Gerecht EU 25 juni 1998, T-371/94, ECLI:EU:T:1998:140
Tekst
Trefwoorden
1 Steunmaatregelen van de staten - Voorgenomen steunmaatregelen - Onderzoek door Commissie - Procedure op tegenspraak - Recht van belanghebbenden op deelneming en informatie - Beperkt karakter - Niet in tegenspraak met verplichting van Commissie om haar beschikking met redenen te omkleden door te antwoorden op belangrijkste grieven van belanghebbenden
(EG-Verdrag, art. 93, lid 2, 190 en 214)
2 Steunmaatregelen van de staten - Voorgenomen steunmaatregelen - Onderzoek door Commissie - Verplichting om vaste termijn in acht te nemen - Geen - Verplichting om beroep te doen op externe deskundigen - Geen
(EG-Verdrag, art. 93, lid 2)
3 Procedure - Interventie - Middel dat door verzoeker niet is aangevoerd - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, vierde alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 116, lid 3)
4 Steunmaatregelen van de staten - Voorgenomen steunmaatregelen - Onderzoek door Commissie - Verplichting om andere lidstaten opmerkingen voor te leggen die zijn ontvangen van regering van staat die om goedkeuring van voorgenomen steun heeft verzocht - Geen
(EG-Verdrag, art. 93)
5 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie - Rechterlijke toetsing - Grenzen - Beoordeling van wettigheid aan hand van gegevens die beschikbaar waren op ogenblik van vaststelling van beschikking
(EG-Verdrag, art. 92, lid 3, en 173)
6 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking van Commissie houdende goedkeuring van staatssteun
(EG-Verdrag, art. 93, lid 2, 173 en 190)
7 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie
(EG-Verdrag, art. 92, lid 3)
8 Commissie - Collegialiteitsbeginsel - Draagwijdte - Motivering van beschikkingen - Wijziging na vaststelling - Onwettigheid
(EG-Verdrag, art. 190; Fusieverdrag, art. 17)
9 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Onderzoek van door steunontvangende onderneming voorgenomen herstructureringsmaatregelen - Vergelijking met door andere ondernemingen uit dezelfde sector getroffen maatregelen - Niet ter zake dienend
(EG-Verdrag, art. 92, lid 3)
10 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd - Steunmaatregelen voor ontwikkeling van bedrijfssector - Herstructurering van een van drie grootste Europese luchtvaartmaatschappijen
(EG-Verdrag, art. 92, lid 3, sub c)
11 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking van Commissie inzake verenigbaarheid van steunmaatregelen met gemeenschappelijke markt
(EG-Verdrag, art. 92, leden 1 en 3, en 190)
12 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen wordt beschouwd - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie - Verwijzing naar communautair kader - Bevoegdheid om voorwaarden te verbinden aan beschikking houdende goedkeuring van steun - Juridisch en praktisch nut van die voorwaarden - Niet-inachtneming van voorwaarden - Geen gevolgen voor wettigheid van beschikking
(EG-Verdrag, art. 92, lid 3, sub c)
13 Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Middel inzake schending van artikel 155 van Verdrag - Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 155 en 173)
Samenvatting
14 Belanghebbenden in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag kunnen zich niet beroepen op een recht van verweer als hetgeen is toegekend aan personen tegen wie een procedure inzake staatssteun is ingeleid, maar hebben enkel het recht om gelet op de omstandigheden van het concrete geval op passende wijze bij de administratieve procedure te worden betrokken.
De omvang van hun recht op deelneming en informatie kan evenwel om twee redenen worden beperkt. Enerzijds kan de Commissie wanneer een lidstaat een steunvoornemen met justificatoire bescheiden aanmeldt en de bevoegde diensten van de Commissie vervolgens een aantal gesprekken hebben met de ambtenaren van de betrokken lidstaat, reeds behoorlijk wat informatie hebben verkregen die slechts over een gering aantal punten twijfel laat bestaan, welke kan worden weggewerkt door van de belanghebbenden afkomstige inlichtingen. Voor zover de gesprekken tussen de lidstaat en de Commissie betrekking hebben op de details van het steunvoornemen, op de economische en financiële situatie van de begunstigde onderneming en op de mededingingssituatie en de interne werking van deze onderneming, gaan zij immers noodzakelijkerwijs veel dieper dan de gesprekken met de belanghebbende partijen. Bijgevolg kan de Commissie ermee volstaan, in haar mededeling in het Publicatieblad aan de belanghebbenden algemene inlichtingen over de wezenlijke onderdelen van het steunvoornemen te verstrekken en zich verder te concentreren op de punten waaromtrent zij nog enige twijfel heeft. Anderzijds is de Commissie ingevolge artikel 214 van het Verdrag gehouden, inlichtingen die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, zoals met name gegevens betreffende de interne werking van de begunstigde onderneming, niet aan de belanghebbenden openbaar te maken.
Het beperkte karakter van bovengenoemd recht van de belanghebbenden op deelneming en informatie, welk recht slechts betrekking heeft op het verloop van de administratieve procedure, is niet in tegenspraak met de krachtens artikel 190 van het Verdrag op de Commissie rustende verplichting om de eindbeschikking waarbij zij het steunvoornemen goedkeurt, te voorzien van een toereikende motivering waarin wordt ingegaan op alle belangrijke grieven die de door deze beschikking rechtstreeks en individueel geraakte belanghebbenden, hetzij eigener beweging, hetzij als reactie op door de Commissie verstrekte inlichtingen, hebben geformuleerd. Zelfs al zou de Commissie er op geldige wijze de voorkeur aan kunnen geven andere informatiebronnen te benutten en daardoor het belang van de deelneming van de belanghebbenden te verminderen, dit ontslaat haar niet van de verplichting om haar beschikking van een passende motivering te voorzien.
15 Geen enkele bepaling van het Verdrag of van de gemeenschapswetgeving schrijft voor, dat voor beschikkingen inzake staatssteun die aan het einde van een procedure als bedoeld in artikel 93, lid 2, van het Verdrag worden gegeven, een vaste termijn in acht moet worden genomen. Zelfs al zou worden aangenomen, dat de Commissie overhaast heeft gehandeld en niet voldoende tijd heeft genomen om het steunvoornemen te onderzoeken, dit vormt op zichzelf nog geen voldoende grond om de beschikking waarbij deze steun wordt goedgekeurd, nietig te verklaren. Voor nietigverklaring is veeleer vereist, dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op specifieke procedureregels, op de motiveringsplicht of op de regels welke de interne wettigheid van de bestreden beschikking beheersen.
Overigens legt geen enkele bepaling van het Verdrag of van de gemeenschapswetgeving de Commissie de verplichting op, voor de opstelling van een beschikking inzake staatssteun beroep te doen op externe deskundigen.
16 Aangezien volgens artikel 116, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de interveniënten het geding moeten aanvaarden in de stand op het ogenblik van tussenkomst, en volgens artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG de conclusies van het verzoek tot tussenkomst slechts kunnen strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen, is een interveniënt niet bevoegd een middel aan te voeren dat door de verzoeker niet is aangevoerd.
17 Artikel 93 van het Verdrag verplicht de Commissie niet, de opmerkingen die zij heeft ontvangen van de regering van de staat die om goedkeuring van steun verzoekt, aan de andere lidstaten voor te leggen. Integendeel, uit artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag volgt, dat de andere lidstaten slechts bij een specifiek steundossier worden betrokken wanneer dit dossier op verzoek van de belanghebbende staat aan de Raad wordt voorgelegd.
18 De Commissie beschikt voor de toepassing van artikel 92, lid 3, van het Verdrag over een ruime beoordelingsvrijheid. Aangezien het hierbij gaat om de beoordeling van ingewikkelde sociaal-economische situaties, moet de rechterlijke toetsing van een in dit kader gegeven beschikking worden beperkt tot de vraag, of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
Dienaangaande moet in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 van het Verdrag de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op de datum waarop de handeling is vastgesteld, en kan zij niet afhangen van overwegingen die men achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van die handeling kan doen gelden. Inzonderheid de door de Commissie verrichte ingewikkelde beoordelingen mogen enkel worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen verrichtte.
19 De door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen, teneinde de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn toetsing te verrichten en de belanghebbenden in staat te stellen de gronden voor de getroffen maatregelen te kennen, zodat zij hun rechten kunnen verdedigen. Bij de vraag, of de motivering van een beschikking aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, moet niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Al is de Commissie niet gehouden, in de motivering van een beschikking in te gaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die door de belanghebbenden in de loop van de administratieve procedure zijn aangevoerd, toch moet zij rekening houden met alle omstandigheden en factoren die relevant zijn in het concrete geval.
Ter zake van een beschikking houdende goedkeuring van staatssteun kunnen als belanghebbenden in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag worden beschouwd en in die hoedanigheid worden geacht door de beschikking rechtstreeks en individueel te worden geraakt, de personen, ondernemingen of verenigingen die eventueel door de verlening van de steun in hun belangen worden geraakt, dat wil zeggen met name concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen.
Aangezien het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van onder meer het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door een dergelijke beschikking worden geraakt in de zin van artikel 173 van het Verdrag, bij een verklaring kunnen hebben, kan daarvoor niet bepalend zijn het belang dat de lidstaat tot dewelke de beschikking is gericht, bij die informatie heeft. Ingeval de lidstaat van de Commissie heeft verkregen wat zij vroeg, te weten goedkeuring van haar steunvoornemen, heeft hij immers, anders dan de concurrenten van de begunstigde van de steun, misschien zelfs maar zeer weinig belang meer bij het ontvangen van een met redenen omklede beschikking, inzonderheid wanneer hij tijdens de onderhandelingen met de Commissie en met name na de briefwisseling die aan de vaststelling van de goedkeuringsbeschikking is voorafgegaan, voldoende inlichtingen heeft gekregen.
20 Wanneer volgens vaste rechtspraak van het Hof en volgens een vaste administratieve praktijk van de Commissie enerzijds een investering in een normale modernisering met het oog op het behoud van de concurrentiepositie van een onderneming uit de eigen middelen van de onderneming en niet uit staatssteun moet worden gefinancierd, en anderzijds een investering strekkende tot vernieuwing en technologische modernisering van een productielijn, die periodiek moet plaatsvinden, niet kan worden geacht te zijn verricht om de ontwikkeling van bepaalde economische bedrijvigheden in de zin van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag te vergemakkelijken, moet de Commissie als antwoord op de opmerkingen die de belanghebbenden tijdens de administratieve procedure aangaande een specifiek steunvoornemen over deze rechtspraak en administratieve praktijk hebben gemaakt, nauwkeurige aanwijzingen verstrekken ter zake van de vraag, of de door die rechtspraak en praktijk gestelde criteria als vervuld moeten worden beschouwd, dan wel of daar om specifieke redenen van dient te worden afgeweken.
21 Het dictum en de motivering van een beschikking, die volgens artikel 190 van het Verdrag met redenen moet worden omkleed, vormen een ondeelbaar geheel, zodat ingevolge het collegialiteitsbeginsel alleen het college van leden van de Commissie bevoegd is om de beschikking en de motivering ervan vast te stellen en elke wijziging van de motivering die verder gaat dan zuiver grammaticale aanpassingen of spellingcorrecties, tot de uitsluitende bevoegdheid van het college behoort.
22 Al mag ter zake van staatssteun niet worden uitgesloten, dat de Commissie de door de begunstigde onderneming voorgenomen herstructureringsmaatregelen vergelijkt met die van andere ondernemingen uit dezelfde bedrijfssector, toch moet de herstructurering van een onderneming specifiek op haar intrinsieke problemen zijn gericht, en is het mogelijk dat de ervaring die andere ondernemingen in andere perioden en in een andere economische en politieke context hebben opgedaan, niet ter zake dienend is.
