Mannesmann aan een mededingingsregeling betreffende naadloze stalen buizen heeft deelgenomen.

143 Bovendien had Corus er geen enkel rechtmatig belang bij de betrokken contracten te sluiten. Aangezien het aanbod van naadloze stalen buizen groter is dan de vraag, hoefde Corus geen bevoorradingsproblemen of hoge prijzen te vrezen. Op het argument dat Corus niet kan worden verweten dat zij haar winst op de verkoop van eindproducten wilde maximaliseren, antwoordt de Commissie dat de strategie van deze onderneming onderdeel vormde van een ongeoorloofde mededingingsregeling.

144 In de derde plaats stelt Mannesmann dat de leveringscontracten van Corus geen inbreuk vormen op artikel 81, lid 1, EG. Dienaangaande merkt zij op dat de leveringen aan Corus ruimschoots beneden de drempel lagen vanaf welke de Commissie gewoonlijk tegen verticale overeenkomsten optreedt. Zij verwijst bij wijze van voorbeeld naar verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, biz. 21), volgens welke slechts als „niet-concurrentiebedingen” dienen te worden beschouwd die welke de afnemer verplichten om meer dan 80 % van zijn jaarlijkse aankopen bij dezelfde leverancier te betrekken. Beneden deze drempel zijn deze overeenkomsten geoorloofd.

145 Volgens Mannesmann heeft de bevoorradingsmethode van Corus geen mededingingsbeperkende gevolgen gehad. Bij ontbreken van enige exclusiviteit wordt de mededinging niet vervalst door de beslissing van Corus om elk van zijn drie leveranciers een quotum op basis van haar jaarlijks aankoopvolume te verlenen. Het aanbod van naadloze stalen buizen is groter dan de vraag en de behoeften van Corus zijn voorspelbaar. In deze omstandigheden kon Corus haar leveranciers redelijkerwijs leveringsquota verlenen in plaats van de gewenste hoeveelheden goederen in haar leveringscontracten vast te leggen.

146 Mannesmann voegt hieraan toe dat er individueel over de prijs van de betrokken producten werd onderhandeld, en dat de afgesproken prijs vervolgens werd herzien volgens een formule die rekening hield met de evolutie van de markt. Dergelijke indexeringsclausules zijn gebruikelijk in langetermijncontracten en gerechtvaardigd door de prijsschommelingen in de stalenbuizensector. Deze contracten voorzien niet in de uitwisseling van vertrouwelijke informatie. Corus heeft Mannesmann enkel de aanpassingen meegedeeld die voortvloeiden uit de toepassing van de indexeringsformule. Verder blijkt uit de beschikkingspraktijk van de Commissie dat zij dergelijke clausules nooit als een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG heeft behandeld.

147 Wat de andere clausules van de betrokken overeenkomsten betreft, stelt Mannesmann dat de Commissie bijzonder belang heeft gehecht aan de boetebedingen, hoewel deze voor het communautaire mededingingsrecht irrelevant zijn. Dat geen zware sancties in geval van niet-nakoming van de leveringsplicht waren bedongen, valt te verklaren door het feit dat het aanbod van deze producten groter was dan de vraag, zodat Corus zich gemakkelijk kon bevoorraden.

148 Ten slotte stelt Mannesmann in repliek dat niet is voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 81, lid 1, EG, volgens hetwelk de ongunstige invloed op de intracommunautaire handel merkbaar moet zijn en er sprake moet zijn van een beperking van de mededinging. Uit de considerans van de bestreden beschikking (punt 147) blijkt dat de in artikel 2 bedoelde overeenkomsten tot doel hadden de toegang van de Japanse producenten tot de Britse markt te beperken. Een dergelijke mededingingsregeling heeft een ongunstige invloed op de handel tussen de Gemeenschap en Japan, maar heeft geen gevolgen voor de handel tussen lidstaten of de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt.

