Gerecht EU 24 september 2019, T-755/15, ECLI:EU:T:2019:670
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)
24 september 2019 ( *1 )
„Staatssteun – Door Luxemburg ten uitvoer gelegde steunmaatregel – Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt en onrechtmatig wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast – Ruling (advance tax ruling) – Voordeel – Zakelijkheidsbeginsel – Selectiviteit – Vermoeden – Mededingingsbeperking – Terugvordering”
In de zaken T‑755/15 en T‑759/15,
Groothertogdom Luxemburg, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Holderer en T. Uri, vervolgens door T. Uri als gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door D. Waelbroeck, S. Naudin en A. Steichen, vervolgens door D. Waelbroeck en A. Steichen, advocaten,
verzoeker in zaak T‑755/15,
ondersteund door
Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Creedon, G. Hodge en A. Joyce, vervolgens door G. Hodge, M. Browne en A. Joyce, en tot slot door A. Joyce en J. Quaney als gemachtigden, bijgestaan door P. Gallagher, M. Collins, SC, B. Doherty en S. Kingston, barristers,
interveniënt
Fiat Chrysler Finance Europe, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door J. Rodríguez, solicitor, G. Maisto en M. Engel, advocaten,
verzoekster in zaak T‑759/15,
ondersteund door
Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Creedon, G. Hodge, K. Duggan en A. Joyce, vervolgens door G. Hodge, K. Duggan, M. Browne en A. Joyce, en tot slot door A. Joyce en J. Quaney als gemachtigden, bijgestaan door M. Collins, P. Gallagher, SC, S. Kingston en B. Doherty, barristers,
interveniënt
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P.‑J. Loewenthal en B. Stromsky als gemachtigden,
verweerster,
betreffende verzoeken krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit (EU) 2016/2326 van de Commissie van 21 oktober 2015 betreffende steunmaatregel SA.38375 (2014/C ex 2014/NN) die Luxemburg ten gunste van Fiat ten uitvoer heeft gelegd (PB 2016, L 351, blz. 1),
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, V. Tomljenović (rapporteur), E. Bieliūnas, A. Marcoulli en A. Kornezov, rechters,
griffier: S. Spyropoulos, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 juni 2018,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
A. Ruling die door de Luxemburgse belastingautoriteiten is toegekend aan FFT
1 Op 14 maart 2012 heeft de belastingadviseur van Fiat Chrysler Finance Europe, voorheen Fiat Chrysler Finance and Trade Ltd (hierna: „FFT”), een brief gestuurd aan de Luxemburgse belastingautoriteiten met het verzoek om een advance tax ruling (of ruling). [vertrouwelijk] ( 1 )
2 Op 3 september 2012 hebben de Luxemburgse belastingautoriteiten een ruling vastgesteld ten gunste van FFT (hierna: „betrokken ruling”). Deze ruling was vervat in een brief waarin was vermeld dat „met betrekking tot de brief van 14 maart 2012 over de groepsinterne financieringsactiviteiten van FFT [werd] bevestigd dat de analyse van de verrekenprijzen [was] verricht overeenkomstig circulaire 164/2 van 28 januari 2011 en [voldeed] aan het zakelijkheidsbeginsel”.
3 In de brief van 3 september 2012 werd ook gepreciseerd dat het daarin vervatte besluit bindend zou zijn voor de belastingautoriteiten gedurende een periode van vijf jaar (van het belastingjaar 2012 tot en met het belastingjaar 2016).
B. Administratieve procedure bij de Commissie
4 Op 19 juni 2013 heeft de Europese Commissie het Groothertogdom Luxemburg een eerste verzoek gestuurd om gedetailleerde inlichtingen over de nationale rulingpraktijken. Dit eerste verzoek om inlichtingen werd gevolgd door een groot aantal uitwisselingen tussen het Groothertogdom Luxemburg en de Commissie, totdat laatstgenoemde op 24 maart 2014 een besluit vaststelde waarbij zij het Groothertogdom Luxemburg gelastte haar inlichtingen te verstrekken.
5 Op 11 juni 2014 heeft de Commissie voor de betrokken ruling de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU ingeleid (hierna: „besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure”). Tussen de dag van de vaststelling van het inleidingsbesluit en 15 juli 2015 heeft de Commissie vele malen gecommuniceerd met het Groothertogdom Luxemburg en met FFT, met name over de betrokken ruling.
C. Bestreden besluit
6 Op 21 oktober 2015 heeft de Commissie besluit (EU) 2016/2326 betreffende steunmaatregel SA.38375 (2014/C) (ex 2014/NN) door Luxemburg ten gunste van Fiat ten uitvoer gelegd (PB 2016, L 351, blz. 1; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.
1. Beschrijving van de betwiste maatregel
7 In afdeling 2 van het bestreden besluit, met het opschrift „Beschrijving van de maatregel”, gaf de Commissie in de eerste plaats een beschrijving van FFT, de begunstigde van de betrokken ruling, die deel uitmaakte van het automobielconcern Fiat/Chrysler (hierna: „Fiat/Chrysler-concern”). Zij gaf aan dat FFT treasury- en financieringsdiensten verrichtte voor de in Europa gevestigde vennootschappen van dit concern, met uitzondering van die in Italië, en dat zij opereerde vanuit Luxemburg, waar zij haar zetel had. De Commissie preciseerde dat FFT met name actief was op het gebied van financiering via de markt en het beleggen van liquide middelen, het onderhouden van betrekkingen met marktspelers in de financiële sector, coördinatiediensten voor en financieel advies aan de vennootschappen van het concern, kasbeheerdiensten voor de vennootschappen van het concern, onderlinge kortetermijn- of middellangetermijnfinanciering en coördinatie met de andere financieringsmaatschappijen (overwegingen 34‑51 van het bestreden besluit).
8 In de tweede plaats beschreef de Commissie de betrokken ruling, waarbij zij preciseerde dat de Luxemburgse belastingdienst deze ruling had vastgesteld op 3 september 2012. Zij gaf aan dat deze ruling volgde op de brief van 14 maart 2012 van de belastingadviseur van FFT aan de Luxemburgse belastingdienst, met daarin een verzoek om goedkeuring van een akkoord over de verrekenprijzen, en op een rapport over de verrekenprijzen, met daarin een analyse van de verrekenprijzen die de belastingadviseur had gemaakt ter ondersteuning van het verzoek van FFT om een ruling (hierna: „verrekenprijzenrapport”) (overwegingen 9, 53 en 54 van het bestreden besluit).
9 De Commissie beschreef de betrokken ruling als de instemming met een methode om binnen het Fiat/Chrysler-concern winst toe te rekenen aan FFT, waardoor FFT jaarlijks het bedrag aan vennootschapsbelasting kon bepalen dat zij aan het Groothertogdom Luxemburg moest betalen. Zij preciseerde dat de ruling bindend was gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf het belastingjaar 2012 tot en met het belastingjaar 2016 (overwegingen 52 en 54 van het bestreden besluit).
10 De Commissie stelde vast dat volgens het verrekenprijzenrapport de meest geschikte methode om de belastbare winst van FFT te bepalen de Transactional Net Margin Method (methode van de transactionele nettomarge; hierna: „TNMM”) was. Deze methode houdt volgens de Commissie in dat rekening wordt gehouden met de netto marges die worden behaald bij vergelijkbare transacties door onafhankelijke vennootschappen. Deze keuze werd volgens dit rapport gerechtvaardigd door het feit dat FFT uitsluitend financiële diensten verleende aan ondernemingen van het Fiat/Chrysler-concern. De Commissie voegde daaraan toe dat volgens het verrekenprijzenrapport de aan FFT verschuldigde vergoeding, die de belastbare winst vormde, moest worden vastgesteld in verhouding tot het vermogen dat FFT nodig had voor de uitoefening van haar functies en voor het dragen van de risico’s die zij liep, gelet op de gebruikte activa (overwegingen 55 en 56 van het bestreden besluit).
11 Meer bepaald stelde de Commissie vast dat in het verrekenprijzenrapport, zoals goedgekeurd bij de betrokken ruling, werd voorgesteld om een totale aan FFT verschuldigde vergoeding te berekenen voor haar financierings- en treasuryactiviteiten en voor de risico’s die zij droeg, bestaande uit de volgende twee elementen (overweging 70 van het bestreden besluit): – een „vergoeding voor risico”, berekend door het hypothetische wettelijk eigen vermogen (hierna: „toetsingsvermogen”) van FFT, door overeenkomstige toepassing van het Bazel II-akkoord geraamd op 28500000 EUR, te vermenigvuldigen met het te verwachten rendement vóór belastingen dat, aan de hand van het Capital Asset Pricing Model (hierna: „CAPM”), werd geraamd op 6,05 %; – een „vergoeding voor functies”, berekend door het eigen vermogen van FFT dat was gebruikt voor de uitoefening van haar functies, geraamd op 93710000 EUR, te vermenigvuldigen met de marktrente voor kortetermijndeposito’s, geraamd op 0,87 %.
12 Bovendien merkte de Commissie op dat in de betrokken ruling het voorstel van het verrekenprijzenrapport was goedgekeurd om geen vergoeding te bepalen voor het deel van het eigen vermogen van FFT dat was aangeduid als kapitaal ter dekking van de financiële investeringen van FFT in Fiat Finance North America Inc. (hierna: „FFNA”) en Fiat Finance Canada Ltd (hierna: „FFC”) (overweging 69 van het bestreden besluit).
2. Beschrijving van de Luxemburgse regels inzake verrekenprijzen
13 De Commissie gaf aan dat de betrokken ruling was vastgesteld op grond van artikel 164, lid 3, van het Luxemburgse wetboek van inkomstenbelasting (loi du 4 décembre 1967 concernant l’impôt sur le revenu; wet van 4 december 1967 betreffende de inkomstenbelasting), zoals gewijzigd (hierna: „belastingwetboek”) en van circulaire L.I.R. nr. 164/2 van de directeur van de Luxemburgse belastingen van 28 januari 2011 (hierna: „circulaire”). In dit verband merkte de Commissie op dat dit artikel de vastlegging in het Luxemburgse recht vormde van het zakelijkheidsbeginsel, volgens hetwelk transacties tussen vennootschappen van eenzelfde concern (hierna: „geïntegreerde vennootschappen”) moeten worden vergoed alsof zij waren aangegaan door onafhankelijke vennootschappen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen (hierna: „onafhankelijke vennootschappen”). Zij voegde daaraan toe dat de circulaire met name verduidelijkte hoe een zakelijke vergoeding moest worden vastgesteld, meer bepaald voor de financieringsmaatschappijen van concerns (overwegingen 74‑83 van het bestreden besluit).
3. Beschrijving van de OESO-richtsnoeren
14 De Commissie gaf een uiteenzetting van de beginselen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake verrekenprijzen en gaf aan dat de verrekenprijzen verwezen naar de prijzen die in rekening worden gebracht voor commerciële transacties tussen verschillende entiteiten van eenzelfde concern. Zij betoogde dat, om te vermijden dat multinationale vennootschappen er een financieel belang bij zouden hebben om zo min mogelijk winst toe te rekenen aan gebieden waar hun winst zwaarder wordt belast, de belastingdiensten alleen verrekenprijzen tussen geïntegreerde vennootschappen hadden mogen aanvaarden wanneer de transacties, overeenkomstig het zakelijkheidsbeginsel, waren vergoed alsof zij waren aangegaan door onafhankelijke vennootschappen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen. De Commissie preciseerde dat dit beginsel was opgenomen in artikel 9 van het modelbelastingverdrag van de OESO inzake inkomen en vermogen (hierna: „OESO-modelverdrag”) (overwegingen 84‑87 van het bestreden besluit).