23 De Commissie kan op goede gronden oordelen, dat een echte herstructurering van een van de drie grootste Europese luchtvaartmaatschappijen, die staatssteun ontvangt, de economische ontwikkeling van de Europese burgerluchtvaart zal bevorderen.
24 Aanwijzingen over de situatie op de betrokken markten, inzonderheid over de positie van de onderneming die de steun ontvangt, en van de concurrerende ondernemingen, vormen een essentieel onderdeel van de motivering van een beschikking betreffende de verenigbaarheid van een steunvoornemen met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het Verdrag, zowel wanneer de beschikking op grond van lid 1 van dat artikel wordt gegeven, als wanneer zij wordt gegeven in het kader van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en artikel 61, lid 3, sub c, van de EER-overeenkomst met betrekking tot de vraag, of de steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
25 De economische beoordelingen die de Commissie bij de toepassing van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag moet verrichten, en waarvoor zij een ruime discretionaire bevoegdheid geniet, dienen in een communautair kader te geschieden, hetgeen betekent dat de Commissie de invloed van steun op de mededinging en op het intracommunautaire handelsverkeer moet onderzoeken.
Om te beoordelen of een steunmaatregel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, moet met name worden onderzocht, of er geen wanverhouding bestaat tussen de lasten voor de belanghebbende ondernemingen enerzijds en de voordelen voortvloeiend uit de toekenning van de betrokken steun anderzijds. Het staat aan de Commissie om in het kader van haar onderzoek van de gevolgen van een staatssteun de gunstige gevolgen van de steun af te wegen tegen de negatieve gevolgen voor de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, en voor de handhaving van een onvervalste mededinging.
De Commissie is in beginsel bevoegd, aan een beschikking waarbij steun op basis van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag wordt goedgekeurd, voorwaarden te verbinden om uit te sluiten dat de goedgekeurde steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
Het juridische en praktische nut van dergelijke goedkeuringsvoorwaarden bestaat hierin, dat indien de begunstigde onderneming zich niet naar deze voorwaarden voegt, het aan de betrokken lidstaat staat om op de goede uitvoering van de goedkeuringsbeschikking toe te zien en aan de Commissie om te beoordelen, of de steun dient te worden teruggevorderd. Wanneer de staat niet voldoet aan de voorwaarden die de Commissie aan de goedkeuring van een steunmaatregel heeft verbonden, kan de Commissie zich ingevolge artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag, in afwijking van de artikelen 169 en 170 van het Verdrag, rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden.
Gelet op deze werking van de voorwaarden die een beschikking houdende goedkeuring van een steunmaatregel schragen, kan de loutere bewering dat aan een van die voorwaarden niet zal worden voldaan, de rechtmatigheid zelf van die beschikking niet aantasten. In de regel kan de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling immers niet afhangen van eventuele mogelijkheden tot omzeiling van die handeling en evenmin van overwegingen die achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van die handeling geldend kunnen worden gemaakt.
26 Aangezien artikel 155 van het Verdrag op algemene wijze de bevoegdheden van de Commissie bepaalt, kan niet staande worden gehouden, dat telkens wanneer de Commissie een specifieke bepaling van het Verdrag schendt, deze schending tevens schending van de algemene bepaling van artikel 155 van het Verdrag meebrengt.
Partijen
In de gevoegde zaken T-371/94 en T-394/94,
British Airways PLC, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Hounslow (Verenigd Koninkrijk),
Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden, vennootschap naar Deens recht, naar Noors recht en naar Zweeds recht, gevestigd te Stockholm,
Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Amstelveen (Nederland),
Air UK Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Stansted (Verenigd Koninkrijk),
Euralair International, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Bonneuil (Frankrijk),
TAT European Airlines, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Tours (Frankrijk),
vertegenwoordigd door R. Subiotto, solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger, Hoss en Prussen, advocaten aldaar, Côte d'Eich 15,
verzoeksters in zaak T-371/94,
en
British Midland Airways Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Castle Donington (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door K. F. Bodley, solicitor, en K. Adamantopoulos, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Kronshagen, advocaat aldaar, Boulevard de la Foire 12,
verzoekster in zaak T-394/94,
ondersteund door
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door S. Sandström, als gemachtigde,
Koninkrijk Noorwegen, vertegenwoordigd door M. Tveiten, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg op het consulaat van Noorwegen, Boulevard Royal 3,
Maersk Air I/S, vennootschap naar Deens recht, gevestigd te Dragøer (Denemarken),
en
Maersk Air Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Birmingham (Verenigd Koninkrijk),
vertegenwoordigd door R. O'Sullivan en P. Wareham, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
interveniënten in zaak T-371/94,
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door P. Biering, afdelingshoofd bij het ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Deense ambassade, Boulevard Royal 4,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. E. Collins, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, en R. Plender, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënten in de twee zaken,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan en B. Smulders, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door A. Barav, barrister bij de balie van Engeland en Wales en advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door M. Perrin de Brichambaut, directeur Juridische zaken bij het ministerie van Buitenlandse zaken, en E. Belliard, C. de Salins en J.-M. Belorgey, respectievelijk adjunct-directeur, onderdirecteur en chargé de mission bij de directie Juridische zaken van dit ministerie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
en
Compagnie nationale Air France, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door O. d'Ormesson, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/653/EG van de Commissie van 27 juli 1994 betreffende de aangekondigde kapitaalverhoging van Air France (PB L 254, blz. 73),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Tweede kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, president, K. Lenaerts, C. P. Briët, A. Kalogeropoulos en A. Potocki, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 6 en 7 mei 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan de beroepen en procedures ten grondslag liggende feiten
De administratieve procedure
1 Bij brief van 18 maart 1994 brachten de Franse autoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 3, EG-Verdrag op de hoogte van hun voornemen om 20 miljard FF in te brengen in het kapitaal van de Compagnie nationale Air France (hierna: "Air France"). Bij deze kennisgeving was een herstructureringsplan met als titel "Projet pour l'entreprise" (hierna: "Projet") gevoegd.
2 Na een bijeenkomst met vertegenwoordigers van Air France en van de Franse regering en na met deze laatsten een aantal brieven te hebben gewisseld, leidde de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in. Zij stelde de Franse autoriteiten daarvan in kennis bij een brief van 30 mei 1994, die op 3 juni 1994 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen werd bekendgemaakt (PB C 152, blz. 2; hierna: "mededeling van 3 juni 1994").
3 In die mededeling gaf de Commissie als haar mening te kennen, dat de voorgenomen kapitaalverhoging staatssteun vormde, doch zij wees erop, dat zij moest onderzoeken, of het steunvoornemen het handelsverkeer zodanig ongunstig beïnvloedt dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. In dit verband heeft de Commissie onder meer overwogen:
- dat de economische realiteit gebiedt dat rekening wordt gehouden met de economische situatie en vooruitzichten van de gehele groep Air France;
- dat zij moet nagaan welke gevolgen de steun heeft voor de concurrentiepositie van Air France op de internationale en binnenlandse routes waarop deze met andere Europese luchtvaartmaatschappijen concurreert.
4 Daarop zonden de Franse autoriteiten de Commissie een aantal brieven en namen zij met vertegenwoordigers van Air France deel aan een aantal door de Commissie georganiseerde bijeenkomsten. Tegen 4 juli 1994 ontving de Commissie de opmerkingen van 23 belanghebbende partijen, waaronder het Koninkrijk Denemarken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Noorwegen, de Vereniging van de Luchtvaartmaatschappijen van de Europese Gemeenschap (hierna: "ACE") en een groot aantal Europese luchtvaartmaatschappijen, waaronder verzoeksters.
5 De meeste belanghebbende partijen deelden de twijfel van de Commissie omtrent de geoorloofdheid van de betrokken steun. Hun voornaamste bezwaren waren onder meer de volgende:
- de steun zou niet alleen ten goede komen aan Air France, maar aan de gehele groep;
- de steun zou tot overkapitalisatie van de groep Air France leiden;
- de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen voor 11,5 miljard FF zou onaanvaardbaar zijn;
- de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt zou niet enkel vanuit het oogpunt van de ontwikkeling van de ontvanger van de steun mogen gebeuren;
- in geval van goedkeuring van de steun zou aan Air France een drastische capaciteitsvermindering moeten worden opgelegd.
6 De opmerkingen van de belanghebbende partijen werden aan de Franse autoriteiten meegedeeld. Deze hebben daarop geantwoord bij een brief die op 13 juli 1994 aan de bevoegde diensten van de Commissie werd voorgelegd. Op 14 juli 1994 zond de Franse eerste minister het bevoegde lid van de Commissie een brief waarin hij de toezeggingen van zijn regering voor het geval van goedkeuring van het Projet uiteenzette. Op 18 juli 1994 deed de Franse regering nog twee aanvullende toezeggingen. Ten slotte hebben de Franse autoriteiten de Commissie op 26 juli 1994 aanvullende informatie verstrekt.
De bestreden beschikking
7 Op 27 juli 1994 gaf de Commissie beschikking 94/653/EEG betreffende de aangekondigde kapitaalverhoging van Air France (PB L 254, blz. 73; hierna: "bestreden beschikking"), die kan worden samengevat als volgt.
8 Na de structuur van de groep Air France (die zich bezighoudt met luchtvervoer, hotellerie, vakantiereizen, catering, onderhoud van vliegtuigen en opleiding van piloten) te hebben beschreven, wijst de Commissie erop, dat deze groep samen met British Airways en Lufthansa tot de drie grootste Europese luchtvaartmaatschappijen behoort. Sedert het begin van 1990 voerde zij een beleid van participatie in andere luchtvaartmaatschappijen (UTA, Air Inter, Sabena en CSA) met name om haar greep op de binnenlandse markt te verstevigen en de concurrentie op de internationale routes het hoofd te bieden. De groep Air France zou een programma van modernisering en uitbreiding van haar vloot hebben opgezet, dat werd gefinancierd met leningen waarvan de financiële lasten negatieve gevolgen hadden voor het eindresultaat van de groep, hetgeen in 1990 een eerste verlies van 717,2 miljoen FF opleverde. In die situatie zou de groep Air France verschillende herstructureringsplannen hebben opgesteld, die evenwel alle zijn mislukt.
9 Kortom, de Commissie stelt vast dat de groep Air France zich in een zeer ernstige financiële en economische crisis bevindt: na in 1992 een verlies van 3,2 miljard FF te hebben geleden, zou zij in 1993 voor de vierde achtereenvolgende keer een negatief resultaat hebben behaald, dat in dat jaar opliep tot 8,4 miljard FF. De afgelopen drie jaar zou de situatie van de groep voortdurend zijn verslechterd. De kloof tussen de groep Air France en haar concurrenten zou nog zijn toegenomen door de slechte resultaten van 1993, die vooral te wijten zouden zijn aan de lage productiviteit, de hoge exploitatiekosten en de zware financiële lasten.
10 Vervolgens beschrijft de Commissie de grote lijnen van het Projet om "van Air France een echt bedrijf te maken". Deze doelstelling diende in de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996 te worden verwezenlijkt door verlaging van kosten en financiële uitgaven, wijziging van het productconcept en beter gebruik van de middelen, reorganisatie van de onderneming en deelneming van de werknemers.
