HvJ EU 19 maart 2020, C-564/18, ECLI:EU:C:2020:218

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

19 maart 2020 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Verzoek om internationale bescherming – Artikel 33, lid 2 – Gronden voor niet-ontvankelijkheid – Nationale regeling op grond waarvan het verzoek niet-ontvankelijk is wanneer de verzoeker in de betrokken lidstaat is aangekomen via een land waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld of waar toereikende bescherming wordt geboden – Artikel 46 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Rechterlijke toetsing van administratieve beslissingen inzake de ontvankelijkheid van verzoeken om internationale bescherming – Beslissingstermijn van acht dagen – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”

In zaak C-564/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 21 augustus 2018, ingekomen bij het Hof op 7 september 2018, in de procedure

LH

tegen

Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, M. Safjan, L. Bay Larsen en C. Toader, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 september 2019,

gelet op de opmerkingen van:

– LH, vertegenwoordigd door T. Á. Kovács en B. Pohárnok, ügyvédek,

– de Hongaarse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, G. Tornyai en M. M. Tátrai, vervolgens door M. Z. Fehér en M. M. Tátrai als gemachtigden,

– de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz, vervolgens door R. Kanitz als gemachtigden,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, D. Dubois en E. de Moustier als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande, A. Tokár en J. Tomkin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 december 2019,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 33 en artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60, met rectificatie in PB 2015, L 29, blz. 18), alsook van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LH en Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (immigratie- en asieldienst, Hongarije) naar aanleiding van het besluit van laatstgenoemde om het verzoek van LH om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren zonder de inhoud ervan te beoordelen, om zijn verwijdering te gelasten en om hem een inreis- en verblijfsverbod van twee jaar op te leggen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de overwegingen 11, 12, 18, 43, 44, 50, 56 en 60 van richtlijn 2013/32 is bepaald: „(11) Met het oog op het garanderen van een grondige en doeltreffende beoordeling van de behoefte aan internationale bescherming van verzoekers in de zin van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming [(PB 2011, L 337, blz. 9)] moet het rechtskader van de Unie betreffende procedures voor het verlenen en intrekken van internationale bescherming gebaseerd zijn op het begrip ‚een eenheidsprocedure voor asiel’. (12) Deze richtlijn is in de eerste plaats bedoeld om verdere normen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming te ontwikkelen met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijke asielprocedure in de Unie. […] (18) Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling. […] (43) De lidstaten moeten alle verzoeken onderzoeken op de inhoud, met andere woorden beoordelen of de betrokken verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], behoudens andere bepalingen in onderhavige richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen of voldoende bescherming zal verlenen. […] (44) De lidstaten dienen niet te worden verplicht de inhoud van een verzoek om internationale bescherming te beoordelen indien op grond van een voldoende band met een derde land, zoals omschreven in het nationale recht, redelijkerwijs kan worden verwacht dat de verzoeker in dat derde land bescherming zoekt, en er redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker tot dat land zal worden toegelaten of opnieuw zal worden toegelaten. De lidstaten mogen slechts op die basis handelen indien die verzoeker in het betrokken derde land veilig is. Teneinde secundaire stromen verzoekers te vermijden, moeten gemeenschappelijke principes worden vastgesteld voor het als veilig beschouwen of aanmerken van derde landen door de lidstaten. […] (50) Krachtens een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie moet tegen beslissingen inzake een verzoek om internationale bescherming […] een daadwerkelijk rechtsmiddel openstaan voor een rechterlijke instantie. […] (56) Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming […]. […] (60) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn neergelegd in het Handvest. Deze richtlijn beoogt meer bepaald te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd en te bevorderen dat de artikelen 1, 4, 18, 19, 21, 23, 24 en 47 van het Handvest worden toegepast en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.”

4 Artikel 1 van richtlijn 2013/32 bepaalt: „Deze richtlijn beoogt de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming uit hoofde van [richtlijn 2011/95].”

