Gerecht EU 12 juli 2018, T-356/15, ECLI:EU:T:2018:439

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

12 juli 2018 ( *1 )

„Staatssteun – Door het Verenigd Koninkrijk voorgenomen steun ten behoeve van eenheid C van de kerncentrale Hinkley Point – Contract for Difference, overeenkomst met de Secretary of State en kredietgarantie – Besluit tot verenigbaarverklaring van de steun met de interne markt – Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU – Doelstelling van algemeen belang – Bevordering van kernenergie – Noodzaak van overheidsingrijpen – Garantiemededeling – Bepalen van steunelement – Evenredigheid – Investeringssteun – Exploitatiesteun – Recht om opmerkingen in te dienen – Procedure tot plaatsing van overheidsopdrachten – Motiveringsplicht”

In zaak T‑356/15,

Republiek Oostenrijk, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en M. Klamert, vervolgens door G. Hesse en M. Fruhmann als gemachtigden, bijgestaan door H. Kristoferitsch, advocaat,

verzoekster,

ondersteund door

Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door D. Holderer als gemachtigde, bijgestaan door P. Kinsch, advocaat,

interveniënt,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier, R. Sauer, T. Maxian Rusche en P. Němečková als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek, T. Müller en J. Vláčil als gemachtigden,

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. de Bergues, D. Colas en J. Bousin, vervolgens door D. Colas en J. Bousin als gemachtigden,

Hongarije, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Fehér en M. Bóra, vervolgens door B. Sonkodi, vervolgens door A. Steiner als gemachtigden, bijgestaan door P. Nagy, advocaat, en tot slot door A. Steiner,

Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

Roemenië, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Radu en M. Bejenar, vervolgens door M. Bejenar en C.‑R. Cantăr als gemachtigden,

Slowaakse Republiek, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,

en

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Brodie en S. Brandon, vervolgens door C. Brodie, S. Simmons en M. Holt, vervolgens door C. Brodie, S. Simmons en D. Robertson, vervolgens door C. Brodie en D. Robertson, vervolgens door C. Brodie en tot slot door C. Brodie en Z. Lavery als gemachtigden, bijgestaan door T. Johnston, barrister, en A. Robertson, QC,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit (EU) 2015/658 van de Commissie van 8 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.34947 (2013/C) (ex 2013/N) die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de kerncentrale Hinkley Point C (PB 2015, L 109, blz. 44), waarbij de Commissie heeft vastgesteld dat deze steunmaatregel verenigbaar was met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU en de tenuitvoerlegging ervan heeft toegestaan,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, A. Dittrich (rapporteur) en P. G. Xuereb, rechters,

griffier: N. Schall, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 oktober 2017,

het navolgende

Arrest

I. Voorgeschiedenis van het geding

1 Op 22 oktober 2013 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland maatregelen aangemeld ten behoeve van eenheid C van de kerncentrale Hinkley Point (hierna: „Hinkley Point C”). De begunstigde van de aangemelde maatregelen is NNB Generation Company Limited (hierna: „NNBG”), een dochteronderneming van EDF Energy plc (hierna: „EDF”).

2 Op 18 december 2013 heeft de Europese Commissie besloten een formele onderzoeksprocedure in te leiden ten aanzien van de aangemelde maatregelen. Dit besluit is op 7 maart 2014 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2014, C 69, blz. 60).

3 Op 8 oktober 2014 heeft de Commissie besluit (EU) 2015/658 betreffende steunmaatregel SA.34947 (2013/C) (ex 2013/N) die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de kerncentrale Hinkley Point C (PB 2015, L 109, blz. 44; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.

4 De door het Verenigd Koninkrijk aangemelde maatregelen worden omschreven in punt 2 van het bestreden besluit.

5 De eerste aangemelde maatregel, die staat omschreven in punt 2.1 van het bestreden besluit, is een Contract for Difference. Dit is een instrument dat prijsstabiliteit beoogt te waarborgen met betrekking tot de verkoop van elektriciteit van NNBG gedurende de operationele fase van Hinkley Point C. Hierin is bepaald dat NNBG de in voornoemde eenheid geproduceerde elektriciteit op de markt zal verkopen. Het inkomstenniveau van NNBG zal echter worden gestabiliseerd door het Contract for Difference. Met het oog hierop zal de uitoefenprijs, die is berekend op basis van prognoses van de bouw- en exploitatiekosten van NNBG, met inbegrip van een redelijke winst, worden vergeleken met de referentieprijs, die overeenkomt met het gewogen gemiddelde van de groothandelsprijzen die door het Verenigd Koninkrijk zijn vastgesteld voor alle marktdeelnemers die door middel van een Contract for Difference worden ondersteund, en die in overeenstemming is met de marktprijs. In het geval van NNBG is de relevante referentieprijs die van de basislastmarkt, welke geldt voor alle basislastproducenten. Wanneer de referentieprijs lager is dan de uitoefenprijs, ontvangt NNBG een difference payment (compensatie) die gelijk is aan het verschil tussen deze twee prijzen. Dit recht op een difference payment geldt tot een bepaald maximaal productieniveau. Als de referentieprijs echter hoger is dan de uitoefenprijs, is NNBG verplicht het verschil tussen deze twee prijzen te betalen aan de wederpartij bij het Contract for Difference (hierna: „wederpartij van NNBG”). De wederpartij van NNBG is Carbon Contracts Company Ltd, een entiteit die wordt gefinancierd door middel van een op alle vergunninghoudende leveranciers van elektriciteit gezamenlijk rustende wettelijke verplichting. Er zijn twee winstdelingsmechanismen, waarvan het eerste gebaseerd is op de bouwkosten en het tweede op het rendement op eigen vermogen. De operationele kosten worden herzien op twee verschillende data, te weten 15 respectievelijk 25 jaar na het opstarten van de eerste reactor.

6 Het Contract for Difference voorziet, onder bepaalde voorwaarden, in compensatie voor NNBG in geval van bepaalde wetswijzigingen. Bovendien ontvangt zij, onder bepaalde voorwaarden, compensatie in geval van een vervroegde sluiting van de kerncentrale Hinkley Point om politieke redenen en door omstandigheden met betrekking tot de nucleaire aansprakelijkheidsverzekering. In deze gevallen kunnen zowel de investeerders van NNBG als het Verenigd Koninkrijk om de overdracht van NNBG aan de regering van het Verenigd Koninkrijk verzoeken en is compensatie verschuldigd aan voornoemde investeerders.

7 De tweede aangemelde maatregel, die staat omschreven in punt 2.3 van het bestreden besluit, is een overeenkomst tussen de Secretary of State van Energie en Klimaatverandering van het Verenigd Koninkrijk en de investeerders van NNBG (hierna: „overeenkomst met de Secretary of State”). Deze overeenkomst vormt een aanvulling op het Contract for Difference. Hierin wordt bepaald dat wanneer, na een vervroegde sluiting van de kerncentrale Hinkley Point om politieke redenen, de wederpartij van NNBG verzuimt om compensatie te betalen aan de NNBG-investeerders, de overeengekomen compensatie door de Secretary of State aan de investeerders zal worden betaald. De overeenkomst voorziet tevens in winstdelingsmechanismen.

8 De derde aangemelde maatregel, die wordt omschreven in punt 2.2 van het bestreden besluit, is een kredietgarantie van het Verenigd Koninkrijk op de door NNBG uit te geven obligaties, ter garantie van de tijdige betaling van de hoofdsom en de rente over deze schuld, die kan oplopen tot 17 miljard Britse pond (GBP). De garantiepremie die de Commissie in dit besluit heeft toegestaan, beloopt 295 basispunten.

9 In punt 7 van het bestreden besluit heeft de Commissie uiteengezet dat de drie aangemelde maatregelen (hierna: „de betrokken maatregelen”) een steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormden.

10 In de punten 9 en 10 van het bestreden besluit heeft de Commissie onderzocht of de betrokken maatregelen verenigbaar met de interne markt konden worden verklaard op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. In dit verband heeft zij in punt 9.1 van dit besluit uiteengezet dat deze maatregelen verenigbaar waren met de bestaande marktregelgeving. In punt 9.2 van voornoemd besluit heeft zij geconstateerd dat de doelstelling van algemeen belang die het Verenigd Koninkrijk met deze maatregelen nastreefde, bestond uit de bevordering van kernenergie en meer specifiek het scheppen van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie. Volgens de overwegingen van de Commissie in punt 9.3 van dit besluit was ingrijpen van het Verenigd Koninkrijk noodzakelijk om deze doelstelling tijdig te kunnen verwezenlijken. In punt 9.4 van het litigieuze besluit heeft de Commissie geanalyseerd of de betrokken maatregelen geschikte instrumenten waren om dit doel te bereiken en of zij een stimulerend effect hadden. In de punten 9.5 en 9.6 van het besluit heeft zij de evenredigheid van de betrokken maatregelen onderzocht en geconstateerd dat, onder het voorbehoud van een bijstelling van het tarief van de kredietgarantiepremie naar 295 basispunten en een wijziging van de winstdelingsmechanismen, de betrokken maatregelen noodzakelijk moesten worden geacht, dat het risico op verstoring van de mededinging al met al beperkt was en dat de negatieve effecten van de betrokken maatregelen werden gecompenseerd door de positieve effecten ervan. Op basis van deze overwegingen heeft de Commissie in punt 10 van het bestreden besluit geconcludeerd dat de betrokken maatregelen verenigbaar met de interne markt waren krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.

11 Artikel 1, eerste alinea, van het bestreden besluit luidt als volgt: „De steun aan Hinkley Point C in de vorm van een Contract for Difference, van de overeenkomst met de Secretary of State en van een kredietgarantie, alsmede alle hiermee samenhangende aspecten, die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen, is, overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder c), [VWEU] verenigbaar met de interne markt.”

II. Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen

12 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 juli 2015 heeft de Republiek Oostenrijk het onderhavige beroep ingesteld.

13 Op 18 september 2015 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend.

14 Op 5 november 2015 heeft de Republiek Oostenrijk haar repliek ingediend.

15 Op 15 januari 2016 heeft de Commissie haar dupliek ingediend.

16 Bij een op 9 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Slowaakse Republiek verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de kamerpresident van 9 december 2015 is deze lidstaat toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 14 maart 2016 heeft de Slowaakse Republiek haar memorie in interventie ingediend.

17 Bij een op 20 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft het Groothertogdom Luxemburg verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Republiek Oostenrijk. Bij beschikking van de kamerpresident van 18 december 2015 is het Groothertogdom Luxemburg toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Republiek Oostenrijk. Op 24 maart 2016 heeft deze lidstaat zijn memorie in interventie ingediend.

18 Bij een op 25 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Hongarije verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de kamerpresident van 6 januari 2016 is deze lidstaat toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 24 maart 2016 heeft Hongarije zijn memorie in interventie ingediend.

19 Bij een op 26 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de kamerpresident van 6 januari 2016 is deze lidstaat toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 23 maart 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk zijn memorie in interventie ingediend.