11 In dit verband verklaart de Commissie onder meer, dat het aantal vliegtuigen die tijdens de herstructureringsperiode dienden te worden geleverd, zal worden teruggebracht van 22 naar 17 en dat de overeenkomstige investering aldus 11,2 miljard FF zal bedragen. De actieve vloot (145 vliegtuigen) zou slechts met één vliegtuig worden uitgebreid en het aantal zitplaatsen zou iets worden verminderd. Air France zou bovendien haar vloot rationaliseren door een aantal vliegtuigen van de hand te doen. De heterogeniteit van haar vloot (24 verschillende vliegtuigtypes of -versies) zou immers een van de redenen zijn waarom haar exploitatiekosten zo hoog oplopen. Verder zou Air France haar netwerk vereenvoudigen, de frequenties op de winstgevende routes verhogen, de lange-afstandsvluchten ontwikkelen, marginale routes afschaffen en zich concentreren op de routes met goede groeivooruitzichten. Op sociaal gebied zou het Projet onder meer voorzien in de vermindering van het personeelsbestand met 5 000 personeelsleden, de bevriezing van de lonen (onder voorbehoud van een nieuw onderzoek) en een blokkering van de bevorderingen. Verder zou Air France worden geherstructureerd in elf exploitatiecentra. Elk centrum zou zijn eigen activa krijgen en verantwoordelijk zijn voor zijn eigen financiële resultaten. De uitvoering van het Projet zou worden gefinancierd door de kapitaalverhoging en de verkoop van activa die niet tot de kernactiviteiten behoren.
12 De Commissie wijst erop, dat tijdens haar onderhandelingen met de Franse regering deze laatste een aantal toezeggingen heeft gedaan betreffende de uitvoering van het Projet en het gebruik van het in Air France ingebrachte kapitaal. De kapitaalverhoging zou in drie tranches worden verricht: 10 miljard FF in 1994, 5 miljard FF in 1995 en 5 miljard FF in 1996. Deze toezeggingen zijn in de vorm van voorwaarden opgenomen in het dispositief van de bestreden beschikking.
13 Op basis van bovengenoemde gegevens heeft de Commissie geoordeeld, dat de betrokken kapitaalinbreng een staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag en artikel 61, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: "EER-Overeenkomst") vormt die, gelet op de grote omvang van het Europese netwerk van Air France en de hevige concurrentie op de meeste routes waarop Air France vliegt, de mededinging binnen de EER vervalst. Wegens het internationale karakter van de burgerluchtvaart zou de steun bovendien het handelsverkeer tussen de EER-landen ongunstig beïnvloeden.
14 Na de toepasselijkheid van andere afwijkende bepalingen van het Verdrag en de EER-Overeenkomst te hebben uitgesloten, gaat de Commissie na, in hoeverre is voldaan aan de criteria van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en van artikel 61, lid 3, sub c, van de EER-Overeenkomst.
15 Bij het onderzoek van de huidige situatie in de burgerluchtvaart komt de Commissie tot de bevinding, dat deze sector de in 1990 begonnen economische crisis lijkt te hebben overwonnen. Ondanks positieve resultaten (toename van het passagiersvervoer) zouden een aantal Europese luchtvaartmaatschappijen nog steeds verlies lijden, en dit wegens de overcapaciteit op de markt. Toch zijn de vooruitzichten voor de Europese luchtvaartsector op middellange termijn tamelijk gunstig. Op grond van deze vooruitzichten mag worden aangenomen dat de overcapaciteit slechts een tijdelijk verschijnsel is. Om die redenen is de Commissie van mening, dat de markt geen structurele crisis van overcapaciteit kent en dat een algemene vermindering van de capaciteit in de luchtvaartsector dan ook niet gerechtvaardigd is.
16 Na het Projet te hebben beoordeeld, geeft de Commissie als haar mening te kennen, dat dit Projet de economische en financiële levensvatbaarheid van Air France kan herstellen en dat een echte herstructurering van Air France aan de ontwikkeling van de Europese luchtvaartsector zal bijdragen door de verbetering van zijn concurrentiepositie; zij zou zich dus verdragen met het gemeenschappelijk belang. In die context wordt in een voetnoot verwezen naar het actieprogramma van de Commissie "Een betere toekomst voor de burgerluchtvaart in Europa" [COM(94)218].
17 Verder onderzoekt de Commissie, of de voorgenomen steun in verhouding staat tot de herstructureringsbehoeften van Air France, en zij komt daarbij tot de bevinding, dat die maatregel zowel noodzakelijk als passend is om Air France in staat te stellen het herstructureringsplan tot een goed einde te brengen en opnieuw gezond te worden. Daartoe onderzoekt de Commissie de verschillende financieringseffecten die Air France tussen 1989 en 1993 heeft uitgegeven, en komt zij tot de conclusie, dat de schuldratio (schuld/eigen vermogen) eind 1996 1,12 zal bedragen. De balans van Air France zou immers de volgende structuur vertonen: eigen kapitaal = 18,65 miljard FF en schulden = 20,85 miljard FF. Deze ratio zou boven het gemiddelde in de burgerluchtvaart liggen, waar 1,5 als aanvaardbaar wordt beschouwd. De Commissie legt vervolgens uit dat, de steun buiten beschouwing gelaten, Air France haar financiële situatie kan verbeteren door onder meer het uitstellen van haar vliegtuigorders en de verkoop van activa. Wat het eerste punt betreft, wijst de Commissie erop, dat Air France reeds een aantal orders heeft uitgesteld; door verder uitstel zou de gemiddelde leeftijd van de vloot boven de tien jaar komen te liggen, hetgeen te hoog is voor een luchtvaartmaatschappij die streeft naar herstel van haar concurrentievermogen. Wat de verkoop van activa betreft, wijst de Commissie erop, dat slechts een klein aantal activa, zoals bijvoorbeeld Méridien, Sabena en Air Inter, voldoende geld zouden opbrengen. Sabena en Air Inter zouden essentiële bestanddelen van de luchtvaartactiviteiten van Air France zijn. De verkoop van de overige activa zou reeds deel uitmaken van het Projet en overigens niet tot een belangrijke vermindering van het steunbedrag leiden.
18 Bij het onderzoek, of de steunmaatregel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, verwijst de Commissie naar de toezeggingen die de Franse regering tijdens de administratieve procedure heeft gedaan - met name naar de toezegging dat de steun uitsluitend ten goede zal komen aan Air France - en zij concludeert daaruit, dat deze toezeggingen haar bezorgdheid over de gevolgen van de steun grotendeels wegnemen, omdat zij het Air France zo goed als onmogelijk maken met de steun activiteiten van Air Inter te subsidiëren. De Commissie zou haar onderzoek van de gevolgen van de steun voor het handelsverkeer derhalve hebben beperkt tot Air France, de eigenlijke begunstigde van de steun.
19 De Commissie is van mening, dat deze toezeggingen de vrijheid van Air France ter zake van capaciteit, aanbod en prijsbeleid aanzienlijk beperken, en Air France beletten, een agressief prijsbeleid te voeren op alle routes die zij binnen de EER exploiteert. Tijdens de eerste vier maanden van 1994 zou Air France haar aanbod op de Europese markt overigens reeds met 6,4 % hebben verminderd ten opzichte van de overeenkomstige periode in 1993, terwijl het aanbod van alle Europese luchtvaartmaatschappijen gemiddeld met 3,8 % zou zijn gestegen. Doordat het aanbod van Air France verhoudingsgewijs achterblijft bij de marktgroei, zou haar marktaandeel binnen de EER afnemen ten gunste van de concurrenten. Daardoor zou de steunmaatregel het handelsverkeer niet zodanig beïnvloeden, dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.
20 De Commissie wijst erop, dat zij voor het onderzoek van de gevolgen van de steunmaatregel in de EER ook rekening diende te houden met de toegenomen liberalisering in de luchtvervoersector in de Gemeenschap sedert de vaststelling in 1992 van een aantal verordeningen van de Raad, het zogenoemde "derde luchtvaartpakket". In dit verband is de Commissie van oordeel, dat de opheffing van de maatregelen die Air France tegen concurrentie beschermen, een passende compensatie vormt, die het verlenen van met het gemeenschappelijk belang verenigbare steun rechtvaardigt.
21 Ten slotte is zij van mening, dat de negatieve gevolgen van de steun niet worden versterkt door de exploitatie van exclusieve rechten of door een voorkeursbehandeling van Air France, daar de Franse autoriteiten hebben toegezegd om, enerzijds, de verkeersverdelingsregels voor het Parijse luchthavensysteem zodanig te wijzigen dat zij niet meer discriminerend zijn, en anderzijds, erop toe te zien dat de aanpassingswerkzaamheden aan de terminals Orly-Zuid en Orly-West de concurrentieverhoudingen niet wijzigen ten nadele van de luchtvaartmaatschappijen die gebruik maken van de luchthaven Orly. Verder herinnert de Commissie eraan, dat zij op 27 april 1994 heeft besloten, dat Frankrijk de communautaire luchtvaartmaatschappijen uiterlijk vanaf 27 oktober 1994 moet toestaan hun verkeersrechten uit te oefenen op de routes Parijs (Orly)-Toulouse en Parijs (Orly)-Marseille.
22 Alles bij elkaar genomen is de Commissie van mening, dat het samenstel van de door de Franse autoriteiten gedane toezeggingen tegemoet komt aan de bezorgdheid die zij bij de inleiding van de administratieve procedure had geuit.
23 Volgens artikel 1 van de bestreden beschikking is de steun die in de periode 1994-1996 aan Air France in de vorm van een in drie tranches uitgevoerde kapitaalverhoging van 20 miljard FF zal worden gegeven en die voor de herstructurering van Air France overeenkomstig het Projet is bestemd, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-Overeenkomst uit hoofde van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en artikel 61, lid 3, sub c, van de Overeenkomst, op voorwaarde dat de Franse autoriteiten de zestien in dat artikel 1 genoemde toezeggingen nakomen.
24 Artikel 2 van de bestreden beschikking verbindt aan de storting van de tweede en de derde tranche van de steun de voorwaarde dat die toezeggingen worden nagekomen en dat het Projet en de doelstellingen daarvan daadwerkelijk worden gerealiseerd, teneinde te garanderen dat het bedrag van de steun verenigbaar blijft met de gemeenschappelijke markt. De Franse regering wordt gelast, vóór de storting van de tweede en de derde tranche van de steun in 1995 en 1996 bij de Commissie een verslag over de voortgang van het herstructureringsprogramma en de economische situatie van Air France in te dienen. De Commissie zal dan door onafhankelijke consultants laten controleren, of het plan naar behoren wordt uitgevoerd en of de aan de goedkeuring van de steun verbonden voorwaarden in acht worden genomen.
Procedures in rechte
25 In die omstandigheden hebben verzoeksters de onderhavige beroepen ingesteld. Deze zijn op 21 november respectievelijk 22 december 1994 ter griffie van het Gerecht ingeschreven.
26 De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad.
27 Bij beschikkingen van de president van de uitgebreide Eerste kamer van het Gerecht van 10 maart, 8 mei en 12 juni 1995 zijn het Koninkrijk Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Noorwegen, Maersk Air I/S en Maersk Air Ltd (hierna: "vennootschappen Maersk" of "Maersk") toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de respectieve verzoeksters.
28 Bij beschikkingen van de president van de uitgebreide Eerste kamer van het Gerecht van 12 juni 1995 is de Franse Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerster.
29 Bij beschikkingen van het Gerecht (Eerste kamer - uitgebreid) van 12 juni 1995 is Air France toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerster en is haar toegestaan, tijdens de mondelinge behandelingen in het Frans te pleiten.
30 Bij beschikking van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegewezen aan de uitgebreide Tweede kamer, die derhalve met de zaak werd belast.
31 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid) besloten zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Wel heeft het de partijen verzocht in hun pleidooien nader in de gaan op een aantal punten.
32 Ter terechtzitting van 6 en 7 mei 1997 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
33 Op die terechtzitting heeft het Gerecht krachtens artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering een maatregel tot organisatie van de procesgang getroffen en verzoeksters en de aan hun zijde tussengekomen partijen verzocht, de opmerkingen die zij tijdens de administratieve procedure bij de Commissie hadden ingediend, ter griffie neer te leggen voor zover deze nog niet aan het dossier waren toegevoegd. Daarop hebben British Airways plc (hierna: "British Airways"), TAT European Airlines (hierna: "TAT"), Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden (hierna: "SAS"), Euralair international (hierna: "Euralair") en Air UK Ltd (hierna:"Air UK") op 8 mei 1997 hun opmerkingen ter griffie neergelegd. De opmerkingen van het Koninkrijk Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, het Koninkrijk Zweden en het Koninkrijk Noorwegen waren reeds ter terechtzitting neergelegd.
