HvJ EU 15 mei 2003, C-300/01, ECLI:EU:C:2003:283

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

«Vrijheid van kapitaalverkeer – Artikel 73 B EG-Verdrag (thans artikel 56 EG) – Vergunningsprocedure voor verkrijging van bouwgrond – Zuiver interne situatie – Artikel 70 van Toetredingsakte van Republiek Oostenrijk – Begrip bestaande wetgeving – Bijlage XII, punt 1, sub e, van EER-overeenkomst»

Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 30 januari 2003 I - 0000

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 15 mei 2003 I - 0000

Samenvatting van het arrest

1.. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Kennelijk irrelevante vraag (Art. 234 EG)

2.. EG-Verdrag – Eigendomsregelingen – Neutraliteitsbeginsel – Grenzen – Onderwerping aan fundamentele verdragsregels – Nationale wettelijke regeling die verkrijging van eigendom van grond regelt – Inachtneming van bepalingen inzake vrij verkeer van kapitaal [EG-Verdrag, art. 73 B en 222 (thans art. 56 EG en 295 EG)]

3.. Vrij verkeer van kapitaal – Beperkingen op verkrijging van onroerende goederen – Stelsel van voorafgaande vergunning voor verkrijging van bouwgrond – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen – Vergunning uit hoofde van overgangsmaatregelen van Toetredingsakte van 1994 betreffende Oostenrijk – Beoordeling door nationale rechter [EG-Verdrag, art. 73 B (thans art. 56 EG); Toetredingsakte van 1994, art. 70]

4.. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Uitlegging van overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte wat toepassing van deze overeenkomst in staten van Europese Vrijhandelsassociatie betreft – Daarvan uitgesloten (Art. 234 EG; EER-Overeenkomst)

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 15 mei 2003 (1)

„Vrijheid van kapitaalverkeer – Artikel 73 B EG-Verdrag (thans artikel 56 EG) – Vergunningsprocedure voor verkrijging van bouwgrond – Zuiver interne situatie – Artikel 70 Toetredingsakte Oostenrijk – Begrip bestaande wetgeving – Bijlage XII, punt 1, sub e, EER-overeenkomst”

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van D. Salzmann, vertegenwoordigd door W. L. Weh; de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door P. Kustor en H. Kraft als gemachtigden, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun en M. Patakia, ter terechtzitting van 24 oktober 2002,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 januari 2003,

het navolgende

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

Puissochet Schintgen Skouris

Macken Cunha Rodrigues

De griffier De president van de Zesde kamer

R. Grass J.-P. Puissochet

1 – Procestaal: Duits.

Aangehaald in