20 Bij een op 30 november 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Franse Republiek verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de kamerpresident van 11 januari 2016 is deze lidstaat toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 18 maart 2016 heeft de Franse Republiek haar memorie in interventie ingediend.

21 Bij een op 2 december 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Tsjechische Republiek verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de kamerpresident van 11 januari 2016 is deze lidstaat toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 24 maart 2016 heeft de Tsjechische Republiek haar memorie in interventie ingediend.

22 Bij een op 3 december 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Republiek Polen verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de kamerpresident van 11 januari 2016 is deze lidstaat toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 24 maart 2016 heeft de Republiek Polen haar memorie in interventie ingediend.

23 Bij een op 3 december 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Roemenië verzocht in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de kamerpresident van 11 januari 2016 is deze lidstaat toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Op 24 maart 2016 heeft Roemenië zijn memorie in interventie ingediend.

24 Op 21 juli 2016 heeft de Republiek Oostenrijk haar opmerkingen ingediend over de memories in interventie van de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, Roemenië, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk.

25 Op 19 juli 2016 heeft de Commissie haar opmerkingen ingediend over de memories in interventie van het Groothertogdom Luxemburg.

26 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang schriftelijke vragen gesteld aan de Republiek Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie. Deze partijen hebben binnen de gestelde termijnen op deze vragen geantwoord.

27 Op 14 september 2017 heeft de Commissie een van een document vergezeld bewijsaanbod gedaan. Dit aanbod alsook het document zijn toegevoegd aan het dossier en de andere partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarover opmerkingen te maken.

28 Bij brieven van 18 en 28 september 2017 hebben de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk hun opmerkingen kenbaar gemaakt naar aanleiding van het rapport ter terechtzitting.

29 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting van 5 oktober 2017.

30 Het Groothertogdom Luxemburg en de Republiek Oostenrijk verzoeken het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

31 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.

32 De Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek verzoeken het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.

33 Hongarije verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – de Republiek Oostenrijk te verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure, daaronder begrepen de administratieve kosten en de kosten van rechtsbijstand.

34 De Franse Republiek, de Republiek Polen, Roemenië en het Verenigd Koninkrijk verzoeken het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren.

III. In rechte

35 Het beroep is gebaseerd op tien middelen.

36 Met haar eerste middel betoogt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie ten onrechte is uitgegaan van enerzijds het bestaan van een afzonderlijke markt voor kernenergie en anderzijds het falen van deze markt.

37 Het tweede middel is ontleend aan het feit dat de Commissie ten onrechte zou hebben geconstateerd dat de in Hinkley Point C gebruikte technologie nieuw is.

38 Het derde middel houdt in dat de Commissie de betrokken maatregelen ten onrechte als investeringssteun heeft aangemerkt. Volgens de Republiek Oostenrijk vormden deze maatregelen een met de interne markt onverenigbare exploitatiesteun.

39 Met haar vierde middel betoogt de Republiek Oostenrijk dat met de bouw van Hinkley Point C, anders dan de Commissie stelt, niet wordt beoogd een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang te verwezenlijken.

40 Met haar vijfde middel stelt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie de steunelementen die in de betrokken maatregelen zijn vervat, onvoldoende heeft afgebakend.

41 Het zesde middel strekt ertoe, de beweerde onjuistheid aan te tonen van de conclusie van de Commissie dat de betrokken maatregelen in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel.

42 In het kader van het zevende middel brengt de Republiek Oostenrijk naar voren dat het Verenigd Koninkrijk een procedure tot plaatsing van een overheidsopdracht had moeten voeren met betrekking tot Hinkley Point C.

43 Met het achtste middel betoogt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie haar eigen mededeling betreffende de toepassing van de artikelen [107] en [108] [VWEU] op staatssteun in de vorm van garanties (PB 2008, C 155, blz. 10; hierna: „garantiemededeling”) niet in acht heeft genomen.

44 Het negende middel is ontleend aan schending van de motiveringsplicht.

45 Het tiende middel is ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord.

46 In het kader van het onderhavige beroep betwist de Republiek Oostenrijk de conclusie van de Commissie dat de betrokken maatregelen verenigbaar met de interne markt konden worden verklaard in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.

47 Volgens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kunnen steunmaatregelen die zijn bestemd om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, verenigbaar met de interne markt worden verklaard, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

48 Volgens de rechtspraak moet een steunmaatregel, teneinde verenigbaar met de interne markt te kunnen worden verklaard in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, strekken tot ontwikkeling van een activiteit die een doel van algemeen belang vormt en moet hij daarvoor noodzakelijk en daaraan evenredig zijn (zie in die zin arrest van 15 juni 2010, Mediaset/Commissie, T‑177/07, EU:T:2010:233, punt 125).

49 In het licht van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, moet allereerst het vierde middel worden onderzocht, dat betrekking heeft op de door het Verenigd Koninkrijk bepaalde doelstelling van algemeen belang, te weten de bevordering van kernenergie en meer specifiek de bouw van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie, alvorens over te gaan tot een analyse van het tweede middel, ontleend aan de beweerdelijk onjuiste constatering van de Commissie dat de in Hinkley Point C gebruikte technologie nieuw was. Vervolgens zal het eerste middel, inhoudend dat de Commissie fouten heeft gemaakt bij het definiëren van de betrokken markt en ten onrechte is uitgegaan van een falende markt, worden onderzocht, alsook het vijfde en het achtste middel, ontleend aan onvoldoende bepaling van de betrokken maatregelen en niet-inachtneming van de garantiemededeling, en tot slot het zesde middel betreffende het evenredigheidsbeginsel.

50 Op basis van de uitkomst van het onderzoek van deze middelen zal het derde middel, te weten dat de betrokken maatregelen een met de interne markt onverenigbare exploitatiesteun vormen, worden geanalyseerd.

51 Vervolgens zullen het zevende middel, inhoudend dat het Verenigd Koninkrijk een aanbestedingsprocedure had moeten voeren met betrekking tot Hinkley Point C, en het tiende middel, ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, worden onderzocht.

52 Het negende middel, ontleend aan schending van de motiveringsplicht, bestaat uit zes onderdelen die betrekking hebben op overwegingen van de Commissie waarvan de gegrondheid wordt betwist in het kader van de eerste zes middelen. Deze onderdelen zullen gezamenlijk met de desbetreffende middelen worden onderzocht.

53 Voordat de door de Republiek Oostenrijk voorgedragen middelen worden onderzocht, moet echter eerst worden ingegaan op het betoog van deze lidstaat dat de door Hongarije ingediende memorie in interventie niet-ontvankelijk zou zijn.

A. Betoog betreffende de niet-ontvankelijkheid van de door Hongarije ingediende memorie in interventie

54 De Republiek Oostenrijk betoogt dat de door Hongarije ingediende memorie in interventie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens haar kan een memorie in interventie enkel tot doel hebben om de conclusies van een van de hoofdpartijen te ondersteunen. Hongarije is toegelaten tot ondersteuning van de conclusies van de Commissie, die verzoekt om afwijzing van het verzoek om nietigverklaring van het bestreden besluit, welk besluit is gebaseerd op artikel 107 VWEU. In voornoemde memorie in interventie betoogt Hongarije evenwel dat artikel 107 VWEU niet van toepassing is op het gebied van kernenergie. Indien dit betoog werd aanvaard, zou dit volgens de Republiek Oostenrijk tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. Dit betekent dat Hongarije de conclusies van de Commissie niet ondersteunt.

55 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 40, vierde alinea, van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 142 van het Reglement voor de procesvoering de interventie geen ander doel mag dienen dan de conclusies van een van de hoofdpartijen geheel of ten dele te ondersteunen. Deze bepalingen verzetten zich er evenwel niet tegen dat de interveniënt andere argumenten aanvoert dan de door hem ondersteunde partij, zolang die argumenten het kader van het geding niet wijzigen en de interventie strekt tot ondersteuning van de conclusies van deze laatste (zie in die zin arrest van 8 juni 1995, Siemens/Commissie, T‑459/93, EU:T:1995:100, punt 21).

56 Wat de door Hongarije ingediende memorie in interventie aangaat, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de conclusies van deze lidstaat stroken met die van de Commissie, aangezien Hongarije verzoekt om afwijzing van het verzoek van de Republiek Oostenrijk om nietigverklaring van het bestreden besluit.

57 In de tweede plaats moet worden geconstateerd dat uit de memorie in interventie van Hongarije blijkt dat deze lidstaat niet betwist dat de Commissie in casu gerechtigd was om het bestreden besluit op artikel 107 VWEU te baseren.

58 Gesteld al dat sommige van de door Hongarije aangevoerde argumenten betreffende de bevoegdheid van de Commissie om besluiten op het gebied van kernenergie te baseren op de artikelen 107 en 108 VWEU geacht moeten worden het kader van het geding te wijzigen, dan nog rechtvaardigt dit niet – anders dan de Republiek Oostenrijk stelt – dat de memorie in interventie van Hongarije in haar geheel niet-ontvankelijk wordt verklaard.

B. Vierde middel, ontleend aan het feit dat de bevordering van kernenergie geen doelstelling van „gemeenschappelijk” belang is, en vijfde onderdeel van het negende middel, ontleend aan ontoereikende motivering van het bestreden besluit

59 Het vierde middel en het vijfde onderdeel van het negende middel hebben betrekking op de conclusie van de Commissie in de overwegingen 366 tot en met 374 van het bestreden besluit, namelijk dat het doel dat het Verenigd Koninkrijk met de betrokken maatregelen nastreeft, te weten de bevordering van kernenergie, een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang is.

60 Om te beginnen zullen de argumenten worden onderzocht die de Republiek Oostenrijk in het kader van het vijfde onderdeel van het negende middel aanvoert ten bewijze dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van de conclusie dat het doel dat het Verenigd Koninkrijk met de betrokken maatregelen nastreeft, een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang is. Vervolgens zullen de argumenten van het Groothertogdom Luxemburg en de Republiek Oostenrijk tot staving van het vierde middel worden onderzocht, waarmee de gegrondheid van de vaststellingen van de Commissie in de overwegingen 366 tot en met 374 van het bestreden besluit wordt betwist.

1. Vijfde onderdeel van het negende middel, ontleend aan ontoereikende motivering van het bestreden besluit

61 In het kader van het vijfde onderdeel van het negende middel betoogt de Republiek Oostenrijk dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van de conclusie dat het doel dat het Verenigd Koninkrijk met de betrokken maatregelen nastreeft, een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang is, aangezien de Commissie in dit besluit onvoldoende heeft uiteengezet, hoe de bepalingen van het Euratom-Verdrag zich verhouden tot de bepalingen van het VWEU inzake steunmaatregelen. De overwegingen van deze instelling zijn onbegrijpelijk en ontoereikend.

62 De Commissie betwist dit.

63 Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416, punt 137). Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest van 11 juli 2014, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, T‑533/10, EU:T:2014:629, punt 199).

64 In het licht van deze rechtspraak moet worden onderzocht of de conclusie in het bestreden besluit dat het doel dat het Verenigd Koninkrijk met de betrokken maatregelen nastreeft, een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang is, genoegzaam gemotiveerd is.

