Gerecht EU 25 oktober 2002, T-5/02, ECLI:EU:T:2002:264
Tekst
Partijen
In zaak T-5/02,
Tetra Laval BV, gevestigd te Amsterdam (Nederland), vertegenwoordigd door A. Vandencasteele, D. Waelbroeck, A. Weitbrecht en S. Völcker, advocaten,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Whelan en P. Hellström als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2001) 3345 def. van de Commissie van 30 oktober 2001, waarbij een concentratie onverenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/M.2146 - Tetra Laval/Sidel),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, J. Pirrung en N. J. Forwood, rechters,
griffier: D. Christensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 en 4 juli 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De toepasselijke regeling
1 Bij verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1, met rectificatie in PB 1990, L 257, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1) (hierna: "de verordening"), is een regeling ingevoerd voor het toezicht van de Commissie op concentraties van ondernemingen, die van communautaire dimensie zijn in de zin van artikel 1, lid 2, van de verordening.
2 Artikel 2 van de verordening bepaalt:
"1. Concentraties in de zin van deze verordening worden aan de hand van onderstaande bepalingen getoetst op hun verenigbaarheid of onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt.
Bij die beoordeling houdt de Commissie rekening
a) met de noodzaak op de gemeenschappelijke markt een daadwerkelijke mededinging te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de reële of potentiële mededinging van binnen of buiten de Gemeenschap gevestigde ondernemingen;
b) met de marktpositie van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang voorzover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging.
2. Concentraties die geen machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan wordt belemmerd, worden verenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt.
3. Concentraties die een machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan wordt belemmerd, worden onverenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt.
[...]"
3 Artikel 4 van de verordening verlangt, dat de partij of partijen die de zeggenschap, of de gezamenlijke zeggenschap, in een andere onderneming verkrijgen, de concentratie binnen een week na de voltooiing van de transactie bij de Commissie aanmelden. Harerzijds is de Commissie ingevolge artikel 6, lid 1, van de verordening verplicht de aanmelding "meteen na ontvangst" te onderzoeken. Volgens artikel 6, lid 1, sub c, juncto artikel 10, lid 1, van de verordening leidt de Commissie binnen een maand of ten hoogste zes weken een procedure tegen de aangemelde concentratie in, indien zij constateert dat deze binnen het toepassingsgebied van de verordening valt "en er grote twijfel bestaat over haar verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt".
4 Wanneer er na een aanmelding een procedure wordt ingeleid, oefent de Commissie haar beschikkingsbevoegdheid uit overeenkomstig artikel 8 van de verordening. Lid 3 van dat artikel bepaalt, dat "[a]ls de Commissie vaststelt dat een concentratie aan het in artikel 2, lid 3, gedefinieerde criterium voldoet, [...] zij een beschikking [geeft] waarbij verklaard wordt dat de concentratie onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt". Volgens artikel 10, lid 3, moet die beschikking "uiterlijk worden gegeven binnen vier maanden na de dag waarop de procedure is ingeleid".
5 Ofschoon artikel 7, lid 1, van de verordening bepaalt, dat een concentratie niet tot stand kan worden gebracht zolang zij niet is aangemeld en met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is verklaard, kan de uitvoering van een bij de Commissie aangemeld openbaar aanbod voortgang vinden, "voorzover de verkrijger de aan de deelneming in het kapitaal verbonden rechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de Commissie overeenkomstig lid 4 verleende ontheffing".
6 Artikel 18 van de verordening, betreffende het horen van de betrokkenen en van derden, bepaalt:
"1. Alvorens de in artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 2, tweede alinea, en leden 3, 4 en 5, alsmede de artikelen 14 en 15 bedoelde beschikkingen vast te stellen, stelt de Commissie de betrokken personen, ondernemingen en ondernemersverenigingen in de gelegenheid om hun standpunt ten aanzien van de tegen hen aangevoerde bezwaren in alle fasen van de procedure tot aan de raadpleging van het Raadgevend Comité kenbaar te maken.
[...]
3. De Commissie baseert haar beschikkingen uitsluitend op bezwaren waarover de betrokkenen hun opmerkingen kenbaar hebben kunnen maken. De rechten ter zake van de verdediging van de betrokkenen worden bij het verloop van de procedure ten volle gewaarborgd. Het dossier is ten minste toegankelijk voor de rechtstreeks betrokken partijen, met inachtneming van het rechtmatig belang van de ondernemingen bij het bewaren van zakengeheimen.
[...]"
7 Artikel 13, lid 3, van verordening (EG) nr. 447/98 van de Commissie van 1 maart 1998 betreffende de aanmeldingen, de termijnen en het horen van betrokkenen en derden overeenkomstig verordening nr. 4064/89 (PB L 61, blz. 1), bepaalt:
"Nadat zij de aanmeldende partijen haar bezwaren heeft meegedeeld, verleent de Commissie deze partijen desgevraagd inzage in het dossier, teneinde hen in staat te stellen hun recht van verweer uit te oefenen.
De Commissie verleent ook de andere betrokkenen die van de bezwaren in kennis zijn gesteld, desgevraagd inzage in het dossier, voorzover dit ter voorbereiding van hun opmerkingen noodzakelijk is."
8 Artikel 17 van verordening nr. 447/98, met het opschrift Vertrouwelijke informatie, bepaalt:
"1. Er wordt geen mededeling gedaan van, noch inzage verleend in inlichtingen, met inbegrip van bescheiden, die zakengeheimen van personen of ondernemingen, waaronder de aanmeldende partijen, andere betrokkenen of derden, bevatten, noch van andere vertrouwelijke informatie waarvan de Commissie het voor de procedure niet noodzakelijk acht dat deze openbaar wordt gemaakt, noch van in interne stukken van de autoriteiten vervatte informatie.
2. Alle partijen die overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige afdeling hun standpunt kenbaar maken, geven de elementen die zij vertrouwelijk achten, onder opgave van redenen duidelijk aan en verstrekken daarvan binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een afzonderlijke, niet-vertrouwelijke versie."
De antecedenten van het geding
9 Op 27 maart 2001 deed Tetra Laval SA, vennootschap naar Frans recht en voor 100 % eigendom van Tetra Laval BV, een financieringsvennootschap van de groep Tetra Laval (hierna: "Tetra" of "verzoekster"), voor rekening van laatstgenoemde een openbaar aanbod op alle in omloop zijnde aandelen in Sidel SA, een in Frankrijk aan de beurs genoteerde onderneming. Dezelfde dag verkreeg Tetra Laval SA ongeveer 9,75 % van het kapitaal van Sidel, respectievelijk van Azeo (5,56 %) en van de directie van Sidel (4,19 %).
10 Het aanbod luidde in contanten voor een prijs van 50 euro per aandeel en was overeenkomstig het Franse recht onvoorwaardelijk. De raad van bestuur van Sidel adviseerde eenstemmig tot aanvaarding van het aanbod, dat ook door de meerderheidsaandeelhouders van Sidel werd goedgekeurd. De beurscommissie verleende op 11 april 2001 haar goedkeuring aan het gezamenlijk prospectus ("joint offer document") van Tetra Laval SA en Sidel. Na de openbaarmaking op 14 april 2001 werd het aanbod officieel geopend voor de periode van 17 april tot en met 22 mei 2001. Indien het zou slagen, zouden de aandelen van Tetra SA in de week beginnend op 11 juni 2001 opnieuw aan de beurs worden genoteerd, behoudens de beperkingen voorzien in artikel 7, lid 3, van de verordening.
11 Op grond van dat aanbod verwierf Tetra ongeveer 81,3 % van de uitstaande aandelen in Sidel. Na de sluitingsdatum verkreeg zij nog enkele aandelen meer, zodat zij thans ongeveer 95,20 % van de aandelen en 95,93 % van de stemrechten in Sidel bezit.
12 Tot de groep Tetra behoort, onder meer, de onderneming Tetra Pak, die zich voornamelijk bezighoudt met de vervaardiging van kartonnen verpakkingen voor dranken, op welk gebied zij wereldwijd de eerste plaats inneemt. Daarnaast is Tetra in mindere mate actief in de sector kunststofverpakkingen, voornamelijk als "converter" (dat wil zeggen dat zij lege verpakkingen fabriceert en aan de drankenproducenten levert, die ze dan zelf vullen), in het bijzonder in de sector HDPE-verpakkingen ("high density polyethyleen").
13 Sidel houdt zich bezig met het ontwerpen en vervaardigen van verpakkingssystemen en -machines, waaronder de zogenoemde SBM-machines ("stretch blow moulding") voor de vervaardiging van kunststofflessen van polyethyleen terefthalaat (hierna: "PET"). Als producent en leverancier van SBM-machines is Sidel een van de grootste ondernemingen ter wereld in die sector. Zij houdt zich ook bezig met de "barrière-technologie", waarmee PET geschikt wordt gemaakt voor producten die gas- en lichtgevoelig zijn, en vervaardigt vulmachines voor PET-flessen en, in mindere mate, HDPE-flessen.
14 Op 18 mei 2001 werden de transacties waardoor Tetra haar deelneming in Sidel had verkregen, bij de Commissie aangemeld.
15 Tussen partijen is onbetwist, dat de aangemelde transacties een concentratie vormen in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, van de verordening en dat deze concentratie een communautaire dimensie heeft in de zin van artikel 1, lid 2, van de verordening.
16 Van oordeel, dat er ernstige twijfel bestond over de verenigbaarheid van de concentratie met de gemeenschappelijke markt en de EER-Overeenkomst, besloot de Commissie op 5 juli 2001 de in artikel 6, lid 1, sub c, van de verordening bedoelde onderzoeksprocedure in te leiden.
17 Op 7 september 2001 zond zij Tetra en Sidel een mededeling van punten van bezwaar als bedoeld in artikel 18 van de verordening, waarin zij uiteenzette, waarom zij voorshands van mening was dat de concentratie moest worden verboden. Verzoekster antwoordde op die mededeling op 21 september 2001.
18 Een aanvullende mededeling van punten van bezwaar, onder meer Tetra's activiteiten in de HDPE-sector betreffend, werd op 24 september 2001 aan Tetra en Sidel gezonden en op 1 oktober 2001 door verzoekster beantwoord.
19 Op 25 september 2001 bood verzoekster overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de verordening een reeks verbintenissen aan om de in de eerste mededeling van punten van bezwaar geconstateerde mededingingsproblemen op te lossen.
20 Op 26 september 2001 vond overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 16 van verordening nr. 447/98 een hoorzitting voor de raadadviseur-auditeur plaats.
21 Op 9 oktober 2001 verving verzoekster de op 25 september aangeboden verbintenissen door een nieuwe, definitieve reeks (hierna: "de verbintenissen").
22 Speciaal in verband met deze verbintenissen zond de Commissie op 11 oktober 2001 enquêteformulieren aan 51 verschillende spelers in de betrokken economische sector (afnemers, converters en concurrenten) met het verzoek vóór 17 oktober 2001 te antwoorden. Zij ontving 34 antwoorden en, oordelende dat deze alle vertrouwelijk waren, maakte zij twee niet-vertrouwelijke samenvattingen, één van de antwoorden van de afnemers en converters en één van die van de concurrenten, die zij ter kennis van verzoekster bracht.
23 Het ontwerp van de eindbeschikking van de Commissie, die ook op de verbintenissen betrekking had, werd op 19 oktober 2001 besproken en goedgekeurd door het Raadgevend Comité concentraties van ondernemingen.
24 Bij beschikking van 30 oktober 2001 [C(2001) 3345 def. (zaak COMP/M.2416 - Tetra Laval/Sidel); hierna: "bestreden beschikking"] heeft de Commissie krachtens artikel 8, lid 3, van de verordening de aangemelde concentratie onverenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-Overeenkomst.
25 De bestreden beschikking is op 6 november 2001 aan Tetra betekend.
26 Gelet op de conclusies waartoe zij in de bestreden beschikking was gekomen, en na een afzonderlijke administratieve procedure, ingeleid door de toezending aan Tetra op 19 november 2001 van een mededeling van punten van bezwaar, heeft de Commissie op 30 januari 2002 overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de verordening een beschikking gegeven met betrekking tot de maatregelen die zij noodzakelijk acht om een daadwerkelijke mededinging te herstellen (zaak COMP/M.2416 - Tetra Laval/Sidel).
De bestreden beschikking
27 In haar analyse over de verenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt beschrijft de Commissie in de bestreden beschikking de sector verpakking van vloeibare voedingsmiddelen, onderzoekt zij de relevante productmarkten en de relevante geografische markt en beoordeelt zij de gevolgen van de aangemelde concentratie voor de mededinging. Ten slotte toetst zij, in het licht van de voorgaande analyse, de draagwijdte van de aangeboden verbintenissen ten opzichte van de gevolgen van de concentratie voor de mededinging.