34 Na de partijen daarover ter terechtzitting te hebben gehoord en bij gebreke van enig bezwaar daartegen, oordeelt het Gerecht (Tweede kamer - uitgebreid), dat de twee zaken dienen te worden gevoegd voor het arrest.
Conclusies van partijen
35 Verzoeksters concluderen in de twee zaken dat het het Gerecht behage:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
Verzoekster in zaak T-394/94 verzoekt het Gerecht bovendien, overeenkomstig de artikelen 64 en 65 van het Reglement voor de procesvoering maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie te gelasten, en de overlegging te eisen van alle dossiers en relevante bescheiden waarover de Commissie beschikt.
36 Het Verenigd Koninkrijk concludeert dat het het Gerecht behage:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van het Verenigd Koninkrijk.
37 Het Koninkrijk Denemarken, het Koninkrijk Zweden en het Koninkrijk Noorwegen concluderen dat het het Gerecht behage:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren.
38 De vennootschappen Maersk concluderen dat het het Gerecht behage:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten van hun interventie, voor zover het aan het Gerecht staat daarover uitspraak te doen.
39 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beroepen te verwerpen;
- verzoeksters in de kosten te verwijzen;
- het Koninkrijk Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, het Koninkrijk Zweden, het Koninkrijk Noorwegen en de vennootschappen Maersk in een deel van de kosten van de Commissie te verwijzen.
40 De Franse Republiek concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beroepen te verwerpen.
41 De vennootschap Air France concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beroepen te verwerpen;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke Air France zijn opgekomen.
Ten gronde
42 Tot staving van hun beroepen voeren verzoeksters verschillende middelen aan, die kunnen worden gehergroepeerd als volgt. In de eerste groep middelen (I) verwijten zij de Commissie, dat zij de regels betreffende de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag bedoelde administratieve procedure heeft geschonden door niet voldoende gegevens te verzamelen en/of door de belanghebbenden, waaronder verzoeksters, niet voldoende gegevens te verstrekken om hen in staat te stellen, op faire wijze te worden gehoord en de hun door de artikelen 93, lid 2, van het Verdrag en 62, lid 1, sub a, van de EER-Overeenkomst verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen. Verder verwijten zij haar, dat zij geen onafhankelijke deskundigen heeft ingeschakeld om de verenigbaarheid van de omstreden steun met de artikelen 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en 61, lid 3, sub c, van de EER-Overeenkomst te beoordelen en niet alle maatregelen heeft genomen die nodig zijn om de juistheid van de door de Franse autoriteiten en Air France verstrekte gegevens na te gaan.
43 In de tweede groep middelen (II) verwijten verzoeksters de Commissie, dat zij een aantal fouten heeft begaan bij de toepassing van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en artikel 61, lid 3, sub c, van de EER-Overeenkomst. In dit verband wordt aan de Commissie allereerst verweten, dat zij het op het gebied van de staatssteun toepasselijke evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door, ten eerste, ten onrechte toe te staan dat Air France zeventien nieuwe vliegtuigen aankoopt (A), ten tweede, ten onrechte de financiering van exploitatiekosten en operationele maatregelen van Air France toe te staan (B), ten derde de door Air France tussen 1989 en 1993 uitgegeven effecten verkeerd in te delen (C), ten vierde, de schuldratio van Air France onjuist te beoordelen (D) en ten vijfde, ten onrechte na te laten de verkoop van een aantal voor tegeldemaking in aanmerking komende activa van Air France te eisen (E). Verder verwijten verzoeksters de Commissie, dat zij ten onrechte heeft geoordeeld dat de steun was bestemd om de ontwikkeling van een economische activiteit te vergemakkelijken zonder de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zodanig te wijzigen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Hun desbetreffende bezwaren zijn met name gericht tegen twaalf van de zestien voorwaarden die aan de beschikking houdende goedkeuring van de steun zijn verbonden. Ten slotte stellen verzoeksters, dat het herstructureringsplan uit verschillende oogpunten inadequaat is, en verwijten zij de Commissie, dat zij ten onrechte heeft geconcludeerd dat dit plan de economische levensvatbaarheid van Air France kon herstellen. In het kader van deze verschillende grieven verwijten verzoeksters de Commissie ook, dat zij de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. In een laatste middel stelt verzoekster in zaak T-394/94, British Midland Airways Ltd (hierna: "British Midland"), schending van artikel 155 van het Verdrag.
I - De middelen inzake het onregelmatig verloop van de administratieve procedure
Summiere uiteenzetting van het betoog van partijen
44 Verzoekster in zaak T-394/94 betoogt, zakelijk weergegeven, dat de administratieve procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag een procedure op tegenspraak is, en dat de Commissie de belanghebbende partijen derhalve voldoende gegevens moet verstrekken om hen in staat te stellen de gevolgen die een steunmaatregel voor hen zou kunnen hebben, ten volle te beoordelen. In het onderhavige geval zou de mededeling van de Commissie van 3 juni 1994 ontoereikend zijn geweest. De Commissie zou inzonderheid
- de berekening van de 20 miljard FF niet hebben uitgelegd,
- met betrekking tot de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen niet hebben aangegeven, welke types vliegtuigen zouden worden gekocht en uit welke types vliegtuigen de vloot bestond,
- de tekst van het herstructureringsplan niet hebben meegedeeld,
- niet hebben uitgelegd, waarop de berekening van een productiviteitsstijging van Air France met 30 of 33,3 % was gebaseerd,
- niet hebben aangegeven, hoeveel de voorgestelde vrijwillige uittredingen zouden kosten,
- geen details hebben verstrekt over de activa van Air France en evenmin hebben aangegeven, welk percentage van de activa betrekking heeft op de kernactiviteiten en welk percentage op de andere activiteiten,
- de waarde van de hotelketen Méridien niet hebben aangegeven,
- geen details hebben verstrekt over de waarde van de participaties van Air France in Air Inter, in Sabena of in andere maatschappijen en evenmin hebben uitgelegd, waarom deze activa niet werden beschouwd als activa die niet tot de kernactiviteiten behoren,
- geen details hebben verstrekt over het netwerkplan van Air France teneinde een berekening van de gevolgen die dit eventueel voor de mededinging zou hebben, mogelijk te maken,
- geen details hebben verstrekt over de "nieuwe producten" die Air France van plan is op de markt te brengen, teneinde een beoordeling van de gevolgen daarvan voor de mededinging mogelijk te maken,
- bij de vaststelling van de bestreden beschikking niet hebben beschikt over de jaarrekeningen van Air France,
- niet hebben uitgelegd, waarom zij niet had verzocht om mededeling van essentiële gegevens voor de vaststelling van een met redenen omklede beschikking over de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt,
- geen rekening hebben gehouden met de dochtermaatschappijen, en met name met Air Inter, doordat het herstructureringsplan uitsluitend betrekking had op Air France,
- niet hebben uitgelegd, hoe de voorstellen voor een verdere expansie van Air France konden worden verzoend met de doelstellingen van het Verdrag, met name gelet op de mislukking van de twee eerdere kapitaalinbrengen voor een bedrag van 5,8 miljard FF.
45 In haar tijdens de administratieve procedure bij de Commissie ingediende opmerkingen had British Midland de meeste bovengenoemde punten reeds aan de orde gesteld en had zij de Commissie met name verzocht, haar inzage te geven van het door Air France voorgelegde herstructureringsplan, omdat zij zonder een dergelijke inzage niet over voldoende gegevens zou beschikken om zich op nuttige wijze over het steunvoornemen te kunnen uitspreken.
46 Verzoeksters in zaak T-371/94 zijn ook van mening, dat de in de mededeling van 3 juni 1994 vervatte gegevens ontoereikend waren. Nauwkeuriger gegevens omtrent het voornemen van Air France om de frequentie op de winstgevende routes te verhogen, de lange-afstandsvluchten te ontwikkelen, marginale routes af te schaffen en zich te concentreren op de routes met goede groeivooruitzichten, zouden verzoeksters in staat hebben gesteld, de Commissie te helpen bij de beoordeling van deze aspecten van het herstructureringsplan. De Commissie zou met name niets hebben gezegd over de redenen waarom Air France meende zeventien nieuwe toestellen te moeten aankopen, waardoor de belanghebbende partijen de Commissie niet de gegevens hebben kunnen verstrekken die deze nodig had om dit aspect van de zaak met zorg en onpartijdigheid te kunnen onderzoeken.
47 Verder wijzen zij erop, dat in de mededeling niet wordt gesproken over de gebruikte meeteenheid, die wordt uitgedrukt in "Equivalent Revenue Passenger Kilometer" (hierna: "ERPK"). Zij zouden voor het eerst in de bestreden beschikking zijn geconfronteerd met deze meeteenheid, die specifiek voor Air France was ontworpen en voor de berekening van hun eigen huidige en toekomstige productiviteit was gehanteerd.
48 Voorts merken zij op, dat de Commissie in de Franse taalversie van de mededeling de passage over een eventuele overkapitalisatie van Air France had moeten controleren. Waar in de Engelse taalversie sprake is van het overbrengen van de ORA (converteerbare obligaties) en de TSDI (achtergestelde schuldbewijzen van onbepaalde duur) "from the side of the debts into the equity" is dit in de Franse taalversie vertaald door het overbrengen "du passif vers l'actif". Deze vertaalfout heeft het voor derden die de Franse taalversie gebruikten, moeilijker gemaakt ter zake dienende opmerkingen te formuleren.
49 Ten slotte zijn zij van mening, dat de Commissie zich wegens de ingewikkeldheid van de zaak had moeten laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen op het gebied van economie, financiën en beheer van luchtvervoer. Blijkens artikel 2 van de bestreden beschikking, volgens hetwelk vóór de storting van de tweede en de derde tranche van de steun onafhankelijke consultants moeten worden geraadpleegd, erkent de Commissie zelf, dat het absoluut noodzakelijk is de correcte uitvoering van het herstructureringsplan door externe deskundigen te laten controleren. Zij geeft derhalve stilzwijgend toe, dat zij niet over voldoende technische kennis beschikt om die controle zelf te verrichten.
50 Verzoeksters in de twee zaken zijn van mening, dat de Commissie de bestreden beschikking overhaast heeft vastgesteld en dat dit zich niet verdraagt met de eerbiediging van de fundamentele rechten van verzoeksters en van de andere belanghebbende partijen. Tussen het verstrijken van de termijn waarbinnen de belanghebbende partijen hun opmerkingen moesten indienen, en de vaststelling van de bestreden beschikking zijn immers slechts zestien werkdagen verstreken, hetgeen een uitzonderlijk korte termijn is voor het analyseren, bespreken en beslechten van de ingewikkelde problemen die het omstreden steunvoornemen opwerpt. Tussen de datum van de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag en de datum van de vaststelling van de bestreden beschikking (3 juni en 27 juli 1994) zouden 37 werkdagen zijn verstreken, hetgeen veel minder is dan de gemiddelde termijn in soortgelijke zaken.
51 Het Koninkrijk Denemarken heeft er ter terechtzitting aan herinnerd, dat het de Commissie tijdens de administratieve procedure vergeefs had gevraagd, het antwoord van de Franse regering op de mededeling van 3 juni 1994 aan de andere lidstaten mee te delen om hen in staat te stellen hun opmerkingen in te dienen alvorens de Commissie haar beschikking geeft.