149 In elk geval zijn de gevolgen van de in artikel 2 van de bestreden beschikking bedoelde overeenkomsten verwaarloosbaar vergeleken met de omvang van de handel tussen Japan en de Gemeenschap. Mannesmann verwijt de Commissie in dit verband dat zij de relevante markt niet voldoende heeft onderzocht. Zij beklemtoont dat de Britse markt goed is voor ongeveer 2,5 % van het mondiale gebruik van OCTG-buizen, met inbegrip van naadloze buizen. Naadloze buizen maken evenwel slechts 16 % van de markt van alle OCTG-buizen uit (bijlage 2 bij de bestreden beschikking). De gestelde mededingingsregeling blijft ver beneden de drempels die zijn vastgesteld in punt 9 van bekendmaking 97/C 372/04 van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis die niet onder artikel [81], lid 1, van het [EG-] Verdrag vallen (PB 1997, C 372, blz. 13; hierna: „bekendmaking van 1997”).

150 Volgens de Commissie zijn deze argumenten weinig overtuigend. Zij herinnert eraan dat in de leveringscontracten aan Vallourec, Dalmine en Mannesmann een vast quotum werd toebedeeld van de leveringen van naadloze stalen buizen aan Corus, ongeacht de hoeveelheden die deze laatste werkelijk gebruikte. Deze ondernemingen hadden er geen belang bij om elkaar te beconcurreren op het gebied van de prijs van naadloze stalen buizen die in het Verenigd Koninkrijk van een schroefdraad werden voorzien.

151 De Commissie merkt op dat verordening nr. 2790/1999 in casu niet van toepassing is en preciseert dat zij het boetebeding in de leveringscontracten enkel heeft onderzocht om na te gaan of het belang van de leveringstermijnen de beslissing van Corus om haar producten enkel bij communautaire producenten te betrekken, objectief kon rechtvaardigen. Op basis van dit onderzoek is zij tot de conclusie gekomen dat de clausule betreffende de leveringstermijnen enkel was ingelast om de Japanse producenten van de markt weg te houden.

152 Ten slotte werpt de Commissie op dat het middel van Mannesmann dat er geen sprake is van een merkbare mededingingsbeperking en dat de handel tussen de lidstaten niet ongunstig is beïnvloed, niet-ontvankelijk is omdat het te laat is aangevoerd. Ook het middel dat artikel 2 van de bestreden beschikking in strijd is met de bekendmaking van 1997, heeft Mannesmann pas in repliek aangevoerd. In beide gevallen gaat het om nieuwe middelen, die niet-ontvankelijk zijn op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.

153 Subsidiair stelt de Commissie dat deze middelen ongegrond zijn.

154 Met betrekking tot het argument dat toepassing dient te worden gemaakt van de bekendmaking van 1997, stelt de Commissie dat, aangezien de referentieperiode waarvan is uitgegaan bij de oplegging van de geldboeten, zich uitstrekte van 1990 tot en met 1995, Mannesmann veeleer had moeten verzoeken om toepassing van de bekendmaking van de Commissie van 3 september 1986 inzake overeenkomsten van geringe betekenis die niet onder artikel [81] van het Verdrag [...] vallen (PB 1986, C 231, blz. 2). De in deze laatste bekendmaking vastgelegde de-minimisdrempel van 5 % heeft geen betrekking op de wereldmarkt, maar op de relevante geografische markt binnen de Gemeenschap. In casu vertegenwoordigden de leveringscontracten 78 tot 84 % van het gebruik op de Britse markt en 13 tot 24 % van het gebruik op de communautaire markt. Verder overschreden de omzetten van de betrokken ondernemingen ruimschoots de in deze mededeling vastgestelde drempel van 200 miljoen euro. De Commissie voegt hier nog aan toe dat Mannesmann duidelijk evenmin beneden de drempels is gebleven die zijn vastgesteld in de bekendmaking van 1997, waarvan zij de toepassing vordert.

155 Ten slotte stelt de Commissie dat een eventuele nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking geen invloed kan hebben op het bedrag van de aan Mannesmann opgelegde geldboete, aangezien geen afzonderlijke geldboete voor de in deze bepaling bedoelde inbreuk is opgelegd.