De sector verpakking van vloeibare voedingsmiddelen
28 De Commissie is van mening, dat "de aangemelde concentratie hoofdzakelijk gevolgen zal hebben voor de mededinging in de industriesector verpakking van vloeibare voedingsmiddelen", te weten voornamelijk vloeibare zuivelproducten (hierna: "VZP"), vruchtensappen en nectars (hierna: "sappen"), niet-koolzuurhoudende dranken met vruchtensmaak (hierna: "KDV"), alsmede thee/koffiedranken (deze vier productgroepen tezamen hierna aan te duiden als "gevoelige producten"), en in het bijzonder voor die segmenten van deze sector waarin de partijen hoofdzakelijk actief zijn, te weten "kunststof, in het bijzonder PET-verpakkingen, en karton" (punt 12 van de considerans). De Commissie beschrijft PET als een kunststof voor de vervaardiging van doorzichtige flessen. Voor zuurstof- en lichtgevoelige producten moet PET worden verbeterd door middel van de zogenoemde "barrièretechniek". Een PET-verpakkingsketen omvat drie fasen: de productie van "preforms", dat wil zeggen kunststofbuizen waaruit de flessen worden gemaakt; de productie van de flessen zelf met behulp van SBM-machines (zie punt 13 supra), en het vullen van de flessen (punt 20 van de considerans). Vervolgens beschrijft de Commissie HDPE als een "wolkig wit" materiaal. Een HDPE-verpakkingsketen is te vergelijken met een PET-keten, behalve dat er EBM-machines ("extrusion blow moulding") bij worden gebruikt (punt 26 van de considerans). Anders dan bij kunststofverpakkingen is er bij kartonnen verpakkingen sprake van een geïntegreerd proces van productie, vullen en sluiten van de verpakkingen (punt 28 van de considerans).
29 In diverse opzichten brengt de Commissie een onderscheiding aan, in het bijzonder tussen aseptisch en niet-aseptisch verpakte producten, overeenkomstig haar eerdere praktijk op dit gebied, tussen de verpakkingen zelf en de verpakkingsmachines, en tussen het verpakken door de producenten van vloeibare voedingsmiddelen in hun eigen fabriek en het verpakken door converters (zie punt 12 supra). Dit laatste onderscheid verliest volgens de Commissie echter aan betekenis door het bestaan van "hole-in-the-wall"-overeenkomsten ("HTW-overeenkomsten"), waarbij een converter flessen vervaardigt in een fabriek naast die van de producent en ze aan deze doorgeeft om gevuld te worden.
De relevante productmarkten
30 Daar "de aangemelde concentratie hoofdzakelijk gevolgen zal hebben voor de mededinging in de industriesector verpakking van vloeibare voedingsmiddelen", heeft de Commissie haar onderzoek geconcentreerd op die segmenten van de markt waarin de partijen voornamelijk actief zijn, te weten "kunststof, met name PET-verpakkingen, en karton" (punt 12 van de considerans). Volgens de Commissie "is de segmentatie naar eindgebruik een bruikbaar analysemiddel om de markt van verpakkingsinstallaties voor vloeibare voedingsmiddelen te bestuderen" (punt 44 van de considerans). Zij erkent, dat "verpakkingssystemen die gebruik maken van andere materialen, zoals glas en blik, afzonderlijke productmarkten in de zin van de mededingingsvoorschriften zijn en dat bijgevolg PET-verpakkingssystemen tot een aparte productmarkt behoren". De Commissie weigert te aanvaarden, dat "karton en PET geen productsegmenten delen [of] dat er geen interactie tussen de twee materialen kan bestaan", en richt daarom haar onderzoek op "de interactie tussen die twee materialen en de toekomstige groei van PET in de eindgebruiksegmenten waar traditioneel karton wordt gebruikt" (punt 53 van de considerans).
31 Omdat karton geen licht doorlaat, is het volgens de Commissie "geschikt voor het verpakken van zuurstof- en lichtgevoelige producten, maar kan het niet voor koolzuurhoudende dranken worden gebruikt". PET daarentegen "is doorzichtig en geschikt voor koolzuurhoudende dranken, maar het was tot nu toe minder bruikbaar voor zuurstof- en lichtgevoelige producten" (punt 55 van de considerans). De Commissie beklemtoont, dat "PET een materiaal is dat zich leent voor alle producten die tot nu toe in karton werden verpakt", dat wil zeggen de gevoelige producten, en zij concludeert, dat "PET derhalve een concurrerend vervangingsproduct voor alle in karton verpakte producten kan zijn" (punt 57 van de considerans, cursivering in de oorspronkelijke tekst). Toch onderscheiden die producten zich van elkaar, want "de eigenschappen van elk van die producten leiden tot de keuze van een enigszins verschillende verpakking (sappen hebben een hoog zuurgehalte, terwijl dat bij VZP laag is; voor KDV en ijsthee is niet zo'n sterke barrièrebehandeling tegen zuurstof nodig als voor sappen)" (punt 58 van de considerans).
32 Wat PET en de verwachte opmars ervan voor gevoelige producten betreft, verwerpt de Commissie Tetra's bewering, dat "het gebruik van PET zeer beperkt is en in de toekomst geen belangrijke groei te zien zal geven" (punten 59-148 van de considerans). Dienaangaande preciseert zij, dat "het segment waarin PET het snelst is gegroeid, dat van de koolzuurhoudende mineraalwaters en dranken is, vooral omdat men daar van glas op PET is overgestapt" en "de consumenten en producenten PET waarderen" (punt 55 van de considerans, voetnoot 22). De Commissie stelt vast, dat "PET thans al kan worden gebruikt voor het verpakken en in de handel brengen van verse melk, gearomatiseerde melk, ijsthee, verse sappen, (warm afgevulde) lang houdbare sappen, dranken met vruchtensmaak en isotonische dranken", en dat er slechts twee segmenten zijn waarin het gebruik van PET nog op technische problemen stuit, te weten "aseptische sappen en aseptische niet-gearomatiseerde melk (UHT-melk)" (punt 61 van de considerans). Onder verwijzing naar de door het onderzoeksbureau Canadean in opdracht van Tetra verstrekte cijfers merkt zij op, dat het gebruik van PET voor VZP en sappen thans weliswaar nog niet van betekenis is (0,5 % in die twee segmenten in 2000), maar dat "de situatie heel anders is in de segmenten KDV en thee/koffiedranken, die niet dezelfde barrière-eigenschappen vergen als VZP en sappen", in welke segmenten PET "al grotere marktaandelen heeft veroverd" (punt 69 van de considerans) (te weten 20 % bij KDV en 25 % bij thee/koffiedranken in 2000).
33 Wat de periode van 2000 tot 2005 betreft, concludeert de Commissie op basis van haar eigen marktonderzoek, het onderzoek van Canadean en "onafhankelijke onderzoeken" (punt 104 van de considerans), te weten die van PCI, Warrick en Pictet, dat "er in de segmenten KDV en thee/koffiedranken al aanzienlijke overlappingen tussen PET en karton bestaan" en dat "PET in die segmenten steeds meer marktaandeel op karton zal veroveren", zozeer zelfs, dat "bij een voorzichtige schatting van 30 % PET in elk van die segmenten in 2005, dit materiaal zal dienen voor het verpakken van 800 miljoen liter thee/koffiedranken (isotonische dranken daaronder begrepen) en van 1 miljard liter KDV" (punt 144 van de considerans). Zij voegt daaraan toe, dat "de verbeteringen in de barrièretechniek en bij het aseptisch vullen de positie van PET in de vier segmenten gevoelige producten zullen versterken" en dat "PET in de segmenten VZP en sappen in de komende vijf jaar aanzienlijk zal groeien" (punt 146 van de considerans). Volgens de Commissie "is het realistisch te verwachten, dat PET in 2005 een marktaandeel zal hebben van ten minste 10 à 15 % bij verse melk en van 25 % bij gearomatiseerde en andere melkdranken", maar "is het gebruik van PET voor UHT-melk (ongeveer 50 % van de totale melkmarkt in de EER) onzeker" (punt 147 van de considerans). Wijzend op het "grote potentieel" van PET, "met name in de duurdere nichesegmenten van aseptisch verpakte melk, zoals individuele porties", meent de Commissie, dat "indien PET in 2005 bij verse melk ten minste 15 % haalt, bij andere melkdranken 25 % en bij UHT-melk slechts 1 %, dit materiaal zal dienen als verpakking voor ongeveer 3 miljard liter per jaar (om en nabij 9 % van de totale Europese markt van VZP)" (punt 147 van de considerans). Wat sappen betreft, is het volgens de Commissie "realistisch te verwachten, dat PET in 2005 een aandeel van ten minste 20 % van de totale sappenmarkt in de EER zal hebben", ook al zal die groei voornamelijk een gevolg zijn van "de overgang van glas op PET" (punt 148 van de considerans).
34 Met betrekking tot de mededinging tussen PET en karton in de sectoren waarin zich overlappingen voordoen, concludeert de Commissie, dat "kartonnen verpakkingen en PET-verpakkingen (en dus ook de verpakkingsmachines voor die materialen) verschillende productmarkten vormen" (punt 163 van de considerans). "Hoewel bij die twee systemen thans nog geen sprake is van de daadwerkelijke en onmiddellijke onderlinge vervangbaarheid die voor de marktomschrijving nodig is (met andere woorden, er is nog slechts een geringe onderlinge vervangbaarheid), kan dat in de toekomst veranderen, wanneer de barrièretechnologie voor PET verbetert en de kosten van de twee materialen convergeren" (punt 163 van de considerans). De convergentie zou zelfs zo groot kunnen zijn, dat de twee systemen in de toekomst "één productmarkt in de zin van de mededingingsvoorschriften" gaan vormen (punt 163 van de considerans).
35 Vervolgens onderzoekt de Commissie de segmenten van de "specifieke installaties voor de twee systemen", in verband met de vraag of "voor elk ervan afzonderlijke productmarkten bestaan" (punt 164 van de considerans).
36 Wat de PET-verpakkingssystemen betreft, meent de Commissie, dat waar alle gevoelige producten eigen kenmerken hebben en er een mogelijkheid van prijsdiscriminatie bestaat, er bij SBM-machines "verscheidene relevante markten bestaan voor elke groep afnemers, afhankelijk van het eindgebruik, in het bijzonder in de vier segmenten van gevoelige producten: VZP, sappen, KDV en thee/koffiedranken" (punt 188 van de considerans). De verschillende barrièretechnieken behoren volgens de Commissie tot een opkomende markt, maar sommige ervan zouden in de toekomst een aparte markt kunnen vormen (punten 198 en 199 van de considerans). Er bestaan ook twee aparte markten van PET-machines voor aseptisch respectievelijk niet-aseptisch vullen (punt 204 van de considerans), terwijl de PET-preforms eveneens een afzonderlijke markt vormen (punt 206 van de considerans).
37 Ten aanzien van de systemen voor kartonnen verpakkingen bestaat er volgens de Commissie een consensus, dat "er vier verschillende productmarkten bestaan: machines voor aseptisch verpakken in karton, aseptische kartonnen verpakkingen, machines voor het niet-aseptisch verpakken in karton en niet-aseptische kartonnen verpakkingen" (punt 209 van de considerans).
De relevante geografische markt
38 De relevante geografische markt wordt omschreven als de markt van de EER, "daar de leveranciers [van PET-verpakkingsinstallaties] in de gehele EER actief zijn en hun installaties over de grenzen heen kunnen leveren en daadwerkelijk leveren" (punten 210 en 211 van de considerans).
Toetsing van de aangemelde concentratie aan de mededingingsvoorschriften
39 De beoordeling van de aangemelde concentratie uit het gezichtspunt van de mededinging is vervat in een gedetailleerde analyse (punten 213-408 van de considerans), die wordt samengevat als volgt:
"213 Uit de enquête en het onderzoek van de Commissie blijkt, dat de concentratie de machtspositie van Tetra op de markten van machines voor het aseptisch verpakken in karton en van aseptische kartonnen verpakkingen kan versterken en een machtspositie in het leven kan roepen op de markt van PET-verpakkingsinstallaties, in het bijzonder SBM-machines (met grote en met kleine capaciteit) in de segmenten van gevoelige eindproducten (VZP, sappen, KDV en thee/koffiedranken).