52 De Commissie antwoordt hierop, dat de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag geen debat met de belanghebbende derden eist. Dezen zouden niet kunnen eisen, dat zij op dezelfde wijze worden behandeld als degene tot wie de eindbeschikking is gericht. De Commissie verwijst dienaangaande naar de rechtspraak op het gebied van de mededinging, volgens welke de procedurele rechten van de klagers niet even uitgebreid zijn als het recht van verweer van de ondernemingen waartegen het onderzoek van de Commissie is gericht.
53 Aangaande de mededeling waarmee de procedure van artikel 93, lid 2, wordt ingeleid, merkt de Commissie op, dat deze enkel tot doel heeft, van de belanghebbenden gegevens te verkrijgen om haar bij haar verdere werkzaamheden voor te lichten. In het onderhavige geval zouden in de mededeling van 3 juni 1994 alle aspecten zijn genoemd waaromtrent zij opmerkingen wilde krijgen om zich over het door de Franse autoriteiten aangemelde steunvoornemen te kunnen uitspreken. In die mededeling zou zij alle gegevens hebben verstrekt die de belanghebbende partijen nodig hebben om hun standpunt te bepalen.
54 Meer algemeen is de Commissie van mening, dat zij in haar mededeling enkel de gegevens kon opnemen waarover zij ten tijde van de bekendmaking ervan beschikte en die niet irrelevant zijn en evenmin onder het beroeps- of zakengeheim vallen. Een mededeling krachtens artikel 93, lid 2, zou overigens niet tot doel hebben, een definitief standpunt bekend te maken, maar enkel vragen willen opwerpen. Aangaande de talrijke gegevens die volgens verzoeksters in de mededeling van 3 juni 1994 hadden moeten voorkomen, merkt de Commissie op, dat de meeste van die punten hetzij onder het zakengeheim vielen, hetzij geen twijfel deden rijzen die aanvullende inlichtingen vereiste.
55 Met betrekking tot de onderzoekstermijn herinnert de Commissie eraan, dat het omstreden steunvoornemen op 18 maart 1994 bij haar is aangemeld en dat de bestreden beschikking op 27 juli 1994, 131 dagen later, is vastgesteld. Tussen die twee data is nagenoeg evenveel tijd verlopen als in soortgelijke zaken [beschikking 91/555/EEG van de Commissie van 24 juli 1991 inzake het voornemen van de Belgische regering om steun te verlenen aan de communautaire luchtvaartmaatschappij Sabena (PB L 300, blz. 48; hierna: "beschikking Sabena"); beschikking 94/118/EG van de Commissie van 21 december 1993 betreffende steun die Ierland voornemens is te verlenen aan het Aer Lingus concern (PB 1994, L 54, blz. 30; hierna: "beschikking Aer Lingus"); beschikking 94/698/EG van de Commissie van 6 juli 1994 betreffende kapitaalverhoging, kredietgaranties en een bestaande belastingvrijstelling voor TAP (PB L 279, blz. 29; hierna: "beschikking TAP")]. Dat het hier gaat om een termijn van normale duur zou overigens worden bevestigd door artikel 10, lid 3, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1; hierna: "verordening nr. 4064/89"), volgens hetwelk de beschikking waarbij een aangemelde concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, binnen vier maanden moet worden gegeven.
56 Ten slotte is de Commissie van mening, dat zij juridisch niet verplicht is externe deskundigen te raadplegen alvorens een beschikking te geven.
Beoordeling door het Gerecht
Algemene opmerkingen
57 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het omstreden steunvoornemen door de Franse autoriteiten officieel is aangemeld bij de Commissie, die nadat zij had besloten de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden, gehouden was "de belanghebbenden [aan te manen] hun opmerkingen te maken" alvorens uitspraak te doen over dit voornemen.
58 Aangaande het doel van laatstgenoemde zinsnede van artikel 93, lid 2, dient er vervolgens aan te worden herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof deze bepaling enerzijds tot doel heeft de Commissie te verplichten, ervoor te zorgen dat alle potentiële belanghebbenden op de hoogte worden gebracht en in de gelegenheid worden gesteld, hun opmerkingen te doen gelden (arrest van 14 november 1984, Intermills/Commissie, 323/82, Jurispr. blz. 3809, punt 17), en anderzijds, de Commissie in staat te stellen zich voor haar beschikking volledig over alle relevante aspecten van de zaak te laten voorlichten (arrest van 20 maart 1984, Duitsland/Commissie, 84/82, Jurispr. blz. 1451, punt 13).
59 Wat inzonderheid de op de Commissie rustende verplichting om de belanghebbenden te informeren betreft, heeft het Hof geoordeeld, dat de bekendmaking van een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een passend middel is om alle belanghebbenden op de hoogte te brengen van het feit dat een procedure is ingeleid (arrest Intermills/Commissie, reeds aangehaald, punt 17), doch het heeft daarbij gepreciseerd, dat "deze mededeling er evenwel slechts toe strekt, bij de belanghebbenden alle inlichtingen ter voorlichting van de Commissie met het oog op haar toekomstig beleid in te winnen" (arrest van 12 juli 1973, Commissie/Duitsland, 70/72, Jurispr. blz. 813, punt 19). Het Gerecht heeft zich aangesloten bij deze rechtspraak, die de belanghebbenden vooral de rol van informatiebron voor de Commissie in het kader van de administratieve procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag toekent (arrest van 22 oktober 1996, Skibsvaerftsforeningen e.a./Commissie, T-266/94, Jurispr. blz. II-1399, punt 256).
60 Hieruit volgt, dat de belanghebbenden zich niet kunnen beroepen op een recht van verweer als hetgeen is toegekend aan personen tegen wie een procedure is ingeleid (zie, in die zin, het in een mededingingszaak gewezen arrest van het Hof van 17 november 1987, BAT en Reynolds/Commissie, 142/84 en 156/84, Jurispr. blz. 4487, punten 19 en 20, en arrest Hof van 21 maart 1990, België/Commissie, C-142/87, Jurispr. blz. I-959, punt 46), maar enkel het recht hebben om gelet op de omstandigheden van het concrete geval op passende wijze bij de administratieve procedure te worden betrokken.
61 De omvang van het recht op deelneming en informatie waarover de belanghebbenden in het kader van een krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag ingeleide administratieve procedure beschikken, kan evenwel om twee redenen worden beperkt.
62 Enerzijds kan de Commissie wanneer, zoals in het onderhavige geval, een lidstaat een steunvoornemen met justificatoire bescheiden aanmeldt en de bevoegde diensten van de Commissie vervolgens een aantal gesprekken hebben met de ambtenaren van de betrokken lidstaat, reeds behoorlijk wat informatie hebben verkregen die slechts over een gering aantal punten twijfel laat bestaan welke kan worden weggewerkt door van de belanghebbenden afkomstige inlichtingen. Voor zover de gesprekken tussen de lidstaat en de Commissie betrekking hebben op de details van het steunvoornemen, op de economische en financiële situatie van de begunstigde onderneming en op de mededingingssituatie en de interne werking van deze onderneming, gaan zij immers noodzakelijkerwijs veel dieper dan de gesprekken met de belanghebbende partijen. Bijgevolg kon de Commissie ermee volstaan, in haar mededeling in het Publicatieblad aan de belanghebbenden algemene inlichtingen over de wezenlijke onderdelen van het steunvoornemen te verstrekken en zich verder te concentreren op de punten waaromtrent zij nog enige twijfel had.
63 Anderzijds is de Commissie ingevolge artikel 214 van het Verdrag gehouden, inlichtingen die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, zoals met name gegevens betreffende de interne werking van de begunstigde onderneming, niet aan de belanghebbenden openbaar te maken. Op dit punt verschilt de situatie van de belanghebbenden niet van die van de klagers in mededingingszaken, aan wie volgens de rechtspraak van het Hof geen zakengeheimen mogen worden meegedeeld (arrest BAT en Reynolds/Commissie, reeds aangehaald in punt 60, punt 21).
64 Het beperkte karakter van bovengenoemd recht op deelneming en informatie, welk recht slechts betrekking heeft op het verloop van de administratieve procedure, is niet in tegenspraak met de krachtens artikel 190 van het Verdrag op de Commissie rustende verplichting om de eindbeschikking waarbij zij het steunvoornemen goedkeurt, te voorzien van een toereikende motivering waarin wordt ingegaan op alle belangrijke grieven die de door deze beschikking rechtstreeks en individueel geraakte belanghebbenden, hetzij eigener beweging, hetzij als reactie op door de Commissie verstrekte inlichtingen, hebben geformuleerd. Zelfs al zou de Commissie er in een concreet geval op geldige wijze de voorkeur aan kunnen geven andere informatiebronnen te benutten en daardoor het belang van de deelneming van de belanghebbenden te verminderen, dit ontslaat haar niet van de verplichting om haar beschikking van een passende motivering te voorzien (zie hierna punt 96).
65 Tegen de achtergrond van deze beginselen dienen de gestelde onregelmatigheden in het verloop van de administratieve procedure te worden onderzocht, met dien verstande dat niet wordt betwist, dat verzoeksters, de aan hun zijde tussengekomen partijen en ACE, die zich tijdens de administratieve procedure voor de Commissie tegen goedkeuring van het omstreden steunvoornemen hebben verzet, moeten worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag, zoals dit door het Hof is uitgelegd in zijn arrest Intermills/Commissie (reeds aangehaald in punt 58, punt 16).
De mededeling van 3 juni 1994
66 Wat ten eerste de gestelde ontoereikendheid van de mededeling van 3 juni 1994 betreft, dient erop te worden gewezen, dat in deze mededeling een uiteenzetting wordt gegeven van
- de economische en financiële situatie van Air France vóór de opstelling van het steunplan, inzonderheid de eerdere herstructureringsplannen en kapitaalinjecties en haar geaccumuleerde verliezen,
- de "kernpunten" van het nieuwe herstructureringsplan,
- het voorgenomen steunbedrag van 20 miljard FF en
- de voornaamste twijfels die de Commissie in die fase van de procedure had over met name de productiviteitswinst van Air France, de structuur van de groep Air France, de mededingingspositie van Air France en de eventuele overkapitalisatie van de onderneming.
Volgens het Gerecht volstond een dergelijke informatie om de belanghebbenden in staat te stellen, op nuttige wijze hun argumenten voor de Commissie te doen gelden.
67 Aangaande de stelling van verzoeksters in zaak T-371/94, dat ook de meeteenheid ERPK, het luchtverkeersnet van Air France en de verdere ontwikkeling daarvan, en de redenen voor de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen in de mededeling hadden moeten worden behandeld, vormt het antwoord van de Commissie, dat zij geen twijfel koesterde omtrent deze specifieke punten, een voldoende rechtvaardiging voor het stilzwijgen van de mededeling dienaangaande. Dit stilzwijgen ontneemt verzoeksters immers niet het recht, door het Gerecht te laten onderzoeken, of de eindbeschikking van de Commissie op die punten afdoende is gemotiveerd en of zij kennelijk verkeerde beoordelingen of kennelijk verkeerde rechtsopvattingen bevat.
68 Met betrekking tot de door verzoekster in zaak T-394/94 geformuleerde grieven inzake het niet-meedelen van de vele details die hierboven zijn genoemd (zie hierboven punt 44), voert de Commissie terecht aan, dat de bescherming van zakengeheimen haar verbood, commercieel gevoelige gegevens van de luchtvaartmaatschappij aan de concurrenten van Air France openbaar te maken. Vooral het herstructureringsplan bevatte - vóór de goedkeuring ervan door de Commissie en het begin van uitvoering ervan - dergelijke gegevens, en het betaamde uiteraard niet, dat de concurrenten elke door Air France voorgenomen herstructureringsmaatregel zouden gaan beoordelen en met hun eigen beheersmaatregelen zouden gaan vergelijken. Anders zouden de concurrenten zich met de interne herstructurering van Air France kunnen gaan bemoeien en na waardevolle informatie over hun concurrente te hebben verkregen, kunnen proberen de maatregelen te "dicteren" die hun goed lijken voor Air France. Deze analyse wordt niet tegengesproken door het feit, dat andere belanghebbenden, zoals ACE, er kennelijk in zijn geslaagd in het bezit te komen van dit herstructureringsplan. Dit kan voor de Commissie geen reden vormen om artikel 214 van het Verdrag te schenden.
