HvJ EU 5 februari 2026, C-718/24, ECLI:EU:C:2026:68
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
5 februari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Richtlijn 2013/32/EU – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming – Artikel 33 – Niet‑ontvankelijkheidsgronden – Artikel 38 – Begrip ‚veilig derde land’ – Toepassingsvoorwaarden – Band tussen de verzoeker en het betrokken derde land – Criteria – Beoordelingsmethoden – Artikel 46 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”
In zaak C‑718/24 [Aleb] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 9 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 22 oktober 2024, in de procedure
NP
tegen
Predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– NP, vertegenwoordigd door T. A. Iliev, advokat,
– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door S. Ruseva en T. Tsingileva als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma, M. Debieuvre en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 33, lid 2, onder c), en artikel 38 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60), gelezen in het licht van overweging 46 van deze richtlijn.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen NP, een Syrisch staatsburger, en de Predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite (voorzitter van het nationaal agentschap voor vluchtelingen, Bulgarije; hierna: „DAB”) over de rechtmatigheid van het besluit waarbij laatstgenoemde het verzoek om internationale bescherming van NP heeft afgewezen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2011/95
3 Artikel 2, onder f), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9) bepaalt: „In deze richtlijn gelden de volgende definities: [...] f) ‚persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt’: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen”.
4 In artikel 15, onder c), van deze richtlijn wordt bepaald: „Ernstige schade bestaat uit: [...] c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.”
Richtlijn 2013/32
5 De overwegingen 18, 43, 44 en 46 van richtlijn 2013/32 luiden: „(18) Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling. [...] (43) De lidstaten moeten alle verzoeken onderzoeken op de inhoud, met andere woorden beoordelen of de betrokken verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], behoudens andere bepalingen in onderhavige richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen of voldoende bescherming zal verlenen. De lidstaten dienen met name niet te worden verplicht de inhoud van een verzoek om internationale bescherming te beoordelen indien een eerste land van asiel de verzoeker de vluchtelingenstatus of anderszins voldoende bescherming heeft verleend en indien de verzoeker opnieuw in dat land zal worden toegelaten. (44) De lidstaten dienen niet te worden verplicht de inhoud van een verzoek om internationale bescherming te beoordelen indien op grond van een voldoende band met een derde land, zoals omschreven in het nationale recht, redelijkerwijs kan worden verwacht dat de verzoeker in dat derde land bescherming zoekt, en er redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker tot dat land zal worden toegelaten of opnieuw zal worden toegelaten. De lidstaten mogen slechts op die basis handelen indien die verzoeker in het betrokken derde land veilig is. Teneinde secundaire stromen verzoekers te vermijden, moeten gemeenschappelijke principes worden vastgesteld voor het als veilig beschouwen of aanmerken van derde landen door de lidstaten. [...] (46) Indien lidstaten ‚veilig land’-begrippen per geval toepassen of landen als veilig aanmerken door daartoe strekkende lijsten vast te stellen, moeten zij onder meer rekening houden met de richtsnoeren en operationele handleidingen en met de informatie over de landen van herkomst en de activiteiten, met inbegrip van de door het [Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)] ontwikkelde methodologie voor de rapportage inzake informatie over het land van herkomst, als bedoeld in verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een [EASO] [(PB 2010, L 132, blz. 11)], alsook met de relevante [richtsnoeren van de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR)].”
6 Hoofdstuk II van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Uitgangspunten en waarborgen”, bevat de artikelen 6 tot en met 30.
7 Hoofdstuk III van deze richtlijn, „Procedures in eerste aanleg”, omvat de artikelen 31 tot en met 43.
8 Artikel 32 van deze richtlijn, „Ongegronde verzoeken”, bepaalt: „1. Onverminderd artikel 27 kunnen de lidstaten een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95]. 2. In gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, lid 8, vermelde omstandigheden van toepassing is, kunnen de lidstaten tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.”
9 Artikel 33 van richtlijn 2013/32, „Niet-ontvankelijke verzoeken”, bepaalt: „1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig [verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31)], zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. 2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer: [...] c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd; [...]”
10 Artikel 38 van richtlijn 2013/32, „Het begrip ‚veilig derde land’”, bepaalt in de leden 1 tot en met 4: „1. De lidstaten mogen het begrip ‚veilig derde land’ alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: a) het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging; b) er bestaat geen risico op ernstige schade in de zin van [richtlijn 2011/95]; c) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954), dat op 22 april 1954 in werking is getreden en is aangevuld door het op 31 januari 1967 te New York gesloten Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op 4 oktober 1967 in werking is getreden (hierna: ‚Verdrag van Genève’),] wordt nageleefd; d) het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en e) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève. 2. De toepassing van het begrip ‚veilig derde land’ is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht, waaronder: a) voorschriften waarbij een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan; b) voorschriften betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip ‚veilig derde land’ op een bepaald land of een bepaalde verzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig; c) voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde verzoeker veilig is; deze voorschriften moeten ten minste de verzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip ‚veilig derde land’ aan te vechten op grond van het feit dat het derde land in zijn specifieke omstandigheden niet veilig is. De verzoeker moet ook in de gelegenheid worden gesteld om het bestaan van de onder a) bedoelde band tussen hem en het derde land aan te vechten. 3. Bij de uitvoering van een uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen de lidstaten: a) de verzoeker hiervan op de hoogte te brengen, en b) hem een document te verschaffen waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. 4. Wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II.”
11 Hoofdstuk V van richtlijn 2013/32, „Beroepsprocedures”, bevat artikel 46, „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”. De leden 1 en 3 van dit artikel luiden: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing: i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus; ii) om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2; [...] [...] 3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex‑nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.”