65 In dit verband moet in de eerste plaats worden geconstateerd dat de Commissie zich in de overwegingen 366 tot en met 374 van het bestreden besluit weliswaar niet uitdrukkelijk heeft uitgesproken over de verhouding tussen de bepalingen van het Euratom-Verdrag en artikel 107 VWEU, doch dat uit met name punt 7 van dit besluit, dat als opschrift „De vraag of er sprake is van staatssteun” heeft, volgt dat de Commissie artikel 107 VWEU van toepassing heeft geacht op de betrokken maatregelen. Voorts moet worden opgemerkt dat de Commissie in punt 9.2 van dit besluit, getiteld „Doelstellingen van gemeenschappelijk belang”, haar conclusie dat de bevordering van kernenergie een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang is, onder meer heeft gebaseerd op artikel 2, onder c), en artikel 40 van het Euratom-Verdrag. Uit dit laatste punt blijkt dus dat de Commissie van oordeel was dat in het kader van de toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, rekening moest worden gehouden met de bepalingen van het Euratom-Verdrag.

66 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de context van het bestreden besluit in aanmerking moet worden genomen, waarvan ook de eerdere praktijk van de Commissie, die de lidstaten geacht worden te kennen, deel uitmaakt. De benadering die de Commissie in voornoemd besluit heeft gehanteerd, strookt met haar eerdere praktijk. Volgens deze praktijk moeten maatregelen van een lidstaat die onder het door het Euratom-Verdrag geregelde gebied vallen, eveneens aan artikel 107 VWEU worden getoetst, voor zover zij niet noodzakelijk zijn voor of verder gaan dan de doelstellingen van het Euratom-Verdrag of de mededinging op de interne markt verstoren of dreigen te verstoren (zie in dit verband beschikking 2005/407/EG van de Commissie van 22 september 2004 betreffende de steunmaatregel die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van British Energy plc (PB 2005, L 142, blz. 26, overweging 239), en kan een onder het Euratom-Verdrag vallende doelstelling ook een doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU vormen [zie in dit verband beschikking 2006/643/EG van de Commissie van 4 april 2006 betreffende de steunmaatregel die het Verenigd Koninkrijk voornemens is ten uitvoer te leggen voor de oprichting van de Nuclear Decommissioning Authority (PB 2006, L 268 blz. 37, overweging 162)].

67 Gelet op deze elementen moet worden geconcludeerd dat uit de motivering van het bestreden besluit voldoende duidelijk naar voren komt dat de Commissie van oordeel was dat de betrokken maatregelen weliswaar betrekking hebben op kernenenergie maar dat, voor zover zij staatssteun vormen, niettemin moet worden beoordeeld of zij verenigbaar met de interne markt zijn ingevolge artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. Uit deze motivering wordt eveneens op voldoende wijze duidelijk dat de Commissie heeft geoordeeld dat in het kader van de toepassing van deze bepaling, met name wat de kwalificatie van de bevordering van kernenergie als doelstelling van algemeen belang in de zin van deze bepaling betreft, rekening moet worden gehouden met de bepalingen van het Euratom-Verdrag. Op basis van deze motivering kon de Republiek Oostenrijk dus de rechtvaardigingsgronden van voornoemd besluit kennen en kon het Gerecht zijn toezicht uitoefenen.

68 Derhalve dient het vijfde onderdeel van het negende middel ontleend aan schending van de motiveringsplicht te worden afgewezen.

2. Vierde middel, betreffende de gegrondheid van de overwegingen van de Commissie

69 De Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg betwisten de gegrondheid van de vaststellingen van de Commissie in de overwegingen 366 tot en met 374 van het bestreden besluit. In wezen betogen deze lidstaten dat, anders dan de Commissie heeft vastgesteld, de bevordering van kernenergie geen enkel gemeenschappelijk belang dient.

70 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, Roemenië, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk betwisten deze argumenten.

71 Alvorens in te gaan op de argumenten van de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg waarmee de conclusie van de Commissie dat de bevordering van kernenergie een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang is, in twijfel wordt getrokken, dient eerst een uitspraak te worden gedaan over de vraag in hoeverre artikel 107 VWEU van toepassing is op maatregelen op het gebied van kernenergie en in hoeverre bij de toepassing daarvan rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van het Euratom-Verdrag.

a) Toepassing van artikel 107 VWEU op maatregelen op het gebied van kernenergie en inaanmerkingneming van de doelstellingen van het Euratom-Verdrag in het kader van de toepassing van deze bepaling

72 Wat betreft de toepassing van artikel 107 VWEU op maatregelen op het gebied van kernenergie, zij erop gewezen dat volgens artikel 106 bis, lid 3, van het Euratom-Verdrag de VEU-bepalingen en de VWEU-bepalingen de bepalingen van het Euratom-Verdrag onverlet laten. Derhalve vormen de bepalingen van het Euratom-Verdrag een lex specialis ten opzichte van de bepalingen van het VWEU en derogeren zij in geval van samenloop dus aan laatstgenoemde bepalingen.

73 Het feit dat de bepalingen van het Euratom-Verdrag een lex specialis ten opzichte van de bepalingen van het VWEU vormen, belet echter niet dat artikel 107 VWEU wordt toegepast op maatregelen die een onder het Euratom-Verdrag vallende doelstelling nastreven. Immers, aangezien het Euratom-Verdrag op dit punt geen specifieke voorschriften behelst, mogen de bepalingen van het VWEU inzake een beleid van de Unie worden toegepast op dergelijke maatregelen [zie in die zin arresten van 29 maart 1990, Griekenland/Raad, C‑62/88, EU:C:1990:153, punt 17; 12 april 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑61/03, EU:C:2005:210, punt 44, en 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems, C‑5/14, EU:C:2015:354, punten 69 tot en met 82; zie ook, naar analogie, advies 1/94 (Overeenkomsten gehecht aan de WTO-overeenkomst) van 15 november 1994, EU:C:1994:384, punt 24].

74 Geconstateerd moet worden dat het Euratom-Verdrag geen uitputtende voorschriften op het gebied van de mededinging bevat die zich ertegen kunnen verzetten dat de bepalingen van titel VII, hoofdstuk 1, VWEU toepassing vinden. Met name bevat het Euratom-Verdrag geen uitputtende voorschriften inzake staatssteun.

75 Weliswaar hebben sommige bepalingen van het Euratom-Verdrag, zoals artikel 2, onder c), en de bepalingen van titel II, hoofdstuk 4, ervan, betrekking op investeringen op het gebied van kernenergie, doch in deze bepalingen wordt niet geregeld onder welke voorwaarden steunmaatregelen betreffende investeringen op het gebied van kernenergie, niettegenstaande de verstoring van de mededinging die zij teweegbrengen, verenigbaar met de interne markt kunnen worden geacht.

76 Derhalve is artikel 107 VWEU van toepassing op de betrokken maatregelen, ook al wordt daarmee een doel nagestreefd dat onder het Euratom-Verdrag valt.

77 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door artikel 106 bis, lid 1, van het Euratom-Verdrag, waarin een aantal VEU-bepalingen en VWEU-bepalingen worden opgesomd die van toepassing zijn op het Euratom-Verdrag. Zoals uit de tweede overweging van het aan het Verdrag van Lissabon gehechte Protocol nr. 2 tot wijziging van het Euratom-Verdrag (PB 2007, C 306, blz. 199) voortvloeit, beperkt deze bepaling zich ertoe, voornoemd Verdrag aan te passen aan de nieuwe bepalingen van het EU-Verdrag en het WEU-Verdrag, met name op institutioneel en financieel gebied. Daarentegen kan niet uit deze bepaling worden afgeleid dat alle bepalingen van het EU-Verdrag en het WEU-Verdrag die er niet in worden opgesomd, niet van toepassing zijn op maatregelen die doelstellingen nastreven die onder het Euratom-Verdrag vallen. Een dergelijke lezing van artikel 106 bis, lid 1, van het Euratom-Verdrag zou niet stroken met het bepaalde in lid 3 van dit artikel, waaruit kan worden afgeleid dat de VEU-bepalingen en de VWEU-bepalingen in beginsel van toepassing zijn op het gebied van kernenergie, en dat uitsluitend voor zover het Euratom-Verdrag bijzondere voorschriften bevat, de VEU-bepalingen en de VWEU- bepalingen buiten toepassing blijven.

78 Mitsdien is artikel 107 VWEU van toepassing op de betrokken maatregelen. In het kader van de toepassing van deze bepaling op maatregelen op het gebied van kernenergie moet evenwel rekening worden gehouden met de bepalingen en doelstellingen van het Euratom-Verdrag.

b) Argumenten ter weerlegging van de conclusie van de Commissie dat de bevordering van kernenergie een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang vormt

79 De argumenten van de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg ter weerlegging van de conclusie van de Commissie in overweging 374 van het bestreden besluit dat het doel van bevordering van kernenergie dat het Verenigd Koninkrijk met de betrokken maatregelen nastreeft, te weten het scheppen van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie, een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang vormt, moeten worden onderzocht in het licht van de hiervóór in de punten 72 tot en met 78 uiteengezette overwegingen.

80 In de eerste plaats betogen de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg dat een doelstelling die geen rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van één enkele lidstaat, niet kan worden aangemerkt als een doelstelling van gemeenschappelijk belang; zij onderstrepen eveneens dat sommige lidstaten altijd de gedachte hebben verworpen dat de bouw van nieuwe kernreactoren een Europese doelstelling van gemeenschappelijk belang zou zijn.

81 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, Roemenië, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk betwisten deze argumenten.

82 Dienaangaande moet allereerst in herinnering worden geroepen dat krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU steunmaatregelen die zijn bestemd om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, verenigbaar met de interne markt kunnen worden verklaard, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

83 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 125 van het arrest van 15 juni 2010, Mediaset/Commissie (T‑177/07, EU:T:2010:233), heeft geconstateerd dat een steunmaatregel, om verenigbaar met de interne markt te zijn in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, een doel van „gemeenschappelijk” belang moet nastreven en daarvoor noodzakelijk en daaraan evenredig moet zijn.

84 Het feit dat in het arrest van 15 juni 2010, Mediaset/Commissie (T‑177/07, EU:T:2010:233), wordt verwezen naar het nastreven van een doel van „gemeenschappelijk” belang, betekent echter niet dat bij de toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU uitsluitend doelstellingen in aanmerking kunnen worden genomen die in het belang van alle lidstaten of de meerderheid daarvan zijn.

85 In het kader van de toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU moet immers onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het door een lidstaat nagestreefde doel, dat onder meer kan bestaan in de ontwikkeling van een activiteit, en anderzijds de voorwaarde dat de staatssteun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig mag veranderen dat het gemeenschappelijk belang erdoor wordt geschaad.

86 Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan niet worden geacht de doelstellingen die de lidstaten kunnen nastreven te beperken tot doelstellingen die in het belang zijn van alle of de meeste lidstaten van de Unie. Met zijn verwijzing in punt 125 van het arrest van 15 juni 2010, Mediaset/Commissie (T‑177/07, EU:T:2010:233), naar een „gemeenschappelijk” belang heeft het Gerecht enkel willen aangeven dat het om een algemeen belang moet gaan en niet alleen om een particulier belang van de begunstigde van de steunmaatregel.