Beoordeling door het Gerecht

156 Vooraf dient te worden opgemerkt dat het verzoek van Mannesmann om de Commissie in de onderhavige zaak te gelasten de documenten over te leggen die Corus in zaak T-48/00 heeft neergelegd, zonder voorwerp is geworden aangezien de zeven zaken betreffende de wettigheid van de bestreden beschikking, waaronder de onderhavige zaak en zaak T-48/00, zijn gevoegd voor de terechtzitting, zodat alle verzoeksters de gelegenheid hebben gehad de in de andere zaken ingediende memories en bijlagen ter griffie van het Gerecht te raadplegen, onder voorbehoud van de vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken. Mannesmann heeft dus toegang gehad tot alle betrokken documenten en heeft, voor zover zij dat wenste, de inhoud ervan ter terechtzitting kunnen becommentariëren. In deze omstandigheden dient haar aanvullende verzoek om daarover aanvullende schriftelijke opmerkingen te mogen indienen, te worden afgewezen.

157 Het doel en de gevolgen van de drie leveringscontracten zijn door de Commissie in punt 111 van de bestreden beschikking omschreven als volgt: „Het doel van deze contracten was de levering van gladde buizen aan de marktleider voor OCTG in het Noordzeegebied, met het oogmerk een nationale producent in het Verenigd Koninkrijk te handhaven teneinde de ‚[fundamentele regels]’ in het kader van de Europa-Japanclub te doen respecteren. Deze contracten hadden tot doel en tot voornaamste gevolg dat de voorziening in de volledige behoefte aan gladde buizen van concurrent [Corus] (vanaf 1994 Vallourec) onder [Mannesmann], Vallourec en Dalmine werd verdeeld. Zij lieten de aankoopprijs van gladde buizen anlangen van de prijzen die [Corus] voor buizen met schroefdraad berekende. Aldus beperkten zij de vrijheid van [Corus] (na februari 1994 Vallourec) om zich te bevoorraden en verplichtten zij deze onderneming om haar verkoopprijzen aan haar concurrenten mee te delen, evenals de verkochte hoeveelheden. Op hun beurt verbonden [Mannesmann], Vallourec (tot februari 1994) en Dalmine zich ertoe een concurrent ([Corus], en vanaf maart 1994 Vallourec) producthoeveelheden te leveren die niet van tevoren vaststonden.”

158 De aan het Gerecht overgelegde leveringscontracten, met name dat van 9 augustus 1993 tussen Mannesmann en Corus, bevestigen in wezen de feiten zoals die in de punten 111, 78 tot en met 82 en 153 van de bestreden beschikking zijn vastgesteld. Tezamen zorgden deze contracten ervoor dat de voorziening in de behoeften van Corus aan gladde buizen ten laatste vanaf 9 augustus 1993 onder de drie andere Europese producenten werd verdeeld (40 % voor Vallourec, 30 % voor Dalmine en 30 % voor Mannesmann). Bovendien was in elk van deze contracten bedongen dat de prijs die Corus voor de gladde buizen betaalde, werd bepaald volgens een wiskundige formule die rekening hield met de prijs die zij voor haar schroefdraadbuizen kreeg.

159 Uit deze vaststellingen volgt dat de leveringscontracten tot doel en/of althans tot gevolg hadden dat voor de vier Europese producenten de risico's van de mededinging werden vervangen door een afspraak over de verdeling van de winst uit de mogelijke verkoop van schroefdraadbuizen op de Britse markt (zie, naar analogie, met betrekking tot onderling afgestemde feitelijke gedragingen, cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punt 3150).

160 Met elk van de leveringscontracten heeft Corus haar drie communautaire concurrenten op zo'n wijze gebonden dat zij geen daadwerkelijke concurrentie op haar thuismarkt meer leveren en een dergelijke concurrentie ook niet meer te verwachten valt, dit ten koste van haar vrije keuze van leveranciers. Deze drie concurrenten zouden hun verkoop van gladde buizen immers zien verminderen, mocht Corus minder schroefdraadbuizen verkopen. Verder zou de winstmarge op de verkoop van gladde buizen waartoe de drie leveranciers zich hebben verbonden, ook verminderen, mocht de prijs die Corus voor haar schroefdraadbuizen krijgt, dalen, en zou de winst zelfs kunnen omslaan in verlies. In deze omstandigheden was het praktisch ondenkbaar dat deze drie producenten Corus daadwerkelijk op de Britse markt voor schroefdraadbuizen wilden beconcurreren, met name op het gebied van de prijzen (zie punt 153 van de bestreden beschikking).