Bulgaars recht
ZUB
12 Artikel 9, lid 1, van de Zakon za ubezhishteto i bezhantsite (wet inzake asiel en vluchtelingen) (DV nr. 54 van 31 mei 2002), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ZUB”), bepaalt: „De humanitaire status wordt toegekend aan de vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus en die geen bescherming van zijn land van herkomst kan of wil verkrijgen omdat hij kan worden blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade, zoals: 1. doodstraf of executie; of 2. foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, of 3. ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.”
13 Artikel 13, lid 1, punt 14, en leden 4 en 5, ZUB bepaalt: „(1) Het verzoek om internationale bescherming van een vreemdeling wordt als kennelijk ongegrond afgewezen indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, leden 1 en 9, of artikel 9, leden 1, 6 en 8, en de vreemdeling: [...] 14. afkomstig is uit een veilig derde land, mits hij tot dat land wordt toegelaten; [...] (4) De in lid 1, punt 14, bedoelde omstandigheid kan alleen een zelfstandige grond voor afwijzing van het verzoek als kennelijk ongegrond vormen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. er bestaat een band tussen de vreemdeling en het betrokken derde land die zijn terugkeer rechtvaardigt in het kader van een individueel onderzoek naar de veiligheid van dat land voor de betrokken vreemdeling; 2. de vreemdeling is een document in de taal van het veilige derde land verstrekt waarmee hij de autoriteiten van dat derde land ervan in kennis kan stellen dat zijn verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. (5) Indien de vreemdeling niet tot het grondgebied van het veilige derde land wordt toegelaten, wordt hem toegang verleend tot een procedure voor het verlenen van internationale bescherming in Bulgarije.”
14 Artikel 98, leden 1 en 2, ZUB luidt als volgt: „(1) De voorzitter van het [DAB] kan, in overleg met de minister van Buitenlandse Zaken, in voorkomend geval aan de ministerraad nationale lijsten van veilige landen van herkomst en veilige derde landen voorleggen. (2) Bij de goedkeuring van de lijsten houdt de ministerraad, onder verwijzing naar informatiebronnen uit andere lidstaten van de Europese Unie, het [EASO], de [UNHCR], de Raad van Europa en andere internationale organisaties, rekening met de mate waarin de staat bescherming biedt tegen vervolging en onmenselijke of vernederende behandeling door middel van: 1. de op dit gebied vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de wijze waarop deze worden toegepast; 2. de eerbiediging van de rechten en vrijheden die worden gewaarborgd door het [Europees] Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 [...], het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, [aangenomen op 16 december 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en in werking getreden op 23 maart 1976], of het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat op 10 december 1984 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aangenomen [en op 26 juni 1987 in werking is getreden]; 3. de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het [Verdrag van Genève]; 4. het bestaan van een systeem van doeltreffende rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.”
15 Artikel 99 ZUB bepaalt: „Een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, kan het vermoeden van veiligheid van het land dat op de in artikel 98 bedoelde lijst staat, weerleggen.”
16 § 1, punt 9, van de aanvullende bepalingen bij de ZUB bevat de volgende definitie: „‚Veilig derde land’: een ander land dan het land van herkomst, waar de vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, heeft verbleven, en a) geen reden heeft om te vrezen voor zijn leven of vrijheid vanwege zijn ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging; b) beschermd is tegen terugzending naar het grondgebied van een staat waar sprake is van omstandigheden waarin hij wordt vervolgd en zijn rechten worden geschonden; c) geen risico loopt op vervolging of ernstige schade, zoals foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; d) de mogelijkheid heeft om de vluchtelingenstatus aan te vragen en, indien deze wordt toegekend, internationale bescherming als vluchteling te genieten; e) er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat hij tot het grondgebied van die staat zal worden toegelaten.”
Besluit nr. 247
17 Punt 2 van besluit nr. 247 van de ministerraad van de Republiek Bulgarije van 3 april 2024 tot vaststelling van de lijst van veilige landen van herkomst en de lijst van voor verzoekers om bescherming veilige derde landen (hierna: „besluit nr. 247”) luidt als volgt: „Stelt de lijst van veilige derde landen vast voor verzoekers om [internationale] bescherming overeenkomstig bijlage nr. 2 [...] Azië: Volksrepubliek Bangladesh, Islamitische Republiek Iran, Zuidoost-Europa: Republiek Turkije”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18 NP, een niet-begeleide minderjarige Syrische staatsburger, heeft op 2 november 2023 in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming ingediend.
19 Tijdens het interview op 1 december 2023 verklaarde NP dat hij in de provincie Aleppo (Syrië) had gewoond en deze provincie twee à drie maanden eerder met twee van zijn broers had verlaten wegens de oorlog. NP heeft ongeveer een maand in Turkije verbleven alvorens illegaal het Bulgaarse grondgebied binnen te komen. Zijn broers zijn in Turkije gebleven, waar ook drie van zijn zussen met hun echtgenoten wonen.
20 Bij besluit van 18 juni 2024 heeft de voorzitter van het DAB het verzoek van NP afgewezen en hem de toekenning van zowel de vluchtelingenstatus als de humanitaire status geweigerd. Hij was van mening dat NP weliswaar niet voldeed aan de voorwaarden om als vluchteling te worden beschouwd, maar hij wegens het interne gewapende conflict en willekeurige geweld in Syrië was blootgesteld aan een reëel gevaar voor zijn leven of persoon. Niettemin was de voorzitter van het DAB van mening dat de Republiek Turkije een „veilig derde land” was waarin NP zich veilig kon vestigen. NP heeft immers gedurende een maand zonder gevaar voor zijn veiligheid op het Turkse grondgebied gewoond en meerdere van zijn broers en zussen wonen daar nog steeds. Hij had de wettelijke mogelijkheid om zich bij de Turkse autoriteiten te melden en zijn verblijf te regulariseren, hetgeen hij niet heeft gedaan. In dit verband heeft de voorzitter van het DAB op basis van informatie uit openbare bronnen vastgesteld dat staatlozen en vluchtelingen uit Syrië die als gevolg van gebeurtenissen in Syrië na 28 april 2011 Turkije zijn binnengekomen, tijdelijke bescherming van de Turkse regering krijgen. Personen aan wie deze bescherming wordt verleend genieten bescherming tegen gedwongen terugkeer naar Syrië. Bovendien zou er in hun basisbehoeften worden voorzien.