87 Wat het aan het slot van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU gehanteerde begrip gemeenschappelijk belang betreft, moet eraan worden herinnerd dat dit ertoe strekt om de voor- en nadelen van een steunmaatregel met elkaar in evenwicht te brengen en dat het zich ertegen verzet dat maatregelen worden toegestaan die de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang erdoor wordt geschaad. Dit begrip speelt dus pas een rol in een latere fase van het onderzoek dat in het kader van de toepassing van deze bepaling plaatsvindt. Derhalve kan hieruit niet worden afgeleid dat de doelstellingen van algemeen belang die een lidstaat kan nastreven, zijn beperkt tot doelstellingen die door alle of de meeste lidstaten worden onderschreven.

88 De vaststelling van de Commissie in overweging 374 van het bestreden besluit dat de betrokken maatregelen een doelstelling van „gemeenschappelijk” belang nastreven, moet tegen deze achtergrond worden bezien. Deze overweging maakt deel uit van punt 9.2 van voornoemd besluit, waarin de Commissie zich heeft gebogen over de vraag of de bevordering van kernenergie onder een van de doelstellingen als bedoeld in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU valt. Zij heeft hier dus enkel geconstateerd dat het Verenigd Koninkrijk, gelet op de bepalingen van het Euratom-Verdrag, gerechtigd was om de bevordering van kernenergie aan te merken als een doelstelling van algemeen belang in de zin van voornoemde bepaling. De Commissie heeft hier echter niet geconstateerd dat deze doelstelling werd gedeeld door alle of de meeste lidstaten. Zij heeft zich evenmin uitgelaten over de vraag of de betrokken maatregelen de voorwaarden van het handelsverkeer zodanig veranderden dat het gemeenschappelijk belang erdoor werd geschaad. Uit de systematiek van dit besluit blijkt immers duidelijk dat zij deze vraag in een later stadium heeft onderzocht, te weten in de punten 9.3 tot en met 9.6 ervan.

89 Gelet op de voorgaande overwegingen treft het argument van de Republiek Oostenrijk dat de Commissie in overweging 374 van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat sommige lidstaten, waaronder de Republiek Oostenrijk, de bouw van nieuw kernreactoren altijd hebben afgewezen, geen doel.

90 In de tweede plaats betoogt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie in de overwegingen 366 tot en met 374 van het bestreden besluit heeft miskend dat de noodzaak van steun en de invloed ervan op het handelsverkeer tussen de lidstaten moeten worden beoordeeld vanuit het perspectief van de Unie. Zij brengt in dit verband naar voren dat ook de in het kader van artikel 34 VEU en artikel 142 VWEU gebezigde begrippen gemeenschappelijk belang betrekking hebben op het belang van alle lidstaten.

91 Dit betoog snijdt geen hout.

92 De Commissie heeft in de overwegingen 366 tot en met 374 van het bestreden besluit namelijk niet betwist dat, aangezien artikel 107, lid 3, onder c), VWEU bepaalt dat een steunmaatregel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig mag veranderen dat het gemeenschappelijk belang erdoor wordt geschaad, rekening moet worden gehouden met het belang van de Unie en van alle lidstaten. Zoals in punt 88 hierboven is uiteengezet, heeft de Commissie zich niet bezig gehouden met deze belangenafweging, maar enkel met de vraag of het Verenigd Koninkrijk de bevordering van kernenergie mocht aanmerken als een doelstelling van algemeen belang.

93 In de derde plaats komt de Republiek Oostenrijk op tegen de conclusie van de Commissie dat een lidstaat de bevordering van kernenergie en meer in het bijzonder het scheppen van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie mag nastreven als doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. In de eerste plaats stelt zij dat artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag niet tot de lidstaten is gericht. In de tweede plaats heeft laatstgenoemde bepaling enkel betrekking op de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van kernenergie. Hinkley Point C lijkt niet een dergelijke installatie te zijn. In de derde plaats is het doel van bevordering van kernenergie al bereikt, want in heel Europa zijn tal van kerncentrales gebouwd. In de vierde plaats is de Commissie, aldus de Republiek Oostenrijk, voorbijgegaan aan de historische context van het Euratom-Verdrag en de daaruit voortvloeiende beperkingen.

94 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, Roemenië, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk betwisten deze argumenten.

95 Zoals reeds vastgesteld in de punten 80 tot en met 89 hierboven, schrijft artikel 107, lid 3, onder c), VWEU niet voor dat de door de betrokken maatregel beoogde doelstelling van algemeen belang een doelstelling is die door alle of het merendeel van de lidstaten wordt gedeeld.

96 Verder zij erop gewezen dat, zoals is uiteengezet in de punten 72 tot en met 78 hierboven, bij de toepassing van artikel 107 VWEU op maatregelen die een onder het Euratom-Verdrag vallende doelstelling nastreven, rekening moet worden gehouden met de bepalingen en doelstellingen van het Euratom-Verdrag. Uit artikel 1, tweede alinea, van het Euratom-Verdrag volgt dat de Euratom-Gemeenschap tot taak heeft, door het scheppen van de voorwaarden noodzakelijk voor de snelle totstandkoming en groei van de industrie op het gebied van de kernenergie, bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard in de lidstaten en de ontwikkeling van de betrekkingen met andere landen. Ingevolge artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag moet de Euratom-Gemeenschap, voor de vervulling van haar taak onder de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden, de investeringen vergemakkelijken en, met name door aanmoediging van het initiatief van de ondernemingen, zorgen voor de verwezenlijking van de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap.

97 Gelet op artikel 1, tweede alinea, en artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag, moet worden vastgesteld dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat het Verenigd Koninkrijk de bevordering van kernenergie en meer in het bijzonder de aanmoediging om nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie te scheppen mocht aanmerken als een doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. Immers, enerzijds sluit deze doelstelling aan bij het doel van de Euratom-Gemeenschap om investeringen op het gebied van kernenergie te vergemakkelijken, en volgt uit artikel 192, eerste alinea, van het Euratom-Verdrag dat de lidstaten de vervulling van de taak van de Euratom-Gemeenschap dienen te vergemakkelijken. Anderzijds volgt uit artikel 194, lid 2, tweede alinea, VWEU dat elke lidstaat het recht heeft om een keuze te maken uit de verschillende energiebronnen die zijn voorkeur genieten.

98 De door de Republiek Oostenrijk aangevoerde argumenten doen niet af aan deze conclusie.

99 Om te beginnen betoogt de Republiek Oostenrijk in wezen dat de Commissie is voorbijgegaan aan de historische context van het Euratom-Verdrag en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De euforie rond kernenergie die ten tijde van het afsluiten van het Euratom-Verdrag heerste, heeft inmiddels in tal van lidstaten plaatsgemaakt voor een flinke dosis scepsis onder een groot deel van de bevolking en zelfs een categorische afwijzing en afschaffing van deze vorm van energie. In tegenstelling tot de andere bepalingen van primair recht, zijn die van het Euratom-Verdrag nimmer herzien en zijn zij dus ouder dan de bepalingen van het VWEU.

100 Deze argumenten moeten worden afgewezen.

101 Anders dan de Republiek Oostenrijk suggereert, zijn de bepalingen van het Euratom-Verdrag ten volle van kracht en kan dit Verdrag niet worden beschouwd als een lex anterior ten opzichte van het VWEU. Enerzijds moet er namelijk aan worden herinnerd dat het Euratom-Verdrag krachtens artikel 208 ervan voor onbeperkte tijd is gesloten en dat blijkens de eerste overweging van de preambule van het aan het Verdrag van Lissabon gehechte Protocol nr. 2 de rechtsgevolgen van de bepalingen van het Euratom-Verdrag ten volle bewaard blijven. Anderzijds volgt uit dit Protocol dat het Verdrag van Lissabon niet alleen het VWEU en het VEU, maar ook het Euratom-Verdrag heeft gewijzigd en bekrachtigd.

102 In deze context moet het argument van de Republiek Oostenrijk dat het Euratom-Verdrag blijkens Verklaring nr. 54 van de Verklaringen gehecht aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, achterhaald is, eveneens worden afgewezen. Immers, het enkele feit dat vijf lidstaten hebben verklaard dat de bepalingen van het Euratom-Verdrag sinds de inwerkingtreding ervan niet inhoudelijk zijn gewijzigd en dat een actualisering noodzakelijk is, vermag niet af te doen aan de conclusie dat de bepalingen van het Euratom-Verdrag volledig van kracht zijn.

103 Voor zover de Republiek Oostenrijk zich bovendien beroept op de gemeenschappelijke verklaring van de gevolmachtigden over de toepassing van het Euratom-Verdrag in het kader van de aktes betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 382), volstaat de opmerking dat uit deze verklaring volgt dat de lidstaten zelf overeenkomstig hun beleidsvoornemens besluiten om al dan niet kernenergie te produceren. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de bevordering van kernenergie door een lidstaat geen doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan vormen tot de nastreving waarvan een lidstaat kan besluiten.

104 In de tweede plaats stelt de Republiek Oostenrijk dat artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag uitsluitend betrekking heeft op de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie en dat de doelstelling van bevordering van kernenergie reeds is bereikt.

105 Dienaangaande zij erop gewezen dat het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 107, lid 3, onder c), VWEU en dat deze bepaling verwijst naar de ontwikkeling van een activiteit. Geconstateerd moet worden dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de bouw van Hinkley Point C ertoe strekt een activiteit in de zin van voornoemde bepaling te ontwikkelen. Krachtens artikel 194, lid 2, tweede alinea, VWEU mag het Verenigd Koninkrijk immers kiezen tussen de verschillende energiebronnen. Voorts moet worden opgemerkt dat, zoals onder meer uit overweging 510 van het bestreden besluit en de overwegingen 6 en 7 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure blijkt, de bouw van Hinkley Point C ertoe strekt om oude kerncentrales te vervangen die in de toekomst zullen worden gesloten. Vast staat bovendien dat de technologie die in eenheid C zal worden gebruikt, geavanceerder is dan die waarvan in bestaande centrales gebruik wordt gemaakt.

106 Gelet op deze overwegingen moet het argument van de Republiek Oostenrijk dat Hinkley Point C geen fundamentele installatie is die noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de kernenergie en dat de doelstelling van bevordering van kernenergie reeds is bereikt, worden afgewezen.

107 In de derde plaats moet ook het argument van de Republiek Oostenrijk worden afgewezen dat artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag niet tot de lidstaten is gericht. Weliswaar is deze bepaling niet rechtstreeks tot de lidstaten gericht maar tot de Euratom-Gemeenschap, doch gelet op het bepaalde in artikel 192, eerste alinea, van voornoemd Verdrag dat de lidstaten de vervulling van de taak van de Euratom-Gemeenschap dienen te vergemakkelijken, mocht het Verenigd Koninkrijk hiermee wel rekening houden.