161 Omgekeerd heeft elk van de communautaire concurrenten van Corus, door dergelijke contracten te sluiten, zich van een indirecte deelneming op de thuismarkt van deze laatste en van een gedeelte van de daaruit voortvloeiende winsten verzekerd. Om deze voordelen te verkrijgen hebben zij de facto afgezien van de mogelijkheid om schroefdraadbuizen op de Britse markt te verkopen en, ten laatste vanaf de ondertekening van het derde contract op 9 augustus 1993, waarbij de resterende 30 % aan Mannesmann is toebedeeld, om een groter deel van de door Corus afgenomen gladde buizen te leveren dan vooraf aan elk van hen was toebedeeld.

162 Verder zijn de concurrenten van Corus de bezwarende en dus commercieel abnormale verplichting aangegaan om aan Corus hoeveelheden buizen te leveren die vooraf slechts zijn vastgesteld onder verwijzing naar haar verkopen van schroefdraadbuizen. Deze verplichting heeft de ongeoorloofde onderlinge afhankelijkheid tussen deze producenten en Corus versterkt, aangezien eerstgenoemden als contractueel gebonden leveranciers afhingen van het commerciële beleid van laatstgenoemde.

163 Vastgesteld dient te worden dat, indien de leveringscontracten niet hadden bestaan, de drie andere Europese producenten dan Corus er normalerwijs, afgezien van de fundamentele regels, een reëel of althans potentieel commercieel belang bij hadden gehad om daadwerkelijke concurrentie te leveren met Corus op de Britse markt van schroefdraadbuizen en ook elkaar als leveranciers van gladde buizen aan Corus te beconcurreren.

164 Dienaangaande dient bovendien te worden opgemerkt dat elk van de leveringscontracten voor een oorspronkelijke duur van vijfjaar is gesloten. Deze betrekkelijk lange duur bevestigt en versterkt het mededingingsverstorende karakter van deze contracten, in het bijzonder omdat Mannesmann en de twee andere leveranciers van Corus de facto hebben afgezien van de mogelijkheid om rechtstreeks te profiteren van een eventuele groei van de Britse markt voor schroefdraadbuizen gedurende deze periode.

165 Met betrekking tot het specifieke argument van Mannesmann dat de prijsformule in de contracten een loutere indexeringsformule is, dient te worden opgemerkt dat de Commissie deze clausule als mededingingsverstorend heeft aangemerkt omdat de prijs die Corus aan elk van haar leveranciers voor haar gladde buizen betaalt, daarin wordt gekoppeld aan de prijs die zij voor haar schroefdraadbuizen krijgt, en dit op dezelfde wijze voor de drie leveranciers. Vastgesteld dient te worden dat, ook al zouden Corus en elk van haar leveranciers daadwerkelijk onafhankelijk over de initiële prijzen voor de levering van gladde buizen hebben onderhandeld, de bestaande commerciële machtsverhoudingen tussen Corus en elk van deze ondernemingen, die in deze prijzen tot uitdrukking komt, hierdoor zijn bevroren en elke mogelijkheid tot prijsconcurrentie met betrekking tot de door Corus afgenomen gladde buizen is uitgeschakeld. De keuze van de prijs van de door Corus verkochte schroefdraadbuizen als index is niet neutraal, wat maakt dat de betrokken formule erg afwijkt van een normale indexeringsclausule. Zoals hierboven in punt 160 is opgemerkt, heeft deze keuze tot gevolg gehad dat de drie leveranciers, die ook zelf schroefdraadbuizen produceerden, er niet langer enig commercieel belang bij hadden om prijsconcurrentie met Corus te voeren op de markt van het Verenigd Koninkrijk.

166 Bovendien impliceerde de in elk van de drie leveringscontracten vastgestelde prijsformule voor gladde buizen, zoals de Commissie opmerkt, een ongeoorloofde uitwisseling van commerciële informatie (zie punt 153 van de bestreden beschikking; zie ook punt 111 van de beschikking), die vertrouwelijk moet blijven omdat anders de concurrerende ondernemingen hun commercieel beleid niet langer zelfstandig kunnen bepalen (zie in die zin arresten Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T-141/99, Jurispr. blz. II-347, punt 403, en British Steel/Commissie, T-151/94, Jurispr. blz. II-629, punten 383 e.v.)

167 Het argument van Mannesmann dat Corus haar geen vertrouwelijke informatie over de door haar verkochte hoeveelheden buizen en de door haar klanten betaalde prijzen heeft verstrekt, kan haar in de omstandigheden van het onderhavige geval niet vrijpleiten.

168 Met betrekking tot de door Corus verkochte hoeveelheden schroefdraadbuizen dient te worden vastgesteld dat haar leveranciers, waaronder Mannesmann, deze gemakkelijk konden berekenen, aangezien elk van hen in beginsel in een vast percentage van haar behoeften voorzag.

169 Daarentegen stelt Mannesmann terecht dat Corus de prijzen die zij voor haar schroefdraadbuizen kreeg, niet als zodanig aan haar medecontractanten meedeelde. De verklaring in punt 111 van de bestreden beschikking dat de leveringscontracten „[Corus] verplichtten [...] om haar verkoopprijzen aan haar concurrenten mee te delen”, dient dus te worden genuanceerd aangezien de contractuele verplichtingen niet zo ver gingen. Zoals de Commissie terecht in punt 153 van de bestreden beschikking en voor het Gerecht heeft opgemerkt, bestond er evenwel een wiskundig verband tussen deze prijzen en de prijs die voor de gladde buizen werd betaald, zodat de drie betrokken leveranciers precieze aanwijzingen kregen over de richting, het tijdstip en de omvang van elke prijsschommeling van de door Corus verkochte schroefdraadbuizen.

170 De verstrekking van dergelijke informatie aan concurrenten is niet alleen in strijd met artikel 81, lid 1, EG, maar bovendien maakt het geen wezenlijk verschil of deze informatie betrekking heeft op de prijzen zelf van de schroefdraadbuizen, dan wel enkel op de schommeling ervan. In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de in het vorige punt vastgestelde onnauwkeurigheid van weinig of geen belang is in de ruimere context van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, en dus niet afdoet aan de vaststelling van deze inbreuk.

171 Met betrekking tot het argument dat Mannesmann ontleent aan verordening nr. 2790/1999 dient om te beginnen te worden opgemerkt dat deze verordening in casu niet rechtstreeks van toepassing kan zijn, aangezien de bestreden beschikking op 8 december 1999 is vastgesteld en artikel 2 ervan, wat Mannesmann betreft, betrekking heeft op de periode van 1993 tot en met 1997, dat wil zeggen op een periode van vóór de inwerkingtreding van de relevante bepalingen van verordening nr. 2790/1999 op 1 juni 2000.

172 Aangezien evenwel deze verordening in casu een relevante aanwijzing kan vormen, voor zover hierin het standpunt tot uiting komt dat de Commissie in december 1999 heeft ingenomen met betrekking tot het weinig schadelijke karakter voor de mededinging van verticale overeenkomsten, dient te worden opgemerkt dat deze verordening betrekking heeft op de toepassing van artikel 81, lid 3, EG. Uit artikel 4 van verordening nr. 17 blijkt dat op grond van deze bepaling slechts een individuele vrijstelling voor overeenkomsten tussen ondernemingen kan worden verleend indien zij met het oog daarop bij de Commissie zijn aangemeld, wat in casu niet is geschied.

173 Hieruit volgt dat de wettigheid van de betrokken overeenkomsten enkel aan artikel 81, lid 1, EG kan worden getoetst. Zo al bewezen zou zijn dat deze overeenkomsten in het licht van het beleid van de Commissie, zoals dit tot uiting komt in haar verordening nr. 2790/1999, voldeden aan de materiële voorwaarden van artikel 81, lid 3, EG om een vrijstelling te kunnen genieten, is dit dus in casu irrelevant. Uit de vaststelling van deze verordening in december 1999 blijkt daarentegen dat dergelijke overeenkomsten volgens de Commissie in beginsel artikel 81, lid 1, EG schenden, aangezien zij aan artikel 81, lid 3, EG dienen te worden getoetst. Het betoog van Mannesmann op basis van verordening nr. 2790/1999 dient dan ook te worden verworpen.

174 Bovendien dient te worden vastgesteld dat, aangezien de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk bestaat uit de in de leveringscontracten zelf vervatte mededingingsbeperkingen, de hierboven uiteengezette overwegingen volstaan om het bestaan van deze inbreuk aan te tonen.

175 Ongeacht de mate waarin de vier Europese producenten hebben samengespannen, dient immers te worden vastgesteld dat elk van hen een van de mededingingsbeperkende leveringscontracten heeft gesloten in het kader van de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk op artikel 81, lid 1, EG. Hoewel in artikel 2, lid 1, van de bestreden beschikking is vastgesteld dat de leveringscontracten „in het kader van de in artikel 1 genoemde inbreuk” zijn gesloten, blijkt duidelijk uit de bewoordingen van punt 111 van de bestreden beschikking dat de sluiting van deze contracten op zich de in artikel 2 vastgestelde inbreuk vormt.

176 Ook al zou Mannesmann dus hebben kunnen aantonen dat zij er objectief gezien commercieel belang bij had om haar leveringscontract met Corus te sluiten, doet dit geenszins af aan de stelling van de Commissie dat deze overeenkomst onwettig was. Mededingingsverstorende praktijken zijn immers zeer vaak in het individuele commerciële belang van de ondernemingen, althans op korte termijn.

177 Gelet op deze vaststellingen, hoeft geen uitspraak te worden gedaan over het twistpunt tussen partijen hoe de contractuele sanctie in geval van niet-levering, namelijk de loutere overeenkomstige vermindering van het aandeel van de betrokken leverancier, dient te worden opgevat, aangezien het desbetreffende betoog van Mannesmann erop gericht is aan te tonen dat het voor Corus commercieel logisch was de aldus opgestelde leveringscontracten te sluiten. Het argument dat Vallourec, Dalmine en Mannesmann de enige ondernemingen in de Gemeenschap waren die buizen met die afmetingen konden produceren, is eveneens, om dezelfde reden, irrelevant.

178 Zo ook houdt het argument van Mannesmann dat Vallourec dankzij haar licentie voor de „VAM”-premium-verbinding commerciële macht op de markt voor schroefdraadbuizen bezit, voornamelijk verband met de commerciële belangen die Mannesmann ertoe hebben gebracht een leveringscontract voor gladde buizen met Corus te sluiten, en is dit argument dus irrelevant. Uit dit argument kan hooguit blijken dat de verklaringen van de Commissie over de uitschakeling van een daadwerkelijke concurrentie van Mannesmann op de Britse markt voor schroefdraadbuizen enigszins dient te worden gerelativeerd, maar het doet niet af aan de wezenlijke vaststelling dat de partijen bij de leveringscontracten samenwerking, dat wil zeggen een commerciële zekerheid, in de plaats hebben gesteld van de risico's van de mededinging op de Britse markt voor gladde en schroefdraadbuizen.

179 Aangezien de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk rechtens genoegzaam is aangetoond, is het evenmin strikt noodzakelijk om de redenering van de Commissie over de samenspanning tussen de vier Europese producenten (zie hierboven, punt 171) te onderzoeken. Meer bepaald hoeven de argumenten van Mannesmann betreffende de reeks aanwijzingen die de Commissie naast de leveringscontracten als bewijs van het bestaan van deze samenspanning aanvoert, niet te worden onderzocht.

180 Aangezien het evenwel voor de beoordeling van bepaalde andere aangevoerde middelen relevant is te weten in welke mate de vier communautaire producenten hebben samengespannen met betrekking tot de in artikel 2 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, dient deze vraag nader te worden onderzocht.

181 In dit verband dient te worden opgemerkt dat gedragingen die passen in een algemeen plan en een gemeenschappelijk doel nastreven, kunnen worden geacht deel uit te maken van één enkele overeenkomst (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punt 4027). Indien de Commissie aantoont dat een onderneming die aan mededingingsregelingen heeft deelgenomen, wist of noodzakelijkerwijs moest weten dat zij aldus betrokken was bij één enkele overeenkomst, kan zij immers worden geacht via haar deelneming aan de betrokken mededingingsregelingen met deze overeenkomst te hebben ingestemd (zie in die zin cementarrest, hierboven aangehaald in punt 42, punten 4068 en 4109).