69 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de jaarrekeningen van Air France voor 1993 zijn bekendgemaakt in het Bulletin des annonces légales obligatoires van 17 juni 1994 (blz. 10207) en derhalve toegankelijk waren voor de belanghebbenden. Dezen kunnen de Commissie derhalve niet verwijten, dat zij de definitieve cijfers niet heeft vermeld in haar mededeling van 3 juni en dat zij haar eindbeschikking heeft gegeven zonder kennis te hebben van deze gegevens.
70 Ten slotte vormt de jegens de Commissie geformuleerde grief, dat zij heeft nagelaten essentiële gegevens in te winnen alvorens haar eindbeschikking te geven, en dat zij de relevante aspecten van de zaak niet afdoende heeft onderzocht, niet meer dan een algemene bewering en veronderstelling die door geen enkel concreet bewijs worden gestaafd. De Commissie kon er dus mee volstaan hierop te antwoorden, dat zij wel degelijk alle nuttige en noodzakelijke informatie had verkregen en deze zorgvuldig had nagetrokken. Deze grief betreft overigens in feite niet de fase van de mededeling van 3 juni 1994, maar de latere fase van de bestreden beschikking. Hetzelfde geldt voor de laatste twee door verzoekster in zaak T-394/94 geformuleerde grieven (zie hierboven punt 44), die in feite de motivering en de beoordeling ten gronde betreffen en de rechtmatigheid van de bestreden beschikking in het geding brengen. Bijgevolg zullen die hierna in een andere context worden behandeld.
De duur van het onderzoek
71 Volgens verzoeksters heeft de Commissie, gelet op de ingewikkeldheid van het omstreden steunvoornemen, niet voldoende tijd genomen om dit steunvoornemen te onderzoeken alvorens de bestreden beschikking te geven. Dienaangaande dient allereerst te worden opgemerkt, dat geen enkele bepaling van het Verdrag of van de gemeenschapswetgeving voorschrijft, dat voor beschikkingen inzake staatssteun die aan het einde van een procedure als bedoeld in artikel 93, lid 2, van het Verdrag worden gegeven, een vaste termijn in acht moet worden genomen. Overigens, zelfs al zou worden aangenomen, dat de Commissie overhaast heeft gehandeld en niet voldoende tijd heeft genomen om het omstreden voornemen te onderzoeken, dit vormt op zichzelf nog geen voldoende grond om de bestreden beschikking nietig te verklaren. Voor nietigverklaring is veeleer vereist, dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op specifieke procedureregels, op de regels inzake de motivering of op die welke de interne rechtmatigheid van de bestreden beschikking beheersen. Bijgevolg dient deze grief te worden afgewezen zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de relevantie van de besluitvormingspraktijk van de Commissie inzake concentraties.
De externe deskundigen
72 Het jegens de Commissie geformuleerde verwijt, dat zij voor het opstellen van de bestreden beschikking geen beroep heeft gedaan op externe deskundigen, is kennelijk ongegrond, daar geen enkele bepaling van het Verdrag of van de gemeenschapswetgeving de Commissie een dergelijke verplichting oplegt. Hieraan moet worden toegevoegd, dat de Commissie in elk geval voor het vaststellen van de bestreden beschikking over vrij veel informatie op het gebied van het luchtvervoer beschikte. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de Commissie zich reeds vertrouwd had gemaakt met de situatie van het luchtvervoer, die het onderwerp was van onder meer het begin 1994 door het "Comité van wijzen" gepubliceerde rapport "Expanding horizons", het programma "Een betere toekomst voor de burgerluchtvaart in Europa", en van de publicaties van de International Air Transport Association (IATA) en de Association of European Airlines (AEA). Bovendien had de Commissie andere beschikkingen in de luchtvaartsector gegeven, zoals de beschikkingen Sabena, Aer Lingus en TAP (reeds aangehaald in punt 55). Ten slotte wijst geen enkel specifiek element van de onderhavige zaak erop, dat de Commissie externe deskundigen nodig had.
De vertaalfout
73 De fout in de Franse tekst van de mededeling van 3 juni 1994, waarop verzoeksters in zaak T-371/94 hebben gewezen, is zo overduidelijk, dat de in de luchtvaartsector ingevoerde kringen zich daar gemakkelijk rekenschap van konden geven. Het is immers overduidelijk, dat leningsbewijzen volgens de beginselen van de boekhouding niet "du passif vers l'actif" ("from the side of the debts into the equity", volgens de Engelse tekst van de mededeling) kunnen worden overgebracht, maar binnen het passief moeten worden ingedeeld, waar zij hetzij eigen middelen, hetzij schulden vormen.
74 De Commissie heeft er in elk geval in die passage van haar mededeling uitdrukkelijk op gewezen, dat zij de indeling van die titels nog aan een grondige analyse moest onderwerpen. Hieruit blijkt, dat de beoordeling door de Commissie, ook met betrekking tot het punt waarin bovengenoemde fout was geslopen, nog niet definitief was. Die fout kan de rechtmatigheid van de administratieve procedure derhalve niet aantasten, aangezien het er in deze context enkel om ging uit te maken, of de eindbeschikking door die fout is aangetast, hetgeen zelfs verzoeksters niet hebben aangevoerd.
De deelneming van de andere lidstaten
75 Het door het Koninkrijk Denemarken aangevoerde middel, dat de Commissie het antwoord van de Franse regering op de mededeling van 3 juni 1994 aan de andere lidstaten had moeten voorleggen, moet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het door verzoeksters niet is aangevoerd. Aangezien volgens artikel 116, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de interveniënten het geding moeten aanvaarden in de stand op het ogenblik van tussenkomst, en volgens artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG de conclusies van het verzoek tot tussenkomst slechts kunnen strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen, was het Koninkrijk Denemarken als interveniënte immers niet bevoegd dit middel aan te voeren (zie, in die zin, arrest Hof van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. I-1125, punten 19-22).
76 Wat er ook van zij, artikel 93 van het Verdrag verplicht de Commissie niet, de opmerkingen die zij heeft ontvangen van de regering van de staat die om goedkeuring van een steun verzoekt, aan de andere lidstaten voor te leggen. Integendeel, uit artikel 93, lid 2, derde alinea, van het Verdrag volgt, dat de andere lidstaten slechts bij een specifiek steundossier worden betrokken wanneer dit dossier op verzoek van de belanghebbende staat aan de Raad wordt voorgelegd.
Conclusie
77 Uit het voorgaande volgt, dat het verloop van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in het onderhavige geval door geen enkel gebrek is aangetast, zodat de desbetreffende middelen moeten worden afgewezen.
II - De middelen als zou de Commissie beoordelingsfouten hebben gemaakt en blijk hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en artikel 61, lid 3, sub c, van de EER-Overeenkomst
Algemene opmerkingen
78 In de bestreden beschikking heeft de Commissie de omstreden steunmaatregel getoetst aan artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag en artikel 61, lid 3, sub c, van de EER-Overeenkomst. In het kader van dat onderzoek heeft zij vastgesteld, dat een echte herstructurering van Air France in overeenstemming zou zijn met het gemeenschappelijk belang, dat het bedrag van de steun niet overdreven leek en dat de steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig veranderde dat het gemeenschappelijk belang werd geschaad.
79 Volgens vaste rechtspraak beschikt de Commissie voor de toepassing van artikel 92, lid 3, van het Verdrag over een ruime beoordelingsvrijheid (zie, bijvoorbeeld, arresten Hof van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie, 730/79, Jurispr. blz. 2671, punten 17 en 24, 24 februari 1987, Deufil/Commissie, 310/85, Jurispr. blz. 901, punt 18, en 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, C-301/87, Jurispr. blz. I-307, punt 49). Aangezien het hierbij gaat om de beoordeling van ingewikkelde sociaal-economische situaties, moet de rechterlijke toetsing van een in dit kader gegeven beschikking worden beperkt tot de vraag, of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arrest Hof van 29 februari 1996, België/Commissie, C-56/93, Jurispr. blz. I-723, punt 11 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Gerecht is met name niet bevoegd zijn economische beoordeling in de plaats te stellen van die van de auteur van de beschikking (arrest Hof van 15 juni 1993, Matra/Commissie, C-225/91, Jurispr. blz. I-3203, punt 23). Volgens het Gerecht geldt deze rechtspraak in dezelfde mate voor het onderzoek krachtens artikel 61, lid 3, sub c, van de EER-Overeenkomst.
80 De Commissie wijst erop, dat in het onderhavige geval een deel van de door verzoeksters geformuleerde grieven berust op feiten die zich na de vaststelling van de bestreden beschikking hebben voorgedaan. Verzoeksters antwoorden hierop, dat een aantal van die latere feiten in de lijn liggen van een ononderbroken reeks feiten waarvan de Commissie kennis had moeten hebben. Sommige van die latere feiten zouden overigens een duidelijke illustratie vormen van de opmerkingen die verzoeksters in het kader van de administratieve procedure hadden ingediend.
81 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 van het Verdrag de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op de datum waarop de handeling is vastgesteld (arresten Hof van 7 februari 1979, Frankrijk/Commissie, 15/76 en 16/76, Jurispr. blz. 321, punt 7, en arrest Gerecht van 15 januari 1997, SFEI e.a./Commissie, T-77/95, Jurispr. blz. II-1, punt 74) en niet kan afhangen van overwegingen die men achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van die handeling kan doen gelden (arrest Hof van 7 februari 1973, Schröder, 40/72, Jurispr. blz. 125, punt 14). Inzonderheid de door de Commissie verrichte ingewikkelde beoordelingen mogen enkel worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen verrichtte (arresten Hof van 10 juli 1986, België/Commissie, 234/84, Jurispr. blz. 2263, punt 16, en 26 september 1996, Frankrijk/Commissie, C-241/94, Jurispr. blz. I-4551, punt 33).
82 Tegen de achtergrond van bovengenoemde beginselen moeten de middelen en argumenten worden onderzocht die met betrekking tot de grond van de onderhavige zaak door verzoeksters zijn aangevoerd. Deze betreffen de beoordeling van de evenredigheid van het steunbedrag, de beoordeling van de gevolgen van de steunmaatregel voor de burgerluchtvaart in de EER en de beoordeling van het passend karakter van het herstructureringsplan waarmee de omstreden steunmaatregel gepaard gaat.
De grieven inzake schending van het evenredigheidsbeginsel op het gebied van staatssteun
83 Met deze grieven verwijten verzoeksters en de aan hun zijde tussengekomen partijen de Commissie, dat het bedrag van de door haar goedgekeurde steun de herstructureringsbehoeften van Air France overschrijdt. Deze grieven zijn in wezen gebaseerd op het arrest Philip Morris/Commissie (reeds aangehaald in punt 79, punt 17), waarin het Hof heeft geoordeeld, dat niet kan worden toegestaan, dat lidstaten uitkeringen doen die leiden tot een verbetering van de situatie van de begunstigde onderneming "zonder noodzakelijk te zijn om de in artikel 92, lid 3, bedoelde doelstellingen te bereiken".