5 Artikel 12 van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Waarborgen voor verzoekers”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de in hoofdstuk III vervatte procedures voor alle verzoekers de volgende waarborgen gelden: […] b) zij moeten, telkens wanneer dat nodig is, gebruik kunnen maken van de diensten van een tolk als zij hun zaak voorleggen aan de bevoegde autoriteiten […]; c) het wordt verzoekers niet onmogelijk gemaakt contact op te nemen met de [Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR)] of met een andere organisatie die juridisch advies of andere counseling geeft […]; d) zij, en in voorkomend geval, hun juridische adviseurs of andere raadslieden overeenkomstig artikel 23, lid 1, hebben toegang tot de in artikel 10, lid 3, onder b), bedoelde informatie en tot de door de in artikel 10, lid 3, onder d) bedoelde deskundigen verstrekte informatie […]; e) zij worden binnen een redelijke termijn op de hoogte gesteld van de beslissing van de beslissingsautoriteit over hun verzoek […]; […] 2. De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de in hoofdstuk V vervatte procedures voor alle verzoekers waarborgen gelden welke gelijkwaardig zijn aan de in lid 1, onder b) tot en met e), vermelde waarborgen.”

6 Artikel 20, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zorgen ervoor dat op verzoek kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging wordt geboden in de in hoofdstuk V bedoelde beroepsprocedures. […]”

7 Artikel 22 van die richtlijn kent aan verzoekers om internationale bescherming het recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging in alle fasen van de procedure toe.

8 Artikel 24 van die richtlijn, met als opschrift „Verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven”, bepaalt in lid 3: „De lidstaten zorgen ervoor dat verzoekers waarvan is geconstateerd dat zij bijzondere procedurele waarborgen behoeven, zolang de asielprocedure loopt passende steun krijgen, zodat zij aanspraak kunnen maken op de rechten en kunnen voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. […]”

9 Artikel 25 van richtlijn 2013/32 voorziet in waarborgen voor niet-begeleide minderjarigen.

10 Artikel 31 van die richtlijn, met als opschrift „Behandelingsprocedure”, dat hoofdstuk III van de richtlijn, „Procedures in eerste aanleg” inleidt, bepaalt in lid 2: „De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling.”

11 Artikel 33 van die richtlijn luidt als volgt: „1. Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening (EU) nr. 604/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31)], zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. 2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer: a) een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend; b) een land dat geen lidstaat is, ingevolge artikel 35 voor de verzoeker als eerste land van asiel wordt beschouwd; c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd; d) het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig [richtlijn 2011/95]; of e) een persoon die ten laste van de verzoeker komt, een verzoek indient nadat hij er overeenkomstig artikel 7, lid 2, mee heeft ingestemd dat zijn geval deel uitmaakt van een namens hem ingediend verzoek en geen met de situatie van de ten laste komende persoon verband houdende feiten een apart verzoek rechtvaardigen.”

12 Artikel 35 van richtlijn 2013/32 bepaalt: „Een land kan worden beschouwd als eerste land van asiel voor een bepaalde verzoeker wanneer: a) de verzoeker in dat land is erkend als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of b) hij anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het genot van het beginsel van non-refoulement, mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten. Bij de toepassing van het begrip ‚eerste land van asiel’ op de bijzondere omstandigheden van een verzoeker kunnen de lidstaten rekening houden met artikel 38, lid 1. De verzoeker mag de toepassing van het begrip ‚eerste land van asiel’ op zijn bijzondere omstandigheden aanvechten.”

13 Artikel 38 van die richtlijn luidt: „1. De lidstaten mogen het begrip ‚veilig derde land’ alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: a) het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging; b) er bestaat geen risico op ernstige schade in de zin van [richtlijn 2011/95]; c) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het [Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, dat is ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], zoals aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat is opgesteld in New York op 31 januari 1967 en op 4 oktober 1967 in werking is getreden (hierna: ‚Verdrag van Genève’)] wordt nageleefd; d) het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en e) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève. 2. De toepassing van het begrip ‚veilig derde land’ is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht, waaronder: a) voorschriften waarbij een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan; b) voorschriften betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip ‚veilig derde land’ op een bepaald land of een bepaalde verzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig; c) voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde verzoeker veilig is; deze voorschriften moeten ten minste de verzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip ‚veilig derde land’ aan te vechten op grond van het feit dat het derde land in zijn specifieke omstandigheden niet veilig is. De verzoeker moet ook in de gelegenheid worden gesteld om het bestaan van de onder a) bedoelde band tussen hem en het derde land aan te vechten. 3. Bij de uitvoering van een uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen de lidstaten: a) de verzoeker hiervan op de hoogte te brengen, en b) hem een document te verschaffen waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht. 4. Wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II. 5. De lidstaten stellen de Commissie op gezette tijden in kennis van de landen waarop dit begrip wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.”