21 NP heeft bij de verwijzende rechter, de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 18 juni 2024.
22 In antwoord op een verzoek om informatie van de verwijzende rechter heeft de voorzitter van het DAB hem ten eerste meegedeeld dat het DAB besluit nr. 247 toepaste, waarin de Republiek Turkije als een veilig derde land is erkend. Ten tweede heeft hij aangegeven dat het DAB geen methoden had ontwikkeld overeenkomstig artikel 38, lid 2, onder b), van richtlijn 2013/32. Ten derde heeft hij erkend dat NP niet uitdrukkelijk ervan in kennis was gesteld dat hij zich kon verzetten tegen de toepassing jegens hem van het begrip „veilig derde land” of tegen het bestaan van een band tussen hem en het betrokken derde land.
23 In deze context acht de verwijzende rechter het noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2013/32 betreffende het begrip „veilig derde land”. Artikel 38 van deze richtlijn is namelijk niet volledig omgezet in Bulgaars recht en dit begrip leidt tot uiteenlopende toepassingen op nationaal niveau.
24 Meer concreet vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of de bepalingen van die richtlijn het mogelijk maken om een verzoek om internationale bescherming op grond van voornoemd begrip af te wijzen in het kader van een gewone procedure uit hoofde van hoofdstuk III van die richtlijn, en dit wanneer de bevoegde autoriteit bij de inhoudelijke behandeling van dat verzoek heeft vastgesteld dat de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de subsidiairebeschermingsstatus. Hij preciseert dat de rechtspraak van de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) een dergelijke praktijk toestaat.
25 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af onder welke voorwaarden het begrip „veilig derde land” in artikel 38, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2013/32 moet worden toegepast. Ten eerste merkt hij op dat de lidstaten uit hoofde van artikel 38, lid 2, onder b), van deze richtlijn „methoden” moeten ontwikkelen en toepassen om ervoor te zorgen dat dit begrip op een bepaald land of op een bepaalde verzoeker kan worden toegepast. Hij vraagt zich af of dit begrip kan worden toegepast wanneer, zoals in het hoofdgeding, het nationale recht niet in dergelijke methoden voorziet, in voorkomend geval op basis van informatie uit algemeen beschikbare bronnen en een handeling van de uitvoerende macht zoals besluit nr. 247. Ten tweede stelt deze rechter vast dat het Bulgaarse recht geen criteria bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er een band bestaat tussen de verzoeker en het betrokken derde land, op basis waarvan het voor de verzoeker redelijk zou zijn zich naar dat land te begeven, en dat artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 deze criteria evenmin preciseert. Hij vraagt zich dan ook af of deze bepaling de lidstaten verplicht om dergelijke criteria in hun nationale recht op te nemen.
26 Ten slotte wenst de verwijzende rechter duidelijkheid te verkrijgen over de vereiste rechterlijke toetsing. Uit hoofde van artikel 38, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32 moeten de lidstaten de verzoeker in staat stellen om het bestaan van een band tussen hem en een derde land dat voor hem als veilig wordt beschouwd, aan te vechten. Het Bulgaarse recht voorziet echter niet in een dergelijke rechterlijke toetsing. Deze rechter vraagt zich dus af of hij in het kader van het onderzoek van een beroep tegen een besluit dat is gebaseerd op het begrip „veilig derde land”, verplicht is om zich bevoegd te verklaren en op grond van die bepaling het bestaan van een dergelijke band te onderzoeken.
27 In deze omstandigheden heeft de Administrativen sad Sofia-grad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is het mogelijk om, op grond van een ruime uitlegging van overweging 46 en artikel 33, lid 2, onder c), [van richtlijn 2013/32], gelezen in samenhang met artikel 38 van [deze richtlijn], ervan uit te gaan dat de in die bepalingen neergelegde regels, op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kan worden beschouwd en die betrekking hebben op het begrip ‚veilig derde land’ in de zin van artikel 38 van [deze richtlijn], moeten worden toegepast in het kader van een procedure die onder hoofdstuk III van deze richtlijn valt, overeenkomstig de uitgangspunten en waarborgen van hoofdstuk II van deze richtlijn, dat wil zeggen in het kader van de inhoudelijke behandeling van een verzoek om internationale bescherming? 2) Moeten overweging 46 en artikel 33, lid 2, onder c), [van richtlijn 2013/32], gelezen in samenhang met artikel 38 van [deze richtlijn], aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling zoals die van artikel 75, lid 2, ZUB en een bestuurlijke en rechterlijke praktijk op grond waarvan een inhoudelijk behandeld verzoek om internationale bescherming kan worden afgewezen zonder kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk te zijn verklaard, op de enkele grond dat de verzoeker zich op de bescherming van een veilig derde land kan beroepen, zonder dat het nationale recht de in artikel 38, lid 2, onder b), van richtlijn 2013/32 bedoelde methode heeft ontwikkeld en toegepast, en wanneer de bestuurlijke autoriteit erkent dat er in het land van herkomst van de verzoeker sprake is van een gewapend conflict en dat aan de voorwaarden van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 is voldaan? 3) Moet artikel 38, lid 2, onder b), [van richtlijn 2013/32], gelezen in samenhang met overweging 46 van [deze richtlijn], aldus worden uitgelegd dat de bestuurlijke autoriteit die een verzoek om internationale bescherming inhoudelijk behandelt, het begrip ‚veilig derde land’ op een bepaald land en een bepaalde verzoeker kan toepassen op basis van enkel informatie uit algemeen beschikbare bronnen en een besluit van een orgaan van de uitvoerende macht (de ministerraad) waarbij is bepaald dat een bepaald derde land een veilig derde land is, zonder dat het nationale recht voorziet in een methode, in de zin van deze bepaling, aan de hand waarvan de bestuurlijke autoriteit zich ervan vergewist dat het begrip ‚veilig derde land’ op een bepaald land en een bepaalde verzoeker kan worden toegepast? 4) Moet artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om in hun nationale recht criteria op te nemen bij de vervulling waarvan kan worden aangenomen dat er tussen de verzoeker en het betrokken derde land een band bestaat op basis waarvan het redelijk zou zijn dat de asielzoeker zich naar dat land begeeft? 5) Moet artikel 38, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32, [dat] de mogelijkheid voor de verzoeker regelt om het bestaan van een band met een als veilig erkend derde land als bedoeld in [artikel 38, lid 2,] onder a), [van deze richtlijn] in rechte aan te vechten, aldus worden uitgelegd dat bij gebreke van een nationale wettelijke bepaling die voorziet in een rechterlijke wettigheidstoetsing om na te gaan of sprake is van een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land, de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen het bestuurlijke besluit waarbij de verzoeker internationale bescherming is geweigerd op grond dat een derde land voor hem als veilig wordt erkend, zich noodzakelijkerwijs bevoegd moet verklaren en in het kader van een wettigheidstoetsing uitspraak moet doen over het bestaan van een dergelijke band waarvan de bestuurlijke autoriteit is uitgegaan?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