214 De toekomstige machtspositie van de nieuwe entiteit op twee nauw verwante markten en haar sterke positie op een derde markt (EBM-machines en HDPE-vulmachines) zullen haar positie op de twee markten nog kunnen versterken, de toegang tot de markt belemmeren, het belang van bestaande concurrenten tot een minimum beperken en een monopolistische structuur doen ontstaan op de gehele markt van het aseptisch en niet-aseptisch verpakken van gevoelige producten in de EER."
40 Tot staving van haar analyse stelt de Commissie in de eerste plaats vast, dat er op de markt van kartonnen verpakkingen heel weinig is veranderd sinds het arrest van het Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie (T-83/91, Jurispr. blz. II-755), in hogere voorziening door het Hof bevestigd bij arrest van 14 november 1996, Tetra Pak/Commissie (C-333/94 P, Jurispr. blz. I-5951; hierna: "arresten Tetra Pak II"). Zo meent zij, dat Tetra in 2000 in de EER een machtspositie bezit op de markt van aseptische kartonverpakkingsmachines en kartonnen verpakkingen met een marktaandeel van 80 % (punten 219 en 223 van de considerans) en een "leidende" positie op de markt van niet-aseptische kartonverpakkingsmachines en kartonnen verpakkingen met een marktaandeel van [50 à 60 %](1) (punten 229 en 231 van de considerans). Al geeft zij toe, dat Sidel de markt van SBM-machines niet beheerst, toch meent de Commissie in de tweede plaats, dat Sidel daar marktleider is, "aangezien zij de enige onderneming is die het volledige gamma van SBM-machines kan leveren, van de kleinste tot de grootste, en steeds met toepassing van de modernste rotatietechniek" (punt 248 van de considerans). Erop wijzende, dat "om een schoon of ultraschoon verpakkingsproces te waarborgen, een doeltreffende beheersing van de vultechniek in combinatie met het spuitgieten in het bijzonder van belang is bij gevoelige producten zoals melk en vruchtensappen" (punt 249 van de considerans), merkt de Commissie op, dat Sidel aseptische en niet-aseptische vulmachines vervaardigt (punt 250 van de considerans) en over een innovatieve "combi-techniek" beschikt, waarmee het spuitgieten, vullen en afsluiten in één enkele machine kan worden geïntegreerd (punt 254 van de considerans). De Commissie concludeert hieruit, dat Sidel een "leidende positie op de markt van SBM-machines" heeft en een "sterke positie" bij de andere PET-verpakkingsinstallaties, in het bijzonder bij "aseptische vulmachines, hulpinstallaties en bijbehorende diensten" (punt 259 van de considerans).
41 In verband met het in het leven roepen van een machtspositie op de PET-markt en de versterking van Tetra's machtspositie op de kartonmarkt behandelt de bestreden beschikking eerst de horizontale en verticale effecten van de concentratie, vervolgens de van de kartonmarkt uitgaande "hefboomwerking" op de PET-markt, de gevolgen voor de kartonmarkten van het verdwijnen van de concurrentiedruk vanuit de PET-markt, en ten slotte de algemene gevolgen voor de karton- en de PET-markt.
42 Wat in de eerste plaats de horizontale effecten betreft, meent de Commissie, dat waar beide partijen op drie verschillende productmarkten actief zijn - SBM-machines (met kleine capaciteit), barrièretechnieken en aseptische PET-vulmachines (punt 263 van de considerans) -, de aangemelde concentratie de positie van de nieuwe entiteit op die drie markten zal versterken. Ook al zal die positie geen machtspositie zijn, men moet stellig verwachten dat er een "niveau van overheersing" zal worden bereikt, "doordat de machtspositie van de nieuwe entiteit in de sector van aseptische kartonverpakkingsmachines en kartonnen verpakkingen als hefboom werkt" (punt 263 van de considerans).
43 In de tweede plaats meent de Commissie, dat de "belangrijke verticale effecten", die het uitvloeisel zijn van de verticale integratie van de nieuwe entiteit bij drie verpakkingssystemen (karton, PET en HDPE), kunnen leiden tot "verticale uitsluiting van de zelfstandige converters" (punt 291 van de considerans). Deze uitsluiting is het resultaat van de door de concentratie gecreëerde structuur, te weten (punt 292 van de considerans):
"i) de door de concentratie geschapen entiteit zal de enige verticaal geïntegreerde onderneming zijn in de sector verpakking van vloeibare voedingsmiddelen in karton (verpakkingsmachines en rollen karton), HDPE (EBM-machines en HDPE-flessen) en PET (SBM-machines, barrièretechniek, aseptische vulmachines, preforms en flessen); ii) de dubbele rol van de nieuwe entiteit, als leverancier en concurrent van de converters, kan leiden tot een $channel conflict' op de markt. De nieuwe entiteit zou van haar sterke positie als leverancier van SBM-machines aan de converters, die tot op zekere hoogte afhankelijk zijn van Sidel, gebruik kunnen maken om hun kosten op te drijven en hen als leveranciers van preforms en gebruiksklare installaties te marginaliseren. Tetra/Sidel zal de SBM-machines tezamen met preforms kunnen aanbieden, steunend op, bijvoorbeeld, Tetra's succesrijke verkoopstrategie op kartongebied: SBM-machines tegen lage prijs aanbieden en de kosten goedmaken door de klant te binden met een langlopend leveringscontract voor gewone preforms en preforms met barrière. De nieuwe entiteit zal haar klanten ook gebruiksklare installaties kunnen aanbieden, buiten de converters om."
44 Vervolgens wordt de omvang van Tetra's verticale integratie op de kartonmarkten geschetst, waar haar verkooppolitiek erin bestaat, "haar afnemers geïntegreerde oplossingen aan te bieden in de vorm van machines en karton (in rollen of versneden)" (punt 296 van de considerans), op de HDPE-markt, waar zij in een verbond met Graham Engineering Corporation HDPE-flessen op EBM-machines produceert en als converter of via HTW-overeenkomsten aan de afnemers levert, en op de PET-markt. Met betrekking tot laatstgenoemde markt wijst de Commissie erop, dat Tetra "de derde grootste zelfstandige leverancier van preforms ter wereld is, met een marktaandeel van 10 %", dat zij van plan is "een beperkte hoeveelheid met haar geoctrooieerde Glaskin-barrièretechniek verbeterde PET-flessen te produceren", en dat zij sinds 1999 "via haar dochteronderneming Novembal aanwezig is op de markt van sluitingssystemen voor kunststofflessen, met een marktaandeel in de EER van [10 à 20 %] in 2000" (punt 298 van de considerans). In dit opzicht onderscheidt zij zich van Sidel, die "geen verticaal geïntegreerde onderneming is" (punt 293 van de considerans). Niettemin "kan de nieuwe entiteit een $channel conflict' op de markt veroorzaken, doordat zij tegelijkertijd leverancier en concurrent van de converters zal zijn" (punt 310 van de considerans) en "de converters zal kunnen marginaliseren door SBM-machines tezamen met preforms, alsmede gebruiksklare installaties aan te bieden" (punt 312 van de considerans). Mogelijk is ook, dat zij "de converters van die activiteiten uitsluit door hun geen SBM-machines meer te leveren of door hun kosten op te drijven en door voorrang te geven aan haar eigen geïntegreerde activiteiten" (punt 318 van de considerans). Met betrekking tot de beslissing van Tetra om zich uit de preformmarkt terug te trekken, verklaart de Commissie, dat zij "niet concludeert dat die verticale problemen op zich tot het ontstaan van een machtspositie bij PET-installaties of preforms zouden leiden" (punt 324 van de considerans).
45 Vervolgens zet de Commissie gedetailleerd uiteen (punten 325-389 van de considerans), waarom zij vreest dat de nieuwe entiteit haar machtspositie op de kartonmarkten "door hefboomwerking" naar de markt van PET-verpakkingsinstallaties zal uitbreiden om "aldus deze markt ook bij de gevoelige eindproducten te beheersen" (punt 328 van de considerans). Het enkele feit dat Tetra/Sidel deze mogelijkheid heeft, volstaat volgens haar om de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te maken. De vrees van de Commissie heeft dus niet te maken met Sidel's huidige positie op de markt van SBM-machines, maar met de "machtspositie van Tetra op de kartonmarkt" (punt 328 van de considerans, cursivering in het origineel). Onder meer verwijzend naar de nauwe samenhang tussen de twee markten van installaties voor de vervaardiging van kartonnen verpakkingen en van PET-verpakkingen, stelt de Commissie vast, dat de concentratie "een marktstructuur zou doen ontstaan die uiterst gunstig is voor het optreden van mededingingsbelemmerende effecten, doordat de nieuwe entiteit een machtspositie op de ene en tegelijkertijd een leidende positie op de andere markt zou innemen" (punt 330 van de considerans).
46 Haar analyse omvat "vier stappen" (punt 331 van de considerans): i) de markten van karton- en PET-verpakkingssystemen behoren tot nauw verwante productmarkten met een zelfde groep van afnemers; ii) bij de te verwachten groei van PET zal de nieuwe entiteit in de nieuwe segmenten van gevoelige producten een machtspositie op de PET-markt kunnen verwerven dankzij Tetra's bestaande machtspositie op de kartonmarkten; iii) de concentratie zal Tetra's machtspositie op de kartonmarkten versterken; iv) door de combinatie van de twee machtsposities zal de positie van de nieuwe entiteit in de sector verpakkingen van gevoelige producten, en met name in die van aseptische verpakkingen, worden geconsolideerd en zullen beide machtsposities worden uitgebouwd.
47 De Commissie verdedigt haar analyse door erop te wijzen, dat de aangemelde concentratie voor Tetra van strategisch belang is; dat Tetra in staat en bereid zal zijn de hefboomwerking uit te buiten; dat de concurrenten van de nieuwe entiteit op diverse niveaus niet tegen haar opgewassen zullen zijn, en ten slotte, dat Tetra een discriminerend prijsbeleid zal kunnen voeren.
48 Met betrekking tot Tetra's vermogen en bereidheid om de hefboomwerking te benutten, concludeert de Commissie, dat "de marktstructuur die door de concentratie zal ontstaan, in het bijzonder de hefboomwerking zal begunstigen" (punt 359 van de considerans):
"a) Er bestaat een gezamenlijk cliënteel, waarvan de vraag zowel op karton- als op PET-verpakkingssystemen voor gevoelige vloeistoffen is gericht.
b) Tetra heeft een bijzonder sterke machtspositie op de markt van aseptische kartonnen verpakkingen, met een marktaandeel van [80 à 90 %] en een afhankelijk cliënteel.
c) Tetra/Sidel begint met een sterke leidende positie op de markt van PET-verpakkingssystemen, waaronder SBM-machines, met een marktaandeel van [60 à 70 %].
d) Tetra/Sidel zal zich selectief op specifieke afnemers of groepen afnemers kunnen richten, aangezien de marktstructuur prijsdiscriminatie mogelijk maakt.
e) Voor Tetra/Sidel zal er een sterke economische prikkel bestaan om gebruik van de hefboomwerking te maken. Daar karton en PET technisch uitwisselbaar zijn, is een afnemer die op PET overgaat, verloren voor het karton, hetzij omdat hij minder karton gaat gebruiken, hetzij omdat hij voor een deel van zijn productie, dat voorheen in ander materiaal werd verpakt, de kartonfase overslaat. Dat vormt een extra prikkel om de afnemer voor PET te strikken en aldus dat verlies te compenseren. Daarom zal Tetra/Sidel dankzij haar bestaande positie op de kartonmarkt niet slechts haar marktaandeel bij PET versterken, maar haar eventuele verliezen op de kartonmarkt tegengaan of compenseren.
f) Tetra/Sidel's concurrenten zowel op de markt van karton- als op die van PET-installaties zullen veel kleinere ondernemingen zijn; de belangrijkste concurrent heeft niet meer dan [10 à 20 %] van de markt van kartonverpakkingsmachines of van SBM-machines."
49 Het is de huidige machtspositie van Tetra op de markten van aseptisch karton die bepalend is voor de wijze waarop die hefboomwerking zal worden ingezet (punt 364 van de considerans):
"Tetra/Sidel zal die positie op verschillende manieren kunnen benutten, bijvoorbeeld door de verkoop van installaties en verbruiksproducten voor kartonnen verpakkingen te koppelen aan de verkoop van PET-verpakkingsinstallaties en eventueel ook van preforms (met name preforms met barrière). Zij zou ook gebruik kunnen maken van pressiemiddelen of prikkels (zoals afbraakprijzen, een prijzenoorlog of getrouwheidskortingen) om zijn kartonafnemers ertoe te brengen, PET-installaties en eventueel preforms bij Tetra/Sidel te kopen en niet bij haar concurrenten of bij converters."