15 De Commissie herinnerde eraan dat de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (richtsnoeren inzake verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten, vastgesteld door de commissie belastingzaken van de OESO op 27 juni 1995 en herzien op 22 juli 2010; hierna: „OESO-richtsnoeren”) vijf methoden vermelden waarmee tot een benadering van zakelijke prijzen voor transacties en winsttoerekening tussen geïntegreerde vennootschappen kan worden gekomen. Slechts twee daarvan waren relevant in het kader van het bestreden besluit (punten 88 en 89 van het bestreden besluit).
16 De eerste methode, een traditionele methode gebaseerd op transacties, is de Comparable Uncontrolled Price Method (methode van de vergelijkbare vrijemarktprijs; hierna: „CUP-methode”). De Commissie herinnerde eraan dat de CUP-methode de prijs die in rekening wordt gebracht voor de overdracht van goederen of diensten in het kader van een transactie tussen twee verbonden ondernemingen, vergelijkt met de prijs die in rekening wordt gebracht voor de overdracht van goederen of diensten in het kader van een vergelijkbare transactie tussen twee onafhankelijke ondernemingen in vergelijkbare omstandigheden (overweging 90 van het bestreden besluit).
17 De tweede methode is de TNMM, een indirecte methode die wordt gebruikt om tot een benadering van zakelijke verrekenprijzen voor transacties en winsttoerekening tussen vennootschappen van eenzelfde concern te komen. De Commissie omschreef deze methode als het ramen van het potentiële winstbedrag op grond van het zakelijkheidsbeginsel voor een activiteit als geheel beschouwd, in plaats van voor specifieke transacties. Zij preciseerde dat in dit kader moest worden gekozen voor een winstniveau-indicator, zoals de kosten, de omzet of vaste investeringen, en dat daarop een winstpercentage moest worden toegepast dat een afspiegeling vormt van het percentage dat wordt waargenomen bij vergelijkbare transacties op de vrije markt (overweging 91 van het bestreden besluit).
4. Beoordeling van de betwiste maatregel
18 In afdeling 7 van het bestreden besluit, met het opschrift „Beoordeling van de betwiste maatregel”, kwam de Commissie tot de slotsom dat er sprake was van staatssteun.
19 Na de voorwaarden voor het bestaan van staatssteun in herinnering te hebben gebracht – te weten dat een maatregel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien het ten eerste gaat om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd, ten tweede deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, ten derde hij de begunstigde een selectief voordeel verschaft, en ten vierde hij de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen – was de Commissie van oordeel dat in casu aan de eerste voorwaarde was voldaan. In dit verband merkte zij op dat de betrokken ruling kon worden toegeschreven aan het Groothertogdom Luxemburg. Voorts stelde de Commissie vast dat dit besluit had geleid tot een verlies van staatsmiddelen, aangezien elke vermindering van de door FFT verschuldigde belasting een verlies aan belastinginkomsten had meegebracht waarover het Groothertogdom Luxemburg zonder die vermindering had kunnen beschikken (overwegingen 185‑188 van het bestreden besluit).
20 Wat de tweede en vierde voorwaarde betreft, was de Commissie van oordeel dat, aangezien FFT behoort tot een concern dat in alle lidstaten actief is, alle aan FFT verleende steun het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig kon beïnvloeden. Voorts was zij van oordeel dat FFT haar financiële positie verbeterde, en daardoor de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen, aangezien de betrokken ruling haar vrijstelde van een belastingschuld (overweging 189 van het bestreden besluit).
21 Wat de derde voorwaarde voor het bestaan van staatssteun betreft, was de Commissie van oordeel dat de betrokken ruling FFT een selectief voordeel verleende, aangezien zij had geleid tot een vermindering van de door betrokkene in Luxemburg verschuldigde belasting, doordat wordt afgeweken van de belasting die zij krachtens het gewone stelsel van de vennootschapsbelasting zou hebben moeten betalen (overweging 190 van het bestreden besluit).
22 Vooraf herinnerde de Commissie eraan dat er, volgens de rechtspraak, een analyse in drie stappen moet worden verricht om na te gaan of een belastingmaatregel selectief is. In eerste instantie moet worden bepaald welke algemene of normale regeling van toepassing is in de lidstaat, te weten het „referentiestelsel”. In tweede instantie moet worden nagegaan of de betrokken belastingmaatregel een afwijking van dat stelsel vormt, voor zover daarbij differentiaties worden ingevoerd tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de aan het stelsel inherente doelstellingen, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. De Commissie herinnerde er vervolgens aan dat in derde instantie, indien de maatregel een afwijking van het referentiestelsel vormt, de lidstaat moet aantonen dat die maatregel wordt gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het referentiestelsel (overweging 192 van het bestreden besluit).
23 Wat de eerste stap betreft, de bepaling van het referentiestelsel, was de Commissie van oordeel dat in casu dit stelsel het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg was, dat tot doel heeft de winst te belasten van alle in Luxemburg belastingplichtige vennootschappen. Zij preciseerde in dit verband dat het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg van toepassing is op binnenlandse vennootschappen en op in Luxemburg gevestigde buitenlandse vennootschappen, met inbegrip van Luxemburgse filialen van buitenlandse vennootschappen. De Commissie was van oordeel dat het feit dat er een verschil bestond in de berekening van de belastbare winst van onafhankelijke vennootschappen en geïntegreerde vennootschappen, geen gevolgen had voor het doel van het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg, namelijk het belasten van de winst van alle in Luxemburg gevestigde vennootschappen, al dan niet geïntegreerd, en dat de twee soorten vennootschappen zich, gelet op het intrinsieke doel van dit stelsel, in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevonden. De Commissie wees alle argumenten van het Groothertogdom Luxemburg en FFT af volgens welke artikel 164 van het belastingwetboek of de circulaire het relevante referentiestelsel vormden, alsook hun argument dat het in aanmerking te nemen referentiestelsel voor de beoordeling van de selectiviteit van de betrokken ruling enkel ondernemingen diende te omvatten waarop de regels inzake verrekenprijzen van toepassing waren (overwegingen 193‑215 van het bestreden besluit).
24 Wat de tweede stap betreft, gaf de Commissie aan dat de vraag of een belastingmaatregel een afwijking van het referentiesysteem vormt, doorgaans samenvalt met de vaststelling dat aan de begunstigde een voordeel was verleend door middel van die maatregel. Wanneer een belastingmaatregel leidt tot een ongerechtvaardigde vermindering van de belastingverplichting van een begunstigde die anders uit hoofde van het referentiestelsel aan een hogere belasting zou zijn onderworpen, vormt die vermindering volgens haar tegelijkertijd het door de belastingmaatregel toegekende voordeel en de afwijking van het referentiestelsel. De Commissie herinnerde er bovendien aan dat, volgens de rechtspraak, in het geval van een individuele maatregel, bij de vaststelling van een economisch voordeel in beginsel kan worden vermoed dat er sprake is van selectiviteit (overwegingen 216‑218 van het bestreden besluit).
25 Vervolgens betoogde de Commissie dat een belastingmaatregel die een tot een concern behorende vennootschap ertoe brengt verrekenprijzen in rekening te brengen die niet dicht liggen bij die welke tussen onafhankelijke ondernemingen worden gehanteerd, overeenkomstig het zakelijkheidsbeginsel, een voordeel toekent aan die vennootschap doordat hij leidt tot een verlaging van haar heffingsgrondslag en, derhalve, van de belasting die volgens het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting verschuldigd is, hetgeen het Hof heeft erkend. De Commissie preciseerde bijgevolg dat zij moest nagaan of de methode voor het bepalen van de belastbare winst van FFT in Luxemburg die de Luxemburgse belastingdienst door middel van de betrokken ruling had goedgekeurd, afweek van een methode die leidde tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst en dus van het zakelijkheidsbeginsel. Indien dat geval zou zijn, zou de ruling worden geacht FFT een selectief voordeel te verlenen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (overwegingen 222‑227 van het bestreden besluit).
26 Bijgevolg was de Commissie van oordeel dat het zakelijkheidsbeginsel noodzakelijkerwijs een integrerend onderdeel uitmaakte van haar beoordeling, krachtens artikel 107, lid 1, VWEU, van aan geïntegreerde vennootschappen toegekende belastingmaatregelen, los van de vraag of een lidstaat dit beginsel had opgenomen in zijn nationale rechtsstelsel. De Commissie preciseerde vervolgens, in antwoord op de argumenten die het Groothertogdom Luxemburg had aangevoerd in het kader van de administratieve procedure, dat zij niet had onderzocht of de betrokken ruling voldeed aan het zakelijkheidsbeginsel zoals gedefinieerd in artikel 164, lid 3, van het belastingwetboek of in de circulaire, maar dat zij had willen vaststellen of de Luxemburgse belastingdienst FFT een selectief voordeel had toegekend in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (overwegingen 228‑231 van het bestreden besluit).
27 In de eerste plaats was de Commissie van oordeel dat een aantal van de methodologische keuzes die het Groothertogdom Luxemburg had goedgekeurd en die ten grondslag lagen aan de analyse van de verrekenprijzen in de betrokken ruling, leidden tot een vermindering van de vennootschapsbelasting die onafhankelijke ondernemingen zouden hebben moeten betalen (overwegingen 234‑240 van het bestreden besluit).
28 Wat, ten eerste, het eigen vermogen betreft waarop een vergoeding moet worden toegepast, was de Commissie van oordeel dat het door de belastingadviseur gehanteerde hypothetisch toetsingsvermogen van FFT bij toepassing van de TNMM geen passende winstniveau-indicator vormde voor het ramen van een zakelijke vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies. De Commissie stelde vervolgens vast dat de belastingadviseur, door als basis voor de toepassing van het CAPM het hypothetisch toetsingsvermogen van 28,5 miljoen EUR in aanmerking te nemen in plaats van het boekhoudkundig eigen vermogen van 287,5 miljoen EUR in 2011, de belastbare vergoeding van FFT door 10 heeft gedeeld. De Commissie preciseerde dat zij alle argumenten dienaangaande van het Groothertogdom Luxemburg en FFT had afgewezen (overwegingen 248‑266 van het bestreden besluit).
29 Wat, ten tweede, de toepassing van het Bazel II-akkoord voor de vaststelling van het hypothetisch toetsingsvermogen betreft, was de Commissie van oordeel dat het Groothertogdom Luxemburg blijk had gegeven van onjuiste opvattingen die deze lidstaat ertoe hebben gebracht het bedrag van het hypothetisch toetsingsvermogen van FFT te laag te ramen en die hebben geleid tot een verlaging van het bedrag van de door FFT verschuldigde belasting (overwegingen 267‑276 van het bestreden besluit).
30 Ten derde was de Commissie van oordeel dat de belastingadviseur op het resterende vermogen van FFT een aantal verminderingen had toegepast die afweken van een marktconforme uitkomst. Zij meende om te beginnen dat het eigen vermogen, indien het hypothetisch toetsingsvermogen juist was geraamd, waarschijnlijk niet hoger zou zijn geweest dan het toetsingsvermogen. Vervolgens was Commissie van oordeel dat de beslissing van de belastingadviseur om de component van het eigen vermogen met de aanduiding „kapitaal ter dekking van de financiële investeringen in FFNA en FFC” uit het geheel te halen en daaraan voor de bepaling van de heffingsgrondslag van FFT een vergoeding van nihil toe te kennen, niet passend was. De Commissie gaf aan dat de argumenten van het Groothertogdom Luxemburg dienaangaande niet konden overtuigen (overwegingen 277‑291 van het bestreden besluit).
31 Ten vierde meende de Commissie dat de keuze van de belastingadviseur om bij de toepassing van het CAPM een bèta van 0,29 te hanteren voor de vaststelling van het op het hypothetisch toetsingsvermogen van FFT toe te passen rendement op eigen vermogen, een toewijzing van winst aan FFT meebracht die niet in overeenstemming was met het zakelijkheidsbeginsel (overwegingen 292‑301 van het bestreden besluit).