108 In de vierde plaats brengt de Republiek Oostenrijk naar voren dat, indien de bevordering van kernenergie werd beschouwd als een doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, elke maatregel die deze doelstelling nastreeft, gerechtvaardigd zou kunnen worden. Dienaangaande volstaat de constatering dat de Commissie in overweging 374 van het bestreden besluit enkel heeft vastgesteld dat de bevordering van kernenergie een doelstelling van algemeen belang is. Zij heeft in deze overweging echter niet onderzocht of de betrokken maatregelen in het licht van deze doelstelling passend, noodzakelijk en evenredig waren. Met deze vraag heeft zij zich in de punten 9.3 tot en met 9.6 van voornoemd besluit beziggehouden.

109 Bijgevolg moeten alle argumenten strekkend ten bewijze dat op grond van de bepalingen van het Euratom-Verdrag de bevordering van kernenergie en meer in het bijzonder het scheppen van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie niet kunnen worden aangemerkt als een doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, worden afgewezen.

110 In de vierde plaats voeren de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg aan dat de bevordering van kernenergie haaks staat op het beginsel van bescherming van het milieu, het voorzorgsbeginsel, het beginsel dat de vervuiler betaalt en het duurzaamheidsbeginsel alsook op sommige doelstellingen als bedoeld in artikel 194, lid 1, VWEU, zoals het stimuleren van energie-efficiëntie, de ontwikkeling van nieuwe energie en de bevordering van energienetwerken. Volgens deze lidstaten had de Commissie niet onvoorwaardelijk voorrang mogen geven aan het doel van bevordering van kernenergie, maar had zij in aanmerking moeten nemen dat dit doel conflicteert met de hierboven genoemde beginselen. Het Groothertogdom Luxemburg noemt in dit verband ook nog het risico op terroristische aanslagen.

111 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, Roemenië, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk bestrijden deze argumenten.

112 Gelet op de doelstellingen van het Euratom-Verdrag kan niet worden geoordeeld dat de door de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg aangehaalde beginselen zich ertegen verzetten dat een lidstaat de bevordering van kernenergie aanmerkt als een doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. Wat de beginselen betreft die deze lidstaten afleiden uit het VWEU, zij eraan herinnerd dat de VEU-bepalingen en de VWEU-bepalingen krachtens artikel 106 bis, lid 3, ervan niet derogeren aan de bepalingen van het Euratom-Verdrag.

113 Voorts moet het argument van de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg dat de Commissie onvoorwaardelijk voorrang heeft gegeven aan het doel van bevordering van kernenergie, worden afgewezen. Dienaangaande volstaat een verwijzing naar punt 9.2 van het bestreden besluit, waarin de Commissie enkel heeft vastgesteld dat de bevordering van kernenergie een doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU is. In dat stadium van haar beoordeling heeft zij echter niet de evenredigheid van de betrokken maatregelen onderzocht.

114 Voor zover de argumenten van de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg strekken ten bewijze dat de bevordering van kernenergie geen doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, kan vormen, dienen zij dus te worden afgewezen. Voor zover deze argumenten er evenwel toe strekken, de conclusies van de Commissie betreffende de evenredigheid van de betrokken maatregelen te betwisten, zullen zij worden besproken in het kader van het onderzoek van het zesde middel, dat is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel.

115 In de vijfde plaats voert de Republiek Oostenrijk aan dat uit de indicatieve programma’s voor kernenergie die de Commissie op gezette tijden publiceert, blijkt dat investeringen in kernenergie overeenkomstig artikel 40 van het Euratom-Verdrag niet kunnen worden aangemerkt als doelstellingen van gemeenschappelijk belang.

116 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, Roemenië, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk betwisten dit.

117 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat, gelet op de aard van de indicatieve programma’s voor kernenergie (zie artikel 40 van het Euratom-Verdrag), de constateringen die de Commissie in deze programma’s doet, niet kunnen afdoen aan hetgeen hierboven in de punten 79 tot en met 115 is overwogen op grond van de bepalingen van het Euratom-Verdrag en het VWEU.

118 Ten tweede blijkt hoe dan ook op generlei wijze uit de door de Republiek Oostenrijk genoemde indicatieve programma’s voor kernenergie dat de bevordering van kernenergie geen activiteit vormt waarvan de ontwikkeling mag worden vergemakkelijkt volgens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.

119 Voor zover de Republiek Oostenrijk aanvoert dat uit punt 7 van het indicatieve programma voor kernenergie van 4 oktober 2007, COM(2007) 565 final, volgt dat het aan de lidstaten staat om al dan niet voor kernenergie te opteren, bevestigt dit immers dat het Verenigd Koninkrijk het recht heeft om deze vorm van energie te bevorderen (zie punt 97 hierboven).

120 Voor zover de Republiek Oostenrijk verwijst naar bladzijde 18 van het indicatieve programma voor kernenergie van 25 september 1996 [COM(1996) 339 final], punt 3.3 van het programma van 13 november 2008 [COM(2008) 776 final], en punt 4.2 van het programma van 4 oktober 2007 [COM(2007) 565 final], waaruit zou volgen dat uit het concurrerende karakter van kernenergie voortvloeit dat geen enkele staatssteun op dit gebied mag worden toegekend, zij opgemerkt dat dit argument niet de conclusie van de Commissie aantast dat de bevordering van kernenergie een doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan vormen. Het zou enkel kunnen afdoen aan de conclusie van de Commissie met betrekking tot het noodzakelijke karakter van de betrokken maatregelen. Derhalve treft dit argument in de onderhavige context geen doel, maar zal het in aanmerking worden genomen in het kader van het onderzoek van het eerste middel, dat betrekking heeft op de conclusies van de Commissie ten aanzien van de noodzaak van overheidsingrijpen.

121 Bijgevolg moeten de argumenten die steunen op de door de Commissie gepubliceerde indicatieve programma’s voor kernenergie, worden afgewezen.

122 In de zesde plaats betoogt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie in het bestreden besluit haar overwegingen ten aanzien van de doelstellingen van diversificatie en voorzieningszekerheid niet nader heeft uitgewerkt. Het Groothertogdom Luxemburg maakt op zijn beurt geldend dat de voorzieningszekerheid niet is gewaarborgd, omdat uranium zou moeten worden ingevoerd uit landen buiten de Unie.

123 In dit verband volstaat de vaststelling dat uit de overwegingen 366 tot en met 374 van het bestreden besluit blijkt dat de Commissie de bevordering van kernenergie heeft aangemerkt als een doelstelling van algemeen belang die als zodanig de betrokken maatregelen kan rechtvaardigen. Met haar opmerking in overweging 374 van voornoemd besluit dat de bevordering van kernenergie tegelijkertijd kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van diversificatie en voorzieningszekerheid, heeft zij echter niet beweerd dat deze beide andere doelstellingen op zich volstaan om de betrokken maatregelen te kunnen rechtvaardigen. De Commissie kan dus niet worden verweten dat zij haar overwegingen met betrekking tot de doelstellingen van diversificatie en voorzieningszekerheid niet nader heeft uitgewerkt in punt 9.2 van dit besluit.

124 Derhalve moet dit argument worden afgewezen.

125 In de zevende plaats voert de Republiek Oostenrijk nog argumenten aan betreffende (1) een onjuiste omschrijving van de markt, (2) het ontbreken van marktfalen in de sector van de bouw en exploitatie van kerncentrales, (3) de kwalificatie van de betrokken maatregelen als investeringssteun en (4) de invloed op de voorwaarden van het handelsverkeer tussen de lidstaten.

126 Deze argumenten hebben betrekking op aspecten die in het kader van de toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU pas aan de orde komen nadat is bepaald welke doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd. Deze argumenten kunnen dus niet aantonen dat de Commissie een fout heeft gemaakt in het kader van de kwalificatie van de bevordering van kernenergie als een doelstelling van algemeen belang in de zin van deze bepaling.

127 Voor zover zij tot staving van het onderhavige middel zijn aangevoerd, treffen deze argumenten derhalve geen doel. Het eerste argument, betreffende een onjuiste omschrijving van de markt, en het tweede argument, betreffende marktfalen, zullen echter in aanmerking worden genomen in het kader van het onderzoek van het eerste middel, betreffende de erkenning door de Commissie van het bestaan van een afzonderlijke markt voor kernenergie en het ontbreken van marktfalen. Het derde argument, betreffende de kwalificatie van de betrokken maatregelen als investeringssteun, zal worden besproken in het kader van het derde middel, dat is ontleend aan het feit dat de betrokken maatregelen als exploitatiesteun hadden moeten worden aangemerkt. Het vierde argument, betreffende de invloed op de voorwaarden van het handelsverkeer tussen de lidstaten, zal worden besproken in het kader van het zesde middel tot staving van de onjuistheid van de conclusie van de Commissie dat de betrokken maatregelen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel waren.

128 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het vierde middel, met uitzondering van de hierboven in de punten 114, 120 en 125 genoemde argumenten, worden afgewezen.

C. Tweede middel, ontleend aan het feit dat de Commissie ten onrechte zou hebben geconstateerd dat de in Hinkley Point C gebruikte technologie nieuw is

129 Het onderhavige middel richt zich tegen de vaststellingen van de Commissie in overweging 392 van het bestreden besluit dat de investeringen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie ertoe strekten, de doelstelling van algemeen belang van bevordering van kernenergie te verwezenlijken, en dat deze investeringen zonder ingrijpen van het Verenigd Koninkrijk niet zouden plaatsvinden.

130 De Republiek Oostenrijk acht deze vaststellingen onjuist.

131 Om te beginnen stelt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de in Hinkley Point C gebruikte technologie nieuw was. Naar haar mening betreft het geen nieuwe maar een reeds beproefde technologie, namelijk een variant op de drukwaterreactor die al decennialang wordt gebruikt en die grote overeenkomsten vertoont met tal van reactoren die op dit moment operationeel zijn.

132 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen en het Verenigd Koninkrijk bestrijden dit argument.

133 Op voorhand zij opgemerkt dat dit argument van de Republiek Oostenrijk stoelt op de premisse dat de Commissie in overweging 392 van het bestreden besluit heeft geconstateerd dat in Hinkley Point C gebruik zou worden gemaakt van een nieuwe technologie.

134 Deze premisse is onjuist.

135 In de Duitse versie van het bestreden besluit wordt in overweging 392 inderdaad gesproken van „Investitionen in neue Nukleartechnologien”, hetgeen verwijst naar investeringen in nieuwe nucleaire technologieën.

136 Zoals echter uit de eerste bladzijde van het bestreden besluit blijkt, is uitsluitend de Engelse taalversie authentiek. In de Engelse versie wordt in overweging 392 van dit besluit gesproken van „new nuclear investment”, hetgeen verwijst naar investeringen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie; er staat vermeld dat deze investeringen strekken tot verwezenlijking van het doel van algemeen belang zoals vermeld in punt 9.2 van dit besluit, en dat de betrokken maatregelen noodzakelijk waren voor dit specifieke type investeringen. In deze overweging wordt dus niet verwezen naar nieuwe nucleaire technologieën, maar naar investeringen in nieuwe productiecapaciteit.