14 Artikel 46, leden 1, 3, 4 en 10, van richtlijn 2013/32 bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing: […] ii) om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2; […] […] 3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg. 4. De lidstaten stellen redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen. […] […] 10. De lidstaten kunnen termijnen vastleggen voor het onderzoek door de in lid 1 bedoelde rechterlijke instantie van beslissingen van de beslissingsautoriteit.”

Hongaars recht

15 Artikel XIV, lid 4, van de Magyarország Alaptörvénye (Hongaarse grondwet), zoals gewijzigd op 29 juni 2018, bepaalt: „Hongarije verleent personen die niet de Hongaarse nationaliteit bezitten en die in hun land van herkomst of in het land waar zij gewoonlijk verblijven worden vervolgd of de gegronde vrees koesteren aldaar te zullen worden vervolgd op grond van hun ras, nationaliteit, de sociale groep waartoe zij behoren of hun religieuze of politieke overtuigingen, op hun verzoek asielrecht indien hun geen bescherming wordt geboden door hun land van herkomst of door enig ander land. Personen die niet de Hongaarse nationaliteit bezitten en die op het grondgebied van Hongarije zijn aangekomen via een land waar zij niet aan vervolging of een rechtstreeks risico van vervolging waren blootgesteld, komen niet voor asiel in aanmerking.”

16 § 6, lid 1, van de menedékjogról szóló 2007. évi LXXX. törvény (wet nr. LXXX van 2007 inzake het recht op asiel), in de versie die geldt sinds 1 juli 2018 (hierna: „wet inzake het recht op asiel”), luidt als volgt: „Vreemdelingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel XIV, lid 4, eerste volzin, van de Hongaarse grondwet, worden door Hongarije als vluchteling erkend.”

17 § 12, lid 1, van de wet inzake het recht op asiel bepaalt: „Hongarije kent de subsidiairebeschermingsstatus toe aan een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden om te worden erkend als vluchteling, maar risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst, en die de bescherming van zijn land van herkomst niet kan of – of uit vrees voor dat risico – niet wil aanvragen.”

18 § 51, lid 2, van die wet bepaalt: „Het verzoek is niet-ontvankelijk indien […] e) een derde land kan worden beschouwd als een veilig derde land voor de verzoeker; f) de verzoeker Hongarije is binnengekomen via een land waar hij niet is blootgesteld aan vervolging in de zin van § 6, lid 1, of aan een risico op ernstige schade in de zin van § 12, lid 1, of waar een toereikende bescherming wordt gewaarborgd.”

19 Volgens § 53, leden 2 en 4, van de wet inzake het recht op asiel kan tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een asielverzoek door de nationale asielautoriteit beroep worden ingesteld bij de rechter, die binnen acht dagen na ontvangst van het verzoek uitspraak moet doen.

20 § 2 van regeringsdecreet nr. 191/2015 van 21 juli 2015 bevat een lijst van landen die als veilige derde landen worden beschouwd. Deze lijst omvat de lidstaten en de staten die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie, waaronder de Republiek Servië.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21 Verzoeker in het hoofdgeding is een Syrische staatsburger van Koerdische afkomst, die in Hongarije in een transitzone is aangekomen. Op 19 juli 2018 heeft hij bij de immigratie- en asieldienst een verzoek om internationale bescherming ingediend. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft hij aangevoerd dat hij reeds vóór de oorlog in Europa wilde wonen om er archeologie te studeren.

22 De immigratie- en asieldienst heeft dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van § 51, lid 2, onder f), van de wet inzake het recht op asiel, dus zonder de inhoud van het verzoek te beoordelen, en heeft vastgesteld dat het beginsel van non-refoulement niet van toepassing was op verzoeker in het hoofdgeding. Daarop heeft de immigratie- en asieldienst ten aanzien van verzoeker in het hoofdgeding een terugkeerbesluit vastgesteld waarbij deze werd gelast het grondgebied van de Unie te verlaten en terug te keren naar het Servische grondgebied en voorts heeft hij ter uitvoering van dat besluit een verwijderingsmaatregel gelast. Het terugkeerbesluit ging gepaard met een inreis- en verblijfsverbod van twee jaar.