32 In het licht van het voorgaande was de Commissie met name van oordeel dat, ten eerste, het niveau van de passende vergoeding voor de financierings- en treasuryfuncties van FFT moest worden vastgesteld op basis van het boekhoudkundig eigen vermogen, ten tweede, 2012 een passend referentiejaar was om de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg te beoordelen, ten derde, het rendement op eigen vermogen vóór belastingen van 6,05 % (en dat van 4,3 % na belastingen), dat bij de betrokken ruling was aanvaard en was berekend volgens het CAPM, veel lager was dan de in de financiële sector verlangde vermogensrendementen, die steeds 10 % en hoger waren gebleven, en, ten vierde, het verlangde rendement op eigen vermogen 10 % was, na belastingen toegepast op het volledige bedrag van het boekhoudkundig eigen vermogen (overwegingen 302‑311 van het bestreden besluit).
33 In de tweede plaats verwierp de Commissie het argument van FFT dat het Fiat/Chrysler-concern geen enkel voordeel had genoten, aangezien elke verhoging van de heffingsgrondslag in Luxemburg volledig zou worden gecompenseerd door een verhoging van de belastingaftrek in andere lidstaten (overwegingen 312‑314 van het bestreden besluit).
34 In de derde plaats was zij, subsidiair, van oordeel dat de betrokken ruling hoe dan ook een selectief voordeel verleende, ook in het licht van het beperktere referentiestelsel waarop het Groothertogdom Luxemburg en FFT zich beriepen en dat bestond uit artikel 164, lid 3, van het belastingwetboek en de circulaire, waarin het zakelijkheidsbeginsel van het Luxemburgse belastingrecht was vastgelegd (overwegingen 315‑317 van het bestreden besluit).
35 In de vierde plaats was de Commissie het oneens met het argument van FFT dat, om aan te tonen dat de betrokken ruling tot een selectieve behandeling in haar voordeel leidde, de Commissie die ruling had moeten vergelijken met de praktijk van de Luxemburgse belastingdienst op basis van de circulaire en met name met de aan andere financieringsmaatschappijen toegekende rulings die het Groothertogdom Luxemburg aan de Commissie had verstrekt bij wijze van representatief voorbeeld van haar rulingpraktijk (overwegingen 318‑336 van het bestreden besluit).
36 In de vijfde plaats heeft noch het Groothertogdom Luxemburg noch FFT enige reden aangevoerd die de selectieve behandeling van FFT die het gevolg was van de betrokken ruling rechtvaardigde. De Commissie heeft evenmin een rechtvaardiging voor de voorkeursbehandeling van FFT kunnen vinden (overwegingen 337 en 338 van het bestreden besluit).
37 Gelet op het voorgaande kwam de Commissie tot de slotsom dat de betrokken ruling FFT een selectief voordeel had verleend, aangezien zij had geleid tot een vermindering van de belasting die FFT primair verschuldigd was uit hoofde van het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg, vergeleken met onafhankelijke vennootschappen, en subsidiair uit hoofde van het belastingstelsel voor geïntegreerde vennootschappen (overwegingen 339 en 340 van het bestreden besluit).
38 Tot slot meende de Commissie dat de begunstigde van het betrokken voordeel het Fiat/Chrysler-concern als geheel was, aangezien FFT een economische eenheid vormde met de andere entiteiten van dat concern, die hadden geprofiteerd van de aan FFT toegekende belastingvermindering, doordat deze belastingvermindering noodzakelijkerwijs had geleid tot een verlaging van de prijsvoorwaarden van haar concerninterne leningen (overwegingen 341‑345 van het bestreden besluit).
39 In het licht van het voorgaande kwam de Commissie tot de slotsom dat de betrokken ruling staatssteun vormde en dat het om exploitatiesteun ging (overwegingen 346 en 347 van het bestreden besluit).
40 In afdeling 8 van het bestreden besluit, met het opschrift „Onverenigbaarheid van de steun met de interne markt”, was de Commissie van oordeel dat de aan FFT verleende steun onverenigbaar was met de interne markt. Daarmee heeft zij vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg geen van de uitzonderingen van artikel 107, leden 2 en 3, VWEU had aangevoerd en dat de betrokken steun, die als exploitatiesteun moest worden aangemerkt, normalerwijs niet als verenigbaar met de interne markt kon worden beschouwd (overwegingen 348‑351 van het bestreden besluit).
41 In afdeling 9 van het bestreden besluit, met het opschrift „Onrechtmatigheid van de steun”, stelde de Commissie vast dat het Groothertogdom Luxemburg haar niet, overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU, op de hoogte had gebracht van de voorgenomen ruling en niet had voldaan aan de overeenkomstig dit artikel op haar rustende opschortingsverplichting. Bijgevolg was er sprake van onrechtmatige staatssteun die in strijd met die bepaling ten uitvoer is gelegd (overwegingen 352 en 353 van het bestreden besluit).
42 In afdeling 10 van het bestreden besluit, met het opschrift „Terugvordering”, was de Commissie ten eerste van oordeel dat de argumenten van het Groothertogdom Luxemburg die verband hielden met de eerbiediging van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel ongegrond waren (overwegingen 354‑364 van het bestreden besluit).
43 Ten tweede gaf de Commissie aan dat zij niet verplicht was het precieze bedrag van de terug te vorderen steun vast te stellen, aangezien het volstond dat het bestreden besluit gegevens bevat waarmee de adressaat ervan zonder buitensporige moeilijkheden zelf dit bedrag kan vaststellen. In casu heeft de Commissie in het bestreden besluit een methode voorgesteld waarmee het bij de betrokken ruling aan FFT verleende selectieve voordeel ongedaan kon worden gemaakt en gepreciseerd dat zij ook een andere berekeningsmethode kon aanvaarden indien het Groothertogdom Luxemburg er een voorstelde vóór de datum van tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, mits deze methode leidde tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst (overwegingen 365‑369 van het bestreden besluit).
44 Ten derde meende de Commissie dat het Groothertogdom Luxemburg eerst bij FFT de onrechtmatige en met de interne markt onverenigbare steun moest terugvorderen die door middel van de betrokken ruling was verleend. Indien FFT niet in staat was om het volledige bedrag van de steun terug te betalen, moest het Groothertogdom Luxemburg het resterende bedrag terugvorderen bij Fiat Chrysler Automobiles NV, de opvolgster van Fiat SpA, aangezien deze entiteit de zeggenschap had over het concern waartoe FTFT behoorde (overweging 370 van het bestreden besluit).
45 Concluderend was de Commissie van oordeel dat het Groothertogdom Luxemburg door middel van de betrokken ruling onrechtmatig, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, staatssteun had verleend aan FFT en aan het concern waartoe zij behoorde, dat die steun onverenigbaar was met de interne markt en dat die steun bijgevolg door het Groothertogdom Luxemburg moest worden teruggevorderd bij FFT of bij Fiat Chrysler Automobiles indien FFT niet het volledige bedrag van de steun terugbetaalde (overweging 371 van het bestreden besluit).
46 Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt: „Artikel 1 [De betrokken ruling], op grond waarvan [FFT] haar heffingsgrondslag in Luxemburg voor een periode van vijf jaar op jaarbasis kan vaststellen, vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU die met de interne markt onverenigbaar is en die onrechtmatig in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU door [het Groothertogdom] Luxemburg ten uitvoer is gelegd. Artikel 2 1. [Het Groothertogdom] Luxemburg vordert de in artikel 1 bedoelde onverenigbare en onrechtmatige steun terug van [FFT]. 2. Bedragen die niet van [FFT] kunnen worden teruggevorderd ingevolge de in lid 1 beschreven terugvordering, worden teruggevorderd van Fiat Chrysler Automobiles NV. 3. De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop zij de begunstigden ter beschikking zijn gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. 4. De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van verordening (EG) nr. 794/2004. Artikel 3 1. De terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk. 2. [Het Groothertogdom] Luxemburg zorgt ervoor dat het onderhavige besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd. Artikel 4 1. Binnen twee maanden na kennisgeving van het onderhavige besluit verstrekt [het Groothertogdom] Luxemburg de Commissie informatie over de methode die wordt gebruikt om het precieze bedrag van de steun te berekenen. 2. [Het Groothertogdom] Luxemburg houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen ter uitvoering van dit besluit, en dit totdat de in artikel 1 bedoelde steun volledig is teruggevorderd. [Het Groothertogdom] Luxemburg verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Artikel 5 Dit besluit is gericht tot het Groothertogdom Luxemburg.”
II. Procedure en conclusies van partijen
A. Schriftelijke fase van de procedure en conclusies van partijen in zaak T‑755/15
47 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 december 2015, heeft het Groothertogdom Luxemburg in zaak T‑755/15 beroep ingesteld tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
1. Samenstelling van de rechtsprekende formatie en behandeling bij voorrang
48 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 juni 2016, heeft het Groothertogdom Luxemburg verzocht om berechting van de zaak door een uitgebreide kamer. Het Gerecht heeft overeenkomstig artikel 28, lid 5, van zijn Reglement voor de procesvoering akte genomen van het feit dat zaak T‑755/15 was toegewezen aan de Vijfde kamer (uitgebreid).
49 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 26 september 2016 is de rechter-rapporteur overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering toegevoegd aan de Zevende kamer (uitgebreid), waaraan zaak T‑755/15 bijgevolg is toegewezen.
50 Aangezien een lid van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht verhinderd was, heeft de president van het Gerecht bij beslissing van 6 februari 2017 de vicepresident van het Gerecht aangewezen ter aanvulling van de kamer.
51 Bij beslissing van 12 december 2017 heeft de president van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht het voorstel van de rechter-rapporteur aanvaard om zaak T‑755/15 bij voorrang te berechten overeenkomstig artikel 67, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
2. Verzoek om versnelde behandeling
52 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 december 2015, heeft het Groothertogdom Luxemburg verzocht om zaak T‑755/15 te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 151 van het Reglement voor de procesvoering. Op 2 februari 2016 heeft het Gerecht besloten dit verzoek af te wijzen.
3. Interventies
53 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 april 2016, heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
54 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 april 2016, heeft Ierland verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van het Groothertogdom Luxemburg.
55 Bij beschikking van 25 mei 2016 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht de interventieverzoeken van het Verenigd Koninkrijk en Ierland toegewezen.
56 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 november 2016, heeft het Verenigd Koninkrijk zijn interventie ingetrokken.
57 Bij beschikking van 15 december 2016 heeft de president van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht het Verenigd Koninkrijk geschrapt als interveniënt in zaak T‑755/15.
4. Verzoeken om vertrouwelijke behandeling
58 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 april 2016, 27 juni 2016 en 24 oktober 2016, heeft het Groothertogdom Luxemburg verzocht om vertrouwelijke behandeling, ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, van bepaalde gegevens in het verzoekschrift, de repliek, de dupliek en bepaalde bijlagen bij deze memories. Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 januari 2017, heeft het Groothertogdom Luxemburg het Gerecht meegedeeld dat het zijn verzoeken om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van Ierland wenste te handhaven in geval van voeging van de zaken T‑755/15 en T‑759/15.
5. Conclusies van partijen
59 Het Groothertogdom Luxemburg verzoekt het Gerecht: – het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; – primair, het bestreden besluit nietig te verklaren; – subsidiair, het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het de terugvordering van de steun gelast; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
60 Ierland, dat intervenieert aan de zijde van het Groothertogdom Luxemburg, verzoekt het Gerecht het bestreden besluit gedeeltelijk of geheel nietig te verklaren.
61 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – het Groothertogdom Luxemburg te verwijzen in de kosten.