50 De Commissie wijst er ook op, dat "tal van afnemers die voor een deel van hun productie kartonnen verpakkingen blijven gebruiken, gedwongen of gestimuleerd kunnen worden om zowel hun karton- als hun PET-installaties bij één enkele leverancier te kopen", en dat "vooral afnemers die met Tetra langlopende leveringscontracten voor verpakkingskarton hebben, gevoelig zijn voor een dergelijke druk" (punt 365 van de considerans).
51 Door de hefboomwerking kunnen de concurrenten van Tetra/Sidel van de markt van SBM-machines voor gevoelige producten verdrongen worden, en wel om de volgende redenen:
"a) of concurrenten in de segmenten van niet-gebonden producten, zoals mineraalwaters en koolzuurhoudende frisdranken, kunnen blijven verkopen, is niet van belang. Dit is een gevolg van het vermogen een discriminerend prijsbeleid te voeren of zich op specifieke groepen afnemers te richten, wat leidt tot segmentatie van de relevante markten naar eindgebruik; b) tot de segmenten gevoelige producten behoren zeer gecompliceerde vloeistoffen, waarvoor zeer speciale PET-productieketens nodig zijn, waarin met name gebruik wordt gemaakt van de barrièretechnologie en van aseptische vulmachines, of ook aseptische SBM-combimachines (die zowel spuitgieten als vullen en afsluiten). Voor de concurrenten bestaat er geen voldoende prikkel om in die sector van geavanceerde PET-installaties te investeren en te concurreren [...] en zo zullen zij uit de PET-markten van de $nieuwe generatie' verdrongen worden."
52 Daarnaast zouden zij ook "uit de rest van de markt van SBM-machines" verdrongen kunnen worden (punt 370 van de considerans).
53 Die uitkomst is volgens de Commissie te waarschijnlijker wegens de zwakke positie van de concurrenten van de nieuwe entiteit en de geringe koopkracht van haar afnemers. Wat met name de positie van die concurrenten betreft, stelt de Commissie vast, dat - en dit is voor haar het "kapitale punt" - ook indien de drie concurrenten van Sidel op de markt van SBM-machines met grote capaciteit Sidel's aanbod zouden kunnen evenaren, "zij toch niet de machtspositie van de nieuwe entiteit op de markt van kartonnen verpakkingen zullen hebben" (punt 372 van de considerans). Zij preciseert:
"De groep SIG, de enige van die drie concurrenten die zowel op de karton- als op de PET-markt actief zal zijn, zal niet meer dan [10 à 20 %] van de markt van kartonverpakkingsmachines en SBM-machines beheersen. Anders dan de nieuwe entiteit zal SIG niet het complete assortiment van PET-installaties kunnen aanbieden en zij beschikt ook niet over een element - de barrièretechnologie - dat van wezenlijk belang is om in de nieuwe segmenten van PET-producten door te dringen. Geen enkele andere leverancier van verpakkingsinstallaties zal zowel karton- als PET-installaties kunnen aanbieden."
54 Zij concludeert daaruit, dat "door de samenvoeging van de overheersende onderneming op de markt van kartonnen verpakkingen, Tetra, met de leidende onderneming op de markt van PET-verpakkingsinstallaties, Sidel, de voorgenomen concentratie een marktstructuur zou doen ontstaan waarin de nieuwe entiteit de prikkel en de middelen zal vinden om haar leidende positie op de markt van PET-verpakkingsinstallaties, in het bijzonder de voor de gevoelige producten gebruikte SBM-machines (kleine en grote capaciteit), uit te bouwen tot een machtspositie", wat "de mededinging op de gehele markt van SBM-machines zou verstoren" (punt 389 van de considerans).
55 Met betrekking tot de verwachte gevolgen op de kartonmarkten meent de Commissie, dat de concentratie "zou leiden tot het ontstaan van een marktstructuur die Tetra in staat zou stellen haar huidige machtspositie op de markt van kartonnen verpakkingen te versterken door een bron van zware concurrentiedruk te elimineren", wat "ernstige negatieve consequenties voor de sector kartonnen verpakkingen zou hebben" (punten 390 en 391 van de considerans). De Commissie wijst hierbij op de noodzaak om bijzonder waakzaam te zijn, wanneer het, zoals in casu, om de versterking van een al uiterst sterke machtspositie gaat.
56 Zonder de concentratie zullen de ondernemingen in de PET-sector, in het bijzonder Sidel en de converters, volgens de Commissie een commerciële strategie volgen die gericht is op het vergroten van de PET-markt ten koste van het karton. Het argument van Tetra, dat Sidel niet in staat is de prijs van SBM-machines te beïnvloeden, die een zeer klein gedeelte van de totale verpakkingskosten uitmaakt, noemt de Commissie irrelevant; waar het op aankomt, is het vermogen van Tetra om zowel de prijzen van kartonmachines als van kartonnen producten te beïnvloeden.
57 Zonder de concentratie "zullen de ondernemingen in de PET-sector waarschijnlijk een felle concurrentiestrijd voeren om het karton marktaandeel te ontnemen" (punt 398 van de considerans). Te verwachten valt, dat "Tetra haar positie koste wat kost zal verdedigen, door te zoeken naar betere oplossingen voor haar kartonnen verpakkingen, door innovatie, verbetering van technieken, nieuwe vormen en sluitingen voor kartonnen verpakkingen en, in sommige gevallen, lagere kartonprijzen", zoals zij dat in het verleden heeft gedaan met de productie van "nieuwe gebruiksvriendelijke verpakkingen, zoals de $gabletop'-doos met schroefdop" (punt 398 van de considerans). De concentratie zou Tetra niet slechts een dergelijke concurrentie-inspanning besparen, maar haar bovendien in staat stellen "de overgang van karton op PET in sterke mate te sturen" (punt 399 van de considerans). Zo zou zij, enerzijds, "het huidige prijsniveau van kartonnen verpakkingen kunnen handhaven voor afnemers, of voor het gedeelte van de productie van bepaalde afnemers, die niet of niet volledig op PET kunnen overgaan wegens de voorkeur van de consumenten, de kosten van die overgang of het bestaan van langlopende contracten", terwijl zij, anderzijds, ten opzichte van afnemers die op PET willen overgaan, de mogelijkheid zou behouden "hun keuze van verpakkingsmachines te beïnvloeden, bijvoorbeeld door het tijdstip van de overgang te bepalen, of door aangepaste, op maat gesneden oplossingen aan te bieden, waardoor zij haar marktaandeel bij PET-installaties zou kunnen vergroten" (punt 399 van de considerans). Daarmee zou Tetra "het grote voordeel van haar voornaamste concurrent, de groep SIG, teniet kunnen doen, die thans de enige andere onderneming ter wereld is die zowel karton- als PET-verpakkingsinstallaties fabriceert en verkoopt" (punt 400 van de considerans).
58 Voorts meent de Commissie, dat "de omstandigheid dat de nieuwe entiteit een machtspositie bezit op twee naburige markten (karton- en PET-verpakkingsinstallaties), en een belangrijke rol speelt op een derde markt (HDPE), haar een bijzonder sterke positie zou bezorgen op het gebied van de verpakking van de betrokken eindproducten (VZP, sappen, KDV, thee/koffiedranken)" (punt 404 van de considerans). Dit zou ook Tetra's reeds "zeer sterke" positie (punt 407 van de considerans) in de sector verpakkingen voor die gevoelige producten verder verstevigen en de markttoegang voor haar concurrenten nog moeilijker maken. Dat zou Tetra/Sidel in staat stellen "die concurrenten te marginaliseren en [...] haar machtspositie op de relevante markten van karton- en PET-verpakkingsmachines, in het bijzonder bij SBM-machines voor gevoelige producten, te versterken" (punt 408 van de considerans).
De verbintenissen
59 De in een bijlage bij de bestreden beschikking omschreven verbintenissen worden door de Commissie samengevat als volgt (punt 410 van de considerans): "a) cessie van Tetra's activiteiten op het gebied van SBM-machines; b) cessie van Tetra's activiteiten op het gebied van PET-preforms; c) voortbestaan van Sidel als aparte vennootschap naast de Tetra-Pakvennootschappen en handhaving van de reeds krachtens artikel 82 EG getroffen corrigerende maatregelen; d) verlening van een licentie voor Sidel's SBM-machines voor de verkoop aan afnemers die gevoelige producten verpakken, en aan converters". Voor de Commissie volstaan deze verbintenissen niet "om de voornaamste mededingingsproblemen op de markten van PET- en kartonverpakkingsinstallaties op te lossen" (punt 424 van de considerans). De voorgestelde verkoop van Tetra's activiteiten op het gebied van SBM-machines en PET-preforms zou slechts "minieme gevolgen voor de positie van de nieuwe entiteit" hebben, terwijl de licentie, met name wat Sidel's activiteiten op het gebied van SBM-machines voor gevoelige producten betreft, niet slechts onvoldoende zou zijn om de genoemde problemen op te lossen, maar ook geen "werkbare" oplossing zou zijn. Door die licentie "zouden in werkelijkheid zelfs ingewikkelde mechanismen op de markt kunnen ontstaan, die op een kunstmatige marktregeling zouden uitlopen" (punt 424 van de considerans). Wat ten slotte de twee functioneringsverbintenissen betreft - scheiding van Sidel's activiteiten van die van Tetra en eerbiediging van artikel 82 EG -, "deze worden geacht onvoldoende te zijn ter oplossing van de problemen die uit de door de concentratie ontstane marktstructuur zouden voortvloeien" (punt 424 van de considerans).
60 Daar de verbintenissen "alle tezamen onvoldoende zijn om de veroorzaakte mededingingsproblemen op te lossen", is de Commissie van oordeel, dat zij "derhalve niet de grondslag voor een goedkeuringsbeschikking kunnen zijn" (punt 451 van de considerans).
61 Bijgevolg bepaalt artikel 1 van de bestreden beschikking:
"De door Tetra Laval BV [...] op 18 mei 2001 bij de Commissie aangemelde concentratie, waardoor zij de uitsluitende zeggenschap over de onderneming Sidel SA zou verkrijgen, wordt onverenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-Overeenkomst."
Het procesverloop
62 Bij verzoekschrift, op 15 januari 2002 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld.
63 Bij op dezelfde dag neergelegde akte heeft verzoekster tevens verzocht om toepassing van de versnelde procedure overeenkomstig artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering. In haar op 5 februari 2002 ingediende opmerkingen heeft de Commissie met dat verzoek ingestemd.
64 Op 6 februari 2002 heeft de Eerste kamer van het Gerecht, waaraan de zaak was toegewezen, besloten volgens de versnelde procedure uitspraak te doen.
65 De Commissie heeft haar verweerschrift op 12 maart 2002 ingediend.
66 Bij verzoekschrift, op 19 maart 2002 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster een tweede beroep ingesteld (zaak T-80/02), strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van 30 januari 2002 (zie punt 26 supra), met het verzoek het onderhavige beroep te voegen met dat in zaak T-80/02. Bij op dezelfde dag neergelegde akte heeft verzoekster tevens verzocht om toepassing van de versnelde procedure in zaak T-80/02, met welk verzoek de Commissie in haar op 3 april 2002 ingediende opmerkingen heeft ingestemd. Ook deze zaak is aan de Eerste kamer van het Gerecht toegewezen.
67 Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64, lid 3, sub e, van het Reglement voor de procesvoering zijn partijen op 19 maart 2002 uitgenodigd voor een informele bijeenkomst met de rechter-rapporteur op 4 april 2002.
68 Tijdens die informele bijeenkomst heeft verzoekster ermee ingestemd, dat haar verzoek om voeging van de onderhavige zaak met zaak T-80/02 zou worden geacht te zijn ingetrokken, indien de terechtzittingen in de twee zaken direct na elkaar konden worden gehouden en de arresten, met toepassing van de versnelde procedure, op dezelfde dag zouden worden gewezen. Partijen hebben op die bijeenkomst verlof gekregen om uiterlijk een week vóór de terechtzitting in de twee zaken pleitnota's in te dienen.
69 Op 18 april 2002 heeft de Eerste kamer van het Gerecht het verzoek om toepassing van de versnelde procedure in zaak T-80/02 ingewilligd en de data van de terechtzittingen in de twee zaken bepaald op 26 en 27 juni 2002.