28 Om te beginnen is het vaste rechtspraak dat de in artikel 267 VWEU bedoelde procedure een instrument voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechters is, door middel waarvan het Hof de nationale rechters de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen [zie beschikking van 26 januari 1990, Falciola, C‑286/88, EU:C:1990:33, punt 7, en arrest van 15 april 2021, Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit), C‑194/19, EU:C:2021:270, punt 21].
29 Volgens eveneens vaste rechtspraak is het in het kader van deze procedure van samenwerking de taak van het Hof om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe kan het nodig zijn om de voorgelegde vraag te herformuleren (zie arresten van 17 juli 1997, Krüger, C‑334/95, EU:C:1997:378, punten 22 en 23; 28 november 2000, Roquette Frères,C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 3 juni 2025, Kinsa, C‑460/23, EU:C:2025:392, punt 34).
30 In het licht van deze rechtspraak moeten de eerste en de tweede vraag, die elkaar in wezen overlappen, gezamenlijk worden onderzocht. Aangezien de tweede vraag betrekking heeft op de vaststelling in het nationale recht van de methoden voor de toepassing van het begrip „veilig derde land”, valt zij bovendien samen met de derde vraag, die betrekking heeft op die methoden. Het is derhalve niet nodig om op dit aspect in te gaan in het kader van de tweede vraag.
31 Bijgevolg moeten de eerste en de tweede vraag aldus worden opgevat dat de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of artikel 33, lid 2, onder c), en artikel 38 van richtlijn 2013/32 aldus moeten worden uitgelegd dat, ten eerste, de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn noodzakelijkerwijs moet worden toegepast bij de inhoudelijke behandeling van een verzoek om internationale bescherming en, ten tweede, een inhoudelijk onderzocht verzoek kan worden afgewezen zonder kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk te worden verklaard op grond dat een derde land als een voor de verzoeker veilig derde land wordt beschouwd, terwijl de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat deze verzoeker voldeed aan de in richtlijn 2011/95 gestelde voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming.
32 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 de lidstaten, naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening nr. 604/2013, niet verplicht zijn te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van richtlijn 2011/95, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. In artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 wordt een uitputtende opsomming gegeven van de situaties waarin de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen [arresten van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 76, en 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 29].
33 Tot die situaties behoort, overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn, de situatie waarin een derde land uit hoofde van artikel 38 van die richtlijn wordt beschouwd als een voor de verzoeker veilig derde land.
34 Uit de bewoordingen van artikel 33, lid 1, en lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32 volgt dus dat de lidstaten niet verplicht zijn om na te gaan of de betrokken verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van richtlijn 2011/95 wanneer een derde land wordt beschouwd als een voor die verzoeker veilig derde land [zie naar analogie arrest van 22 februari 2022, Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (Eenheid van het gezin – Reeds toegekende bescherming), C‑483/20, EU:C:2022:103, punt 24].
35 Deze uitlegging beantwoordt aan het doel van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, dat erin bestaat, zoals blijkt uit overweging 43 van die richtlijn, om de verplichting van de lidstaten om ieder verzoek om internationale bescherming te behandelen, te verlichten door te omschrijven in welke gevallen een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk wordt geacht [arresten van 17 maart 2016, Mirza, C‑695/15 PPU, EU:C:2016:188, punt 43; 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C-564/18, EU:C:2020:218, punt 30, en 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus), C‑753/22, EU:C:2024:524, punt 50].
36 Hieruit volgt dat de toetsing van de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32 voorafgaat aan het inhoudelijke onderzoek van een verzoek om internationale bescherming en dus niet noodzakelijkerwijs tijdens dat onderzoek hoeft plaats te vinden. Deze uitlegging is des te meer geboden gelet op het in overweging 18 van die richtlijn aangegeven doel om in het belang van met name personen die om internationale bescherming verzoeken ervoor te zorgen dat zo spoedig mogelijk een besluit wordt genomen inzake die verzoeken, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijk en uitputtend onderzoek (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Elliniko Symvoulio gia tous Prosfyges en Ypostirixi Prosfygon sto Aigaio, C‑134/23, EU:C:2024:838, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Bij gebreke van een andersluidende bepaling in richtlijn 2013/32 impliceren de voorgaande overwegingen op dezelfde wijze dat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan worden verklaard op een in artikel 33, lid 2, van deze richtlijn genoemde grond in een situatie waarin in voorkomend geval is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming, of zelfs nadat de beslissingsautoriteit de beschermingsbehoeften inhoudelijk heeft onderzocht.