B. Schriftelijke fase van de procedure en conclusies van partijen in zaak T‑759/15
62 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 december 2015, heeft FFT in zaak T‑759/15 beroep ingesteld tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
1. Samenstelling van de rechtsprekende formatie en behandeling bij voorrang
63 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 26 september 2016, is de rechter-rapporteur overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering toegevoegd aan de Zevende kamer (uitgebreid), waaraan zaak T‑759/15 bijgevolg is toegewezen.
64 Op voorstel van de Zevende kamer heeft het Gerecht op 15 februari 2017 besloten de zaak naar een uitgebreide kamer te verwijzen.
65 Aangezien een lid van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht verhinderd was, heeft de president van het Gerecht, bij beslissing van 23 februari 2017, de vicepresident van het Gerecht aangewezen ter aanvulling van de kamer.
66 Bij beslissing van 12 december 2017 heeft de president van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht het voorstel van de rechter-rapporteur aanvaard om zaak T‑759/15 bij voorrang te berechten overeenkomstig artikel 67, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
2. Verzoek om een versnelde procedure
67 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 december 2015, heeft FFT verzocht om zaak T‑759/15 te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 151 van het Reglement voor de procesvoering. Op 2 februari 2016 heeft het Gerecht besloten dit verzoek af te wijzen.
3. Interventies
68 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 april 2016, heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
69 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 april 2016, heeft Ierland verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van het Groothertogdom Luxemburg.
70 Bij beschikking van 18 juli 2016 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht de interventieverzoeken van het Verenigd Koninkrijk en Ierland toegewezen.
71 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 november 2016, heeft het Verenigd Koninkrijk zijn interventie ingetrokken.
72 Bij beschikking van 15 december 2016 heeft de president van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht het Verenigd Koninkrijk geschrapt als interveniënt in zaak T‑759/15.
4. Verzoeken om vertrouwelijke behandeling
73 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 mei 2016, 11 juni 2016, 27 juli 2016 en 28 juli 2016, heeft FFT verzocht om vertrouwelijke behandeling, ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, van bepaalde gegevens in het verzoekschrift, het verweerschrift, de repliek en bepaalde bijlagen bij deze memories.
74 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 januari 2017, heeft FFT aangegeven dat zij haar verzoeken om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van Ierland bevestigde in geval van voeging met zaak T‑755/15.
5. Conclusies van partijen
75 FFT verzoekt het Gerecht: – het beroep ontvankelijk te verklaren; – de artikelen 1 tot en met 4 van het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
76 Ierland, dat intervenieert aan de zijde van FFT, verzoekt het Gerecht het bestreden besluit gedeeltelijk of geheel nietig te verklaren.
77 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – FFT te verwijzen in de kosten.
C. Voeging voor de mondelinge behandeling en mondelinge behandeling in de zaken T‑755/15 en T‑759/15
1. Voeging
78 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 december 2016, heeft het Groothertogdom Luxemburg verzocht om voeging van de zaken T‑755/15 en T‑759/15 voor de mondelinge behandeling en de eindbeslissing.
79 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 december 2016, heeft FFT eveneens verzocht om voeging van de zaken T‑755/15 en T‑759/15 voor de mondelinge behandeling en het eindarrest.
80 Bij beschikking van de president van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 27 april 2018 zijn de zaken T‑755/15 en T‑759/15, partijen gehoord, gevoegd voor de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Bij dezelfde beschikking is besloten de vertrouwelijke gegevens te verwijderen uit het voor Ierland toegankelijke dossier.
2. Mondelinge behandeling van de zaken T‑755/15 en T‑759/15
81 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 februari 2017, heeft het Groothertogdom Luxemburg overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht een pleitzitting te houden.
82 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 februari 2017, heeft FFT overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht een pleitzitting te houden.
83 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten in de zaken T‑755/15 en T‑759/15 tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht partijen verzocht schriftelijke vragen te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen aan deze verzoeken voldaan.
84 Op 24 mei 2017 heeft FFT een memorie met nieuwe bewijzen ingediend, waarover partijen hun opmerkingen hebben ingediend.
85 Partijen hebben ter terechtzitting van 21 juni 2018 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
III. In rechte
A. Voeging van de zaken voor het onderhavige arrest
86 Overeenkomstig artikel 19, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering heeft de president van de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht de beslissing over de voeging van de zaken T‑755/15 en T‑759/15 voor het eindarrest, die binnen zijn bevoegdheid viel, voorgelegd aan de Zevende kamer (uitgebreid) van het Gerecht.
87 De zaken T‑755/15 en T‑759/15 dienen, partijen ter terechtzitting over een eventuele voeging gehoord, wegens verknochtheid te worden gevoegd voor het eindarrest overeenkomstig artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
B. Aangevoerde middelen en structuur van het onderzoek van de onderhavige beroepen
88 De in de zaken T‑755/15 en T‑759/15 ingestelde beroepen strekken tot nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover daarin de betrokken ruling is aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en terugvordering wordt gelast van de bedragen die het Groothertogdom Luxemburg niet van FFT en het Fiat/Chrysler-concern heeft geïnd uit hoofde van de vennootschapsbelasting.
89 Ter ondersteuning van zijn beroep voert het Groothertogdom Luxemburg drie middelen aan.
90 Het eerste middel, dat in essentie betrekking heeft op de voorwaarde dat er sprake moet zijn van selectieve steun en op de bevoegdheid van de Commissie in belastingzaken, bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste is het Groothertogdom Luxemburg van mening dat de Commissie bij het onderzoek van de selectiviteit van de bestreden maatregel ten onrechte van oordeel was dat het relevante referentiekader de algemene belastingregeling voor vennootschappen was (eerste onderdeel). Ten tweede voert het Groothertogdom Luxemburg aan dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de betrokken ruling een afwijking vormde van het gekozen referentiekader en evenmin dat zij afweek van het zakelijkheidsbeginsel (tweede onderdeel). Ten derde meent het Groothertogdom Luxemburg dat de Commissie de artikelen 4 en 5 VEU en artikel 114 VWEU heeft geschonden door over te gaan tot een verkapte belastingharmonisatie, die bestaat in het opleggen van een zakelijkheidsbeginsel sui generis (derde onderdeel).
91 Het tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, betreft schending van artikel 107, lid 1, VWEU en van de motiveringsplicht van de Commissie als bedoeld in artikel 296 VWEU, aangezien zij niet heeft aangetoond dat er sprake was van een voordeel (eerste onderdeel) of van een mededingingsbeperking (tweede onderdeel).
92 Het derde, subsidiair aangevoerde middel betreft schending van artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1). Aangezien deze verordening is ingetrokken bij verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU (PB 2015, L 248, blz. 9), die van toepassing was op de datum van het bestreden besluit, moet dit middel evenwel opgevat alsof het is gebaseerd op schending van artikel 16, lid 1, van die laatste verordening. Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Het Groothertogdom Luxemburg betoogt dat de Commissie de terugvordering van de steun heeft gelast in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel (eerste onderdeel) en met zijn rechten van verdediging (tweede onderdeel).
93 Ter ondersteuning van haar beroep voert FFT vier middelen aan.
94 Het eerste middel, dat uit twee onderdelen bestaat, betreft schending van artikel 107 VWEU. Ter ondersteuning van het eerste onderdeel van haar eerste middel voert FFT aan dat de Commissie het begrip „selectief voordeel” onjuist heeft toegepast. In dat kader voert zij vier grieven aan. Volgens de eerste grief is het gekozen relevante referentiekader onjuist. Volgens de tweede grief is het zakelijkheidsbeginsel onjuist toegepast in een volkomen nieuwe en onnauwkeurige betekenis. Volgens de derde grief ontbreekt het bewijs dat er een voordeel is toegekend aan het Fiat/Chrysler-concern. Volgens de vierde grief is, zelfs indien wordt aangenomen dat de betrokken ruling afwijkt van het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting, een dergelijke afwijking gerechtvaardigd. Ter ondersteuning van het tweede onderdeel van haar eerste middel betoogt FFT dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de betrokken ruling de mededinging kon vervalsen.
95 Het tweede middel, dat eveneens uit twee onderdelen bestaat, betreft schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU. De Commissie is haar motiveringsplicht niet nagekomen door in het bestreden besluit niet uit te leggen hoe zij het zakelijkheidsbeginsel uit het Unierecht heeft afgeleid en waarin dit beginsel bestaat (eerste onderdeel). Vervolgens heeft de Commissie niet uiteengezet waarom zij van oordeel was dat de betrokken ruling de mededinging vervalste (tweede onderdeel).
96 Het derde middel betreft schending van het rechtszekerheidsbeginsel. FFT betoogt dat de door de Commissie gekozen definitie van het zakelijkheidsbeginsel rechtsonzekerheid en verwarring doet ontstaan over de voorwaarden waaronder een ruling in strijd kan zijn met de regels voor staatssteun.
97 Het vierde middel betreft schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien de Commissie de betrokken ruling niet heeft beoordeeld aan de hand van de relevante OESO-regels.
98 Uit het voorgaande blijkt dat het Groothertogdom Luxemburg en FFT, zij het in een verschillende volgorde, vijf reeksen middelen aanvoeren die in essentie zijn gebaseerd op: – voor de eerste reeks, schending van de artikelen 4 en 5 VEU, voor zover de analyse van de Commissie tot een verkapte belastingharmonisatie leidt (derde onderdeel van het eerste middel in zaak T‑755/15); – voor de tweede reeks, schending van artikel 107 VWEU, van de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU en van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, voor zover de Commissie van oordeel was dat de betrokken ruling een voordeel verleende, met name doordat die ruling niet in overeenstemming was met het zakelijkheidsbeginsel (tweede onderdeel van het eerste middel en eerste onderdeel van het tweede middel in zaak T‑755/15, tweede en derde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel, eerste onderdeel van het tweede middel, derde middel en vierde middel in zaak T‑759/15); – voor de derde reeks, schending van artikel 107 VWEU voor zover de Commissie heeft vastgesteld dat dit voordeel selectief was (eerste onderdeel van het eerste middel in zaak T‑755/15 en eerste grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in zaak T‑759/15); – voor de vierde reeks, schending van artikel 107 VWEU en van de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU, voor zover de Commissie heeft vastgesteld dat de betrokken maatregel de mededinging beperkte en het handelsverkeer tussen de lidstaten vervalste (tweede onderdeel van het tweede middel in zaak T‑755/15 en tweede onderdeel van het eerste en het tweede middel in zaak T‑759/15); – voor de vijfde reeks, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van de rechten van de verdediging, voor zover de Commissie de terugvordering van de betrokken steun heeft gelast (derde middel in zaak T‑759/15).
99 Het Gerecht zal de middelen onderzoeken in de volgorde van de in punt 98 hierboven genoemde reeksen middelen.
C. Eerste reeks middelen: schending van de artikelen 4 en 5 VEU, voor zover de Commissie is overgegaan tot een verkapte belastingharmonisatie
100 Het Groothertogdom Luxemburg betoogt in essentie dat de Commissie haar bevoegdheden heeft overschreden en de artikelen 4 en 5 VEU heeft geschonden door over te gaan tot een verkapte belastingharmonisatie, terwijl de directe belastingen volgens artikel 114 VWEU onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten vallen. Het voegt hieraan toe dat de Commissie zich heeft opgeworpen als „beroepskamer van de nationale belastingdiensten” door te controleren of de betrokken ruling abnormaal was in het licht van het Luxemburgse recht en de OESO.
101 Ierland is van mening dat het bestreden besluit in strijd is met de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten, die met name is vastgelegd in artikel 3, lid 6, VEU en artikel 5, leden 1 en 2, VEU, aangezien de directe belastingen tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten behoren. Het meent derhalve dat de Commissie tot een verkapte harmonisatie overgaat.