70 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft de Eerste kamer van het Gerecht in haar conferentie van 10 juni 2002 besloten de mondelinge behandeling te openen. In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft zij partijen bij brief van 11 juni 2002 voorts verzocht om, bij voorkeur vóór de terechtzitting, binnen de voor de indiening van de pleitnota's bepaalde termijn, of anders op de terechtzitting een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden (hierna: "schriftelijke vragen"). Tevens is de Commissie verzocht een bepaald stuk over te leggen.
71 Op 19 juni 2002 hebben partijen hun pleitnota's ter griffie van het Gerecht neergelegd. Die van verzoekster bevat een verzoek om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens in enkele tot het dossier behorende stukken; het vertrouwelijke karakter van die gegevens wordt door de Commissie in haar eigen pleitnota niet betwist. Op dezelfde dag hebben partijen ook hun antwoorden op de schriftelijke vragen ingediend en heeft de Commissie het gevraagde stuk overgelegd.
72 Na de verhindering van een van de rechters van de Eerste kamer heeft de president van het Gerecht op 24 juni 2002 ter aanvulling van de kamer overeenkomstig artikel 32, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering rechter J. Pirrung aangewezen; de twee terechtzittingen waarin was voorzien, zijn uitgesteld tot 3 en 4 juli 2002.
73 Bij brief van 24 juni 2002 heeft verzoekster haar verzoek om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens in het dossier van de zaak aangevuld.
74 Bij afzonderlijke brief van dezelfde dag heeft zij verzocht om een stuk waarvan de Commissie al een afschrift bezat, in het dossier op te nemen. Het betreft het "Verslag van de raad van bestuur" van Sidel over het jaar 2001 (hierna: "jaarverslag van Sidel"). Dat verzoek is door de Eerste kamer van het Gerecht op 26 juni 2002 ingewilligd.
75 Op aanvullend rapport van de rechter-rapporteur heeft de Eerste kamer van het Gerecht in zijn conferentie van 27 juni 2002 besloten, de Commissie om overlegging van verscheidene stukken te vragen, in het bijzonder de rapporten van Canadean, PCI, Warrick en Pictet, en om beantwoording van twee aanvullende schriftelijke vragen (hierna: "aanvullende schriftelijke vragen").
76 Op 1 juni 2002 heeft de Commissie haar antwoorden op de aanvullende schriftelijke vragen ingediend en de verlangde stukken geproduceerd. Behalve de door de Commissie als vertrouwelijk aangemerkte antwoorden op de enquête zijn al die stukken bij het dossier gevoegd.
77 Ter terechtzitting van 3 en 4 juli 2002 hebben partijen pleidooi gehouden en vragen van het Gerecht beantwoord.
78 Op die terechtzitting heeft het Gerecht besloten verzoekster toegang te verlenen tot een niet-vertrouwelijke versie van bepaalde antwoorden op de enquête. Vijf van die antwoorden, waarvan na verificatie door het Gerecht bleek dat zij geen antwoord op de gestelde vragen gaven (vier stukken), of waarvan duidelijk was dat zij in hun geheel vertrouwelijk waren (één stuk), zijn niet aan verzoekster medegedeeld. De niet-vertrouwelijke versie van de antwoorden, door het Gerecht krachtens artikel 67, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering opgesteld, is in het dossier opgenomen en een afschrift ervan is aan verzoekster gegeven. Desverzocht heeft het Gerecht verzoekster een week de tijd gelaten voor eventuele schriftelijke opmerkingen over deze versie van de antwoorden op de enquête. Bij brief van 8 juli 2002 heeft verzoekster meegedeeld van opmerkingen af te zien, maar wel haar middel ten gronde betreffende die stukken te handhaven.
Conclusies van partijen
79 Daar aan de tijdens de informele bijeenkomst gestelde voorwaarden voor wijziging van haar conclusies was voldaan, concludeert verzoekster thans dat het het Gerecht behage:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten ter verwijzen.
80 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
In rechte
81 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen vijf middelen aan. Tijdens de informele bijeenkomst op 4 april 2002 heeft zij beklemtoond, dat zij, zoals in haar schrifturen uiteengezet, de bestreden beschikking betwist in zoverre deze gericht is tegen de concentratie zoals door de verbintenissen aangepast (hierna: "gewijzigde concentratie"). Zij verzoekt het Gerecht derhalve, zich bij zijn onderzoek te concentreren op de situatie die door de aangeboden verbintenissen zou ontstaan.
82 In haar eerste, formeelrechtelijke middel stelt verzoekster, dat de Commissie in de fase vóór de vaststelling van de bestreden beschikking haar recht op toegang tot het dossier van de zaak heeft miskend. Ten gronde stelt zij, dat de Commissie, door de gewijzigde concentratie niet goed te keuren, artikel 2, lid 3, van de verordening verkeerd heeft toegepast. Hiervoor voert zij aan, dat de gewijzigde concentratie geen aanmerkelijke mededingingsbeperkende horizontale en verticale effecten heeft (i), noch ook effecten in de zin van conglomeraatsvorming (ii), voorts dat de Commissie de juiste waarde van de verbintenissen niet heeft onderkend (iii), en ten slotte, dat de Commissie de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd (iv).
I - Schending van het recht op toegang tot het dossier
A - Argumenten van partijen
83 Verzoekster stelt, dat de Commissie haar geen volledige toegang tot het dossier heeft gegeven; verscheidene stukken, waarvan de Commissie in de bestreden beschikking ruim gebruik maakt om er voor Tetra nadelige conclusies aan te verbinden, zijn haar nooit medegedeeld. Het betreft in de eerste plaats een rapport van 10 september 2001 van een externe economisch deskundige van de Commissie, Ivaldi (hierna: "rapport Ivaldi"), over de econometrische analyse van de in het verleden door Sidel toegepaste verkoopmarges (hierna: "econometrische analyse"), waarvan zij slechts een samenvatting van één bladzijde heeft gekregen. In de tweede plaats zijn er de antwoorden op de enquête, waarvan zij enkel twee samenvattingen heeft ontvangen. Ondanks Tetra's verzoek van 19 oktober 2001 om toegang tot de volledige versie van die stukken in plaats van gebrekkige samenvattingen, had de raadadviseur-auditeur de weigering van de Commissie om inzage te verlenen, op 25 oktober 2001 bevestigd. Verzoekster betoogt, dat die weigering onverenigbaar is met de mededeling van de Commissie inzake de interne procedures voor de behandeling van verzoeken om toegang tot een dossier bij de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het EG-Verdrag, van de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (PB 1997, C 23, blz. 3; hierna: "mededeling dossiertoegang"), en met de rechtspraak (arrest Hof van 25 oktober 1983, AEG/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punten 23 e.v., en arrest Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T-30/91, Jurispr. blz. II-1775, punten 58 e.v.).
84 Verzoekster merkt ook op, dat de Commissie, gezien het belang dat zij in de bestreden beschikking (met name punten 346 e.v. van de considerans) aan de econometrische analyse toekent, zich daarvoor op nog andere stukken had moeten baseren dan alleen maar het rapport Ivaldi, voorzover dit verzoekster uit de haar meegedeelde samenvatting bekend is.
85 De Commissie betoogt, dat verzoekster toegang heeft gehad tot de onderdelen van het dossier waarnaar in de bestreden beschikking wordt verwezen en waarop deze is gebaseerd. Onder verwijzing naar artikel 13, lid 3, van verordening nr. 447/98 en het arrest van het Gerecht van 28 april 1999, Endemol/Commissie (T-221/95, Jurispr. blz. II-1299, punt 65), verklaart de Commissie, dat het recht op toegang slechts gerechtvaardigd is in zoverre het de betrokken onderneming in staat stelt haar opmerkingen over de gegrondheid van de bezwaren van de Commissie te maken met kennis van de stukken waarop deze zich voor die bezwaren heeft gebaseerd. In casu heeft Tetra dergelijke opmerkingen kunnen maken.
86 Wat in de eerste plaats het rapport Ivaldi betreft, merkt de Commissie op, dat verzoekster tijdens de administratieve procedure zich in verband met de econometrische analyse niet over toegang tot het dossier heeft beklaagd en thans dus niet meer kan stellen, dat de rechten van de verdediging zijn geschonden. Genoemd rapport bevat een zeer korte analyse, wat zijn verklaring vindt in het feit, dat het een antwoord en een correctie is op de voordien door Tetra overgelegde analyse. Tetra is in de gelegenheid gesteld opmerkingen over dat rapport te maken (en haar deskundigen hebben dat tijdens de hoorzitting voor de Commissie op 26 september 2001 ook gedaan). Bovendien vormt het rapport slechts een aanvulling op het door de Commissie verrichte marktonderzoek. Dus ook als de stelling van verzoekster juist was, quod non, zou dat niet kunnen leiden tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, omdat genoemd rapport geen invloed op de inhoud ervan heeft gehad.
87 Wat in de tweede plaats de antwoorden op de enquête betreft, verklaart de Commissie, dat ook deze van ondergeschikt belang waren, omdat zij zich hoofdzakelijk op haar eigen beoordeling van de ontoereikendheid van de verbintenissen heeft gebaseerd. Enerzijds was zij om redenen van vertrouwelijkheid verplicht de toegang tot die antwoorden te weigeren (arrest Hof van 6 april 1995, BPB Industries en British Gypsum/Commissie, C-310/93 P, Jurispr. blz. I-865, punt 26), anderzijds kan een respondent in een enquête ingevolge artikel 17, lid 2, van verordening nr. 447/98 weliswaar een niet-vertrouwelijke versie van zijn antwoorden inzenden, maar de Commissie heeft hoe dan ook het recht, zakelijke, niet-vertrouwelijke samenvattingen te maken en uitsluitend deze aan de verzoeker voor te leggen (arrest Endemol/Commissie, reeds aangehaald).
88 Bovendien heeft de Commissie tijdens een bijeenkomst op 18 oktober 2001 die antwoorden met verzoekster besproken en haar de samenvattingen ter inzage gegeven. Daardoor, en door het onderzoek en de bevestiging van de raadadviseur-auditeur dat die samenvattingen objectief waren, is volledig recht gedaan aan de rechten van de verdediging. Daar voorts de resultaten van de enquête enkel een bevestiging vormden van de aanvankelijke analyse van de Commissie, kan niet worden geconcludeerd, dat de bestreden beschikking anders zou hebben geluid, wanneer verzoekster wel toegang tot die resultaten had gehad. Het middel inzake schending van de rechten van de verdediging kan dus niet leiden tot nietigverklaring van de bestreden beschikking.
B - Beoordeling door het Gerecht
1. Opmerkingen vooraf
89 De toegang tot het dossier in mededingingszaken heeft met name tot doel, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen, kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij op basis daarvan hun standpunt over de conclusies waartoe de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar is gekomen, behoorlijk kenbaar kunnen maken (arresten Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punten 9 en 11; BPB Industries en British Gypsum/Commissie, reeds aangehaald, punt 21, en 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie, C-51/92 P, Jurispr. blz. I-4235, punt 75). De algemene beginselen van gemeenschapsrecht die de toegang tot het dossier van de Commissie regelen, beogen een daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. In het geval van een beschikking die inbreuken op de mededingingsvoorschriften voor ondernemingen betreft en waarbij geldboetes of dwangsommen worden opgelegd, kan schending van die algemene beginselen in de procedure voorafgaande aan de vaststelling van de beschikking in beginsel tot nietigverklaring van die beschikking leiden, wanneer de rechten van de verdediging van de betrokken onderneming zijn geschonden (arrest Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punten 76 en 77).
90 Om schending van de rechten van de verdediging te kunnen vaststellen, is het voorts voldoende dat komt vast te staan, dat het geheim houden van de betrokken stukken het verloop van de procedure en de inhoud van de bestreden beschikking mogelijkerwijs in het nadeel van verzoekster heeft beïnvloed (arresten Gerecht van 29 juni 1995, ICI/Commissie, T-36/91, Jurispr. blz. II-1847, punt 78; 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T-305/94-T-307/94, T-313/94-T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, Jurispr. blz. II-931, punt 1021, en Endemol/Commissie, reeds aangehaald, punt 87).
91 Reeds eerder heeft het Gerecht bevestigd, dat deze beginselen op de in de verordening geregelde procedures van toepassing zijn, ook al kan die toepassing in redelijke mate worden gemodificeerd door het vereiste van snelheid dat voor de algehele opzet van de verordening kenmerkend is (arrest Endemol/Commissie, reeds aangehaald, punt 68).
92 In casu moet dus worden nagegaan, of door de wijze waarop verzoekster toegang heeft gekregen tot bepaalde stukken van het administratief dossier van de Commissie, inbreuk op de rechten van de verdediging is gemaakt.