A - De grief dat de Commissie de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen door Air France ten onrechte heeft goedgekeurd
Summiere uiteenzetting van het betoog van partijen
84 Volgens verzoeksters was de goedkeuring van een steunmaatregel die tot doel had Air France in staat te stellen zeventien nieuwe vliegtuigen te kopen, in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Commissie had duidelijk ongelijk waar zij concludeerde, dat het bedrag van de steun niet kon worden verminderd door het annuleren of uitstellen van de door Air France geplaatste order voor een bedrag van 11,5 miljard FF. De kosten van de noodzakelijke regelmatige vernieuwing van de vloot zouden immers een investering in kapitaalgoederen zijn en in beginsel deel uitmaken van de normale exploitatiekosten van een luchtvaartmaatschappij. Dit soort vernieuwingen zou zonder staatssteun moeten worden verricht. In elk geval zou de aankoop van nieuwe toestellen niet absoluut noodzakelijk zijn geweest voor Air France.
85 Verzoeksters in zaak T-371/94 verwijten de Commissie bovendien, dat zij dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd, ofschoon haar in de loop van de administratieve procedure was meegedeeld, dat de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen geen wezenlijk onderdeel van het herstructureringsplan van Air France was en derhalve moest worden geannuleerd. De Commissie zou de opmerkingen die de derden als antwoord op haar mededeling van 3 juni 1994 hadden geformuleerd, niet ernstig hebben onderzocht. Verzoekster in zaak T-394/94 en de interveniënten Maersk betogen algemeen, dat de Commissie de bestreden beschikking niet passend heeft gemotiveerd door onder meer na te laten naar behoren rekening te houden met de gedetailleerde opmerkingen die de derden in de loop van de administratieve procedure hadden geformuleerd.
86 De Commissie wijst erop, dat het voor Air France nodig was de zeventien nieuwe toestellen aan te kopen. Zij herinnert er dienaangaande aan, dat in de bestreden beschikking wordt gezegd dat de hoge exploitatiekosten van Air France ten dele te wijten waren aan de heterogeniteit van haar vloot, en dat het herstructureringsplan daarom voorzag in rationalisering van de vloot (PB, blz. 75 en 76). Dit plan zou geenszins leiden tot verjonging van de vloot van Air France, maar enkel tot vertraging van de veroudering ervan. De nieuwe straalvliegtuigen zouden overigens aanzienlijk minder brandstof verbruiken, zouden voldoen aan de regelingen inzake milieubescherming, en zouden geringe herstel- en onderhoudskosten meebrengen. Ten slotte zouden zij aantrekkelijker zijn voor de passagiers.
87 Wat haar motiveringsplicht betreft, is de Commissie van oordeel, dat de bestreden beschikking voldoet aan artikel 190 van het Verdrag. Het zou immers volstaan, dat een beschikking de belangrijkste juridische en feitelijke overwegingen bevat waarop zij berust en die vereist zijn voor het begrijpen van de gedachtengang die de Commissie tot haar beslissing heeft gebracht (arrest Hof van 4 juli 1963, Duitsland/Commissie, 24/62, Jurispr. blz. 135, 150). Het zou niet vereist zijn, dat zij ingaat op alle feitelijke en rechtspunten die door een belanghebbende tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (zie, bijvoorbeeld, arrest Hof van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 66). Ten slotte zou het motiveringsvereiste moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van de omstandigheden van het concrete geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde gronden en het belang dat de geadresseerden bij toelichtingen kunnen hebben. De Commissie is van oordeel, dat de bestreden beschikking volledig voldoet aan de voorwaarden van bovengenoemde rechtspraak. Zij geeft immers over zeventien bladzijden van het Publicatieblad een uiteenzetting van alle relevante feiten en rechtspunten van de onderhavige zaak en ook een samenvatting van de bezwaren die de derden in de loop van de administratieve procedure hebben geformuleerd. De Commissie ontkent met name, dat zij geen rekening heeft gehouden met de tijdens de administratieve procedure gemaakte opmerkingen. Deze opmerkingen zouden naar behoren zijn onderzocht en voor commentaar aan de Franse autoriteiten zijn voorgelegd.
Beoordeling door het Gerecht
88 Gelet op de door verzoeksters geformuleerde grieven is het Gerecht van oordeel, dat allereerst dient te worden nagegaan, of de bestreden beschikking voldoende is gemotiveerd ter zake van de goedkeuring van de aankoop door Air France van zeventien nieuwe vliegtuigen. Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat gelet op de vaste rechtspraak volgens welke elk eventueel ontbreken van motivering ambtshalve kan worden opgeworpen (arresten Hof van 20 maart 1959, Nold/Hoge autoriteit, 18/57, Jurispr. blz. 93, 119, en 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C-166/95 P, Jurispr. blz. I-983, punten 24 en 25, alsmede arrest Gerecht van 2 juli 1992, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, T-61/89, Jurispr. blz. II-1931, punt 129), het Gerecht verzoeksters en de aan hun zijde tussengekomen partijen heeft uitgenodigd, de opmerkingen die zij in de loop van de administratieve procedure als belanghebbenden in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag bij de Commissie hadden ingediend, neer te leggen voor zover die opmerkingen nog niet aan het dossier waren toegevoegd (zie hierboven punt 33).
89 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen, teneinde de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn toetsing te verrichten en de belanghebbenden in staat te stellen de gronden voor de getroffen maatregelen te kennen zodat zij hun rechten kunnen verdedigen (zie arrest Hof van 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie, C-350/88, Jurispr. blz. I-395, punt 15, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
90 Met betrekking tot het begrip "belanghebbenden" in de zin van bovengenoemde rechtspraak heeft het Hof in een zaak betreffende een beschikking van de Commissie houdende weigering om een steunvoornemen van een lidstaat ten gunste van een nationale onderneming goed te keuren, geoordeeld dat het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van onder meer het belang van de adressaten "of andere personen die rechtstreeks en individueel [door de bestreden handeling] worden geraakt" in de zin van artikel 173 van het Verdrag, bij een verklaring kunnen hebben (arrest van 13 maart 1985, Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, 296/82 en 318/82, Jurispr. blz. 809, punt 19).
91 Verder heeft het Hof gepreciseerd, dat concurrenten van de onderneming die de steun zal ontvangen, als "belanghebbenden" in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag moeten worden beschouwd en moeten worden geacht in die hoedanigheid rechtstreeks en individueel te worden geraakt door de beschikking van de Commissie die de betaling van de betrokken steun toestaat. Het Hof heeft er daarbij eveneens aan herinnerd, dat de belanghebbenden in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag, reeds waren omschreven als de personen, ondernemingen of verenigingen die eventueel door de verlening van de staatssteun in hun belangen worden geraakt, dat wil zeggen met name concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen (arrest van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C-198/91, Jurispr. blz. I-2847, punten 24 tot en met 26, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
92 Voor het vereiste om een beschikking inzake staatssteun met redenen te omkleden kan derhalve niet bepalend zijn het belang dat de lidstaat tot dewelke de beschikking is gericht, bij die informatie heeft. Ingeval de lidstaat van de Commissie heeft verkregen wat zij vroeg, te weten goedkeuring van haar steunvoornemen, heeft zij immers, anders dan haar concurrenten, misschien zelfs maar zeer weinig belang meer bij het ontvangen van een met redenen omklede beschikking, inzonderheid wanneer zij tijdens de onderhandelingen met de Commissie en met name na de briefwisseling die aan de vaststelling van de goedkeuringsbeschikking is voorafgegaan, voldoende inlichtingen heeft gekregen.
93 In het onderhavige geval staat vast, dat verzoeksters, de interveniënten Maersk en ACE belanghebbenden in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag zijn, en dat de bestreden beschikking hen rechtstreeks en individueel raakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, daar de bij de bestreden beschikking goedgekeurde steunmaatregel hun marktpositie wezenlijk heeft beïnvloed (arrest Hof van 28 januari 1986, Cofaz/Commissie, 169/84, Jurispr. blz. 391, punt 25).
94 Volgens vaste rechtspraak moet bij de vraag, of de motivering van een beschikking aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet, niet alleen acht worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Delacre e.a./Commissie, reeds aangehaald in punt 89, punt 16, en de aldaar aangehaald rechtspraak). Al is de Commissie niet gehouden, in de motivering van een beschikking in te gaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die door de belanghebbenden in de loop van de administratieve procedure zijn aangevoerd (arrest Hof van 17 januari 1995, Publishers Association/Commissie, C-360/92 P, Jurispr. blz. I-23, punt 39), toch moet zij rekening houden met alle omstandigheden en factoren die relevant zijn in het concrete geval (arrest Hof van 24 oktober 1996, Duitsland e.a./Commissie, C-329/93, C-62/95 en C-63/95, Jurispr. blz. I-5151, punt 32; hierna: "arrest Bremer Vulkan/Commissie"), teneinde de gemeenschapsrechter in staat te stellen zijn wettigheidstoetsing te verrichten en zowel de lidstaten als de belanghebbende onderdanen te laten weten, onder welke omstandigheden de Commissie het Verdrag heeft toegepast (arrest Publishers Association/Commissie, reeds aangehaald, punt 39).
95 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de Commissie de bestreden beschikking heeft gegeven krachtens artikel 92, lid 3, van het Verdrag, dat wil zeggen op een gebied waar zij een ruime beoordelingsvrijheid geniet (zie hierboven punt 79). Aangezien het Hof heeft geoordeeld, dat de discretionaire bevoegdheid van de Commissie gepaard gaat met de verplichting om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (arrest van 21 november 1991, Technische Universität München, C-269/90, Jurispr. blz. I-5469, punt 14), eist het toezicht op die verplichting een voldoende nauwkeurige motivering teneinde de rechter in staat te stellen, na te gaan of die verplichting is nagekomen.
96 Derhalve moet worden nagegaan, of de motivering van de bestreden beschikking de redenering van de Commissie op duidelijke en ondubbelzinnige wijze doet uitkomen, met name gelet op de grieven die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van het omstreden steunvoornemen, zoals die tijdens de administratieve procedure ter kennis van de Commissie zijn gebracht door British Airways, TAT, Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (hierna: "KLM"), SAS, Air UK, Euralair en British Midland, alsmede door ACE, namens onder meer Euralair en Maersk, door het Koninkrijk Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, het Koninkrijk Zweden en het Koninkrijk Noorwegen (hierna: "belanghebbende partijen").
97 Bij lezing van alle bij het Gerecht ingediende opmerkingen blijkt, dat sommige van deze partijen de Commissie er met klem op hadden gewezen, dat de in het herstructureringsplan voorziene aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen voor een bedrag van 11,5 miljard FF onaanvaardbaar was. Aangezien alle niet-gesubsidieerde luchtvaartmaatschappijen die met overcapaciteit te kampen hadden, aan het begin van de jaren '90 de bestellingen van nieuwe vliegtuigen hebben moeten annuleren of uitstellen, zou Air France niet aan die verplichting mogen ontsnappen. De beslissing om 11,5 miljard FF in de aankoop van vliegtuigen te investeren, zou de behoeften aan bijkomend kapitaal en derhalve de schulden van Air France verhogen. Gelet op haar rampzalige financiële toestand zou het niet gerechtvaardigd zijn de opbrengst van de verkoop van andere activa daarvoor te gebruiken. De in het herstructureringsplan voorziene homogenisering van de vloot van Air France zou veeleer door verbouwing van de bestaande vliegtuigen dienen te gebeuren.
98 Inzonderheid TAT en het Verenigd Koninkrijk hebben beklemtoond, dat de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen een investering vormde die de kortetermijnactiviteiten van Air France, en niet de herstructurering van deze maatschappij betrof. Het zou daarbij gaan om een normale modernisering om het concurrentievermogen van de luchtvaartmaatschappij op peil te houden. Een dergelijke maatregel zou evenwel uit de eigen middelen van een onderneming moeten worden gefinancierd en niet met staatssteun mogen worden verricht. In het onderhavige geval zou het onvermijdelijk zijn, dat de omstreden steun in strijd met de eisen van de rechtspraak en met de beslissingspraktijk van de Commissie voor de financiering van de aankoop van deze vliegtuigen wordt gebruikt. Deze steun zou moeten worden aangemerkt als werkingssteun die niet voldoet aan de eisen van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag. In dit verband is verwezen naar het arrest Deufil/Commissie (reeds aangehaald in punt 79) en naar het arrest van het Hof van 8 maart 1988, Waalse Gewestexecutieve en Glaverbel/Commissie (62/87 en 72/87, Jurispr. blz. 1573), alsmede naar beschikking 90/70/EEG van de Commissie van 28 juni 1989 betreffende door Frankrijk aan bepaalde ijzer- en staalondernemingen op het gebied van de eerste verwerking van staal verleende steun (PB 1990, L 47, blz. 28).