102 De Commissie betwist dit betoog.
103 Partijen zijn het in essentie oneens over de vraag of de Commissie de regels voor de toedeling van bevoegdheden heeft geschonden, voor zover zij in het bestreden besluit zou zijn overgegaan tot een verkapte belastingharmonisatie.
104 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de lidstaten, hoewel de directe belastingen bij de huidige stand van het Unierecht tot hun bevoegdheid horen, verplicht zijn deze bevoegdheid in overeenstemming met het Unierecht uit te oefenen (zie arrest van 12 juli 2012, Commissie/Spanje, C‑269/09, EU:C:2012:439, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De maatregelen die de lidstaten nemen op gebieden die binnen de Unie niet zijn geharmoniseerd, zoals de directe belastingen, zijn dus niet uitgesloten van de werkingssfeer van de regeling betreffende het toezicht op staatssteun. De Commissie kan een belastingmaatregel derhalve als staatssteun aanmerken, mits aan de voorwaarden voor een dergelijke kwalificatie is voldaan (zie in die zin arresten van 2 juli 1974, Italië/Commissie, 173/73, EU:C:1974:71, punt 28; 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416, punt 81, en 25 maart 2015, België/Commissie, T‑538/11, EU:T:2015:188, punten 65 en 66).
105 Het is juist dat de vaststelling van de heffingsgrondslagen en de verdeling van de belastingdruk over de verschillende productiefactoren en economische sectoren, bij gebreke van een Unieregeling op dit gebied, tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren (zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C‑106/09 P en C‑107/09 P, EU:C:2011:732, punt 97).
106 Dit betekent echter niet dat elke belastingmaatregel die met name gevolgen heeft voor de door de belastingautoriteiten in aanmerking genomen heffingsgrondslag, ontkomt aan de toepassing van artikel 107 VWEU. Indien een dergelijke maatregel in feite discrimineert tussen vennootschappen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden wat het doel van deze belastingmaatregel betreft en daardoor de begunstigden van de maatregel selectieve voordelen toekent die „bepaalde” ondernemingen of „bepaalde” producties begunstigen, kan zij immers worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C‑106/09 P en C‑107/09 P, EU:C:2011:732, punt 104).
107 Uit het voorgaande volgt dat, aangezien de Commissie bevoegd is om toe te zien op de naleving van artikel 107 VWEU, haar niet kan worden verweten dat zij haar bevoegdheden heeft overschreden door de betrokken ruling te onderzoeken om na te gaan of deze ruling een steunmaatregel van de staat was en, zo ja, of deze verenigbaar was met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
108 Het Groothertogdom Luxemburg betoogt dus ten onrechte dat de Commissie zich heeft opgeworpen als fiscale beroepskamer van het Groothertogdom Luxemburg, aangezien de Commissie, door te onderzoeken of de betrokken ruling in overeenstemming was met de staatssteunregels, enkel haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 107 VWEU heeft uitgeoefend.
109 Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat de Commissie met de vaststelling van het bestreden besluit noch de artikelen 4 en 5 VEU noch artikel 114 VWEU heeft geschonden.
110 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de argumenten van het Groothertogdom Luxemburg en van Ierland.
111 Ten eerste moet het argument van het Groothertogdom Luxemburg en Ierland dat de Commissie is overgegaan tot een verkapte belastingharmonisatie door de Luxemburgse regels buiten beschouwing te laten om tot de slotsom te komen dat de berekening van de belasting niet voldeed aan het zakelijkheidsbeginsel, en door zich te beroepen op regels die geen deel uitmaken van het Luxemburgse belastingstelsel, ongegrond worden verklaard.
112 Het is juist dat uit de hierboven in punt 105 uiteengezette rechtspraak volgt dat de Commissie, bij de huidige stand van het Unierecht, niet beschikt over de bevoegdheid om de zogeheten „normale” belasting van een geïntegreerde onderneming autonoom te bepalen en daarbij de nationale belastingregels buiten beschouwing te laten.
113 Hoewel de zogeheten „gewone” belasting wordt bepaald door de nationale belastingregels en het bestaan zelf van een voordeel ten opzichte daarvan moet worden vastgesteld, neemt dit echter niet weg dat, zoals in punt 106 hierboven in herinnering is gebracht, een belastingmaatregel die gevolgen heeft voor de door de belastingautoriteiten in aanmerking genomen heffingsgrondslag binnen de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, VWEU kan vallen. Door het onderzoek van de vraag of de betrokken ruling voldeed aan de staatssteunregels is de Commissie dus niet overgegaan tot een„belastingharmonisatie”, maar heeft zij haar bevoegdheid op grond van artikel 107, lid 1, VWEU uitgeoefend, met name door in een concreet geval na te gaan of die ruling de begunstigde ervan een voordeel verleende ten opzichte van de zogeheten „normale” belasting, zoals gedefinieerd door het nationale belastingrecht.
114 Ten tweede betogen het Groothertogdom Luxemburg en Ierland dat het bestreden besluit een „totale rechtsonzekerheid” creëert, niet alleen binnen de lidstaten maar ook in derde staten, dat deze maatregel sterk is bekritiseerd, met name door de leiders van de Verenigde Staten van Amerika, dat het om een „noviteit” gaat die onrechtmatig is en dat het de lidstaten ertoe brengt om al hun rulings aan te melden en bestaande rulings ter discussie te stellen. Dergelijke argumenten moeten ongegrond worden verklaard.
115 Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de Commissie heeft aangenomen dat elke ruling noodzakelijkerwijs een steunmaatregel van de staat is in de zin van artikel 107 VWEU. Voor zover een dergelijke ruling geen selectief voordeel toekent, met name doordat zij niet leidt tot een verlaging van de belastingdruk van de begunstigde ervan door af te wijken van de „normale” belastingregels, vormt zij immers geen steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107 VWEU en hoeft zij niet verplicht te worden aangemeld overeenkomstig artikel 2 van verordening 2015/1589.
116 Anders dan het Groothertogdom Luxemburg en Ierland betogen, kan het bestreden besluit voorts geen „totale rechtsonzekerheid” creëren in de lidstaten of derde staten. Het vormt immers enkel de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU op de betrokken ruling. Volgens die artikelen is een overheidsmaatregel die een met de interne markt onverenigbare steun vormt, verboden en moet die steun worden teruggevorderd.
117 Uit het voorgaande blijkt dat het middel dat ertoe strekt aan te tonen dat de Commissie is overgegaan tot een verkapte fiscale harmonisatie, ongegrond moet worden verklaard.
D. Tweede reeks middelen: ontbreken van een voordeel
1. Opmerkingen vooraf
118 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat, volgens de rechtspraak, de kwalificatie als staatssteun vereist dat aan alle voorwaarden van artikel 107 VWEU is voldaan. Zo moet een maatregel, om als staatssteun in de zin van deze bepaling te kunnen worden aangemerkt, ten eerste een maatregel van de staat zijn of een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd, ten tweede het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, ten derde een selectief voordeel toekennen aan de begunstigde ervan en ten vierde de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie arrest Commissie/Hansestadt Lübeck, C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119 In casu moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de punten 21 tot en met 37 hierboven, de Commissie in het bestreden besluit de twee criteria betreffende het bestaan van een voordeel en de selectiviteit van de betrokken maatregel tegelijkertijd heeft onderzocht.
120 Meer bepaald was, ten eerste, de Commissie primair van oordeel dat de betrokken ruling FFT een selectief voordeel toekende ten opzichte van het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg, omdat de bij die ruling goedgekeurde methodologie niet in overeenstemming was met het zakelijkheidsbeginsel, dat noodzakelijkerwijs deel uitmaakt van de beoordeling door de Commissie, uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU, van de aan de groepsvennootschappen toegekende belastingmaatregelen, los van de vraag of een lidstaat dit beginsel in zijn nationale rechtsstelsel heeft opgenomen, en volgens hetwelk de intragroepstransacties hadden moeten worden vergoed alsof zij waren aangegaan tussen onafhankelijke ondernemingen (hierna: „zakelijkheidsbeginsel zoals door de Commissie omschreven in het bestreden besluit”) (zie overwegingen 219 tot en met 231 van het bestreden besluit en met name overweging 228 van dat besluit). De Commissie heeft vervolgens in de overwegingen 234 tot en met 311 van het bestreden besluit uiteengezet dat met de methode voor de bepaling van de belastbare winst van FFT die bij de betrokken ruling was goedgekeurd, niet tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst (zakelijke uitkomst) kon worden gekomen.
121 Ten tweede en subsidiair was de Commissie van oordeel dat de betrokken ruling FFT een voordeel toekende omdat zij afweek van artikel 164, lid 3, van het belastingwetboek en van de circulaire, waarbij het zakelijkheidsbeginsel is vastgelegd in het Luxemburgse recht (zie overwegingen 316 en 317 van het bestreden besluit). De Commissie verwees vervolgens naar haar analyse in het kader van haar primaire betoog, volgens welke de bij de betrokken ruling goedgekeurde methode niet kon leiden tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst (zie overwegingen 234‑311 van het bestreden besluit).
122 De benadering van de Commissie, die erin bestaat de criteria voordeel en selectiviteit tegelijkertijd te onderzoeken, is op zich niet onjuist, voor zover, zoals de Commissie opmerkt, zowel het voordeel als de selectiviteit daarvan worden onderzocht. Het Gerecht acht het niettemin wenselijk eerst te onderzoeken of de Commissie op goede gronden kon concluderen dat er sprake was van een voordeel, alvorens, indien nodig, te onderzoeken of dit voordeel als selectief moest worden aangemerkt.
123 In dit verband moet worden opgemerkt dat, ofschoon bepaalde argumenten van het Groothertogdom Luxemburg en FFT, waaronder die van het tweede onderdeel van het eerste middel van het Groothertogdom Luxemburg, worden voorgesteld alsof zij betrekking hebben op de selectiviteit van de betrokken maatregel, het Gerecht van oordeel is dat zij tevens strekken tot vaststelling dat de Commissie ten onrechte heeft aangenomen dat de betrokken maatregel een voordeel toekende aan FFT. Het Gerecht zal dus de argumenten die het Groothertogdom Luxemburg in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel heeft aangevoerd, onderzoeken samen met de middelen die ertoe strekken de conclusie van de Commissie te betwisten dat de betrokken ruling een voordeel heeft toegekend aan FFT.
124 Gelet op het voorgaande zal het Gerecht de middelen onderzoeken die zijn aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat FFT geen voordeel heeft genoten, door een onderscheid te maken tussen ten eerste de grieven die zijn geformuleerd tegen het primaire betoog van de Commissie, en ten tweede die welke betrekking hebben op het subsidiaire betoog. Ten derde en tot slot zal het Gerecht de grief van het Groothertogdom Luxemburg onderzoeken dat de Commissie niet heeft bewezen dat er sprake is van een voordeel op het niveau van het Fiat/Chrysler-concern.
2. Primair betoog van de Commissie: de betrokken ruling week af van het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg
125 De middelen die het Groothertogdom Luxemburg en FFT hebben aangevoerd ter betwisting van het door de Commissie primair verrichte onderzoek van het voordeel, kunnen als volgt worden samengevat. Ten eerste betwisten het Groothertogdom Luxemburg en FFT, ondersteund door Ierland, het bestaan van het zakelijkheidsbeginsel zoals door de Commissie omschreven in het bestreden besluit en de toepassing ervan als criterium voor de beoordeling van het bestaan van een selectief voordeel. Ten tweede betwist het Groothertogdom Luxemburg de conclusie van de Commissie dat de bij de betrokken ruling goedgekeurde methode voor het bepalen van het bedrag van de belasting die FFT moest betalen, niet in overeenstemming is met het zakelijkheidsbeginsel.
a) Middelen betreffende een onjuiste toepassing van het zakelijkheidsbeginsel op het gebied van het toezicht op staatssteun
126 Het Groothertogdom Luxemburg en FFT verwijten de Commissie in essentie dat zij, in strijd met de fiscale autonomie van de lidstaten, een specifiek voor het Unierecht geldend zakelijkheidsbeginsel heeft aangeduid en de betrokken ruling in het licht van dit beginsel heeft onderzocht, zonder rekening te houden met het Luxemburgse recht. Zij betogen tevens dat de Commissie, door het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit toe te passen, de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden en haar motiveringsplicht niet is nagekomen.