2. Eerste onderdeel van het middel: het rapport Ivaldi
93 Ook indien het argument van de Commissie, dat het middel inzake schending van de rechten van de verdediging tardief is, juist zou zijn, kan men het in de bijzondere omstandigheden van het geval niet laten gelden. Immers, verzoeksters verklaring over de blijkbaar zeer beperkte rol van Ivaldi tijdens de hoorzitting voor de raadadviseur-auditeur is door de Commissie niet weersproken en deze heeft later ook niet gereageerd op de memorie van de economen die Tetra tijdens die hoorzitting heeft overgelegd. Gelet op een en ander ligt het voor de hand, dat verzoekster vóór de vaststelling van de bestreden beschikking niet heeft beseft, hoeveel belang de Commissie aan de econometrische analyse van dat rapport zou hechten.
94 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat verzoekster voldoende toegang tot het rapport Ivaldi heeft gehad, wat zij ook niet serieus betwist. Zoals de Commissie immers heeft verklaard, was dat rapport zo kort, omdat het een reactie was op een door verzoekster zelf overgelegde analyse. Enkel indien er andere stukken waren die verband hielden met de in de bestreden beschikking verrichte econometrische analyse, en Tetra deze niet had kunnen inzien, zou er dus sprake kunnen zijn van weigering van toegang tot het dossier van de Commissie.
95 Wanneer de betrokken instelling verklaart, dat een document waartoe toegang wordt gevraagd, niet bestaat, dan moet er volgens de rechtspraak van worden uitgegaan, dat dat inderdaad zo is. Het betreft hier echter een gewoon vermoeden, dat door de verzoeker met alle middelen kan worden weerlegd op basis van ter zake dienende en overeenstemmende aanwijzingen [zie, in die zin, arresten Gerecht van 12 oktober 2000, JT's Corporation/Commissie, T-123/99, Jurispr. blz. II-3269, punt 58, en 25 juni 2002, British American Tobacco (Investmensts)/Commissie, T-311/00, Jurispr. blz. II-2781, punt 35]. In casu evenwel heeft verzoekster dat vermoeden niet weten te weerleggen.
96 Tot bewijs van haar stelling verwijst verzoekster hoofdzakelijk naar details van de econometrische analyse in de bestreden beschikking. Uit het dossier, met name de bijlagen bij de partijmemories over de juistheid van de hier tegenover elkaar staande econometrische analyses, blijkt dat die van de Commissie grotendeels op de haar door verzoekster verstrekte gegevens is gebaseerd. De enige andere gegevens die de Commissie bij de formulering van de in haar analyse gebruikte variabelen in aanmerking heeft genomen, berusten op de kritiek die Ivaldi in zijn rapport levert op de in de analyse van Tetra gebruikte variabelen. Steun voor deze conclusie is te vinden in het opschrift van het rapport Ivaldi, namelijk (enkelvoud) "Note to the file/Internal" ("Aantekening voor het dossier/intern").
97 Hieraan wordt niet afgedaan door het argument dat verzoekster aan de mededeling dossiertoegang ontleent. Het is immers duidelijk, dat de door Ivaldi in de vorm van een advies verleende bijstand geen "studie" is die ingevolge punt I.B, vierde alinea, van die mededeling toegankelijk moest zijn. Voorts kan de juistheid van de in het rapport vervatte analyse niet worden betwist in het kader van een middel ontleend aan schending van het recht op toegang tot het dossier. Door zich bij de bestudering van de door verzoekster overgelegde econometrische analyses door Ivaldi te doen bijstaan, is de Commissie derhalve niet te kort geschoten in de verplichtingen die zij in genoemde mededeling op zich had genomen.
3. Tweede onderdeel van het middel: de antwoorden op de enquête
98 Met betrekking tot de antwoorden van derden op verzoeken om inlichtingen dient de Commissie volgens de rechtspraak rekening te houden met het risico, dat een onderneming met een machtspositie op de markt represaillemaatregelen neemt tegen concurrenten, leveranciers of afnemers die medewerking hebben verleend aan het onderzoek van de Commissie (arresten BPB Industries en British Gypsum/Commissie, punt 26, en Endemol/Commissie, punt 66, beide reeds aangehaald). In verband daarmee mogen derden die de Commissie in het kader van haar onderzoek stukken ter hand stellen en die menen, dat dat hun op represailles zou kunnen komen te staan, verwachten dat aan hun verzoek om vertrouwelijke behandeling wordt voldaan.
99 Wanneer sommige derden vragen hun identiteit niet bekend te maken, kan het voor de Commissie noodzakelijk zijn, ook de identiteit van andere bij de procedure betrokken derden geheim te houden, zelfs indien dezen de vragenlijsten van de Commissie hebben beantwoord zonder om vertrouwelijke behandeling te verzoeken (arrest Endemol/Commissie, reeds aangehaald, punt 70)
100 Het valt niet uit te sluiten, dat dit vertrouwelijkheidsvereiste ook de opstelling van niet-vertrouwelijke samenvattingen van alle verstrekte antwoorden kan rechtvaardigen (in die zin, arrest Endemol/Commissie, reeds aangehaald, punten 71 en 72).
101 Met andere woorden, het enkele feit dat artikel 17, lid 2, van verordening nr. 447/98 derden die vertrouwelijke behandeling wensen, verplicht de als vertrouwelijk beschouwde gedeelten van hun antwoord duidelijk aan te geven, verhindert niet, dat de Commissie, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van verordening nr. 447/98 en de doelstelling van artikel 287 EG, ambtshalve beoordeelt, of de zakengeheimen van bepaalde bij de procedure betrokken derden dan wel andere vertrouwelijke gegevens gevaar lopen bekend te worden, wanneer onbeperkte toegang wordt verleend tot de antwoorden van andere derden, die zelf niet om vertrouwelijke behandeling hebben verzocht.
102 Indien evenwel een aanmeldende partij (dat wil zeggen een "betrokkene" in de zin van artikel 18, lid 1, van de verordening) om toegang tot het dossier verzoekt, dient de Commissie, althans tot het stadium van raadpleging van het Raadgevend Comité overeenkomstig dat artikel, elke beperking van het recht van toegang te motiveren, waarbij elke beperking van dat recht restrictief moet worden uitgelegd, in het bijzonder wanneer de Commissie voornemens is de aangemelde concentratie te verbieden.
103 Wat de antwoorden op de enquête betreft, heeft Tetra slechts toegang gekregen tot twee door de Commissie opgestelde niet-vertrouwelijke samenvattingen van alle antwoorden en niet tot de antwoorden zelf, ook niet in een niet-vertrouwelijke versie (zie punt 22 supra). De Commissie merkt dienaangaande op, dat veel respondenten haar om vertrouwelijke behandeling hadden gevraagd, in sommige gevallen met de uitdrukkelijke vermelding dat zij bang waren voor represailles. Na verificatie door het Gerecht krachtens artikel 67, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering is echter gebleken, dat de Commissie de 51 geënquêteerden niet erop had gewezen, althans niet op de gefaxte omslagen van de vragenlijsten, dat zij ingevolge artikel 17, lid 2, van verordening nr. 447/98 verplicht waren de door hen als vertrouwelijk beschouwde gedeelten van hun antwoorden duidelijk aan te geven. Op een totaal van 34 teruggezonden ingevulde enquêteformulieren, waarvan er 30 bruikbaar waren, zijn er niettemin zes die een uitdrukkelijk verzoek om vertrouwelijke behandeling bevatten. Een van die respondenten heeft de Commissie ook een niet-vertrouwelijke versie van zijn antwoorden verstrekt, overeenkomstig artikel 17, lid 2, van verordening nr. 447/98.
104 Derhalve moet worden nagegaan, of de beslissing van de Commissie om verzoekster geen toegang te geven tot de antwoorden op de enquête noch tot een niet-vertrouwelijke versie ervan, maar uitsluitend tot twee niet-vertrouwelijke samenvattingen van al die antwoorden, gerechtvaardigd is.
105 Het snelheidsvereiste dat kenmerkend is voor de algehele opzet van de verordening, vormt op zich geen rechtvaardiging voor een weigering als waarom het hier gaat. Indien de Commissie de tijd ontbrak om de respondenten om een niet-vertrouwelijke versie van hun antwoorden overeenkomstig artikel 17, lid 2, van verordening nr. 447/98 te vragen, had zij verzoekster in elk geval duidelijk moeten maken, in hoeverre de weigering van toegang ook tot een niet-vertrouwelijke versie van de antwoorden gerechtvaardigd was wegens de meer of minder sterke vrees voor represailles of andere schadelijke of ongewenste gevolgen van de respondenten die enkel om vertrouwelijke behandeling van hun antwoorden hadden verzocht zonder een niet-vertrouwelijke versie ervan te verstrekken. Hoewel de zeer korte termijnen in de tweede fase van een fusiecontroleprocedure om praktische redenen, en vooral wanneer vele verzoeken om vertrouwelijke behandeling zijn ingediend, grond kunnen opleveren om niet-vertrouwelijke samenvattingen te maken, blijft de Commissie verplicht een algemene weigering van toegang tot de antwoorden in een marktonderzoek dat in verband met de door een betrokkene aangeboden verbintenissen is verricht, te motiveren. Deze verplichting geldt zeker met betrekking tot antwoorden die haar zijn gezonden zonder dat om vertrouwelijke behandeling werd verzocht, althans niet formeel.
106 Uit het antwoord van de raadadviseur-auditeur van 25 oktober 2001 op Tetra's verzoek van 19 oktober 2001 om toegang te krijgen tot het dossier, blijkt dat het standpunt van de Commissie over die toegang in het onderhavige geval een algemeen karakter had. De Commissie was van oordeel, dat het verstrekken van samenvattingen van de antwoorden op de enquête, welke samenvattingen volgens de raadadviseur-auditeur nauwkeurig en gedetailleerd waren, een adequate manier was om de rechten van de verdediging van Tetra te eerbiedigen.
107 Met name gezien de omstandigheid dat bepaalde respondenten hadden verklaard te vrezen voor mogelijke represailles door verzoekster, indien hun antwoorden niet vertrouwelijk zouden blijven, moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat dat een vertrouwelijke behandeling van alle antwoorden noodzakelijk maakte.
108 Het Gerecht heeft zelf kunnen constateren, dat het zonder meer mogelijk was geweest toegang te geven tot een niet-vertrouwelijke versie van ten minste 30 antwoorden, door de vertrouwelijke gegevens onleesbaar te maken. In de tweede plaats moet daarom worden nagegaan, of door het feit dat enkel toegang tot de samenvattingen is gegeven, de rechten van de verdediging daadwerkelijk zijn geschonden.
109 De verklaring van de Commissie, dat zij in de bestreden beschikking uitsluitend naar de antwoorden op de enquête heeft verwezen om een conclusie te ondersteunen waartoe zij met betrekking tot de verbintenissen al op andere, zelfstandige gronden was gekomen, lijkt enige bevestiging te vinden in de tekst van de bestreden beschikking (met name punten 424 en 425 van de considerans). Dit neemt niet weg, dat van ten minste één voor verzoekster negatieve conclusie met betrekking tot de verbintenissen wordt gezegd, dat zij "door de marktanalyse bevestigd" wordt (punt 428 van de considerans).
110 In een memorandum van 18 oktober 2001 en een op 19 oktober 2001 bij de raadadviseur-auditeur ingediende formele klacht heeft Tetra geklaagd over bepaalde omissies en onnauwkeurigheden in de vragenlijsten van de enquête, die zij had kunnen inzien, in het bijzonder in de uiteenzetting betreffende de door Tetra aangeboden verbintenis inzake de licentie voor de SBM-machines van Sidel. In zijn antwoord van 25 oktober 2001 verklaarde de raadadviseur-auditeur, dat de enquête van de Commissie objectief was en dat de vragenlijsten niet misleidend waren. Tevens wees hij erop, dat de niet-vertrouwelijke tekst van de verbintenissen bij de vragenlijsten was gevoegd en dat de Commissie er daarom van mocht uitgaan, dat de respondenten die tekst zouden lezen.
111 De klacht en het memorandum zijn beide gevoegd bij en worden aangehaald in een voetnoot van het verzoekschrift. De tegenwerping van de Commissie ter terechtzitting, dat wat verzoekster in haar pleidooien opmerkt over de onnauwkeurigheid van de vijfde vraag in de aan de afnemers gezonden vragenlijst, een nieuw argument en dus niet-ontvankelijk is, mist derhalve elke grond.