99 Het Gerecht stelt dienaangaande vast, dat de Commissie in de bestreden beschikking erop heeft gewezen, dat een van de handicaps van de groep Air France de heterogeniteit van haar vloot is. Deze bestaat uit een te groot aantal verschillende soorten vliegtuigen (24 verschillende vliegtuigtypes of -versies) en dit is een van de redenen waarom de exploitatiekosten zo hoog zijn (de onderhoudskosten zijn zeer hoog als gevolg van het grote aantal verschillende onderdelen en de uiteenlopende kwalificaties van het vliegend personeel en het grondpersoneel). Op 31 december 1993 telde de vloot van de groep 208 vliegtuigen (de actieve vloot van Air France bestond uit 145 toestellen) en bedroeg de gemiddelde leeftijd van de toestellen 8,6 jaar (PB, blz. 75).
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0371.1
100 Wat de "kernpunten" van het herstructureringsplan betreft, verklaart de Commissie, dat het aantal vliegtuigen dat in de herstructureringsperiode moet worden geleverd, is teruggebracht van 22 naar 17. De overeenkomstige investering zou aldus 11,5 miljard FF bedragen (PB, blz. 75). Aangaande het kapitaal dat voor deze investering nodig is, neemt de Commissie akte van het uitstel van een aantal orders, waardoor de gemiddelde leeftijd van de vloot aan het einde van de herstructureringsperiode ongeveer 9,3 jaar zal bedragen. Elk verder uitstel van de vernieuwing van de vloot zou de gemiddelde leeftijd nog doen toenemen en dreigt het concurrentievermogen van Air France en het succes van haar herstructurering in gevaar te brengen (PB, blz. 82).
101 In het kader van het onderzoek, of de steun in verhouding staat tot de herstructureringsbehoeften (PB, blz. 83), oordeelt de Commissie, dat Air France, de steun buiten beschouwing gelaten, drie mogelijkheden heeft om haar financiële situatie zelf te verbeteren, en dat een daarvan bestaat in het uitstellen van haar orders voor nieuwe vliegtuigen. Daar de luchtvaartmaatschappij evenwel al een aantal orders heeft uitgesteld, zou door verder uitstel de gemiddelde leeftijd van de vloot boven de 10 jaar komen te liggen, hetgeen te hoog is voor een luchtvaartmaatschappij die streeft naar het herstel van haar concurrentievermogen (PB, blz. 85).
102 Het Gerecht is van oordeel, dat uit deze motivering duidelijk en ondubbelzinnig blijkt, om welke redenen de Commissie van mening is, dat het in het specifieke geval van Air France absoluut noodzakelijk is zeventien nieuwe vliegtuigen te kopen. De motivering bevat de door de Commissie als essentieel aangemerkte rechtvaardigingsgronden, te weten de noodzaak voor Air France om te beschikken over een vloot van een redelijke gemiddelde leeftijd, de omstandigheid dat het aantal vliegtuigen dat zal worden aangekocht, slechts een fractie is van het aanvankelijk geplande aantal, en het feit dat die investering de vloot van Air France eenvormiger zal maken en derhalve een vermindering van de exploitatiekosten zal meebrengen. De Commissie heeft daarmee tegelijkertijd afdoende geantwoord op het eerste gedeelte van de opmerkingen die de belanghebbende partijen tijdens de administratieve procedure hadden ingediend.
103 In het tweede gedeelte van hun opmerkingen hebben de belanghebbende partijen een deel van de omstreden steun als een door de rechtspraak verboden werkingssteun aangemerkt omdat hij strekte tot financiering van zuiver operationele activiteiten van Air France, te weten de vernieuwing van de vliegtuigen van haar vloot als kapitaalgoederen.
104 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het Hof in zijn arrest Deufil/Commissie (reeds aangehaald in punt 79) de Commissie heeft gevolgd waar deze had geoordeeld, dat de investering in een normale modernisering met het oog op het behoud van de concurrentiepositie van een onderneming moest worden gefinancierd uit de eigen middelen van de onderneming en niet uit staatssteun (punt 16). In zijn arrest Waalse Gewestexecutieve en Glaverbel/Commissie (reeds aangehaald in punt 98), heeft het Hof geoordeeld, dat de overwegingen van de Commissie volgens welke een investering strekkende tot vernieuwing en technologische modernisering van een productielijn, die periodiek moet plaatsvinden, niet kon worden geacht de ontwikkeling van bepaalde economische bedrijvigheden in de zin van artikel 92, lid 3, sub c, van het Verdrag te vergemakkelijken, begrijpelijk waren en binnen haar beoordelingsvrijheid vielen (punten 31, 32 en 34).
105 Onder verwijzing naar deze rechtspraak hebben de belanghebbenden beklemtoond, dat het bedrag van de goedgekeurde steun overdreven dreigde te worden wanneer een deel van de steun niet voor de eigenlijke herstructurering van Air France werd gebruikt. In zijn arrest Philip Morris/Commissie (reeds aangehaald in punt 79, punt 17) heeft het Hof evenwel geoordeeld, dat het de lidstaten niet is toegestaan uitkeringen te doen die leiden tot een verbetering van de financiële positie van de begunstigde onderneming "zonder noodzakelijk te zijn om de in artikel 92, lid 3, voorziene doelstellingen te bereiken".
106 De belanghebbenden hebben derhalve gewezen op de mogelijkheid van een onjuiste rechtsopvatting, te weten in casu schending van het evenredigheidsbeginsel dat in artikel 92, lid 3, van het Verdrag specifiek wordt geformuleerd voor staatssteun. Het Gerecht is van oordeel, dat deze grief van essentieel belang was voor de beoordeling van het omstreden steunvoornemen. De Commissie was derhalve gehouden, daarop te antwoorden in de motivering van de bestreden beschikking.
107 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de Commissie in de bestreden beschikking als haar mening te kennen geeft, dat de investering in de vernieuwing van de vloot noodzakelijk is voor het succes van de herstructurering van Air France (PB, blz. 82) en dat door uitstel van de orders van nieuwe vliegtuigen de gemiddelde leeftijd van de vloot van Air France boven de tien jaar zou komen te liggen, hetgeen te hoog is voor een maatschappij die streeft naar herstel van haar concurrentievermogen (PB, blz. 85). De investering van 11,5 miljard FF in de vloot, een van de "kernpunten" van het herstructureringsplan (PB, blz. 75), wordt door de Commissie dus als een integrerend deel van de herstructurering van Air France beschouwd.
108 Voor het Gerecht heeft de Commissie dit standpunt overigens bevestigd door te verklaren, dat de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen gerechtvaardigd was "in het kader van de uitvoering van het Projet". Daarbij komt, dat volgens het door de Commissie overgelegde rapport Ernst & Young, de aankoop van de vliegtuigen "een integrerend deel van het programma van rationalisering van de vloot was (...), en deze investering een essentieel onderdeel van het plan was".
109 Met betrekking tot de wijze van financiering van deze investering wordt in de bestreden beschikking gezegd, dat de uitvoering van het herstructureringsplan zal worden gefinancierd door de kapitaalverhoging en de verkoop van activa die niet tot de kernactiviteiten behoren. Deze verkoop, waaruit Air France ongeveer 7 miljard FF hoopt te halen, betreft onder meer een aantal vliegtuigen, die ongeveer 4,1 miljard FF moeten opbrengen, reserveonderdelen (1,2 miljard FF), een gebouw (0,4 miljard FF) en de hotelketen Méridien (PB, blz. 76). In de bestreden beschikking wordt daaraan toegevoegd, dat de Franse autoriteiten zich ertoe hebben verbonden, erop toe te zien dat Air France de steun tijdens de duur van het plan uitsluitend voor de herstructurering van het eigen bedrijf gebruikt (PB, blz. 78 en 79).
110 Bij haar beoordeling van de kansen op succes van het herstructureringsplan verklaart de Commissie, dat de betrokken steun is bestemd voor de financiering van de uitvoering van het plan en voor de herstructurering van de financiën van Air France (PB, blz. 82). Kortom, zij is ervan overtuigd, dat de toegekende steun zowel noodzakelijk als passend is om Air France in staat te stellen haar herstructureringsplan tot een goed einde te brengen en opnieuw economisch gezond te worden (PB, blz. 86). Ten slotte legt goedkeuringsvoorwaarde nr. 6 de Franse autoriteiten op, erop toe te zien "dat de steun (...) door Air France uitsluitend gebruikt wordt voor de herstructurering van de onderneming" (PB, blz. 89).
111 Uit deze motivering blijkt derhalve, dat volgens de bestreden beschikking de omstreden staatssteun weliswaar dient om de schuldenlast van Air France te verminderen, maar er ook toe strekt om samen met de verkoop van activa de verwezenlijking van het herstructureringsplan te financieren. De Commissie is evenwel tevens van mening, dat de investering in de vernieuwing van de vloot zelf absoluut noodzakelijk is voor de herstructurering van Air France. In de bestreden beschikking lijkt derhalve te worden aanvaard, dat de steun dient voor de financiering van een investering in de vloot, te weten voor de aankoop van zeventien nieuwe vliegtuigen. In elk geval verbiedt de beschikking niet, dat de steun, althans ten dele, wordt gebruikt voor de financiering van die investering. Het enige zelfstandige financiële middel waarover Air France beschikt om aan de financiering van die investering bij te dragen, te weten de verkoop van activa, zal naar raming immers slechts 7 miljard FF opbrengen, terwijl de kostprijs van de betrokken investering 11,5 miljard FF bedraagt.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 19 september 2018, T-68/15, ECLI:EU:T:2018:563
- Gerecht EU 16 maart 2016, T-103/14, ECLI:EU:T:2016:152
- Gerecht EU 24 september 2019, T-760/15, ECLI:EU:T:2019:669
- Gerecht EU 16 december 2015, T-67/11, ECLI:EU:T:2015:984
- Gerecht EU 13 mei 2015, T-511/09, ECLI:EU:T:2015:284
- Gerecht EU 25 januari 2018, T-818/14, ECLI:EU:T:2018:33
- Gerecht EU 6 april 2022, T-508/19, ECLI:EU:T:2022:217
- Gerecht EU 19 mei 2021, T-643/20, ECLI:EU:T:2021:286
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-356/15, ECLI:EU:T:2018:439
- Gerecht EU 9 december 2015, T-233/11, ECLI:EU:T:2015:948
- Gerecht EU 17 december 2015, T-242/12, ECLI:EU:T:2015:1003
- Gerecht EU 11 juli 2019, T-894/16, ECLI:EU:T:2019:508
- Gerecht EU 14 juli 2016, T-143/12, ECLI:EU:T:2016:406
- Gerecht EU 13 november 2015, T-424/14, ECLI:EU:T:2015:848
- Gerecht EU 24 september 2019, T-755/15, ECLI:EU:T:2019:670
- Gerecht EU 17 november 2017, T-263/15, ECLI:EU:T:2017:820
- Gerecht EU 15 september 2016, T-386/14, ECLI:EU:T:2016:474
- Gerecht EU 7 februari 2024, T-146/22, ECLI:EU:T:2024:68
- Gerecht EU 20 december 2023, T-494/21, ECLI:EU:T:2023:831
- Gerecht EU 20 december 2023, T-216/21, ECLI:EU:T:2023:822