137 Deze lezing van overweging 392 van het bestreden besluit vindt bovendien steun in de overwegingen 375 tot en met 391 van voornoemd besluit, die voorafgaan aan de conclusie in overweging 392 en waar de Commissie nergens verwijst naar het gebruik van een nieuwe nucleaire technologie.

138 Het argument van de Republiek Oostenrijk is dan ook gebaseerd op een onjuiste lezing van overweging 392 van het bestreden besluit en moet dus worden afgewezen.

139 In de tweede plaats moet het argument van de Republiek Oostenrijk worden afgewezen dat de Commissie niet heeft gepreciseerd welke economische bedrijvigheid in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU geacht werd door de betrokken maatregelen te worden bevorderd. Uit overweging 392 van het bestreden besluit blijkt namelijk voldoende duidelijk dat het ging om de bevordering van kernenergie.

140 In de derde plaats moet het argument van de Republiek Oostenrijk worden onderzocht dat artikel 107, lid 3, onder c), VWEU en artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag vereisen dat er een activiteit wordt ontwikkeld en dat een loutere vervangingsmaatregel niet aan dit vereiste voldoet. Hierbij dient ook het argument van de Republiek Oostenrijk te worden betrokken dat artikel 6 van verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 [VWEU] met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 187, blz. 1), en de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014‑2020 (PB 2014, C 200, blz. 1) alsook de mededeling van de Commissie — Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB 2014, C 198, blz. 1) zich ertegen verzetten dat maatregelen die uitsluitend tot doel hebben een onderneming in staat te stellen gebruik te maken van de jongste technische ontwikkelingen of zich te conformeren aan de geldende veiligheids- of milieunormen, verenigbaar met de interne markt worden geacht.

141 Wat om te beginnen verordening nr. 651/2014 aangaat, volstaat de opmerking dat deze slechts voorziet in een gestandaardiseerde aanpak van groepsvrijstellingen. Zij bindt de Commissie echter niet in het kader van een rechtstreeks op artikel 107, lid 3, onder c), VWEU gebaseerde individuele onderzoeksprocedure.

142 Wat in de tweede plaats de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014‑2020 en de mededeling van de Commissie — Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie aangaat, moet worden opgemerkt dat de argumenten van de Republiek Oostenrijk enerzijds betrekking hebben op het doel om verder te gaan dan Unienormen of om, bij ontstentenis van Unienormen, de milieubescherming te verhogen, welke doelstellingen staan vermeld in punt 18, onder a), van voornoemde richtsnoeren, en anderzijds op doelstellingen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. In het bestreden besluit heeft de Commissie echter niet onderzocht of de betrokken maatregelen verenigbaar waren in het licht van deze doelstellingen. Deze argumenten treffen derhalve geen doel.

143 In de derde plaats zij eraan herinnerd dat artikel 107, lid 3, onder c), VWEU enkel verlangt dat de steunmaatregelen bestemd zijn om de ontwikkeling van bepaalde vormen van bedrijvigheid te vergemakkelijken. Artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag beoogt op zijn beurt investeringen te vergemakkelijken en te verzekeren dat de fundamentele installaties worden verwezenlijkt die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van kernenergie in de Gemeenschap. Geen van deze beide bepalingen vereist dus dat er sprake is van een technologische innovatie.

144 In de vierde plaats moet worden geconstateerd dat het doel om kernenergie te bevorderen en meer in het bijzonder om ondernemingen aan te moedigen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie te investeren, in de omstandigheden van het onderhavige geval voldoet aan de vereisten van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU en artikel 2, onder c), van het Euratom-Verdrag. Anders dan de Republiek Oostenrijk stelt, wettigt de omstandigheid dat deze nieuwe capaciteit diende ter vervanging van de verouderde productiecapaciteit voor kernenergie, niet de conclusie dat geen sprake was van een ontwikkeling in de zin van deze bepalingen. Aangezien verouderde kerncentrales moeten worden gesloten (zie overweging 510 van het bestreden besluit en de overwegingen 6 en 7 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure), zou kernenergie in het Verenigd Koninkrijk minder ontwikkeld zijn indien niet werd geïnvesteerd in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie. Hoe dan ook staat vast dat de in Hinkley Point C te gebruiken technologie meer geavanceerd is dan die waarvan gebruik wordt gemaakt in de kerncentrales die zij geacht wordt te vervangen. De Republiek Oostenrijk bestrijdt weliswaar dat het om een fundamenteel nieuwe technologie gaat, doch zij erkent niettemin dat er sprake is van een meer geavanceerde technologie.

145 Derhalve moeten ook deze argumenten worden afgewezen. Hieruit volgt dat het tweede middel in zijn geheel dient te worden afgewezen.

D. Eerste middel en eerste twee onderdelen van het negende middel, betreffende de marktomschrijving en de op marktfalen gebaseerde overwegingen van de Commissie

146 Het eerste middel en de eerste twee onderdelen van het negende middel alsook de argumenten die zijn aangevoerd in het kader van het vierde middel, betreffende de indicatieve programma’s voor kernenergie, fouten met betrekking tot de marktomschrijving en het ontbreken van marktfalen (punten 120 en 125 hierboven) hebben alle betrekking op de overwegingen van de Commissie in punt 9.3 van het bestreden besluit, waar zij heeft vastgesteld dat zonder overheidsingrijpen niet tijdig in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie zou worden voorzien.

147 De Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg stellen dat deze overwegingen ontoereikend gemotiveerd en onjuist zijn. In wezen kunnen hun argumenten worden onderverdeeld in drie categorieën. Ten eerste stellen zij dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat het ingrijpen van het Verenigd Koninkrijk noodzakelijk was. Zij had de betrokken maatregelen uitsluitend verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU mogen verklaren indien was vastgesteld dat de geliberaliseerde markt voor de productie en levering van elektriciteit faalde. De desbetreffende overwegingen van de Commissie zijn niet genoegzaam gemotiveerd en hoe dan ook kennelijk onjuist. Ten tweede plaats betogen deze lidstaten dat de Commissie ten onrechte is uitgegaan van het bestaan van een markt voor de bouw en exploitatie van kerncentrales en dat zij het bestreden besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten derde stelt de Republiek Oostenrijk dat de door de Commissie gehanteerde benadering tot een bevoordeling van kernenergie leidt.

1. Argumenten strekkend tot betwisting van de conclusie van de Commissie betreffende de noodzaak van het ingrijpen door het Verenigd Koninkrijk

148 De Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg betogen dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat het ingrijpen door het Verenigd Koninkrijk noodzakelijk was. Volgens deze lidstaten hadden de betrokken maatregelen enkel verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU mogen worden verklaard indien de Commissie had vastgesteld dat de geliberaliseerde markt voor de productie en levering van elektriciteit faalde. De productie en de levering van elektriciteit hadden echter ook door andere technologieën dan nucleaire technologie kunnen worden gewaarborgd. Hieruit volgt dat de Commissie ten onrechte heeft geconstateerd dat er sprake was van marktfalen.

149 Volgens de Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk treffen deze argumenten geen doel.

150 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 107, lid 3, onder c), VWEU niet uitdrukkelijk vereist dat sprake is van marktfalen. Deze bepaling vereist enkel dat met de steun een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd en dat de steun passend, noodzakelijk en evenredig is (zie punt 48 hierboven). Bij de toepassing van deze bepaling draait het dus om de vraag of de door de lidstaat nagestreefde doelstelling van algemeen belang ook zou zijn verwezenlijkt indien de lidstaat niet had ingegrepen (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, Magic Mountain Kletterhallen e.a./Commissie, T‑162/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:341, punt 77).

151 Weliswaar kan het bestaan van marktfalen relevant zijn bij de verenigbaarverklaring van een steunmaatregel met de interne markt, maar het ontbreken ervan betekent daarmee nog niet dat niet aan de vereisten van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU is voldaan (arresten van 9 juni 2016, Magic Mountain Kletterhallen e.a./Commissie, T‑162/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:341, punten 78 en 79, en 18 januari 2017, Andersen/Commissie, T‑92/11 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2017:14, punt 69). Zo kan bijvoorbeeld overheidsingrijpen noodzakelijk worden geacht in de zin van deze bepaling wanneer de krachten op de markt als zodanig niet volstaan om de door de lidstaat beoogde doelstelling van algemeen belang tijdig te kunnen verwezenlijken, ook al is er op zich geen sprake van marktfalen.

152 Tegen deze achtergrond moeten de grieven worden onderzocht die de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg hebben geuit ter betwisting van de conclusie van de Commissie dat het ingrijpen van het Verenigd Koninkrijk noodzakelijk was om de door deze lidstaat nagestreefde doelstelling van algemeen belang, te weten het scheppen van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie, te verwezenlijken. Allereerst zou de Commissie niet nader hebben gemotiveerd waarom de investeringen in Hinkley Point C van bijzondere aard waren en een ingrijpen door de overheid vergden. Ten tweede zouden er materiële en formele gebreken kleven aan de vaststellingen van de Commissie in punt 9.3 van het bestreden besluit. Ten derde zou de Commissie niet nader hebben uiteengezet waarom de doelstellingen van voorzieningszekerheid en vermindering van de uitstoot van kooldioxide naar haar oordeel niet zonder staatssteun konden worden bereikt. Ten vierde had de Commissie nader moeten verklaren in hoeverre Hinkley Point C gebruikmaakte van nieuwe technologieën.

a) De grief betreffende ontoereikende motivering van de bijzondere aard van de investeringen in Hinkley Point C

153 De Republiek Oostenrijk betoogt dat de Commissie in overweging 392 van het bestreden besluit heeft verwezen naar de bijzondere aard van de investeringen in Hinkley Point C, zonder evenwel te verklaren waarom deze investeringen volgens haar van bijzondere aard waren.

154 De Commissie bestrijdt dit.

155 In deze context zij eraan herinnerd dat de Commissie in overweging 392 van het bestreden besluit de conclusie trekt uit haar bevindingen in de overwegingen 381 tot en met 391 van voornoemd besluit. In de overwegingen 382 en 383 van dit besluit heeft de Commissie onder meer opgemerkt dat de investering in kernenergie onderhevig is aan aanzienlijke risico’s, gezien de combinatie van hoge kapitaalkosten vooraf, de lange bouwtijd en een lange periode van exploitatie om de investeringskosten terug te verdienen. Het gebrek aan marktgebaseerde financiële instrumenten en andere soorten contracten ter afdekking van dergelijke aanzienlijke risico’s vormt een marktfalen dat specifiek is voor enkele technologieën, waaronder kernenergie. De instrumenten die momenteel beschikbaar zijn op de markt, bieden geen tijdshorizonten van meer dan 10 of 15 jaar, hetzij in de vorm van langlopende contracten, hetzij als risico-afdekkende instrumenten. De Commissie heeft in dit verband eveneens verwezen naar onder meer de zeer lange en complexe levenscyclus van kernenergie, in tegenstelling tot de meeste andere energie-infrastructuur en in elk geval de meeste infrastructuurinvesteringen in het algemeen. Het duurt normaal gesproken acht tot tien jaar om een kerncentrale te bouwen, waarbij kosten moeten worden gemaakt voordat inkomsten worden gegenereerd en risico’s alleen door de investeerder worden gedragen. De operationele levensduur van 60 jaar wordt gekenmerkt door het genereren van inkomsten, maar deze zijn gebaseerd op een onzekere evolutie van de groothandelsprijzen. De daaropvolgende ontmantelingsperiode kan veertig jaar duren, met middelen die vóór de stopzetting van de installatie moeten worden gereserveerd. Ten slotte vindt de opslag en verwerking van hoogradioactief kernafval gewoonlijk plaats op de locatie zelf, vóór de overbrenging naar een bergingslocatie waar het afval eeuwenlang opgeslagen zal moeten blijven. Tot slot is er het risico van een „hold-up”: gelet op het controversiële karakter van nucleaire technologie kunnen opeenvolgende regeringen uiteenlopende standpunten innemen over de wenselijkheid ervan, hetgeen de onzekerheid voor particuliere investeerders kan versterken.