38 De in de punten 36 en 37 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging vindt steun in de context van artikel 33 van richtlijn 2013/32.
39 In dit verband moet worden benadrukt dat dit artikel, dat de gevallen van niet-ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming regelt, wordt voorafgegaan door artikel 32 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op ongegronde verzoeken. Volgens artikel 32, lid 1, van die richtlijn kunnen de lidstaten een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95. Bovendien kan een verzoek krachtens artikel 32, lid 2, van richtlijn 2013/32 als kennelijk ongegrond worden beschouwd indien het in de nationale wetgeving aldus is omschreven in de in artikel 31, lid 8, van deze richtlijn opgesomde situaties. Deze situaties hebben geen betrekking op de niet-ontvankelijkheidsgronden van artikel 33, lid 2, van die richtlijn.
40 Uit een gezamenlijke lezing van de artikelen 32 en 33 van richtlijn 2013/32 blijkt dus de ondubbelzinnige wil van de Uniewetgever om een duidelijk onderscheid te maken tussen de gronden voor de niet‑ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming en de gronden voor de inhoudelijke afwijzing van een dergelijk verzoek. Dit onderscheid is overigens overgenomen in artikel 46, lid 1, onder a), i) en ii), van deze richtlijn, dat betrekking heeft op het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen besluiten waarbij een verzoek om internationale bescherming ongegrond wordt verklaard en besluiten waarbij een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.
41 Hieruit volgt dat dit verzoek overeenkomstig artikel 32 van richtlijn 2013/32 pas na een inhoudelijk onderzoek van het verzoek om internationale bescherming in voorkomend geval als ongegrond of kennelijk ongegrond kan worden afgewezen. Daarentegen kan de toepassing van een niet-ontvankelijkheidsgrond in de zin van artikel 33, lid 2, van deze richtlijn alleen leiden tot een afwijzing van het verzoek als niet-ontvankelijk, los van een dergelijk onderzoek ervan.
42 In casu lijkt uit de elementen van het nationale recht waarover het Hof beschikt te volgen dat artikel 13, lid 1, punt 14, ZUB bepaalt dat een verzoek om internationale bescherming „kennelijk ongegrond” wordt verklaard op grond dat de vreemdeling „afkomstig is uit een veilig derde land”, dat wil zeggen op basis van een grond voor niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, hetgeen in strijd is met de uit de artikelen 32 en 33 van deze richtlijn voortvloeiende vereisten. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om zich uit te spreken over het nationale recht, om na te gaan of dit het geval is.
43 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 33, lid 2, onder c), en artikel 38 van richtlijn 2013/32 aldus moeten worden uitgelegd dat: – de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden toegepast bij de inhoudelijke behandeling van een verzoek om internationale bescherming; – een inhoudelijk behandeld verzoek als niet-ontvankelijk kan worden afgewezen op grond dat een derde land als een voor de verzoeker veilig derde land wordt beschouwd, zelfs wanneer de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat deze verzoeker voldeed aan de in richtlijn 2011/95 gestelde voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming. Een dergelijk verzoek kan daarentegen alleen ongegrond of zelfs kennelijk ongegrond worden verklaard onder de voorwaarden van artikel 32 van richtlijn 2013/32 en kan in geen geval ongegrond worden verklaard op basis van de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van laatstgenoemde richtlijn.
Derde en vierde vraag
Opmerkingen vooraf
44 Aangezien de derde en de vierde vraag betrekking hebben op de uitlegging van artikel 38, lid 2, van richtlijn 2013/32, moet vooraf in herinnering worden gebracht dat uit artikel 38 van deze richtlijn volgt dat het begrip „veilig derde land” in de zin van artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn alleen kan worden toegepast indien er is voldaan aan de in de leden 1 tot en met 4 van dat artikel 38 gestelde voorwaarden.
45 In het bijzonder vereist artikel 38, lid 1, van richtlijn 2013/32 in de eerste plaats dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zich ervan hebben vergewist dat het betrokken derde land de uitdrukkelijk in die bepaling genoemde beginselen in acht neemt.
46 In de tweede plaats is de toepassing van het begrip „veilig derde land” volgens artikel 38, lid 2, van deze richtlijn onderworpen aan in het nationaal recht vastgestelde voorschriften. Hierbij gaat het ten eerste onder meer om voorschriften waarbij wordt vereist dat sprake is van een band tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land op grond waarvan het voor die verzoeker redelijk zou zijn om zich naar dat land te begeven. Ten tweede moet worden voorzien in voorschriften betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip „veilig derde land” op een bepaald land of op een bepaalde persoon die om internationale bescherming verzoekt, kan worden toegepast, waarbij die methode onder meer dient te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een dergelijke verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig. Ten derde gaat het om voorschriften overeenkomstig internationaal recht die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde verzoeker om internationale bescherming veilig is, en die de verzoeker in staat stellen om zowel de toepassing van het begrip „veilig derde land” in zijn specifieke omstandigheden als het bestaan van een band tussen hem en dat land aan te vechten.
47 In de derde plaats verplicht artikel 38, leden 3 en 4, van die richtlijn de lidstaten om bij de uitvoering van een uitsluitend op het begrip „veilig derde land” gebaseerd besluit de persoon die om internationale bescherming verzoekt daarvan op de hoogte te brengen en hem een document te verschaffen waarin de autoriteiten van het betrokken derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat zijn verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. Wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de verzoeker toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II van die richtlijn.