23 Verzoeker in het hoofdgeding is bij de verwijzende rechter opgekomen tegen dat besluit.

24 De verwijzende rechter, die van oordeel is dat de lijst van niet-ontvankelijkheidsgronden van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 uitputtend is en dat § 51, lid 2, onder f), van de wet inzake het recht op asiel inhoudelijk niet in verband kan worden gebracht met een van de in artikel 33, lid 2, van die richtlijn opgesomde gronden voor niet-ontvankelijkheid, vraagt zich af of de nationale regeling geen nieuwe niet-ontvankelijkheidsgrond heeft ingevoerd die in strijd is met het Unierecht.

25 Voorts stelt de verwijzende rechter vast dat § 53, lid 4, van de wet inzake het recht op asiel de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard, verplicht om uitspraak te doen binnen een termijn van acht dagen na ontvangst van het verzoek. De verwijzende rechter is van oordeel dat een dergelijke termijn, gelet op de individuele omstandigheden en de bijzonderheden van de betrokken zaak, onvoldoende kan blijken om bewijzen te verkrijgen en het feitelijke kader vast te stellen, en dus om een naar behoren gemotiveerde rechterlijke beslissing te geven. Deze rechter vraagt zich dan ook af of de betrokken nationale regeling verenigbaar is met artikel 31, lid 2, van richtlijn 2013/32 en artikel 47 van het Handvest.

26 In deze omstandigheden heeft de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Boedapest, Hongarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kunnen de bepalingen betreffende niet-ontvankelijke verzoeken van artikel 33 van [richtlijn 2013/32] aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen de regeling van een lidstaat volgens welke een verzoek in het kader van een asielprocedure niet-ontvankelijk is wanneer de verzoeker in de desbetreffende lidstaat, Hongarije, is aangekomen via een land waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld of waar een toereikend beschermingsniveau wordt gewaarborgd? 2) Kunnen artikel 47 van het [Handvest] en artikel 31 van [richtlijn 2013/32] – mede in het licht van de artikelen 6 en 13 van het [Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950] – aldus worden uitgelegd dat de regeling van een lidstaat in overeenstemming is met die bepalingen wanneer deze in asielprocedures met betrekking tot niet-ontvankelijk verklaarde verzoeken voor de bestuursrechtelijke procedure voor de rechter voorziet in een dwingende termijn van acht dagen?”

Procedure bij het Hof

27 De verwijzende rechter heeft verzocht de zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Op 19 september 2018 heeft de Eerste kamer, de advocaat-generaal gehoord, beslist dat verzoek niet in te willigen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 33 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat de verzoeker het grondgebied van de betrokken lidstaat is binnengekomen via een staat waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld, of waar een toereikend beschermingsniveau wordt gewaarborgd.

29 Volgens artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 zijn de lidstaten, naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening nr. 604/2013, niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95 indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. In artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 wordt een exhaustieve opsomming gegeven van de situaties waarin de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen (arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, EU:C:2019:219, punt 76).

30 Het uitputtende karakter van de opsomming in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 berust zowel op de bewoordingen van dat artikel – met name op de term „alleen” die voorafgaat aan de opsomming van de gronden voor niet-ontvankelijkheid – als op het doel ervan, dat er juist in bestaat, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om een verzoek om internationale bescherming te behandelen, te verlichten door te omschrijven in welke gevallen een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk wordt geacht (zie in die zin arrest van 17 maart 2016, Mirza, C-695/15 PPU, EU:C:2016:188, punt 43).

31 Bijgevolg moet worden nagegaan of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, kan worden geacht uitvoering te geven aan een van de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 genoemde gronden voor niet-ontvankelijkheid.

32 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals de Hongaarse regering ter terechtzitting heeft bevestigd, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling betrekking heeft op twee verschillende situaties die leiden tot de niet-ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming, namelijk, ten eerste, de situatie waarin de verzoeker Hongarije is binnengekomen via een staat waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld, en, ten tweede, die waarin de verzoeker in die lidstaat is aangekomen via een staat waarin een toereikend niveau van bescherming wordt gewaarborgd.

33 Gelet op de inhoud van zowel deze regeling als artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, moet meteen worden uitgesloten dat met de in deze regeling genoemde gronden voor niet-ontvankelijkheid de in artikel 33, lid 2, onder a), d) en e), van deze richtlijn genoemde gronden voor niet-ontvankelijkheid ten uitvoer kunnen worden gelegd. Alleen de niet-ontvankelijkheidsgronden betreffende het eerste land van asiel en het veilige derde land, die respectievelijk onder b) en c) van artikel 33, lid 2, van die richtlijn zijn vermeld, kunnen in dat verband in aanmerking worden genomen.

34 In deze context stelt de Hongaarse regering dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling strekt tot aanvulling van de nationale regeling die is vastgesteld om de in artikel 33, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond met betrekking tot een veilig derde land toe te passen.

35 In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens deze bepaling een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen wanneer een land dat geen lidstaat is uit hoofde van artikel 38 van richtlijn 2013/32 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd.

36 Zoals de advocaat-generaal in de punten 42 tot en met 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit artikel 38 van richtlijn 2013/32 dat het begrip „veilig derde land” in de zin van artikel 33, lid 2, onder c), van deze richtlijn slechts kan worden toegepast indien er is voldaan aan de in de leden 1 tot en met 4 van dat artikel 38 gestelde voorwaarden.

37 In het bijzonder vereist artikel 38, lid 1, van richtlijn 2013/32, in de eerste plaats, dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zich ervan hebben vergewist dat het betrokken derde land de beginselen zal naleven die expliciet in die bepaling zijn genoemd, te weten, ten eerste, het leven en de vrijheid van de persoon die om internationale bescherming verzoekt worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, ten tweede, personen die om internationale bescherming verzoeken lopen geen risico op ernstige schade in de zin van richtlijn 2011/95, ten derde, het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd, ten vierde, het is verboden verwijderingsmaatregelen vast te stellen in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen zoals neergelegd in het internationaal recht en, ten vijfde, personen die om internationale bescherming verzoeken hebben de mogelijkheid om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien zij als vluchteling worden erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève.

38 In de tweede plaats is de toepassing van het begrip „veilig derde land” volgens artikel 38, lid 2, van richtlijn 2013/32 onderworpen aan voorschriften in het nationale recht, met name van, ten eerste, voorschriften waarbij een zodanige band tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor die verzoeker redelijk zou zijn naar dat land te gaan, ten tweede, voorschriften die voorzien in de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip „veilig derde land” op een bepaald land of een bepaalde persoon die om internationale bescherming verzoekt, kan worden toegepast, waarbij een dergelijke methode bovendien dient te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die over het algemeen als veilig worden beschouwd, en ten derde, voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde persoon die om internationale bescherming verzoekt veilig is en die in dat verband de verzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip „veilig derde land” op zijn specifieke omstandigheden en het bestaan van een band tussen hem en het derde land aan te vechten.

39 In de derde plaats verplicht artikel 38, leden 3 en 4, van richtlijn 2013/32 de lidstaten om bij de uitvoering van een uitsluitend op het begrip „veilig derde land” gebaseerde beslissing de persoon die om internationale bescherming had verzocht daarvan op de hoogte te brengen, hem een document te verschaffen waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht en, wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, ervoor te zorgen dat de verzoeker toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II van die richtlijn.

40 Er zij op gewezen dat de in artikel 38 van richtlijn 2013/32 gestelde voorwaarden cumulatief zijn (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punt 121), zodat de in artikel 33, lid 2, onder c), van die richtlijn genoemde grond voor niet-ontvankelijkheid niet kan worden toegepast indien een van deze voorwaarden niet is vervuld.

41 Bijgevolg kan een nationale regeling die tot gevolg heeft dat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard, slechts een toepassing vormen van de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van richtlijn 2013/32 voor zover deze regeling voldoet aan alle voorwaarden van artikel 38 van deze richtlijn.

42 Wat in casu in de eerste plaats de voorwaarde van artikel 38, lid 1, van richtlijn 2013/32 betreft, blijkt uit de bewoordingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling – doch dit moet door de verwijzende rechter worden nagegaan – dat de toepassing van de niet-ontvankelijkheidsgrond die is ontleend aan het eerste in deze regeling bedoelde geval slechts is onderworpen aan de naleving in het betrokken derde land van een deel van de in artikel 38, lid 1, van die richtlijn neergelegde beginselen. Met name is er niet voldaan aan het vereiste dat het beginsel van non-refoulement in dat land in acht wordt genomen. Aan de voorwaarde van artikel 38, lid 1, van deze richtlijn is dus niet voldaan.

43 Wat de grond voor niet-ontvankelijkheid betreft die is ontleend aan het tweede geval dat wordt bedoeld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, heeft de verwijzende rechter geen enkele aanwijzing verstrekt over de inhoud van het door deze regeling vereiste „toereikende beschermingsniveau” en met name niet over de vraag of een dergelijk beschermingsniveau inhoudt dat in het betrokken derde land alle in artikel 38, lid 1, van richtlijn 2013/32 neergelegde beginselen worden nageleefd. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit het geval is.

44 Wat in de tweede plaats de voorwaarden van artikel 38, lid 2, van richtlijn 2013/32 betreft, en met name de voorwaarde dat er een band bestaat tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land, is de band die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling legt tussen een dergelijke verzoeker en het betrokken derde land, louter ontleend aan het feit dat die verzoeker over het grondgebied van dat land is gereisd.

45 Bijgevolg dient te worden nagegaan of een dergelijke doorreis een „band” kan vormen in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32.

46 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit overweging 44 en artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, de band die moet bestaan tussen de persoon die om internationale bescherming verzoekt en het betrokken derde land voor de toepassing van de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder c), van die richtlijn, voldoende moet zijn om de terugkeer van die verzoeker naar dat land redelijk te maken.

47 De omstandigheid dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, over het grondgebied van een derde land is gereisd, kan op zich geen geldige reden vormen om aan te nemen dat die verzoeker redelijkerwijs naar dat land kan terugkeren.

48 Bovendien volgt uit artikel 38, lid 2, van richtlijn 2013/32 dat de lidstaten voorschriften moeten vaststellen die niet alleen voorzien in het bestaan van een „band” in de zin van die bepaling, maar ook in de methoden met behulp waarvan per geval op basis van de specifieke omstandigheden van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, wordt beoordeeld of het betrokken derde land voldoet aan de voorwaarden om als veilig te worden beschouwd voor die verzoeker, en in de mogelijkheid voor die verzoeker om het bestaan van een dergelijke band aan te vechten.

49 Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de door de Uniewetgever aan de lidstaten opgelegde verplichting om met het oog op de toepassing van het begrip „veilig derde land” dergelijke regels vast te stellen, niet worden gerechtvaardigd indien de enkele doorreis van de persoon die om internationale bescherming verzoekt door het betrokken derde land een voldoende en significante band daarvoor vormde. Indien dat het geval zou zijn, zouden deze regels, alsook het individuele onderzoek en de mogelijkheid voor die aanvrager om het bestaan van de band aan te vechten waarin zij uitdrukkelijk moeten voorzien, immers zinloos zijn.

50 Uit het voorgaande volgt dat de doorreis van de persoon die om internationale bescherming verzoekt door het betrokken derde land geen „band” in de zin van artikel 38, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 kan vormen.

51 Gesteld al dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voldoet aan de voorwaarde van artikel 38, lid 1, van richtlijn 2013/32, kan zij bijgevolg hoe dan ook geen toepassing vormen van de in artikel 33, lid 2, onder c), van die richtlijn neergelegde grond voor niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het veilige derde land, aangezien de in artikel 38, lid 2, onder a), van deze richtlijn gestelde voorwaarde dat er een band bestaat niet is vervuld.

52 Ten slotte kan een dergelijke nationale regeling evenmin een toepassing vormen van de niet-ontvankelijkheidsgrond met betrekking tot het eerste land van asiel als bedoeld in artikel 33, lid 2, onder b), van richtlijn 2013/32.

53 Het volstaat immers op te merken dat volgens de bewoordingen van artikel 35, eerste alinea, onder a) en b), van richtlijn 2013/32 een land slechts kan worden beschouwd als het eerste land van asiel van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, wanneer deze in dat land is erkend als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of hij anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het genot van het beginsel van non-refoulement, mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.

54 Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat voor de toepassing van de niet-ontvankelijkheidsgrond waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, niet als voorwaarde geldt dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken land de vluchtelingenstatus of anderszins voldoende bescherming geniet, zodat het zinloos zou worden om de behoefte aan bescherming in de Unie te onderzoeken.

55 Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet kan worden geacht een van de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 genoemde gronden voor niet-ontvankelijkheid ten uitvoer te leggen.

56 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 33 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat de verzoeker het grondgebied van de betrokken lidstaat is binnengekomen via een staat waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld, of waar een toereikend beschermingsniveau wordt gewaarborgd.

Tweede vraag

57 Vooraf zij opgemerkt dat de tweede vraag, zoals zij door de verwijzende rechter is geformuleerd, weliswaar betrekking heeft op de uitlegging van artikel 31 van richtlijn 2013/32, betreffende de administratieve procedure voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, maar dat deze vraag in werkelijkheid betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van het in artikel 46 van die richtlijn bedoelde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Derhalve moet laatstgenoemde bepaling, en in het bijzonder lid 3 ervan, worden uitgelegd om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven.