127 De Commissie betwist dit betoog.
128 Er zij aan herinnerd dat de Commissie in de overwegingen 219 tot en met 231 van het bestreden besluit heeft uiteengezet dat zij, om het bestaan van een selectief voordeel vast te stellen, kon onderzoeken of een ruling als de onderhavige afweek van het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit. Zij heeft vervolgens de contouren van dit zakelijkheidsbeginsel verduidelijkt.
129 Allereerst moet worden opgemerkt dat, zoals met name blijkt uit de punten 216, 231 en 311 van het bestreden besluit, het onderzoek in het licht van het zakelijkheidsbeginsel zoals door de Commissie omschreven in het bestreden besluit, deel uitmaakt van haar primair verrichte analyse van het selectieve voordeel. Blijkens de overwegingen 216, 219 en 301 van het bestreden besluit, houdt deze analyse in dat wordt nagegaan of de betrokken ruling afwijkt van het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Commissie vooraf, in de overwegingen 194 tot en met 199 van het bestreden besluit, heeft aangegeven dat het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting van Luxemburg tot doel heeft de winst van alle in Luxemburg gevestigde vennootschappen, geïntegreerd of niet, te belasten en dat die twee soorten vennootschappen zich met betrekking tot dat doel in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.
130 Wat de definitie van het zakelijkheidsbeginsel betreft, heeft de Commissie in de overwegingen 222 en 225 van het bestreden besluit verklaard dat volgens dit beginsel intragroepstransacties moeten worden vergoed alsof zij zijn aangegaan tussen onafhankelijke ondernemingen. In overweging 226 van het bestreden besluit voegde zij daaraan toe dat dit beginsel tot doel heeft ervoor te zorgen dat de intragroepstransacties voor fiscale doeleinden worden behandeld op basis van de winst die zou zijn behaald indien de transactie tussen onafhankelijke ondernemingen tot stand zou zijn gekomen. Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting betoogd dat het zakelijkheidsbeginsel volgens haar een instrument was om het prijsniveau van intragroepstransacties te beoordelen.
131 Wat de juridische aard van het zakelijkheidsbeginsel betreft, was de Commissie in overweging 228 van het bestreden besluit van oordeel dat het zakelijkheidsbeginsel noodzakelijkerwijs deel uitmaakt van het onderzoek, uit hoofde van artikel 107 VWEU, van de aan de vennootschappen van een concern toegekende belastingmaatregelen, los van de vraag of de lidstaat dit beginsel in zijn nationale rechtsstelsel heeft opgenomen. Zij preciseerde dat het zakelijkheidsbeginsel dat zij toepast een algemeen beginsel van gelijke behandeling op het gebied van belastingheffing is, dat binnen de werkingssfeer van artikel 107 VWEU valt. De Commissie baseerde deze vaststelling op het arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416), dat betrekking had op de belastingregeling voor coördinatiecentra in België, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de methode waarin die regeling voorzag om de belastbare inkomsten te bepalen, een selectief voordeel toekende aan die centra. Meer bepaald verwees de Commissie naar punt 96 van dat arrest, waarin het Hof heeft vastgesteld dat de methode voor het vaststellen van de belastbare inkomsten van deze centra „niet [kon] leiden tot verrekenprijzen die in de buurt [lagen] van die welke [werden] gehanteerd in een omgeving waarin vrije mededinging heerst”.
132 Wat de toepassing van het zakelijkheidsbeginsel betreft, heeft de Commissie in overweging 227 van het bestreden besluit aangegeven dat „bij de beoordeling van de vraag of [het Groothertogdom] Luxemburg een selectief voordeel aan FFT [had] toegekend, de Commissie dus [moest] nagaan of de door de Luxemburgse belastingdienst via de [betrokken ruling] aanvaarde methode voor het bepalen van de belastbare winst van FFT in Luxemburg [afweek] van een methode die leidt tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst en dus van het zakelijkheidsbeginsel”. Zij voegde daar in overweging 228 van het bestreden besluit aan toe dat het zakelijkheidsbeginsel wordt toegepast om te bepalen of de belastbare winst van een tot een concern behorende vennootschap met het oog op de berekening van de vennootschapsbelasting was bepaald aan de hand van een methode die de marktvoorwaarden benadert, zodat deze vennootschap uit hoofde van het algemene stelsel van de vennootschapsbelasting niet gunstiger werd behandeld dan niet‑geïntegreerde vennootschappen waarvan de belastbare winst door de markt wordt bepaald.
133 Derhalve moet worden onderzocht of de Commissie de betrokken maatregel kon analyseren in het licht van het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit en uiteengezet in de punten 130 tot en met 132 hierboven, dat erin bestaat na te gaan of de intragroepstransacties zijn vergoed alsof zij waren aangegaan onder marktvoorwaarden.
134 Zoals uiteengezet in punt 104 hierboven, zijn volgens vaste rechtspraak de lidstaten, hoewel de directe belastingen bij de huidige stand van het Unierecht tot hun bevoegdheid behoren, verplicht deze bevoegdheid in overeenstemming met het Unierecht uit te oefenen (zie arrest van 12 juli 2012, Commissie/Spanje, C‑269/09, EU:C:2012:439, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve zijn de maatregelen van de lidstaten op het gebied van directe belastingen, ook al hebben zij betrekking op kwesties die binnen de Unie niet zijn geharmoniseerd, niet uitgesloten van de werkingssfeer van de regeling inzake het toezicht op staatssteun.
135 De Commissie kan een belastingmaatregel bijgevolg als staatssteun aanmerken, mits aan de voorwaarden voor een dergelijke kwalificatie is voldaan (zie in die zin arresten van 2 juli 1974, Italië/Commissie, 173/73, EU:C:1974:71, punt 28, en 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416, punt 81). De lidstaten moeten hun bevoegdheid in belastingzaken immers in overeenstemming met het Unierecht uitoefenen (arrest van 3 juni 2010, Commissie/Spanje, C‑487/08, EU:C:2010:310, punt 37). Bijgevolg dienen de lidstaten zich ervan te onthouden in deze context maatregelen te nemen die een met de interne markt onverenigbare steunmaatregel kunnen vormen.
136 Wat de voorwaarde betreft dat de betrokken maatregel een economisch voordeel moet verlenen, dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen, als staatssteun worden aangemerkt (zie arresten van 2 september 2010, Commissie/Deutsche Post, C‑399/08 P, EU:C:2010:481, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 oktober 2014, Ministerio de Defensa en Navantia, C‑522/13, EU:C:2014:2262, punt 21).
137 Meer bepaald vormt een maatregel waarbij de overheid bepaalde ondernemingen fiscaal voordelig behandelt waardoor, hoewel geen sprake is van overdracht van staatsmiddelen, de financiële situatie van de begunstigden ten opzichte van die van de andere belastingplichtigen verbetert, staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (arrest van 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C‑387/92, EU:C:1994:100, punt 14; zie ook arrest van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., C‑78/08–C‑80/08, EU:C:2011:550, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
138 In het geval van belastingmaatregelen kan het bestaan zelf van een voordeel alleen ten opzichte van een „normale” belasting worden vastgesteld (arrest van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C‑88/03, EU:C:2006:511, punt 56). Bijgevolg verleent een dergelijke maatregel de begunstigde ervan een economisch voordeel wanneer die maatregel de lasten verlicht die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder een subsidie in strikte zin te zijn – van dezelfde aard is en identieke gevolgen heeft (arrest van 9 oktober 2014, Ministerio de Defensa en Navantia, C‑522/13, EU:C:2014:2262, punt 22).
139 Teneinde vast te stellen of er sprake is van een belastingvoordeel moet de situatie van de begunstigde zoals die voortvloeit uit de toepassing van de betrokken maatregel dus worden vergeleken met diens situatie zoals die zou zijn zonder de betrokken maatregel (zie in die zin arrest van 26 april 2018, Cellnex Telecom en Telecom Castilla-La Mancha/Commissie, C‑91/17 P en C‑92/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:284, punt 114) en onder toepassing van de normale belastingregels.
140 In de context van het bepalen van de fiscale situatie van een geïntegreerde vennootschap die deel uitmaakt van een concern, moet meteen worden opgemerkt dat de prijzen van de door die vennootschap verrichte intragroepstransacties niet onder marktvoorwaarden zijn bepaald. Deze prijzen zijn immers overeengekomen tussen vennootschappen van hetzelfde concern, zodat daarvoor geen marktwerking geldt.
141 Wanneer het nationale belastingrecht geen onderscheid maakt tussen geïntegreerde en onafhankelijke ondernemingen voor hun onderwerping aan de vennootschapsbelasting, beoogt dit recht de winst die voortvloeit uit de economische activiteit van een dergelijke geïntegreerde onderneming te belasten alsof die winst voortvloeide uit tegen marktprijzen verrichte transacties. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat wanneer de Commissie in het kader van de haar bij artikel 107, lid 1, VWEU toegekende bevoegdheid een aan een dergelijke geïntegreerde onderneming toegekende belastingmaatregel onderzoekt, zij de uit de toepassing van die belastingmaatregel voortvloeiende belastingdruk van die geïntegreerde onderneming mag vergelijken met de uit de toepassing van de normale nationale belastingregels voortvloeiende belastingdruk van een onderneming die in een vergelijkbare feitelijke situatie verkeert en haar activiteiten onder marktvoorwaarden uitoefent.
142 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt in het bestreden besluit, is voor deze conclusies overigens steun te vinden in het arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416), dat betrekking had op het Belgische belastingrecht, waarin was bepaald dat geïntegreerde vennootschappen en onafhankelijke vennootschappen volgens dezelfde voorwaarden worden behandeld. Het Hof heeft in punt 95 van dat arrest immers erkend dat een steunregeling die een afwijking vormt, moet worden vergeleken met „de algemene regeling, die is gebaseerd op het verschil tussen de lasten en baten van een onderneming die haar bedrijf uitoefent in een omgeving waarin vrije mededinging heerst”.
143 Indien in dit kader de nationale autoriteiten door middel van die aan een geïntegreerde vennootschap toegekende belastingmaatregel een bepaald prijsniveau voor een intragroepstransactie hebben aanvaard, staat artikel 107, lid 1, VWEU de Commissie toe om te controleren of dit prijsniveau overeenkomt met het prijsniveau dat onder marktvoorwaarden zou zijn gehanteerd, teneinde na te gaan of dit leidt tot een verlichting van de lasten die normaliter op de begroting van de betrokken onderneming drukken, waardoor haar dus een voordeel wordt toegekend in de zin van dit artikel. Het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven door de Commissie in het bestreden besluit is dan een instrument waarmee deze controle kan worden verricht in het kader van de uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU. De Commissie heeft dan ook terecht in overweging 225 van het bestreden besluit gepreciseerd dat het zakelijkheidsbeginsel fungeert als „ijkpunt” om te bepalen of een geïntegreerde vennootschap op grond van een belastingmaatregel waarbij haar verrekenprijzen zijn vastgesteld, een voordeel geniet in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
144 Voorts moet worden gepreciseerd dat, wanneer de Commissie dit instrument toepast om te controleren of de belastbare winst van een geïntegreerde onderneming bij toepassing van een belastingmaatregel overeenkomt met een betrouwbare benadering van een belastbare winst die onder marktvoorwaarden wordt behaald, zij slechts kan vaststellen dat er sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU op voorwaarde dat de afwijking tussen de twee vergelijkingsfactoren verder gaat dan de onnauwkeurigheden die inherent zijn aan de methode die wordt toegepast om tot die benadering te komen.