48 De in artikel 38 van richtlijn 2013/32 gestelde voorwaarden zijn cumulatief, zodat de in artikel 33, lid 2, onder c), van die richtlijn genoemde grond voor niet-ontvankelijkheid niet kan worden toegepast indien een van deze voorwaarden niet is vervuld [arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49 In het licht van deze inleidende opmerkingen moet eerst de vierde en vervolgens de derde vraag worden onderzocht, die betrekking hebben op respectievelijk punt a) en punt b) van artikel 38, lid 2, van richtlijn 2013/32.
Vierde vraag
50 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om in hun nationale recht criteria op te nemen bij de vervulling waarvan kan worden aangenomen dat er een band bestaat tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land.
51 Zoals in punt 46 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beoogt deze bepaling dat de toepassing van het begrip „veilig derde land” afhankelijk is van de in het nationale recht vastgestelde voorschriften waarbij wordt vereist dat sprake is van een band tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land op grond waarvan het voor die verzoeker redelijk zou zijn om zich naar dat land te begeven.
52 Uit die bepaling, gelezen in het licht van overweging 44 van richtlijn 2013/32, volgt dus dat het aan de lidstaten staat om in hun nationale recht de band te definiëren die is vereist tussen een persoon die om internationale bescherming verzoekt en een veilig derde land. Daartoe moeten de lidstaten, bij gebreke van enige definitie van het begrip „band” in deze richtlijn, de criteria vaststellen aan de hand waarvan een dergelijke band kan worden vastgesteld.
53 In dit verband blijkt uit overweging 44 ook dat deze band voldoende moet zijn om de terugkeer van die verzoeker naar dat land redelijk te maken [zie in die zin arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 46].
54 In die context heeft het Hof bovendien geoordeeld dat de omstandigheid dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, over het grondgebied van een derde land is gereisd, op zich geen geldige reden kan vormen om aan te nemen dat die persoon redelijkerwijs naar dat land kan terugkeren [zie in die zin arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 47].
55 In casu staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het Bulgaarse recht de „band” in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 definieert, waarbij moet worden opgemerkt dat uit § 1, punt 9, van de aanvullende bepalingen bij de ZUB lijkt te volgen dat het Bulgaarse recht het bestaan van een dergelijke band bepaalt aan de hand van een criterium dat verband houdt met het „verblijf” van de persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land. Indien dat het geval zou zijn, staat het nog steeds aan die rechter om te bepalen of – gelet op alle omstandigheden van een eventueel eerder verblijf van de betrokken verzoeker in het betrokken derde land, zoals de duur van en de redenen voor dat verblijf en de aanwezigheid in dat derde land van naaste familieleden van die verzoeker – een dergelijk verblijf volstaat om aan te nemen dat er tussen die verzoeker en dat derde land een zodanige band bestaat dat deze verzoeker redelijkerwijs naar dat land kan terugkeren.
56 Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om in hun nationale recht criteria op te nemen waarmee bij de vervulling ervan kan worden aangenomen dat er een band bestaat tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land, met dien verstande dat deze band voldoende moet zijn om de terugkeer van deze verzoeker naar dat land redelijk te maken.
Derde vraag
57 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 38, lid 2, onder b), van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de beslissingsautoriteit het begrip „veilig derde land” kan toepassen op basis van informatie uit algemeen beschikbare bronnen en een besluit van de uitvoerende macht tot vaststelling van een lijst van veilige derde landen, zonder dat het nationale recht „methoden” in de zin van deze bepaling definieert.
58 In de eerste plaats, zoals in punt 46 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, bepaalt artikel 38, lid 2, onder b), van richtlijn 2013/32 dat de toepassing van het begrip „veilig derde land” onderworpen is aan voorschriften in het nationale recht betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat dit begrip kan worden toegepast op een bepaald land of een bepaalde persoon die om internationale bescherming verzoekt. Bovendien moeten deze methoden bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een dergelijke verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig.
59 Uit de bewoordingen zelf van deze bepaling, en met name uit de verwijzing naar het nationale recht en uit de uitdrukking „en/of” in de tweede volzin van die bepaling, volgt dus dat deze bepaling de lidstaten de mogelijkheid biedt om te kiezen tussen verschillende methoden voor de toepassing van het begrip „veilig derde land”, die zij in hun nationale recht moeten definiëren. De lidstaten kunnen dus in beginsel voorzien in hetzij een veiligheidsstudie per land voor elke persoon die om internationale bescherming verzoekt, hetzij een aanduiding van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig, hetzij een combinatie van deze twee methoden.
60 Wat meer in het bijzonder de methode betreft om te voorzien in een aanduiding van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig, heeft het Hof geoordeeld dat artikel 38 van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van de overwegingen 44 en 46 ervan, het een lidstaat mogelijk maakt om door middel van een handeling van algemene strekking een land aan te merken als een derde land dat over het algemeen veilig is voor bepaalde verzoekers om internationale bescherming (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Elliniko Symvoulio gia tous Prosfyges en Ypostirixi Prosfygon sto Aigaio, C‑134/23, EU:C:2024:838, punten 43‑45).
61 Bovendien moeten de lidstaten volgens overweging 46 van deze richtlijn, met het oog op de toepassing van het begrip „veilig derde land”, per geval of door de aanwijzing van dergelijke landen middels handelingen van algemene strekking, onder meer rekening houden met richtsnoeren en operationele handleidingen, alsook met informatie over landen van herkomst en activiteiten, met inbegrip van de door het in de plaats van het EASO gekomen Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) ontwikkelde methodologie voor de rapportage inzake informatie over het land van herkomst en met de relevante richtsnoeren van de UNHCR.