58 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter aldus in wezen te vernemen of artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard, een termijn van acht dagen toekent om uitspraak te doen.

59 Volgens artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 zijn de lidstaten verplicht te waarborgen dat tegen de beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, met inbegrip van beslissingen die het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond verklaren, een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat.

60 De aldus aan de lidstaten opgelegde verplichting om te voorzien in een dergelijk rechtsmiddel komt overeen met het recht dat is erkend in artikel 47 van het Handvest, met als opschrift „Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht”. Krachtens deze bepaling heeft eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte (arrest van 18 oktober 2018, E. G., C-662/17, EU:C:2018:847, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 Daaruit volgt dat de kenmerken van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel moeten worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt (arrest van 18 oktober 2018, E. G., C-662/17, EU:C:2018:847, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 Wat met name de procestermijn betreft, moet worden opgemerkt dat richtlijn 2013/32 niet alleen geen geharmoniseerde regels bevat inzake procestermijnen, maar in artikel 46, lid 10, de lidstaten zelfs toestaat om deze termijnen vast te leggen (arrest van heden, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal, C-406/18, punt 25).

63 Voorts is het volgens vaste rechtspraak van het Hof, bij het ontbreken van Unievoorschriften ter zake, krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten om de procedureregels vast te stellen voor vorderingen in rechte die worden ingediend ter bescherming van de rechten van de justitiabelen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van heden, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal, C-406/18, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 Met betrekking tot de naleving van de voorwaarde in verband met het gelijkwaardigheidsbeginsel waar het gaat om een procestermijn zoals aan de orde in het hoofdgeding, dient te worden opgemerkt dat, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, uit het dossier waarover het Hof beschikt niet naar voren komt – en het overigens niet is aangevoerd – dat soortgelijke situaties worden beheerst door nationale procedureregels die gunstiger zouden zijn dan die welke zijn bepaald ter uitvoering van richtlijn 2013/32 en zijn toegepast in het hoofdgeding (zie in die zin arrest van heden, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal, C-406/18, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Met betrekking tot de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel zij eraan herinnerd dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 de omvang van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel definieert door te preciseren dat de lidstaten die aan deze richtlijn zijn gebonden, ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instantie waarbij tegen de beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming wordt opgekomen, een „volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden [uitvoert], met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95]” (arrest van heden, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal, C-406/18, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 In dit verband moet worden benadrukt dat zelfs in het geval van een beroep tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard, de rechter bij wie een dergelijk beroep is ingesteld, gehouden is het in artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 bedoelde volledige en ex-nunconderzoek te verrichten.

67 Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld wijzen de woorden „indien van toepassing”, die zijn opgenomen in de zinsnede „met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95]”, namelijk op het feit dat het volledige en ex-nunconderzoek dat de rechter moet uitvoeren niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op het onderzoek ten gronde van de behoeften aan internationale bescherming en dat dit dus betrekking kan hebben op de ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming, wanneer het nationale recht dit op grond van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 toestaat (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punt 115).

68 Wat voorts in het bijzonder een beroep betreft tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard op grond van de gronden voor niet-ontvankelijkheid die verband houden met het eerste land van asiel of het veilige derde land, zoals bedoeld onder respectievelijk b) en c) van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, moet de rechter bij wie een dergelijk beroep is ingesteld, in het kader van het volledige en geactualiseerde onderzoek dat hij moet verrichten, met name nagaan of de persoon die om internationale bescherming verzoekt in een derde land voldoende bescherming geniet dan wel of een derde land als een veilig derde land voor de verzoeker kan worden beschouwd.

69 Met het oog op dat onderzoek moet die rechter uiterst nauwgezet nagaan of er is voldaan aan elk van de cumulatieve voorwaarden die gelden voor de toepassing van een dergelijke grond voor niet-ontvankelijkheid – zoals, met betrekking tot de grond inzake het eerste land van asiel, bedoeld in artikel 35 van deze richtlijn en, met betrekking tot de grond inzake het veilige derde land, bedoeld in artikel 38 van diezelfde richtlijn – door in voorkomend geval de autoriteit die verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming te verzoeken alle documentatie en alle feitelijke gegevens die mogelijk relevant zijn over te leggen alvorens uitspraak te doen. Ook dient hij zich ervan te vergewissen dat de verzoeker zijn standpunt over de toepasselijkheid van de grond van niet-ontvankelijkheid op zijn specifieke situatie persoonlijk heeft kunnen uiteenzetten (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punten 121 en 124).