112 Verzoekster betoogt, dat in zoverre in de vragenlijsten de vraag werd gesteld, of de verbintenissen verzoeksters positie op de markt van kartonnen verpakkingen "aanmerkelijk [zouden] verzwakken" en "daadwerkelijk een einde [zouden] maken" aan de sterke positie van de nieuwe entiteit op de markt van het verpakken van gevoelige vloeibare voedingsmiddelen, dit de respondenten op een dwaalspoor had kunnen brengen met betrekking tot de in artikel 2, lid 3, van de verordening gestelde criteria. Dit argument treft geen doel, want ook indien sommige respondenten bij hun antwoorden zouden zijn uitgegaan van andere criteria dan die welke in artikel 2, lid 3, van de verordening worden vermeld, had verzoekster ook zonder toegang tot de betrokken antwoorden te hebben, de Commissie tijdens de administratieve procedure aan de betekenis van die criteria kunnen herinneren.
113 Dit geldt te meer nu Tetra, zoals zij in haar memorandum van 18 oktober 2001 heeft erkend, al in het begin kennis heeft kunnen nemen van de aan de afnemers en converters gezonden vragenlijsten. De Commissie had haar weliswaar ook de vragenlijsten voor de concurrenten ter inzage moeten geven, maar ter terechtzitting heeft verzoekster toegegeven, dat zij later langs andere weg daarvan kennis heeft gekregen. Zoals Tetra ter terechtzitting eveneens heeft erkend, gaat het haar in werkelijkheid echter niet om laatstbedoelde vragenlijst. Waar zij toegang tot de vragenlijsten had gehad en kennis had genomen van de door de Commissie opgestelde samenvattingen van de antwoorden op de enquête, is het duidelijk, dat zij de raadadviseur-auditeur in haar klacht had kunnen wijzen op de verplichting van de Commissie om uitsluitend de criteria van artikel 2, lid 3, van de verordening toe te passen.
114 Ofschoon verzoekster beweert, dat de uiteenzetting over Tetra's verbintenis inzake de licentie in de aan de afnemers en converters gezonden vragenlijsten misleidend was, blijkt al bij enkele lezing van die vragenlijsten, dat een normaal oplettende respondent niet op een dwaalspoor kon worden gebracht. De gestelde vragen bevatten weliswaar enkele details betreffende de licentie, die in het uiterste geval misleidend hadden kunnen zijn voor een respondent die niet de moeite nam ze te bestuderen in het licht van de meegezonden niet-vertrouwelijke versie van de verbintenissen, maar de Commissie mocht ervan uitgaan, dat de respondenten deze versie zouden lezen. In casu heeft verzoekster niet aangetoond dat, in het geval dat een respondent die details onduidelijk had gevonden, een eenvoudige vergelijking met de verbintenis inzake de licentie niet zou hebben volstaan om de precieze strekking van die verbintenis op te helderen.
115 In elk geval blijkt uit de niet-vertrouwelijke versie van de door de afnemers en converters gegeven antwoorden op de enquête niet, dat dezen bij de formulering van hun antwoorden zijn misleid of in verwarring zijn gebracht. Legt men voorts de door de Commissie aan Tetra gegeven samenvatting van de antwoorden naast die niet-vertrouwelijke versie, dan lijken daarin geen gegevens of details te ontbreken die voor verzoekster nuttig hadden kunnen zijn om het bestaan van een dergelijke misleiding of verwarring bij de respondenten aan te tonen. Deze conclusie vindt steun in Tetra's beslissing om in deze procedure geen aanvullende schriftelijke opmerkingen over die versie van de antwoorden in te dienen (zie, in die zin, arrest Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punt 80).
116 En ten slotte lijkt ook het enige antwoord waarvan het Gerecht na verificatie heeft vastgesteld dat het in zijn geheel als vertrouwelijk was te beschouwen (zie punt 78 supra), in de samenvattingen van de antwoorden op de enquête correct te zijn weergegeven.
117 Door Tetra slechts toegang te verlenen tot niet-vertrouwelijke samenvattingen van de antwoorden op de enquête, heeft de Commissie derhalve de rechten van de verdediging niet geschonden.
4. Conclusie
118 Uit het voorgaande volgt, dat het middel ontleend aan schending van het recht op toegang tot het dossier, moet worden afgewezen.
II - Schending van artikel 2 van de verordening
A - Opmerkingen vooraf
119 De materieelrechtelijke voorschriften van de verordening, in het bijzonder artikel 2 ervan, geven de Commissie een zekere discretionaire bevoegdheid, met name op het punt van economische beoordelingen. Bij zijn toezicht op de uitoefening van die - voor de opstelling van regels voor concentraties essentiële - bevoegdheid dient de gemeenschapsrechter derhalve rekening te houden met de beoordelingsmarge die in de economische normen van de concentratieregeling besloten ligt (arrest Hof van 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie, "Kali & Salz", C-68/94 en C-30/95, Jurispr. blz. I-1375, punten 223 en 224; arresten Gerecht van 25 maart 1999, Gencor/Commissie, T-102/96, Jurispr. blz. II-753, punten 164 en 165, en 6 juni 2002, Airtours/Commissie, T-342/99, Jurispr. blz. II-2585, punt 64).
120 Volgens artikel 2, lid 3, van de verordening moet onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard een concentratie die een machtspositie in het leven roept of versterkt die tot gevolg heeft, dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan aanmerkelijk wordt belemmerd. Omgekeerd dient de Commissie een binnen het toepassingsgebied van de verordening vallende concentratie verenigbaar te verklaren met de gemeenschappelijke markt, wanneer niet aan de twee voorwaarden van genoemde bepaling is voldaan (arrest Gerecht van 19 mei 1994, Air France/Commissie, T-2/93, Jurispr. blz. II-323, punt 79; zie ook arresten Gencor/Commissie, punt 170, en Airtours/Commissie, punten 58 en 82, beide reeds aangehaald). Wordt geen machtspositie in het leven geroepen of versterkt, dan moet de concentratie dus worden toegestaan, zonder dat het nodig is de gevolgen ervan voor de mededinging te onderzoeken (arrest Air France/Commissie, reeds aangehaald, punt 79).
121 In het licht van deze beginselen moet de gegrondheid van verzoeksters tweede, derde en vierde middel worden onderzocht.
B - Ontbreken van mededingingsbeperkende horizontale en verticale effecten
1. Opmerkingen vooraf
122 Verzoekster stelt, dat alle ongunstige "horizontale" en "verticale" effecten die volgens de bestreden beschikking uit de aangemelde concentratie zouden kunnen voortvloeien, door de verbintenissen worden weggenomen. Voorzover de Commissie toch bepaalde, op die effecten gebaseerde bezwaren tegen de concentratie aanvoert (punten 263-324 van de considerans), betoogt verzoekster, dat die bezwaren, gelet op de verbintenissen, iedere grond ontberen.
123 Volgens de Commissie vergist verzoekster zich wanneer zij zegt, dat de bestreden beschikking bezwaren met betrekking tot horizontale of verticale effecten bevat. In de beschikking wordt immers niet gesproken over het in het leven roepen of versterken van een machtspositie als gevolg van de horizontale of verticale effecten van de concentratie op zich beschouwd. De Commissie houdt echter wel staande, dat de gewijzigde concentratie belangrijke horizontale en verticale effecten zal hebben, die zij niet kan ignoreren. Zij betoogt, dat voorzover er na de verbintenissen nog dergelijke gevolgen blijven bestaan, deze in de bestreden beschikking correct in aanmerking zijn genomen bij de beoordeling van het conglomeraateffect.
124 Het Gerecht stelt vast, dat ook al baseert de Commissie de bestreden beschikking niet op die horizontale en verticale effecten, zij ze wel in aanmerking neemt voor haar conclusie, dat de gewijzigde concentratie verboden moet worden. Zo verklaart zij in de bestreden beschikking, dat "de versterking en het ontstaan van machtsposities" op de markten van PET-verpakkingsinstallaties, in het bijzonder grote en kleine SBM-machines, en van kartonverpakkingssystemen "het gevolg zal zijn van verscheidene factoren", waaronder de "horizontale en verticale effecten" (punt 262 van de considerans). Verder blijkt uit de opmerkingen van de Commissie, en met name de toelichtingen van haar gemachtigde ter terechtzitting, dat vooral haar bezorgdheid over de markten van PET-installaties op die effecten berust. Mitsdien moet verzoeksters afzonderlijke middel over het ontstaan van een machtspositie als gevolg van die effecten worden onderzocht.
2. De horizontale effecten
a) Argumenten van partijen
125 Verzoekster merkt in de eerste plaats op, dat in de bestreden beschikking weliswaar horizontale overlappingen worden vastgesteld tussen drie markten, elk waarvan als een afzonderlijke markt wordt beschouwd, te weten die van SBM-machines met kleine capaciteit, aseptische PET-vulmachines en barrièretechnieken, doch dat de Commissie op geen van die markten het ontstaan of de versterking van een machtspositie verwacht. Het grootste probleem dat de Commissie op het punt van horizontale effecten voorziet, betreft de markt van SBM-machines met kleine capaciteit, maar dit probleem wordt opgelost door de beslissing van Tetra om afstand te doen van Dynaplast, dat wil zeggen haar eigen activiteit op het gebied van SBM-machines. Verzoekster beklemtoont voorts, dat haar verbintenis om een licentie voor de SBM-machines van Sidel te verlenen, Sidel's bestaande positie op de markt van SBM-machines met kleine capaciteit nog meer reduceert.
126 De Commissie erkent, dat de horizontale effecten van de gewijzigde concentratie op zich, dat wil zeggen los van de andere gevolgen van de concentratie, niet tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie zullen leiden. Zij zullen echter wel de positie van de nieuwe entiteit op de PET-markt aanzienlijk versterken, en dit zal door de verbintenissen niet worden verhinderd. Bovendien veranderen de verbintenissen niets aan het probleem van de versterking van Tetra's machtspositie op de kartonmarkten, die volgens de Commissie het gevolg is van het wegvallen van Sidel als potentiële concurrent op de gehele markt van verpakkingssystemen voor gevoelige producten. De verkoop van Dynaplast zal enkel een einde maken aan de horizontale overlapping van Tetra's en Sidel's activiteiten op het gebied van SBM-machines met kleine capaciteit, maar geen enkele consequentie hebben voor Sidel's leidende positie bij SBM-machines met grote capaciteit. Zowel in haar verweerschrift als in haar antwoord op de schriftelijke vragen beklemtoont de Commissie voorts de door de concentratie veroorzaakte versterking van de algemene positie van de nieuwe entiteit bij PET-installaties, zoals aseptische PET-vulmachines, barrièretechnieken en sluitsystemen voor PET-flessen.
b) Beoordeling door het Gerecht
127 In de bestreden beschikking worden drie horizontale mededingingsproblemen geïdentificeerd, die, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, enkel de PET-markt betreffen. Het gaat om ongunstige gevolgen van de aangemelde concentratie voor de markten van SBM-machines met kleine capaciteit, aseptische PET-vulmachines en barrièretechnieken. Onderzocht moet dus worden, of er ondanks de verbintenissen ongunstige horizontale effecten blijven bestaan die de stelling van de Commissie ondersteunen, dat de nieuwe entiteit een machtspositie op de PET-markt zal verkrijgen door haar bestaande machtspositie op de kartonmarkten als hefboom te gebruiken.
128 Wat SBM-machines met kleine capaciteit betreft, heeft verzoeksters verbintenis om afstand van Dynaplast te doen, tot gevolg dat Sidel's huidige aandeel in die markt door de concentratie in het geheel niet zal worden vergroot. Het is dus uitgesloten, dat de positie van Sidel op die markt wordt uitgebouwd en, a fortiori, dat de concentratie de mededinging op dat gedeelte van de markt van SBM-machines "aanmerkelijk" kan belemmeren. Dat door de verbintenissen een einde komt aan de horizontale overlapping van de activiteiten van de partijen bij de aangemelde concentratie op het gebied van die machines, wordt zelfs in de bestreden beschikking erkend (punt 427 van de considerans). Ook al heeft de door de antwoorden op de enquête verkregen informatie, waarnaar de Commissie in haar verweer op dit punt verwijst, enige bewijskracht, de Commissie kan zich niet enerzijds baseren op de betekenis van Dynaplast voor Sidel's positie op de markt van kleine SMB-machines, te weten bijna [20 à 30 %] in termen van marktaandeel (punt 266 van de considerans), en zich anderzijds voor het Gerecht beroepen op het - volgens sommige antwoorden - geringe belang en de geringe rentabiliteit van dat type machines. Verder kan het simpele feit dat Tetra, zoals zij in haar antwoorden op de schriftelijke vragen en ter terechtzitting heeft verklaard, er later niet in is geslaagd een koper voor Dynaplast te vinden, evenmin steun bieden aan de conclusie van de Commissie, maar het bevestigt wel, dat Tetra's positie op de markt van kleine SBM-machines vóór de concentratie weinig rentabel en, ondanks het grote marktaandeel, in feite betrekkelijk zwak was.