62 De informatie in deze niet-uitputtende lijst heeft als gemeenschappelijk kenmerk dat zij toegankelijk is voor het publiek. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de lidstaten voor de toepassing van het begrip „veilig derde land” rekening kunnen houden met informatie uit algemeen beschikbare bronnen.
63 Hieruit volgt dat de beslissingsautoriteit in beginsel het begrip „veilig derde land” kan toepassen op basis van informatie uit algemeen beschikbare bronnen en een overeenkomstig het nationale recht vastgesteld besluit van de uitvoerende macht tot vaststelling van een lijst van veilige derde landen.
64 In de tweede plaats moet echter ook rekening worden gehouden met artikel 38, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32. Volgens deze bepaling moeten de lidstaten voorschriften vaststellen die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land veilig is voor een bepaalde persoon die om internationale bescherming verzoekt, welke voorschriften hem met name in staat moeten stellen om de toepassing van het begrip „veilig derde land” in het licht van zijn specifieke situatie alsmede het bestaan van een band tussen hem en dat derde land aan te vechten (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Elliniko Symvoulio gia tous Prosfyges en Ypostirixi Prosfygon sto Aigaio, C‑134/23, EU:C:2024:838, punt 44).
65 Zelfs wanneer een lidstaat er overeenkomstig artikel 38, lid 2, onder b), van richtlijn 2013/32 voor kiest om, wat de methoden voor de toepassing van het begrip „veilig derde land” betreft, te voorzien in de aanwijzing van veilige derde landen door middel van een handeling van algemene strekking, staat het dus nog steeds aan de lidstaat om overeenkomstig artikel 38, lid 2, onder b) en c), van deze richtlijn de methoden vast te stellen met behulp waarvan per geval op basis van de specifieke omstandigheden van de betrokken persoon die om internationale bescherming verzoekt, wordt beoordeeld of het betrokken derde land voldoet aan de voorwaarden om als veilig voor die verzoeker te worden beschouwd, en om die verzoeker de mogelijkheid te bieden om het bestaan van een band in de zin van laatstgenoemde bepaling aan te vechten [zie in die zin arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 48].
66 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 38, lid 2, onder b) en c), van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de beslissingsautoriteit het begrip „veilig derde land” kan toepassen op basis van informatie uit algemeen beschikbare bronnen en een besluit van de uitvoerende macht tot vaststelling van een lijst van veilige derde landen, op voorwaarde dat het nationale recht ook voorziet in de methoden met behulp waarvan per geval op basis van de specifieke omstandigheden van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, wordt beoordeeld of het betrokken derde land voldoet aan de voorwaarden om als veilig voor die verzoeker te worden beschouwd, en in de mogelijkheid voor die verzoeker om het bestaan van een band in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van deze richtlijn aan te vechten.
Vijfde vraag
67 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking kan nemen die de nationale rechter niet heeft vermeld in de formulering van zijn vraag (zie arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 44).
68 De omstandigheid dat de verwijzende rechter in zijn vragen formeel heeft verwezen naar bepaalde specifieke bepalingen van het Unierecht belet het Hof niet om hem alle uitleggingsgegevens te verschaffen die nuttig kunnen zijn voor de uitspraak in het hoofdgeding, door uit alle door deze rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 45).
69 In casu moet worden opgemerkt dat de vijfde vraag formeel alleen betrekking heeft op de uitlegging van artikel 38, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32. Uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing en uit de bewoordingen zelf van deze vraag blijkt echter ondubbelzinnig dat de verwijzende rechter daarmee duidelijkheid wenst te verkrijgen over de gevolgen van het recht op effectieve rechterlijke bescherming van een persoon die om internationale bescherming verzoekt en wiens verzoek is afgewezen op grond dat er voor hem een veilig derde land bestaat.
70 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet dus ook rekening worden gehouden met de bepalingen van artikel 46, leden 1 en 3, van deze richtlijn en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), die betrekking hebben op het recht op effectieve rechterlijke bescherming.
71 In die omstandigheden moet de vijfde vraag aldus worden opgevat dat de verwijzende rechter daarmee in essentie wenst te vernemen of artikel 38, lid 2, onder c), en artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming op grond van de in artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn opgenomen niet‑ontvankelijkheidsgrond inzake het bestaan van een veilig derde land, moet nagaan of er sprake is van een band, in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van die richtlijn, tussen de verzoeker en het betrokken derde land, ook indien het nationale recht hem geen dergelijke bevoegdheid toekent.
72 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 aan personen die om internationale bescherming verzoeken het recht toekent om bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen tegen beslissingen die inzake hun verzoek zijn gegeven. Artikel 46, lid 3, van deze richtlijn definieert de omvang van het recht op een doeltreffend rechtsmiddel door te preciseren dat de lidstaten die aan deze richtlijn zijn gebonden, ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instantie waarbij tegen het besluit inzake het betrokken verzoek om internationale bescherming wordt opgekomen, een „volledig en ex‑nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden [uitvoert], met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]” (arrest van 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Verder zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de kenmerken van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel moeten worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt. Artikel 47 van het Handvest volstaat op zichzelf en hoeft niet te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Bijgevolg kan dit niet anders liggen voor artikel 46, lid 3, van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest (arresten van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 86, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 77).
74 Voorts heeft het Hof geoordeeld dat zelfs in het geval van een beroep tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard, de rechter bij wie een dergelijk beroep is ingesteld, gehouden is het in artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 bedoelde volledige en ex-nunconderzoek te verrichten [arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 66]. De woorden „indien van toepassing”, die deel uitmaken van de zinsnede „met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]”, wijzen er namelijk op dat het volledige en ex-nunconderzoek dat de rechter moet uitvoeren niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op het onderzoek ten gronde van de behoeften aan internationale bescherming en dat dit dus betrekking kan hebben op de ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming, wanneer het nationale recht dit op grond van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 toestaat [arresten van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 115, en 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 67].