182 In dit verband is het document Overwegingen over de VAM-overeenkomst van 23 maart 1990 bijzonder relevant. Onder het opschrift „Scenario 2” wijst Verluca op de mogelijkheid om „van de Japanners gedaan te krijgen dat zij buiten [de Britse] markt blijven, en dat de zaak onder Europeanen wordt geregeld”, en hij vervolgt: „In dat geval zouden de gladde buizen inderdaad onder [Mannesmann], [Vallourec] en Dalmine worden verdeeld.” In de volgende paragraaf merkt hij op dat „we er waarschijnlijk belang bij [zouden] hebben de verkoop van [Vallourec] zowel aan de prijs als aan het volume van de door [Corus] verkochte VAM te koppelen”.

183 Aangezien dit laatste voorstel precies overeenstemt met de voornaamste bepalingen van de overeenkomst die zestien maanden later tussen Vallourec en Corus zou worden gesloten, is het duidelijk dat Vallourec deze strategie daadwerkelijk heeft toegepast en dat deze overeenkomst is gesloten om deze strategie ten uitvoer te leggen.

184 Verder bevestigt het feit dat Corus vervolgens een haast identieke overeenkomst heeft gesloten met elk van de andere Europese leden van de Europa-Japanclub, dat wil zeggen met Dalmine en later met Mannesmann, zodat de voorziening in de behoeften van Corus aan gladde buizen daadwerkelijk vanaf augustus 1993 onder de drie andere leden van de Europa-Japanclub werd verdeeld, precies zoals Verluca het voor ogen had, dat deze drie overeenkomsten wellicht zijn gesloten ter uitvoering van de gemeenschappelijke strategie die in het kader van hun overleg binnen deze club was voorgesteld.

185 Deze conclusie wordt gestaafd door de bewijselementen die de Commissie in de bestreden beschikking heeft aangevoerd, met name in punt 91 ervan, dat luidt als volgt: „Op 21 januari 1993 zond [Corus] aan Vallourec (en waarschijnlijk ook aan [Mannesmann] en Dalmine) een blauwdruk van voorstellen met het oog op de sluiting van een overeenkomst over de herstructurering van de sector naadloze buizen, die besproken zou worden tijdens een bijeenkomst te Heathrow, op 29 januari 1993, tussen [Mannesmann]/Vallourec/Dalmine/[Corus] (blz. 4628 [van het dossier van de Commissie, dat wil zeggen de eerste bladzijde van het document ‚blauwdruk van voorstellen voor een overeenkomst over de herstructurering voor naadloze buizen’]). In dit document wordt opgemerkt: ‚[[Corus] heeft haar voornemen bekendgemaakt om zich op termijn uit de sector naadloze buizen terug te trekken. De onderneming streeft ernaar dit op ordelijke en gecontroleerde wijze te doen om een verstoring van de levering van buizen aan haar afnemers te voorkomen en de producenten die deze activiteiten overnemen, te helpen de orderportefeuille te behouden [...]. [Corus] heeft in de afgelopen zes maanden besprekingen gevoerd met andere producenten die belangstelling hebben voor aandelen van [Corus], en [zij] meent dat er een consensus is om volgens de in dit document beschreven methode te werk te gaan.]’ Een van de voorstellen bestond erin de OCTG-activiteiten op Vallourec over te dragen en de leveringscontracten voor gladde buizen tussen [Corus] en Vallourec, [Mannesmann] en Dalmine te handhaven, in dezelfde verhoudingen. Op dezelfde dag werd een bijeenkomst gehouden tussen [Mannesmann] en [Corus] waarbij [Mannesmann] ‚[ermee instemde dat Vallourec de leiding zou nemen bij het beheer van de OCTG-activiteiten in de toekomst]’ (blz. 4626 [van het dossier van de Commissie, dat wil zeggen de enige bladzijde van een faxbericht van 22 januari 1993 van Davis van Corus aan Patrier van Vallourec]). In het document van Dalmine met de titel [‚Systeem voor naadloze stalen buizen in Europa en marktevolutie’ (‚Seamless steel tube system in Europe and market evolution’), dat is weergegeven op bladzijde 2051 van het dossier van de Commissie (blz. 2053 [van het dossier van de Commissie])] van meiaugustus 1993 wordt opgemerkt dat een oplossing voor het [Corus]-vraagstuk die voor allen voordelig is, slechts in een Europese context zou kunnen worden gevonden; dat Vallourec de installaties van [Corus] zou overnemen werd ook door Dalmine aanvaard.”

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in