145 In casu betreft de betrokken ruling de bepaling van de vergoeding van FFT voor haar groepsinterne financierings- en treasuryactiviteiten met het oog op de vaststelling van haar belastbare winst uit hoofde van het Luxemburgse belastingwetboek, dat, los van de vraag of de normale belastingregels ruim dan wel eng moeten worden gedefinieerd, tot doel heeft geïntegreerde ondernemingen en onafhankelijke ondernemingen in Luxemburg op dezelfde wijze te belasten wat de vennootschapsbelasting betreft. De Commissie kon dus nagaan of de belastbare winst van FFT op grond van de betrokken ruling lager was dan de belastingdruk van FFT zonder die ruling en op basis van de normale belastingregels van het Luxemburgse recht. Aangezien FFT een geïntegreerde onderneming is en het Luxemburgse belastingwetboek erop is gericht de winst uit de economische activiteit van een dergelijke geïntegreerde onderneming te belasten alsof deze voortvloeide uit transacties tegen marktprijzen, moet in het kader van het onderzoek van de betrokken ruling de uit de toepassing van die ruling voortvloeiende belastbare winst van FFT worden vergeleken met de uit de toepassing van de normale regels van het Luxemburgse belastingrecht voortvloeiende situatie van een onderneming, in een vergelijkbare feitelijke situatie die haar activiteiten uitoefent in een omgeving waarin vrije mededinging heerst. Indien in de betrokken ruling een bepaald prijsniveau voor intragroepstransacties is aanvaard, moet in dit verband worden nagegaan of dat prijsniveau overeenkomt met het niveau dat onder marktvoorwaarden zou zijn gehanteerd.
146 In deze context moet worden gepreciseerd dat met betrekking tot het onderzoek van de vraag of een geïntegreerde onderneming een voordeel heeft verkregen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, de Commissie niet kan worden verweten dat zij een methode voor de vaststelling van verrekenprijzen heeft gebruikt die zij in het onderhavige geval geschikt acht om het niveau te onderzoeken van de verrekenprijzen voor één transactie of voor verschillende nauw verbonden transacties die deel uitmaken van de betwiste maatregel. De Commissie dient haar methodologische keuze niettemin te rechtvaardigen.
147 Ook al heeft de Commissie terecht opgemerkt dat zij niet formeel gebonden kan zijn door de OESO-richtsnoeren, dat neemt niet weg dat deze richtsnoeren zijn gebaseerd op belangrijk werk van groepen van gerenommeerde deskundigen, dat zij uitdrukking geven aan de consensus die op internationaal niveau over verrekenprijzen is bereikt en dat zij daardoor zeker een bepaald praktisch belang hebben voor de uitlegging van kwesties die verband houden met verrekenprijzen, zoals de Commissie heeft erkend in overweging 87 van het bestreden besluit.
148 Derhalve was de Commissie terecht van oordeel dat zij in het kader van haar analyse uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU kon onderzoeken of de intragroepstransacties waren vergoed alsof zij waren aangegaan onder marktvoorwaarden. Aan deze constatering wordt niet afgedaan door de andere argumenten van het Groothertogdom Luxemburg en van FFT.
149 Wat in de eerste plaats het argument van FFT betreft dat de Commissie geen rechtsgrondslag heeft aangegeven voor haar zakelijkheidsbeginsel, moet worden opgemerkt dat het juist is dat de Commissie in de overwegingen 228 en 229 van het bestreden besluit heeft uiteengezet dat het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit, losstaat van de opneming van een dergelijk beginsel in het nationale rechtsstelsel. Zij heeft ook gepreciseerd dat zij niet had onderzocht of de betrokken ruling voldeed aan het zakelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 164, lid 3, van het belastingwetboek of in de circulaire, waarbij het zakelijkheidsbeginsel is vastgelegd in het Luxemburgse recht. Evenzo heeft de Commissie verklaard dat het door haar toegepaste zakelijkheidsbeginsel verschilt van het zakelijkheidsbeginsel zoals vervat in artikel 9 van het OESO-modelverdrag.
150 De Commissie heeft echter in punt 228 van het bestreden besluit ook gepreciseerd dat het zakelijkheidsbeginsel noodzakelijkerwijs deel uitmaakt van het onderzoek uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU van de aan de vennootschappen van een concern toegekende belastingmaatregelen en dat het zakelijkheidsbeginsel een algemeen beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de belastingheffing is dat binnen het toepassingsgebied van artikel 107 VWEU valt.
151 Blijkens het bestreden besluit is het zakelijkheidsbeginsel, zoals omschreven door de Commissie, dus een instrument dat zij terecht heeft gebruikt in het kader van het onderzoek uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU.
152 Het is juist dat de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd dat het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit geen Unierechtelijk of volkenrechtelijk beginsel is, maar inherent is aan het gewone belastingstelsel van het nationale recht. Als een lidstaat in het kader van zijn nationale belastingstelsel kiest voor de benadering van de afzonderlijke juridische entiteit, op grond waarvan het belastingrecht aanknoopt bij juridische entiteiten en niet bij economische entiteiten, is het zakelijkheidsbeginsel volgens de Commissie dus noodzakelijkerwijs een logisch gevolg van deze benadering, dat bindend is in de betrokken lidstaat, ongeacht of het zakelijkheidsbeginsel uitdrukkelijk of impliciet is opgenomen in het nationale recht.
153 In dit verband hebben het Groothertogdom Luxemburg en FFT er ter terechtzitting op gewezen dat de Commissie door dit betoog haar standpunt over het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit lijkt te wijzigen. Gesteld al dat de door het Groothertogdom Luxemburg en FFT voorgestelde uitlegging juist is, moet evenwel worden opgemerkt dat de Commissie de rechtsgrondslag van het zakelijkheidsbeginsel, zoals uiteengezet in het bestreden besluit, in de fase van de terechtzitting hoe dan ook niet kan wijzigen (zie in die zin arrest van 25 juni 1998, British Airways e.a./Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, EU:T:1998:140, punt 116). In elk geval moet worden vastgesteld dat de ter terechtzitting aangebrachte precisering niet afdoet aan de constatering in punt 151 hierboven dat uit het bestreden besluit blijkt dat het zakelijkheidsbeginsel een rol speelt bij het onderzoek uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU. Overigens blijkt uit de alle stukken samen van het Groothertogdom Luxemburg en van FFT dat zij het bestreden besluit wel degelijk in die zin hebben begrepen dat het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven door de Commissie in het bestreden besluit een rol speelt bij het onderzoek van een nationale belastingmaatregel uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU.
154 Het argument van FFT dat de Commissie geen rechtsgrondslag heeft aangegeven voor het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit, moet dus worden afgewezen.
155 In de tweede plaats kan met betrekking tot de stelling van FFT dat de Commissie de inhoud van het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit niet heeft gepreciseerd, worden volstaan met vast te stellen dat het blijkens het bestreden besluit een instrument betreft waarmee kan worden nagegaan of intragroepstransacties zijn vergoed alsof zij waren aangegaan tussen onafhankelijke ondernemingen (zie punt 151 hierboven). Dit argument moet dus worden afgewezen.
156 In de derde plaats verwijt het Groothertogdom Luxemburg de Commissie in essentie de ruling te hebben onderzocht in het licht van het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit, terwijl dit een criterium is dat niet voorkomt in het Luxemburgse belastingrecht. Dit Groothertogdom betoogt dat het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven door de Commissie in het bestreden besluit haar in staat stelt voor de vaststelling van de belastbare winst methodologische normen voor te schrijven die niet zijn opgenomen in de nationale wetgeving en dat dit leidt tot een verkapte harmonisatie op het gebied van de directe belastingen die in strijd is met de fiscale autonomie van de lidstaten. Dit argument moet echter worden afgewezen.
157 In dit verband volstaat het immers eraan te herinneren dat, zoals is vastgesteld in de punten 138 en 141 hierboven, de zogeheten „normale” belasting weliswaar wordt bepaald door de nationale belastingregels en dat het bestaan zelf van een voordeel in verhouding tot die regels moet worden vastgesteld, maar dat dit niet wegneemt dat indien deze nationale regels bepalen dat geïntegreerde vennootschappen onder dezelfde voorwaarden worden belast als onafhankelijke vennootschappen, artikel 107, lid 1, VWEU de Commissie toestaat na te gaan of het prijsniveau van de intragroepstransacties dat door de nationale autoriteiten voor de vaststelling van de heffingsgrondslag van een geïntegreerde onderneming is aanvaard, overeenkomt met het prijsniveau dat onder zakelijke voorwaarden zou zijn gehanteerd.
158 Wanneer de Commissie onderzoekt of de bij een nationale belastingmaatregel goedgekeurde methode leidt tot een uitkomst waartoe is gekomen in overeenstemming met het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in punt 151 hierboven, overschrijdt zij dus niet haar bevoegdheden.
159 Met betrekking tot de stelling van het Groothertogdom Luxemburg en van FFT dat de Commissie een beoordeling in het licht van het zakelijkheidsbeginsel heeft verricht zonder aan de hand van het nationale belastingrecht te onderzoeken of er sprake was van een voordeel, volstaat het bovendien op te merken dat uit de overwegingen 231, 266, 276, 291, 301 en 339 van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de Commissie heeft onderzocht of de betrokken ruling leidde tot een verlaging van de belastingdruk van FFT ten opzichte van die welke zij normaliter had moeten dragen op grond van de Luxemburgse belastingregels. Zij heeft dus wel degelijk willen onderzoeken of de betrokken ruling had geleid tot een verlaging van de belastingdruk bij toepassing van de regels van het nationale recht. Hoewel de Commissie in deze context haar onderzoek heeft verricht in het licht van het zakelijkheidsbeginsel, heeft zij dit beginsel, zoals is vastgesteld in punt 151 hierboven, gebruikt als instrument dat haar in staat stelde na te gaan of het niveau van de verrekenprijzen van FFT kunstmatig was verlaagd ten opzichte van een situatie waarin de prijzen volgens marktvoorwaarden tot stand zouden zijn gekomen. Bijgevolg moet het argument dat de Commissie een vreemde norm in de plaats heeft gesteld van de Luxemburgse belastingregels worden afgewezen.
160 In de vierde plaats betogen FFT en Ierland in essentie dat de Commissie in het bestreden besluit ten onrechte het bestaan heeft bevestigd van een algemeen beginsel van gelijke behandeling op het gebied van belastingheffing.
161 Het is juist dat de Commissie in overweging 228 van het bestreden besluit heeft aangegeven dat het zakelijkheidsbeginsel een algemeen beginsel van gelijke behandeling op het gebied van belastingheffing is, dat binnen de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, VWEU valt. Een dergelijke formulering mag evenwel niet los worden gezien van de context ervan en kan niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie zou hebben gesteld dat er een algemeen beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van de belasting bestaat dat inherent is aan artikel 107, lid 1, VWEU, hetgeen een te ruime strekking aan dit artikel zou geven.
162 Hoe dan ook blijkt impliciet maar noodzakelijkerwijs uit de overwegingen 222 tot en met 231 van het bestreden besluit, en in het bijzonder uit de overwegingen 226 en 229 van dit besluit, dat het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven door de Commissie in het bestreden besluit door haar uitsluitend werd gezien als instrument dat haar in staat stelt na te gaan of intragroepstransacties zijn vergoed alsof zij waren aangegaan tussen onafhankelijke ondernemingen. Het argument van FFT en van Ierland kan niet afdoen aan de constatering in punt 146 hierboven dat de Commissie in het kader van haar analyse uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU kon onderzoeken of de intragroepstransacties waren vergoed alsof zij waren aangegaan onder marktvoorwaarden.