75 Wat in dit verband in het bijzonder een beroep betreft tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard op grond van de in artikel 33, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32 opgenomen niet-ontvankelijkheidsgrond inzake het bestaan van een veilig derde land, moet de rechter bij wie een dergelijk beroep is ingesteld, in het kader van het volledige en geactualiseerde onderzoek dat hij moet verrichten, met name nagaan of het betrokken derde land voor de betrokken persoon die om internationale bescherming verzoekt als veilig derde land kan worden beschouwd [zie in die zin arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 68].
76 Met het oog op dat onderzoek moet deze rechter uiterst nauwgezet nagaan of er is voldaan aan elk van de in artikel 38 van richtlijn 2013/32 opgenomen cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van deze grond voor niet-ontvankelijkheid, door in voorkomend geval de beslissingsautoriteit te verzoeken alle mogelijk relevante documentatie en feitelijke gegevens over te leggen. Ook dient hij, alvorens uitspraak te doen, zich ervan te vergewissen dat de verzoeker zijn standpunt over de toepasselijkheid van de niet‑ontvankelijkheidsgrond op zijn specifieke situatie persoonlijk heeft kunnen uiteenzetten [zie in die zin arresten van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punten 121 en 124, en 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 69].
77 Het bestaan van een band in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 vormt een van deze cumulatieve voorwaarden. Verder vereist artikel 38, lid 2, onder c), van deze richtlijn dat elke persoon die om internationale bescherming verzoekt en wiens verzoek wordt afgewezen omdat er voor hem een veilig derde land bestaat, in staat wordt gesteld om te weerleggen dat er overeenkomstig eerstgenoemde bepaling sprake is van een band tussen hem en dat derde land.
78 Wat het hoofdgeding betreft, staat het dus aan de verwijzende rechter om met name te onderzoeken of er een band bestaat tussen NP en de Republiek Turkije. Gelet op de in punt 73 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, moet deze rechter dit onderzoek ook verrichten indien het Bulgaarse recht hem, zoals hij in het verzoek om een prejudiciële beslissing opmerkt, geen dergelijke bevoegdheid toekent.
79 Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 38, lid 2, onder c), en artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming op grond van de in artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn opgenomen niet-ontvankelijkheidsgrond inzake het bestaan van een veilig derde land, moet nagaan of er sprake is van een band, in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van die richtlijn, tussen de verzoeker en het betrokken derde land, ook al kent het nationale recht hem geen dergelijke bevoegdheid toe.
Kosten
80 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 33, lid 2, onder c), en artikel 38 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming moeten aldus worden uitgelegd dat – de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden toegepast bij de inhoudelijke behandeling van een verzoek om internationale bescherming; – een inhoudelijk behandeld verzoek als niet-ontvankelijk kan worden afgewezen op grond dat een derde land als een voor de verzoeker veilig derde land wordt beschouwd, zelfs wanneer de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat deze verzoeker voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming zoals bepaald in richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming. Een dergelijk verzoek kan daarentegen alleen ongegrond of zelfs kennelijk ongegrond worden verklaard onder de voorwaarden van artikel 32 van richtlijn 2013/32 en kan in geen geval ongegrond worden verklaard op basis van de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van laatstgenoemde richtlijn.
2) Artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om in hun nationale recht criteria op te nemen bij de vervulling waarvan kan worden aangenomen dat er een band bestaat tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land, met dien verstande dat deze band voldoende moet zijn om de terugkeer van deze verzoeker naar dat land redelijk te maken.
3) Artikel 38, lid 2, onder b) en c), van richtlijn 2013/32 moet aldus worden uitgelegd dat de beslissingsautoriteit het begrip „veilig derde land” kan toepassen op basis van informatie uit algemeen beschikbare bronnen en een besluit van de uitvoerende macht tot vaststelling van een lijst van veilige derde landen, op voorwaarde dat het nationale recht ook voorziet in de methoden met behulp waarvan per geval op basis van de specifieke omstandigheden van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, wordt beoordeeld of het betrokken derde land voldoet aan de voorwaarden om als veilig voor die verzoeker te worden beschouwd, en in de mogelijkheid voor die verzoeker om het bestaan van een band in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van deze richtlijn aan te vechten.
4) Artikel 38, lid 2, onder c), en artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming op grond van de in artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn opgenomen niet-ontvankelijkheidsgrond inzake het bestaan van een veilig derde land, moet nagaan of er sprake is van een band, in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van die richtlijn, tussen de verzoeker en het betrokken derde land, ook al kent het nationale recht hem geen dergelijke bevoegdheid toe.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-758/24, ECLI:EU:C:2025:591
- HvJ EU 3 juni 2025, C-460/23, ECLI:EU:C:2025:392
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-134/23, ECLI:EU:C:2024:838
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-406/22, ECLI:EU:C:2024:841
- HvJ EU 18 juni 2024, C-753/22, ECLI:EU:C:2024:524
- HvJ EU 22 februari 2022, C-483/20, ECLI:EU:C:2022:103
- HvJ EU 15 april 2021, C-194/19, ECLI:EU:C:2021:270
- HvJ EU 19 maart 2020, C-564/18, ECLI:EU:C:2020:218
- HvJ EU 19 maart 2019, C-297/17, ECLI:EU:C:2019:219
- HvJ EU 25 juli 2018, C-585/16, ECLI:EU:C:2018:584
- HvJ EU 17 maart 2016, C-695/15, ECLI:EU:C:2016:188
- HvJ EU 28 november 2000, C-88/99, ECLI:EU:C:2000:652
- HvJ EU 17 juli 1997, C-334/95, ECLI:EU:C:1997:378
- HvJ EU 20 maart 1986, 35/85, ECLI:EU:C:1986:143
- HvJ EU 29 november 1978, 83/78, ECLI:EU:C:1978:214