156 Geconstateerd moet worden dat de Commissie in de overwegingen 382 en 383 van het bestreden besluit voldoende duidelijk heeft gemotiveerd waarom zij van oordeel was dat er zonder ingrijpen van het Verenigd Koninkrijk niet tijdig zou worden geïnvesteerd in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie, gelet op onder meer het ontbreken van marktgebaseerde financiële instrumenten en andere soorten contracten ter afdekking van deze aanzienlijke risico’s.

157 Derhalve moet de grief dat overweging 392 van het bestreden besluit ontoereikend zou zijn gemotiveerd, worden verworpen.

b) De grief dat er materiële en formele gebreken kleven aan de vaststellingen van de Commissie in punt 9.3 van het bestreden besluit

158 De Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg beroepen zich op de onjuistheid van de vaststellingen van de Commissie in punt 9.3 van het bestreden besluit, inhoudend dat, gelet op het ontbreken van marktgebaseerde financiële instrumenten en andere soorten contracten ter afdekking van de aanzienlijke risico’s waarmee investeringen in kernenergie gepaard gaan, een ingrijpen door de staat noodzakelijk was om het doel van bevordering van kernenergie en meer in het bijzonder het scheppen van nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie te bereiken. Volgens deze lidstaten heeft de Commissie in dit verband inhoudelijke en vormfouten gemaakt.

159 De Commissie, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk bestrijden dit. De Commissie stelt dat sommige argumenten van de Republiek Oostenrijk tardief en dus niet-ontvankelijk zijn.

160 In deze context moet eraan worden herinnerd dat de Commissie in het kader van de toepassing van artikel 107, lid 3, VWEU over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, waarvan de uitoefening een afweging van economische en sociale gegevens impliceert. Bij de rechterlijke toetsing van de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid wordt enkel nagegaan of de procedure- en motiveringsvoorschriften zijn nageleefd, of de vastgestelde feiten materieel juist zijn, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling of van misbruik van bevoegdheid (arresten van 26 september 2002, Spanje/Commissie, C‑351/98, EU:C:2002:530, punt 74, en 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑372/97, EU:C:2004:234, punt 83).

161 Ook al beschikt de Commissie over een beoordelingsmarge in economische kwesties, dit laat onverlet dat de Unierechter de interpretatie van de Commissie van economische gegevens mag toetsen. De Unierechter dient immers niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen, alsook de betrouwbaarheid en samenhang daarvan te controleren, maar moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen. In het kader van dit rechterlijke toezicht mag de Unierechter zijn beoordeling op economisch vlak echter niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie. Bovendien moet worden opgemerkt dat in gevallen waarin een instelling van de Unie over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, het toezicht op de inachtneming van bepaalde procedurele waarborgen van fundamenteel belang is. Zo is in de rechtspraak gepreciseerd dat tot die waarborgen met name behoren de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en om haar beslissing toereikend te motiveren (zie arrest van 22 november 2007, Spanje/Lenzing, C‑525/04 P, EU:C:2007:698, punten 56 tot en met 58, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

162 De argumenten van de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg moeten met inachtneming van deze beginselen worden onderzocht.

163 In de eerste plaats stelt de Republiek Oostenrijk dat het enkele feit dat een bepaalde onderneming zich op de markt niet kan financieren, nog niet de conclusie wettigt dat de door een lidstaat nagestreefde doelstelling van algemeen belang niet zou kunnen worden verwezenlijkt zonder overheidsingrijpen.

164 Dit argument is niet steekhoudend.

165 De Commissie heeft zich in de overwegingen 381 tot en met 391 van het bestreden besluit namelijk niet beperkt tot het onderzoek van de individuele situatie van NNBG of van de investeerders van deze onderneming, doch heeft zich daar ook meer algemeen uitgesproken over de vraag of in deze lidstaat, gelet op het ontbreken van marktgebaseerde financiële instrumenten en andere soorten contracten ter afdekking van de aanzienlijke risico’s waarmee investeringen in kernenergie gepaard gaan, nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie zou zijn gecreëerd indien het Verenigd Koninkrijk niet had ingegrepen.

166 In de tweede plaats betoogt de Republiek Oostenrijk dat de conclusie van de Commissie in de overwegingen 382 en 383 van het bestreden besluit dat er geen adequate financiële instrumenten voor investeringen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie bestonden, niet steunt op een voldoende grondig en gedetailleerd onderzoek, en ontoereikend is gemotiveerd.

167 Ten eerste voert de Republiek Oostenrijk aan dat de Commissie andere investeringsvormen buiten beschouwing heeft gelaten, zoals de financiering door een internationaal consortium of individuele steun van financierders die over de daartoe benodigde middelen beschikken.

168 In dit verband zij erop gewezen dat de Commissie in de overwegingen 381 tot en met 392 van het bestreden besluit uitvoerig heeft uiteengezet waarom investeringen in kernenergie met aanzienlijke risico’s gepaard gaan, en heeft geconstateerd dat er geen marktgebaseerde financiële instrumenten of andere soorten contracten ter afdekking van deze risico’s bestonden. Bovendien heeft de Commissie aan de hand van modellen vastgesteld dat er in deze omstandigheden grote onzekerheid heerste of binnen een realistische periode particuliere investeringen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie zouden worden gedaan.

169 Gelet hierop vermag de loutere vermelding door de Republiek Oostenrijk van de mogelijkheid van financiering door een internationaal consortium of individuele steun van financierders die over de daartoe benodigde middelen beschikken, niet aan te tonen dat de desbetreffende overwegingen van de Commissie worden gekenmerkt door een kennelijke beoordelingsfout.

170 Immers, om aan te tonen dat de Commissie een kennelijke fout heeft gemaakt bij de beoordeling van de feiten die de nietigverklaring van het bestreden besluit rechtvaardigen, moeten de door de verzoekende partij geproduceerde bewijselementen toereikend zijn om de geloofwaardigheid van de feitelijke beoordelingen in het besluit te kunnen aantasten (arresten van 12 december 1996, AIUFFASS en AKT/Commissie, T‑380/94, EU:T:1996:195, punt 59, en 6 oktober 2009, FAB/Commissie, T‑8/06, niet gepubliceerd, EU:T:2009:386, punt 78).

171 De Republiek Oostenrijk blijft echter een verklaring schuldig ten aanzien van de vraag waarom de aanzienlijke risico’s die met investeringen in kernenergie gepaard gaan, gelet op onder meer de combinatie van hoge kapitaalkosten vooraf, de lange bouwtijd en een lange periode van exploitatie om de investeringskosten terug te verdienen, alsook de zeer lange en complexe levenscyclus van kernenergie, een onzekere evolutie van de groothandelsprijzen en de ontmantelingskosten, plus het risico van een „hold-up, niet evenzeer een beletsel zouden vormen voor de financiering door een internationaal consortium of individuele financieringen.

172 Derhalve moet dit argument worden afgewezen.

173 Ten tweede betoogt de Republiek Oostenrijk dat het ontbreken van prijssignalen op lange termijn een probleem is dat zich ook voordoet bij andere technologieën, zodat dit als een klassiek marktelement moet worden beschouwd dat bij de risicobeoordeling van het project dient te worden betrokken. Anders dan de Commissie stelt, kent de elektriciteitsmarkt geen stabiele prijssignalen voor de komende tien à vijftien jaar. Op de meest liquide Europese elektriciteitsbeurzen hebben de aangeboden producten op dit moment een levensduur van maximaal zeven jaar. Ook voor elektriciteitscentrales die gebruikmaken van technologieën met een kortere exploitatieduur dan die welke in kerncentrales worden gebruikt, zijn voor een aanzienlijk deel van de levensduur geen prijssignalen beschikbaar.

174 Gesteld al dat dit argument van de Republiek Oostenrijk steekhoudend is, dan nog tast het niet de geldigheid aan van de conclusie van de Commissie betreffende het ontbreken van adequate financiële instrumenten voor investeringen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie. Integendeel, het argument dat er ook voor kortere perioden dan de periode van tien à vijftien jaar waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, geen stabiele prijssignalen bestaan, bevestigt juist de conclusie van de Commissie dat er factoren zijn die investeringen in dergelijke nieuwe centrales belemmeren.

175 Ten derde moet het argument van de Republiek Oostenrijk worden afgewezen dat de Commissie haar analyse niet had mogen beperken tot de financiële markten van het Verenigd Koninkrijk. Dienaangaande zij opgemerkt dat de Commissie in overweging 382 van het bestreden besluit heeft geconstateerd dat er geen marktgebaseerde financiële instrumenten en andere soorten contracten ter afdekking van de aanzienlijke risico’s waarmee investeringen in productiecapaciteit voor kernenergie gepaard gaan, voorhanden waren. Uit deze overweging blijkt geenszins dat de Commissie haar analyse heeft beperkt tot de financiële instrumenten die in het Verenigd Koninkrijk beschikbaar waren.

176 Ten vierde voert de Republiek Oostenrijk aan dat het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is gemotiveerd.

177 Enerzijds betoogt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie niet heeft toegelicht waarom uitsluitend de beschikbare financiële markten in het Verenigd Koninkrijk in aanmerking moesten worden genomen. Dit argument treft geen doel. Zoals namelijk reeds is uiteengezet in punt 175 hierboven, stoelt dit argument op de onjuiste premisse dat de Commissie zich tot deze financiële markten heeft beperkt.

178 Anderzijds betoogt de Republiek Oostenrijk dat de Commissie hoe dan ook verzuimd heeft om in de overwegingen 381 tot en met 392 van het bestreden besluit expliciet te vermelden welke financiële markten zij in aanmerking heeft genomen. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat deze overwegingen toereikend zijn gemotiveerd, want voornoemde lidstaat kan er de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel door kennen en het Gerecht wordt erdoor in staat gesteld zijn toezicht uit te oefenen. Indien deze lidstaat namelijk van oordeel was dat er financiële instrumenten voorhanden waren waarop de door de Commissie genoemde factoren niet van invloed waren, had hij dit in de loop van de procedure voor het Gerecht kunnen aanvoeren, hetgeen deze rechter in staat zou hebben gesteld de gegrondheid van de betrokken vaststelling van de Commissie te onderzoeken.