163 Bijgevolg moet het argument van FFT en van Ierland dienaangaande worden afgewezen.
164 In de vijfde plaats verwijt FFT de Commissie dat zij in het bestreden besluit is afgeweken van de opvatting van het zakelijkheidsbeginsel die zij had gehanteerd in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. Zij stelt dienaangaande dat de Commissie in de punten 14 en 62 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure had verwezen naar artikel 9 van het OESO-modelverdrag.
165 In dit verband moet worden opgemerkt dat FFT geen rechtsgevolgen verbindt aan haar stelling dat het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven door de Commissie in het bestreden besluit verschilt van het zakelijkheidsbeginsel waarnaar de Commissie heeft verwezen in het besluit tot inleiding van de procedure. Bijgevolg moet dit argument als niet ter zake dienend worden afgewezen.
166 Dit argument moet hoe dan ook tevens ongegrond worden verklaard.
167 Hoewel de Commissie in punt 14 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft verwezen naar het „zakelijkheidsbeginsel zoals vermeld in artikel 9 [van het OESO-modelverdrag]”, is deze verwijzing immers gemaakt in het kader van de afdeling met het opschrift „Inleiding tot belastingbesluiten inzake verrekenprijzen”. Uit punt 14 van het besluit tot inleiding van de procedure, waarop FFT zich beroept, blijkt niet dat de Commissie haar voorlopige beoordeling heeft gebaseerd op artikel 9 van het OESO-modelverdrag. Evenzo heeft de Commissie in de door FFT aangevoerde overweging 62 van het besluit tot inleiding van de procedure weliswaar verwezen naar de OESO-richtsnoeren, maar deze richtsnoeren enkel voorgesteld als „referentiedocument” of „passende richtsnoeren”. Een dergelijke voorstelling verschilt niet van die van de Commissie in het bestreden besluit.
168 Voorts moet worden vastgesteld dat uit de overwegingen 58 en 59 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure blijkt dat de Commissie reeds in dat stadium van de procedure haar standpunt heeft uiteengezet dat zij het zakelijkheidsbeginsel kan toepassen in het kader van de controle uit hoofde van artikel 107 VWEU om na te gaan of een belastingmaatregel een selectief voordeel toekent aan een geïntegreerde onderneming.
169 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie in punt 61 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft uiteengezet dat een belastingmethode die wordt toegepast op verrekenprijzen die niet voldoen aan het zakelijkheidsbeginsel en resulteert in een verlaging van de heffingsgrondslag van de begunstigde ervan, een voordeel verleent. Zij baseerde deze vaststelling op het arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416), zoals zij nadien heeft gedaan in het bestreden besluit.
170 In de zesde plaats dient afwijzend te worden beslist op het argument van FFT dat het standpunt van de Commissie over het zakelijkheidsbeginsel afwijkt van haar vroegere beschikkingspraktijk, aangezien die beschikkingspraktijk, die andere zaken betreft, geen gevolgen kan hebben voor de geldigheid van een bestreden besluit, die alleen mag worden beoordeeld in het licht van de objectieve regels van het VWEU (zie in die zin arrest van 20 mei 2010, Todaro Nunziatina C., C‑138/09, EU:C:2010:291, punt 21).
171 In de zevende plaats moet het argument van FFT dat de Commissie bijzonder onduidelijk is geweest over het door haar gehanteerde begrip „zakelijkheidsbeginsel” door te weigeren haar de presentatie te verstrekken die de Commissie had gegeven in het kader van een seminar over staatssteun te Brussel, als niet ter zake dienend worden afgewezen. Het standpunt van de Commissie met betrekking tot het zakelijkheidsbeginsel blijkt immers uit de overwegingen 219 tot en met 231 van het bestreden besluit, zodat het feit dat zij na een seminar een presentatie niet heeft verstrekt, niet van invloed is op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
172 In de achtste plaats betoogt FFT dat het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven door de Commissie in het bestreden besluit verschilt van dat van de OESO. Zij stelt dat dit laatste beginsel „verantwoorde aanpassingen” toestaat, zoals het niet in aanmerking nemen van de deelneming in haar dochterondernemingen bij de berekening van de vergoeding voor de functies van FFT. Dit wordt haars inziens overigens toegelicht in het verslag van een economisch adviesbureau dat als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd. Dit argument moet deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
173 Met betrekking tot de stelling dat het zakelijkheidsbeginsel verschilt van dat van de OESO voert FFT immers geen enkel concreet argument aan, met uitzondering van dat betreffende de inaanmerkingneming van haar deelnemingen. Voor zover FFT betoogt dat de Commissie is voorbijgegaan aan punt 2.74 van de OESO-richtsnoeren, volgens hetwelk er verantwoorde aanpassingen kunnen worden gedaan bij de toepassing van de TNMM, moet worden vastgesteld dat, naast het feit dat de Commissie, zoals is uiteengezet in punt 147 hierboven, niet formeel gebonden is aan deze richtsnoeren, zij, anders dan FFT stelt, de mogelijkheid tot „verantwoorde aanpassingen” niet heeft uitgesloten. De Commissie heeft immers enkel vastgesteld dat in het onderhavige geval de uitsluiting van de deelnemingen van FFT in FFNA en FFC niet gerechtvaardigd was, welke kwestie overigens zal worden onderzocht in de punten 273 tot en met 278 hieronder.
174 Bovendien is, ten eerste, de verwijzing van FFT naar het verslag van een economisch adviesbureau waarin een deskundige argumenten heeft aangedragen om aan te tonen dat de Commissie de deelnemingen van FFT in dochterondernemingen niet in aanmerking had mogen nemen, volgens vaste rechtspraak niet-ontvankelijk, omdat die verwijzing niet is opgenomen in het verzoekschrift zelf. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens de rechtspraak, de tekst van het verzoekschrift weliswaar op specifieke punten kan worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar dat een algemene verwijzing naar andere schriftelijke stukken, ook al zijn deze bij het verzoekschrift gevoegd, het niet vermelden daarin van de essentiële elementen niet kan goedmaken, aangezien de bijlagen louter als bewijsmiddel en documentatie dienen (zie arrest van 30 januari 2007, France Télécom/Commissie, T‑340/03, EU:T:2007:22, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
175 Ten tweede moet, zelfs indien wordt aangenomen dat de Commissie ten onrechte niet de „verantwoorde aanpassingen” had aangebracht waarnaar FFT verwijst, hoe dan ook worden vastgesteld dat dit geen gevolgen zou hebben voor de vaststelling dat FFT geen enkel argument aanvoert op basis waarvan kan worden begrepen waarom het door de Commissie gekozen zakelijkheidsbeginsel onjuist is. Het feit dat er volgens de OESO-richtsnoeren „verantwoorde aanpassingen” mogen worden aangebracht om rekening te houden met elke feitelijke situatie, en dat er in casu omstandigheden kunnen zijn die tot dergelijke aanpassingen leiden, doet immers niet af aan de vaststelling dat het zakelijkheidsbeginsel in essentie vereist dat geïntegreerde ondernemingen verrekenprijzen in rekening brengen die een afspiegeling zijn van die welke onder mededingingsvoorwaarden in rekening zouden zijn gebracht, hetgeen overeenstemt met het onderzoek dat de Commissie heeft verricht in het bestreden besluit.
176 In de negende plaats moet het argument van het Groothertogdom Luxemburg worden afgewezen dat het zakelijkheidsbeginsel zoals door de Commissie omschreven in het bestreden besluit subjectief en willekeurig is. Het volstaat immers vast te stellen dat, blijkens overweging 231 van het bestreden besluit, het onderzoek in het licht van het zakelijkheidsbeginsel inhoudt dat wordt onderzocht of de in de betrokken ruling goedgekeurde methode voor de bepaling van de verrekenprijzen, kan leiden tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst. Voorts verwijst de Commissie voor haar analyse uitvoerig naar de OESO-richtsnoeren, waarover een brede consensus bestaat. Het Groothertogdom Luxemburg en FFT betwisten dit laatste punt overigens niet.
177 In de tiende plaats betoogt FFT dat de Commissie, in strijd met haar motiveringsplicht zoals vervat in artikel 296 VWEU, niet heeft uitgelegd wat de grondslag was van het zakelijkheidsbeginsel zoals omschreven in het bestreden besluit en wat de inhoud was van dit beginsel.
178 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296, lid 2, VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk en rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van artikel 296, lid 2, VWEU niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 15 juli 2004, Spanje/Commissie, C‑501/00, EU:C:2004:438, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
179 In casu is in de punten 149 tot en met 151 en 154 hierboven reeds vastgesteld dat, anders dan FFT stelt, de Commissie de rechtsgrondslag en de inhoud van het zakelijkheidsbeginsel heeft verduidelijkt in de punten 219 tot en met 231 van het bestreden besluit. Vastgesteld moet dus worden dat het bestreden besluit met betrekking tot deze vragen toereikend is gemotiveerd. Zoals is vastgesteld in punt 153 hierboven, blijkt overigens uit de schriftelijke stukken van het Groothertogdom Luxemburg en van FFT dat zij het bestreden besluit wel degelijk in die zin hebben begrepen dat het zakelijkheidsbeginsel zoals door de Commissie omschreven in het bestreden besluit een rol speelde bij het onderzoek van een nationale belastingmaatregel uit hoofde van artikel 107, lid 1, VWEU.
180 In de elfde plaats moet het argument van FFT worden afgewezen dat het zakelijkheidsbeginsel zoals door de Commissie omschreven in de overwegingen 219 tot en met 231 van het bestreden besluit en meer bepaald in overweging 228 ervan zodanige rechtsonzekerheid en verwarring schept dat niet kan worden begrepen of een op verrekenprijzen berustende ruling al dan niet in strijd is met het staatssteunrecht.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 25 juli 2018, C-128/16, ECLI:EU:C:2018:591
- HvJ EU 21 december 2016, C-524/14, ECLI:EU:C:2016:971
- HvJ EU 21 december 2016, C-20/15, ECLI:EU:C:2016:981
- HvJ EU 30 november 2016, C-486/15, ECLI:EU:C:2016:912
- HvJ EU 26 oktober 2016, C-211/15, ECLI:EU:C:2016:798
- HvJ EU 30 juni 2016, C-270/15, ECLI:EU:C:2016:489
- Gerecht EU 17 december 2015, T-515/13, ECLI:EU:T:2015:1004
- Gerecht EU 25 juni 2015, T-305/13, ECLI:EU:T:2015:435
- HvJ EU 4 juni 2015, C-15/14, ECLI:EU:C:2015:362
- Gerecht EU 25 maart 2015, T-538/11, ECLI:EU:T:2015:188
- HvJ EU 9 oktober 2014, C-522/13, ECLI:EU:C:2014:2262
- HvJ EU 4 september 2014, C-533/12, ECLI:EU:C:2014:2142
- HvJ EU 3 april 2014, C-559/12, ECLI:EU:C:2014:217
- HvJ EU 12 juli 2012, C-269/09, ECLI:EU:C:2012:439
- HvJ EU 21 juni 2012, C-452/10, ECLI:EU:C:2012:366
- HvJ EU 15 november 2011, C-106/09, ECLI:EU:C:2011:732
- HvJ EU 8 september 2011, C-78/08, ECLI:EU:C:2011:550
- HvJ EU 9 juni 2011, C-71/09, ECLI:EU:C:2011:368
- HvJ EU 2 september 2010, C-290/07, ECLI:EU:C:2010:480
- HvJ EU 2 september 2010, C-399/08, ECLI:EU:C:2010:481