70 Bovendien zij eraan herinnerd, zoals de advocaat-generaal in punt 84 van zijn conclusie heeft gedaan, dat in het kader van het in artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel ten aanzien van verzoekers een aantal specifieke procedurele rechten zijn gewaarborgd krachtens artikel 12, lid 2, van deze richtlijn, te weten het recht op een tolk, de mogelijkheid om contact op te nemen met onder meer UNHCR alsook toegang tot bepaalde informatie krachtens artikel 20 van deze richtlijn, te weten de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging, krachtens artikel 22 van deze richtlijn, betreffende de toegang tot een juridisch adviseur, en krachtens de artikelen 24 en 25 ervan, inzake de rechten van personen met bijzondere behoeften en niet-begeleide minderjarigen.

71 Indien de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard, van oordeel is dat het nodig is dat de verzoeker wordt gehoord voor het volledige en ex-nunconderzoek waartoe hij is gehouden, moet die rechter bovendien een dergelijke hoorzitting organiseren. De verzoeker moet in een dergelijk geval wanneer hij door de rechter wordt gehoord, telkens wanneer dat nodig is, gebruik kunnen maken van de diensten van een tolk als hij zijn zaak voorlegt (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punten 126 en 128).

72 In casu voorziet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in een termijn van acht dagen om te beslissen op een beroep tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens de verwijzende rechter is het onmogelijk om uitspraak te doen op een dergelijk beroep binnen de acht dagen na ontvangst van het verzoekschrift en tegelijk te voldoen aan het vereiste van een volledig onderzoek.

73 Ofschoon niet a priori kan worden uitgesloten dat een termijn van acht dagen in de meest evidente gevallen van niet-ontvankelijkheid toereikend is, kan een dergelijke termijn in bepaalde omstandigheden, zoals de advocaat-generaal in de punten 86 en 87 van zijn conclusie heeft opgemerkt, materieel ontoereikend blijken om de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard, in staat te stellen te waarborgen dat alle in de punten 65 tot en met 71 van het onderhavige arrest genoemde rechten worden geëerbiedigd voor elk van de aan zijn onderzoek onderworpen gevallen, en aldus het recht op effectieve bescherming van personen die om internationale bescherming verzoeken te waarborgen.

74 Artikel 46, lid 4, van richtlijn 2013/32 voorziet in de verplichting voor de lidstaten om redelijke procestermijnen in te stellen.

75 In een situatie waarin de termijn waarbinnen de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard, niet de doeltreffendheid kan verzekeren van de materiële en procedurele waarborgen die het Unierecht aan verzoeker toekent, impliceert het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht dat de betrokken rechter verplicht is om de nationale regeling die deze termijn dwingend acht buiten toepassing te laten (zie in die zin arrest van heden, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal, C-406/18, punt 34).

76 Gelet op de algemene doelstelling om verzoeken om internationale bescherming zo spoedig mogelijk te behandelen, zoals vastgesteld in overweging 18 van richtlijn 2013/32, ontslaat de verplichting voor een rechter om een nationale regeling die voorziet in een procestermijn die onverenigbaar is met het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht buiten toepassing te laten, hem hoe dan ook niet van de verplichting tot een snelle behandeling, maar vereist die verplichting slechts dat die rechter de hem toegekende termijn als richttermijn beschouwt, waarbij het aan hem staat om zo spoedig mogelijk te beslissen wanneer die termijn is overschreden (arrest van heden, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal, C-406/18, punten 35 en 36).

77 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard, een termijn van acht dagen toekent om uitspraak te doen, aangezien die rechter niet in staat is binnen een dergelijke termijn de doeltreffendheid te waarborgen van de materiële en procedurele waarborgen die het Unierecht aan verzoeker toekent.

Kosten

78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 33 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat de verzoeker het grondgebied van de betrokken lidstaat is binnengekomen via een staat waar hij niet aan vervolging of een risico op ernstige schade is blootgesteld, of waar een toereikend beschermingsniveau wordt gewaarborgd.

2) Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard, een termijn van acht dagen toekent om uitspraak te doen, aangezien die rechter niet in staat is binnen een dergelijke termijn de doeltreffendheid te waarborgen van de materiële en procedurele waarborgen die het Unierecht aan verzoeker toekent.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in