179 Gelet op het voorgaande moet het betoog strekkend tot betwisting van de conclusie van de Commissie betreffende het ontbreken van adequate financiële instrumenten worden verworpen.

180 In de derde plaats voert de Republiek Oostenrijk argumenten waarmee zij de op het risico van een politieke „hold-up” gebaseerde overwegingen van de Commissie in twijfel trekt.

181 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie in overweging 384 van het bestreden besluit heeft geconstateerd dat dit risico „het investeren in nieuwe [productiecapaciteit voor] kernenergie bemoeilijkt, met name gezien de lange termijnen die nodig zijn voor de bouw, exploitatie en ontmanteling van kerncentrales”, waarbij zij in het midden heeft gelaten of de door haar vastgestelde situatie als marktfalen kon worden gekwalificeerd. De Commissie heeft dus geconstateerd dat het risico van een politieke „hold-up” voor potentiële investeerders een factor is die investeringen in dergelijke nieuwe centrales bemoeilijkt.

182 Ten eerste stelt de Republiek Oostenrijk dat een „hold-up”-situatie zich slechts voordoet wanneer een van de partijen bij een langlopend contract, dat op het moment van afsluiting ervan nog niet volledig gespecificeerd is, een aanzienlijke speelruimte heeft die hem in staat stelt zich opportunistisch op te stellen, terwijl de andere partij zich op voorhand reeds heeft verbonden om bijvoorbeeld zeer grote en niet meer terug te draaien investeringen te doen. Anders dan de Commissie heeft overwogen, is hiervan naar haar mening in casu geen sprake.

183 In dit verband zij verwezen naar de overwegingen 384 en 385 van het bestreden besluit waaruit volgt dat alle technologieën in beginsel weliswaar te maken kunnen krijgen met een politieke „hold-up”, maar dat dit risico in het algemeen groter is voor nucleaire projecten. De Commissie heeft te dien aanzien onder meer opgemerkt dat opeenvolgende regeringen uiteenlopende standpunten kunnen innemen over de wenselijkheid van nucleaire technologie, hetgeen de onzekerheid voor particuliere investeerders kan versterken, en dat deze onzekerheid groter is op het gebied van nucleaire technologie wegens de controversiële aard ervan, de langere termijnen en de grotere omvang van de investeringen.

184 Het betoog van de Republiek Oostenrijk komt erop neer dat zij eerst toelicht wat zij onder een „hold-up”-situatie verstaat en vervolgens stelt dat een onderneming die investeert in productiecapaciteit voor kernenergie, zich niet in een dergelijke situatie bevindt.

185 Geconstateerd moet worden dat het betoog van de Republiek Oostenrijk niet vermag aan te tonen dat de vaststellingen van de Commissie in de overwegingen 384 en 385 van het bestreden besluit worden gekenmerkt door kennelijke beoordelingsfouten (zie punten 160, 161 en 170 hierboven). Met name doen de argumenten van de Republiek Oostenrijk niet af aan de geloofwaardigheid van de constatering van de Commissie dat het in punt 183 van dit arrest beschreven risico een factor is die investeringen in de bouw en exploitatie van nieuwe kerncentrales bemoeilijkt.

186 Derhalve moet dit betoog worden verworpen.

187 Ten tweede brengt de Republiek Oostenrijk naar voren dat het risico van gewijzigde politieke inzichten niet specifiek geldt voor kerncentrales; het is een algemeen risico dat geldt voor alle projecten die in de publieke opinie onder vuur liggen, met name projecten waarmee grote geldbedragen gemoeid gaan. Een dergelijk risico kan dan ook geen factor vormen die door een steunmaatregel moet worden gecompenseerd.

188 Dienaangaande zij enerzijds opgemerkt dat de Commissie in de overwegingen 384 en 385 van het bestreden besluit geenszins heeft uitgesloten dat het risico van gewijzigde politieke inzichten ook voor andere projecten kan gelden en investeringen in dergelijke projecten kan bemoeilijken.

189 Anderzijds moet worden geconstateerd dat de Republiek Oostenrijk geen enkel argument aanvoert dat de geloofwaardigheid aantast van de vaststelling van de Commissie dat het risico van gewijzigde politieke inzichten in hoge mate geldt voor nucleaire technologie, gelet op onder meer de controversiële aard ervan, de kans dat dit risico zich daadwerkelijk manifesteert, de impact van deze gewijzigde politieke inzichten, die tot volledige stopzetting van de nucleaire industrie zouden kunnen leiden, de zeer lange terugbetalingsperioden en de zeer hoge investeringsbedragen.

190 Hieruit volgt dat ook dit argument van de Republiek Oostenrijk niet vermag aan te tonen dat de redenering van de Commissie kennelijk onjuist is.

191 Ten derde betoogt de Republiek Oostenrijk dat ter bescherming van de investeringen en de vermogensrechten een financiële compensatie is gewaarborgd in geval van onteigening.

192 Voor zover dit argument strekt ten bewijze dat de Commissie onvoldoende in aanmerking heeft genomen dat een financiële compensatie is gewaarborgd, moet het worden afgewezen. De vraag in hoeverre in geval van vervroegde sluiting van de kerncentrale Hinkley Point een compensatie zou zijn gewaarborgd, is namelijk wel degelijk door de Commissie onderzocht. Zo heeft zij in overweging 192 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure uiteengezet dat de betaling van schadevergoeding door de nationale autoriteiten ter vergoeding van schade die is veroorzaakt door overheidsinstanties, geen steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt. Voorts heeft de Commissie in overweging 322 van het bestreden besluit vastgesteld dat de algemene beginselen die ten grondslag liggen aan de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie, een recht op schadevergoeding doen ontstaan in geval van ontneming van eigendomsrecht.

193 Voor zover de Republiek Oostenrijk met dit argument wil aantonen dat het kennelijk onjuist is om het risico van een politieke „hold-up” aan te merken als een factor die investeringen in productiecapaciteit voor kernenergie bemoeilijkt, aangezien immers een financiële compensatie is gewaarborgd, moet het eveneens worden afgewezen. De loutere omstandigheid dat schadevergoeding kan worden gevorderd op basis van de algemene rechtsbeginselen van het Verenigd Koninkrijk en de Unie, doet namelijk niet af aan het feit dat het risico van een politieke „hold-up” potentiële investeerders kan ontmoedigen. Gelet op de omvang van de in casu in geding zijnde investeringen, volstaat de loutere mogelijkheid om in voorkomend geval na een eventueel rechtsgeding een schadevergoeding ter hoogte van een onbekend bedrag te verkrijgen in geval van onteigening, niet om het obstakel voor investeringen bestaande in een risico van een politieke „hold-up” volledig uit de weg te ruimen. Hieruit volgt dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat het risico van een politieke „hold-up”, niettegenstaande het feit dat schadevergoeding kan worden gevorderd, een factor vormt die investeringen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie bemoeilijkt.

194 Ten vierde stelt de Republiek Oostenrijk dat het verkeerd was om de exploitanten van Hinkley Point C „immuun te maken” voor toekomstige politieke besluiten die democratisch tot stand zijn gekomen. Het Groothertogdom Luxemburg stelt dat dergelijke politieke besluiten niet kunnen worden aangemerkt als marktfalen.

195 Voor zover het betoog van de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg erop neerkomt dat toekomstige, democratisch tot stand gekomen politieke besluiten niet in aanmerking mochten worden genomen bij de beantwoording van de vraag of er factoren waren die investeringen in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie bemoeilijkten, moet het worden verworpen. In het kader van dit onderzoek mocht de Commissie alle elementen in aanmerking nemen die eraan in de weg staan dat dergelijke nieuwe productiecapaciteit tijdig wordt gecreëerd door de loutere marktwerking, zonder dat dit een ingrijpen van de overheid vergt. Het was dus niet kennelijk onjuist om in dit verband rekening te houden met de onzekerheid in verband met het risico van een politieke „hold-up, welk risico, om de hierboven in punt 189 uiteengezette redenen, met name op het gebied van kernenergie een zwaarwegende factor is.

196 Voor zover de Republiek Oostenrijk met dit argument niet alleen de noodzaak van ingrijpen door het Verenigd Koninkrijk als zodanig wil betwisten, maar tevens wil aanvoeren dat er sprake is van overcompensatie, omdat de concrete maatregelen, te weten het Contract for Difference, de overeenkomst met de Secretary of State en de kredietgarantie, verder gaan dan noodzakelijk is om de geconstateerde belemmeringen op te heffen, zij opgemerkt dat dit argument betrekking heeft op de vaststellingen van de Commissie betreffende het noodzakelijke karakter van de betrokken maatregelen en dat het een overlapping vormt met de argumenten die in het kader van het zesde middel zijn aangevoerd. Dit argument treft hier dan ook geen doel, maar zal worden onderzocht in het kader van het zesde middel.

197 Hieruit volgt dat alle argumenten ter weerlegging van de op de mogelijkheid van een politieke „hold-up gebaseerde vaststellingen van de Commissie moeten worden afgewezen, met dien verstande dat het argument betreffende de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel zal worden onderzocht in het kader van het zesde middel.

198 Ten vijfde betoogt de Republiek Oostenrijk dat de bouw van andere kerncentrales is gefinancierd zonder toekenning van staatssteun. Zij verwijst hier onder meer naar de bouw van de kerncentrales van Flamanville (Frankrijk) en Olkiluoto (Finland).

199 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de Commissie in de overwegingen 381 tot en met 392 van het bestreden besluit heeft betoogd dat er, gelet op het feit dat investeringen in kernenergie zeer risicovol zijn en er geen marktgebaseerde financiële instrumenten en andere soorten contracten ter afdekking van dergelijke risico’s voorhanden waren, grote onzekerheid heerste over de vraag of de markt binnen een realistische periode zou investeren in nieuwe productiecapaciteit voor kernenergie. Tevens moet in herinnering worden geroepen dat de Commissie deze conclusie niet uitsluitend op deze factoren heeft gebaseerd, maar tevens op door haar uitgewerkte modellen.

200 Onderzocht moet dus worden of het argument van de Republiek Oostenrijk dat kerncentrales met hetzelfde type reactor als die welke in Hinkley Point C zal worden gebruikt, zijn gebouwd in Flamanville en Olkiluoto, zonder dat daarvoor staatssteun was verstrekt, de aannemelijkheid aantast van de desbetreffende beoordelingen van de Commissie.

201 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat blijkens punt 25 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure vóór de vaststelling van het bestreden besluit reeds bekend was dat de bouwplannen van de centrales van Flamanville en Olkiluoto tot hoge extra kosten hadden geleid.

202 In de tweede plaats is van belang dat volgens de opgaven van de Commissie en de Franse Republiek – die niet weersproken zijn door de Republiek Oostenrijk en het Groothertogdom Luxemburg – de besluiten om in de door de Republiek Oostenrijk genoemde bouwprojecten te investeren, dateren van vóór het ongeval met de kernreactor van Fukushima (Japan).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in