129 De conclusie moet dus zijn, dat de gewijzigde concentratie geen overlapping van de activiteiten van de partijen bij die concentratie op de markt van SBM-machines met kleine capaciteit zal veroorzaken. Hiertegen kan ook niet worden ingebracht, althans niet als bewijs voor de geldigheid van de bestreden beschikking, wat de Commissie voor het eerst in haar antwoorden op de schriftelijke vragen te berde brengt met betrekking tot een nieuwe techniek, "TetraFast", die Tetra speciaal voor SBM-machines met kleine capaciteit zou hebben ontwikkeld.
130 Met betrekking tot de markt van aseptische PET-vulmachines moet worden vastgesteld, dat de Commissie het bestaan van aanmerkelijke, voor de mededinging ongunstige horizontale effecten op die markt had behoren uit te sluiten. In de eerste plaats wordt het aandeel van de nieuwe entiteit in die markt door de gewijzigde concentratie slechts in relatief bescheiden mate uitgebreid (te weten [0 à 10 %] van het in 2000 in de EER geïnstalleerde machinepark van dat type), indien men dat aandeel berekent aan de hand van het huidige aandeel van Sidel in die markt [10 à 20 %] (punt 288 van de considerans). In de tweede plaats zijn er al serieuze mededingers op die markt, inclusief nieuwkomers die, zoals in de bestreden beschikking wordt erkend (punt 251 van de considerans), reeds een behoorlijk deel van de verkopen [40 à 50 %] naar zich toe hebben getrokken. Ten slotte wordt aan de stelling van de Commissie evenmin kracht bijgezet door het accent dat zij in haar antwoorden op de schriftelijke vragen en ter terechtzitting heeft gelegd op het commercieel potentieel van de machines van het type LFA-20, waarnaar in de bestreden beschikking wordt verwezen (punt 82 van de considerans, voetnoot 32, en punt 202 van de considerans) en waarmee zowel PET- als HDPE-flessen aseptisch gevuld kunnen worden. Die machines bevinden zich immers - althans volgens Tetra, die ter terechtzitting door de Commissie op dit punt niet is weersproken - nog in de testfase, zowel bij haar als bij haar drie concurrenten die ze eveneens ontwikkelen.
131 Wat de markt van de barrièretechnieken betreft, erkent de Commissie dat, ofschoon de aangemelde concentratie de positie van de nieuwe entiteit op die markt aanzienlijk zal verbeteren, zij "geen machtspositie in het leven zal roepen" (punt 282 van de considerans). De Commissie had ook moeilijk tot een andere conclusie kunnen komen, want de gecombineerde activiteiten van Tetra en Sidel op dit gebied zouden de nieuwe entiteit een marktaandeel van [10 à 20 %] opleveren en dit, zoals de Commissie in haar antwoorden op de schriftelijke vragen bevestigt, nog zonder rekening te houden met de, althans potentiële, gevolgen van het feit dat Tetra afstand zal doen van haar licentie op de Sealica-techniek. Deze schatting van haar marktaandeel wordt overigens door verzoekster in haar antwoorden op de schriftelijke vragen fel betwist. Zij voert overtuigend aan, dat de voor de thans bestaande producten berekende marktaandelen wegens het vroege ontwikkelingsstadium waarin die technieken zich bevinden, weinig betrouwbaar zijn. Voorts heeft Tetra ter terechtzitting gewezen op de problemen die zich thans nog voordoen bij de ontwikkeling van plasmabarrières zoals Sidel's Actis-techniek voor bier (hiervoor is trouwens bevestiging te vinden in het jaarverslag van Sidel). Ook heeft zij erop gewezen, dat bij de nieuwe barrièretechniek, vooral voor bepaalde gevoelige producten als VZP, geen gebruik van PET wordt gemaakt, maar dat daarvoor een nieuwe kunsthars moet worden ontwikkeld. Gelet op het voorafgaande moet worden vastgesteld, dat de Commissie niet het bestaan heeft aangetoond van aanmerkelijke horizontale effecten die de mededinging op de markt van barrièretechnieken ongunstig kunnen beïnvloeden.
132 Houdt men rekening met de verbintenissen, dan zijn de ongunstige horizontale effecten waarnaar de Commissie in de bestreden beschikking verwijst, op de diverse relevante markten van PET-verpakkingsinstallaties miniem of zelfs nagenoeg inexistent. Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door haar conclusie, dat de nieuwe entiteit door middel van hefboomwerking een machtspositie op die PET-markten zal verwerven, op de horizontale effecten van de gewijzigde concentratie te baseren.
3. De verticale effecten
a) Argumenten van partijen
133 Verzoekster merkt op, dat de grootste vrees van de Commissie voortkomt uit de onderstelde verticale integratie van de nieuwe entiteit op het gebied van verpakkingssystemen voor karton, PET en HDPE. Omdat Sidel een belangrijke positie op de markt van SBM-machines inneemt, zou er volgens de Commissie door de gedeeltelijke afhankelijkheid van de converters van Sidel een "channel conflict" ontstaan. Dat zou de nieuwe eenheid in staat stellen de converters te marginaliseren door hun afnemers een gecombineerd aanbod te doen, bestaande uit SBM-machines, preforms en gebruiksklare installaties ("turnkey installations"), met andere woorden geïntegreerde PET-lijnen, en aldus de converters uit die activiteiten te verdringen. De Commissie heeft evenwel erkend, dat die vrees slechts zou worden bewaarheid, indien Sidel de markt van SBM-machines ging beheersen. Zij heeft echter ook erkend, dat door de commerciële beslissing van Tetra om de preformmarkt te verlaten, alle bedenkingen van de converters zijn weggenomen en dat de gevreesde verticale problemen op zich in geen geval volstonden om een machtspositie van de nieuwe entiteit op de markt van PET-installaties of van preforms in het leven te roepen. Verzoekster concludeert hieruit, dat de gewijzigde concentratie geen mededingingsbeperkende verticale effecten op de markt van PET-verpakkingen heeft, de bestaande verticale integratie van Tetra op de kartonmarkt niet versterkt en, naar de Commissie heeft erkend, geen machtspositie in het leven roept op de markt van EBM-machines voor de productie van aseptische HDPE-flessen met handvat.
134 De Commissie houdt staande, dat de verticale integratie van de nieuwe entiteit tot de verdringing van de converters van de markt kan leiden. Hoewel de verticale integratie die entiteit niet tot een overheersende onderneming op de bij de levering van preforms en PET-installaties betrokken markten maakt, is de haar door die integratie geboden kans om de converters te marginaliseren, een belangrijke factor bij de beoordeling van het conglomeraateffect van de concentratie. De verbintenissen heffen niet al die effecten op, want de nieuwe eenheid zal nog steeds geïntegreerde PET-oplossingen, zij het zonder preforms, kunnen aanbieden, bijvoorbeeld via HTW-overeenkomsten. Noch de voorgestelde cessie van Tetra's activiteiten op het gebied van preforms, noch de verlening van een licentie voor de techniek van Sidel zal een einde maken aan de afhankelijkheid van de converters van de nieuwe entiteit. Deze laatste verbintenissen zouden er zelfs voor kunnen zorgen, dat de nieuwe entiteit haar sterke positie bij de verkoop van SBM-machines aan converters behoudt, omdat er dan geen "channel conflict" meer bestaat dat voor de converters een reden zou kunnen zijn om SBM-machines bij de concurrenten van Sidel aan te schaffen.
b) Beoordeling door het Gerecht
135 Ter terechtzitting heeft de Commissie meermaals verklaard, dat haar bedenkingen over de gewijzigde concentratie hoofdzakelijk betrekking hebben op Tetra. Die bedenkingen betreffen de omstandigheid, dat Tetra, anders dan Sidel, op de markten van aseptisch karton zeer sterk verticaal geïntegreerd is en dat zij er daarom om bekend staat, dat zij haar afnemers geïntegreerde verpakkingssystemen aanbiedt. Voor de Commissie zal het feit dat verzoekster deel van de nieuwe entiteit is, een belangrijke vermindering van de mededinging op de markten van PET-verpakkingsinstallaties veroorzaken.
136 Er zij op gewezen, dat door de verkoop van Tetra's belangen op het gebied van preforms de aanvankelijke bezorgdheid van de Commissie met betrekking tot de converters geheel zal worden weggenomen.
137 Wat de situatie na de verbintenissen betreft, verwacht de Commissie, dat de converters er minder problemen mee zullen hebben om bij Sidel te kopen wanneer Tetra haar belangen op het gebied van preforms heeft afgestoten, en dat de positie van de nieuwe entiteit daardoor sterker zal worden. Afgezien van de verwijzing naar de antwoorden op de enquête (punt 428 van de considerans), voert de Commissie in de bestreden beschikking daarvoor geen enkel bewijs aan. Hoewel niet valt uit te sluiten, dat sommige converters eerder geneigd zullen zijn SBM-machines bij de nieuwe entiteit te kopen, wanneer deze niet meer in de preformsector actief is, kan de geruststelling die daarvan uitgaat, geenszins op één lijn worden gesteld met een "channel conflict" als bedoeld in de mededeling van punten van bezwaar (punten 232-236 en 249). Gezien de felle concurrentie die er thans op de preformmarkt bestaat, zal die geruststelling voor sommige converters de kansen van Sidel's concurrenten om SBM-machines aan hen te verkopen, op zijn best slechts in zeer geringe mate verkleinen.
138 Ofschoon de gewijzigde concentratie Sidel in staat zou stellen om dankzij de aanwezigheid van Tetra op de markt van sluitsystemen voor kunststofflessen bijna volledig geïntegreerde PET-lijnen aan te bieden, is het duidelijk, dat Sidel's toetreding tot die markt via de nieuwe entiteit, met daartegenover haar wegval als potentiële afnemer van de andere spelers op die markt, slechts minieme verticale effecten zou hebben, gezien de betrekkelijk zwakke positie van Tetra op genoemde markt. Vergeleken met de huidige capaciteit van Sidel, zou voorts de totale capaciteit van de nieuwe entiteit om dergelijke geïntegreerde PET-lijnen aan te bieden, door de gewijzigde concentratie niet worden vergroot, gelet op het feit dat Tetra haar activiteit op het gebied van PET-preforms wil afstoten. Uit het jaarverslag van Sidel blijkt immers, dat de verkoop van die lijnen in 2001 slechts 20 % van de verkopen van SBM-machines uitmaakte, ondanks de "exponentiële groei" van 30 % in 1999-2000, waarvan de Commissie in haar verweerschrift gewag maakt.
139 Met betrekking tot de onderstelde effecten op de markt van SBM-machines wordt in de bestreden beschikking uitdrukkelijk erkend dat, gezien Tetra's antwoord van 1 oktober 2001 op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar, "de positie van andere spelers de vrees wegneemt voor een machtspositie op een potentiële markt van machines voor de productie van aseptische [HDPE-]flessen met handvat" (punt 297 van de considerans, voetnoot 125). Duidelijk is dus, dat de gewijzigde concentratie geen aanmerkelijke ongunstige gevolgen kan hebben voor de positie van de converters op de HDPE-markt, die na de concentratie een markt met een zeer levendige mededinging zal blijven.
140 Er is dus niet aangetoond, dat de gewijzigde concentratie belangrijke of althans aanmerkelijke verticale effecten zal hebben op de relevante markten van PET-verpakkingsinstallaties. Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door haar conclusie, dat de nieuwe entiteit door middel van hefboomwerking een machtspositie op die PET-markten zal verwerven, op de verticale effecten van de gewijzigde concentratie te baseren.
4. Conclusie
141 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt door zich voor haar analyse, dat op de relevante PET-markten een machtspositie zal ontstaan, op de horizontale en verticale effecten van de gewijzigde concentratie te baseren. Deze beoordelingsfouten moeten echter nog niet tot nietigverklaring van de bestreden beschikking leiden, daar het door de Commissie gestelde conglomeraateffect op zich voldoende rechtvaardiging voor die beschikking zou kunnen opleveren. Derhalve moet thans het middel betreffende het ontbreken van een conglomeraateffect worden onderzocht.
C - Ontbreken van een voorzienbaar conglomeraateffect
1. Opmerkingen vooraf
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex