HvJ EU 13 mei 2026, C-483/24, ECLI:EU:C:2026:396

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

13 mei 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Volksgezondheid – Levensmiddelenwetgeving – Verordening (EG) nr. 178/2002 – Algemene beginselen en voorschriften – Verordening (EG) nr. 852/2004 – Levensmiddelenhygiëne – Artikel 4, lid 2 – Algemene en specifieke verplichtingen van alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven – Omvang – Bijlage II – Algemene hygiënevoorschriften voor deze exploitanten – Artikel 5 – Beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP-beginselen) – Draagwijdte – Herhaalde constatering door de bevoegde autoriteit van sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen in winkels en magazijnen van een levensmiddelenbedrijf – Strafbaar feit waarin het nationale recht voorziet ter uitvoering van artikel 17, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 178/2002”

In zaak C‑483/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 26 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2024, in de strafrechtelijke procedure tegen

Aldi SA,

in tegenwoordigheid van:

Procureur général près la Cour d’appel de Liège,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra (rapporteur) en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: G. Chiapponi, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Aldi SA, vertegenwoordigd door N. Cariat en D. Verwaerde, avocats, en H. Van Bavel, advocaat,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, M. Jacobs en C. Pochet als gemachtigden,

– Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, S. Finnegan en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door B. Quigley, SC, en S. Brittain, BL,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Leftheriotou en A. Vasilopoulo als gemachtigden,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Chansou en B. Travard als gemachtigden,

– de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door A. Germeaux en T. Schell als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Le Bot en M. Zerwes als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 oktober 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 2, alsmede van bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, onder c), hoofdstuk V, punt 1, onder a), en hoofdstuk IX, punten 2 tot en met 4, van verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB 2004, L 139, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 226, blz. 3).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen een exploitant van een levensmiddelenbedrijf, Aldi SA, die wordt vervolgd wegens verschillende strafbare feiten in verband met schending van verordening nr. 852/2004.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 178/2002

3 Overweging 30 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB 2002, L 31, blz. 1) luidt als volgt: „Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf bevindt zich in de beste positie om een veilig systeem op te zetten om levensmiddelen te leveren en te waarborgen dat de geleverde levensmiddelen veilig zijn. Daarom dient de primaire wettelijke verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid bij de exploitant te liggen. […]”

4 Artikel 1, lid 1, van deze verordening, met als opschrift „Doel en toepassingsgebied”, bepaalt: „Deze verordening verschaft de grondslag voor een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en de belangen van de consument met betrekking tot levensmiddelen, met name rekening houdend met de diversiteit van de voedselvoorziening, met inbegrip van traditionele producten, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd wordt. Zij legt gemeenschappelijke beginselen en verantwoordelijkheden vast, de middelen om een stevige wetenschappelijke basis tot stand te brengen, doelmatige organisatorische regelingen en procedures ter onderbouwing van de besluitvorming inzake voedsel- en voederveiligheidsaangelegenheden.”

5 In artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Overige definities”, is bepaald: „In deze verordening wordt verstaan onder: […] 2. ‚levensmiddelenbedrijf’: onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen; 3. ‚exploitant van een levensmiddelenbedrijf’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in de levensmiddelenwetgeving vastgestelde voorschriften in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft; […] 9. ‚risico’: functie van de kans op een nadelig gezondheidseffect en de ernst van dat effect, voortvloeiend uit een gevaar; […] 14. ‚gevaar’: biologisch, chemisch of fysisch agens in een levensmiddel of diervoeder, of de toestand van een levensmiddel of diervoeder, met mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid; […]”

6 Artikel 14 van die verordening heeft als opschrift „Voedselveiligheidsvoorschriften” en bepaalt: „1. Levensmiddelen worden niet in de handel gebracht indien zij onveilig zijn. 2. Levensmiddelen worden geacht onveilig te zijn indien zij worden beschouwd als: a) schadelijk voor de gezondheid; b) ongeschikt voor menselijke consumptie. […] 5. Bij de beoordeling of een levensmiddel ongeschikt is voor menselijke consumptie, wordt bezien of een levensmiddel onaanvaardbaar is voor menselijke consumptie, gelet op het gebruik waarvoor het is bestemd, als gevolg van verontreiniging door vreemd materiaal of anderszins, of door verrotting, kwaliteitsverlies of bederf. […]”

7 Artikel 17 van verordening nr. 178/2002, met als opschrift „Verantwoordelijkheden”, is verwoord als volgt: „1. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven zorgen ervoor dat de levensmiddelen en diervoeders in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid en controleren of deze voorschriften metterdaad worden nageleefd. 2. De lidstaten handhaven de levensmiddelenwetgeving en gaan na of de exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving in alle stadia van de productie, verwerking en distributie naleven. […] Voorts stellen de lidstaten de regels vast inzake maatregelen en sancties in geval van overtredingen van de wetgeving inzake levensmiddelen en diervoeder. De maatregelen en sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

Verordening nr. 852/2004

8 De overwegingen 1, 7, 8, 12 en 16 van verordening nr. 852/2004 luiden als volgt: „(1) Het streven naar een hoog beschermingsniveau van het menselijk leven en de volksgezondheid is een van de fundamentele doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving, zoals is bepaald in verordening [nr. 178/2002, waarin] ook andere gemeenschappelijke beginselen en definities voor de nationale en communautaire levensmiddelenwetgeving [zijn] vastgelegd, waaronder de doelstelling om het vrije verkeer van levensmiddelen in de Gemeenschap tot stand te brengen. […] (7) De nieuwe algemene en specifieke hygiënevoorschriften hebben in hoofdzaak ten doel een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van de voedselveiligheid te garanderen. (8) Om de voedselveiligheid te garanderen vanaf de primaire productie tot en met het in de handel brengen of de uitvoer is een geïntegreerde aanpak noodzakelijk. Alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de voedselketen moeten ervoor zorgen dat de voedselveiligheid niet in het gedrang wordt gebracht. […] (12) Voedselveiligheid is het resultaat van diverse elementen. De wetgeving dient minimumeisen op het gebied van hygiëne vast te stellen. Er moeten officiële controles worden ingesteld om na te gaan of exploitanten van levensmiddelenbedrijven de voorschriften naleven. Daarnaast moeten de exploitanten van levensmiddelenbedrijven op de [beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten; hierna: „HACCP-beginselen”] gebaseerde voedselveiligheidsprogramma’s en -procedures vaststellen en deze toepassen. […] (16) Flexibiliteit is ook wenselijk om het voortgezette gebruik van traditionele methoden in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen mogelijk te maken alsook in verband met de structurele vereisten voor inrichtingen. […] Deze flexibiliteit mag echter de doelstellingen inzake levensmiddelenhygiëne niet in het gedrang brengen. […]”

9 Artikel 1 van deze verordening, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1: „In deze verordening worden de algemene hygiënevoorschriften op het gebied van levensmiddelen voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vastgesteld, waarbij met name rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: a) de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid berust in eerste instantie bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf; b) de voedselveiligheid moet in de gehele voedselketen gewaarborgd zijn, te beginnen bij de primaire productie; […] d) algemene toepassing van procedures die gebaseerd zijn op de beginselen van het HACCP-systeem, wat, samen met goede hygiënepraktijken, resulteert in een grotere verantwoordelijkheid voor de exploitanten van levensmiddelenbedrijven; […]”

10 In artikel 2 van die verordening, met als opschrift „Definities”, is bepaald: „1. Voor de uitvoering van deze verordening gelden de volgende definities: a) ‚levensmiddelenhygiëne’, hierna ‚hygiëne’ te noemen: de maatregelen en voorschriften die nodig zijn om de aan een levensmiddel verbonden gevaren tegen te gaan en de geschiktheid van een levensmiddel voor menselijke consumptie te waarborgen, met inachtneming van het beoogde gebruik; […] d) ‚bevoegde autoriteit’: de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van deze verordening wordt voldaan, elke andere autoriteit waaraan die centrale autoriteit haar bevoegdheid heeft gedelegeerd, of de overeenkomstige autoriteit van een derde land; […] f) ‚verontreiniging’: de aanwezigheid of de introductie van een gevaar; […] 2. De definities die zijn vastgesteld bij verordening [nr. 178/2002] gelden eveneens. […]”

11 Artikel 3 van die verordening heeft als opschrift „Algemene verplichting” en luidt: „Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen ervoor dat alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen die zij onder hun beheer hebben, voldoen aan de bij onderhavige verordening vastgestelde toepasselijke hygiënevoorschriften.”

12 Artikel 4 van verordening nr. 852/2004, met als opschrift „Algemene en specifieke hygiënevoorschriften”, bepaalt in lid 2: „Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen […], houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, […].”

13 Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift „Risicoanalyse en kritische controlepunten”, bepaalt: „1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dragen zorg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen. 2. De in lid 1 bedoelde HACCP-beginselen betreffen: a) het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden; b) het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren; c) het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te kunnen bepalen wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie, eliminatie of reductie van een onderkend gevaar; d) het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures op de kritische controlepunten; e) het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking zou blijken dat een kritisch controlepunt niet volledig onder controle is; f) het vaststellen van procedures om na te gaan of de onder a) tot en met e) bedoelde maatregelen naar behoren functioneren, waarbij regelmatig verificatieprocedures worden uitgevoerd, en g) het opstellen van aan de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf aangepaste documenten en registers, teneinde aan te tonen dat de onder a) tot en met f) omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast. […]”

14 Bijlage II bij die verordening heeft als opschrift „Algemene hygiënevoorschriften voor alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven (tenzij bijlage I van toepassing is)”. Hoofdstuk I, met als opschrift „Algemene eisen voor bedrijfsruimten voor levensmiddelen (andere dan vermeld in hoofdstuk III)”, bepaalt in punt 2: „De indeling, het ontwerp, de constructie, de ligging en de afmetingen van ruimten voor levensmiddelen moeten zodanig zijn dat: […] c) goede hygiënische praktijken mogelijk zijn, onder andere door bescherming tegen verontreiniging, en met name bestrijding van schadelijke organismen, […]”.

15 Hoofdstuk V van bijlage II, met als opschrift „Voorschriften inzake de uitrusting”, bepaalt in punt 1: „Alle artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen moeten: a) afdoende worden schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden; […]”

16 Hoofdstuk IX van bijlage II, met als opschrift „Bepalingen van toepassing op levensmiddelen”, bepaalt in de punten 2 tot en met 4: „2. Grondstoffen en alle ingrediënten die in het bedrijf zijn opgeslagen, moeten worden bewaard in adequate omstandigheden die erop gericht zijn bederf te voorkomen en verontreiniging tegen te gaan. 3. In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd. 4. Adequate maatregelen moeten worden getroffen om schadelijke organismen te bestrijden. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

17 Naar aanleiding van controles die op 20 september 2020, 25 november 2021, 12 januari 2022, 4, 7 en 8 februari 2022, 29 juni 2022 alsmede op 6 en 13 juli 2022 zijn uitgevoerd in zes winkels en een magazijn die door Aldi worden geëxploiteerd, heeft de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2, lid 1, onder d), van verordening nr. 852/2004 verschillende processen-verbaal opgesteld waarin met name, in elf gevallen, de aanwezigheid van uitwerpselen van knaagdieren en, in drie gevallen, de aanwezigheid van aangevreten en vervuilde producten die in de winkel te koop werden aangeboden, de aanwezigheid van vuil en besmettingsrisico’s, alsmede het ontbreken van een controlesysteem bij de ontvangst van de geleverde producten werden vastgesteld.

18 Bijgevolg heeft het openbaar ministerie Aldi vervolgd wegens een naar nationaal recht strafbaar gestelde schending door een exploitant van een levensmiddelenbedrijf in de zin van artikel 3, punt 3, van verordening nr. 178/2002 van de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 4, van verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met een aantal bepalingen van bijlage II bij die verordening.

19 Bij vonnis van 15 maart 2023 heeft de tribunal correctionnel du Luxembourg, division Neufchâteau (correctionele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, België) Aldi vrijgesproken van alle onderdelen van de tenlastelegging.

20 Bij arrest van 12 februari 2024 heeft de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België) dit vonnis bevestigd door te oordelen dat verordening nr. 852/2004 exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, geen resultaatsverplichting oplegt op het gebied van de bestrijding van schadelijke organismen, maar een reeks inspanningsverplichtingen. De aanwezigheid van sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen in de betrokken winkels en het betrokken magazijn vormt dus op zich geen schending van deze verordening. Deze rechter heeft zich daarbij gebaseerd op de HACCP-beginselen van artikel 5 van die verordening en op de mededeling van de Commissie betreffende de uitvoering van systemen voor de beheersing van de voedselveiligheid bestaande uit goede hygiënepraktijken en op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures, met inbegrip van de bevordering/flexibilisering van de uitvoering in bepaalde levensmiddelenbedrijven (PB 2022, C 355, blz. 1).

21 De procureur général près la cour d’appel de Liège (procureur-generaal bij het hof van beroep van Luik, België) heeft cassatieberoep ingesteld bij het Hof van Cassatie, de verwijzende rechter, op grond dat deze uitlegging het in verordening nr. 852/2004 neergelegde vereiste inzake hygiëne en voedselveiligheid zou ondermijnen. Volgens hem heeft de beoordelingsmarge die deze verordening aan exploitanten van levensmiddelenbedrijven laat, uitsluitend betrekking op de keuze van de toe te passen praktijken en niet op het te bereiken resultaat. De vaststelling door de bevoegde autoriteit van de aanwezigheid van sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen volstaat dus om aan te tonen dat dit vereiste niet is nageleefd, zonder dat deze autoriteit hoeft aan te tonen dat de betrokken exploitant niet alle mogelijke middelen heeft aangewend om dit gevaar te bestrijden.

22 Tegen deze achtergrond heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Leggen de verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 4, lid 2, van verordening [nr. 852/2004] en in bijlage II bij deze verordening, meer in het bijzonder in hoofdstuk I, punt 2, onder c), hoofdstuk V, punt 1, onder a), en hoofdstuk IX, punten 2, 3 en 4, ervan, de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de groot- en detailhandel een resultaatsverplichting op in die zin dat de vaststelling van sporen of uitwerpselen van [schadelijke organismen] in winkels en magazijnen, behoudens overmacht, vreemde oorzaken, of onoverkomelijke dwaling, volstaat om aan te tonen dat voornoemde verordening is geschonden, of geldt voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven slechts een inspanningsverplichting, dat wil zeggen dat zij al het mogelijke moeten doen om de aanwezigheid van ongedierte te voorkomen, zodat de enkele vaststelling door de [bevoegde] autoriteit dat er in winkels en magazijnen sporen of uitwerpselen van [schadelijke organismen] aanwezig zijn, niet volstaat om schending van die verordening aan te tonen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Ontvankelijkheid

23 Aldi heeft in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerd dat, aangezien zij niet is vervolgd wegens inbreuken op de bepalingen van bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a), en hoofdstuk IX, punt 2, bij verordening nr. 852/2004, alleen de uitlegging van hoofdstuk I, punt 2, onder c), en hoofdstuk IX, punten 3 en 4, van deze bijlage relevant is voor de beslechting van de strafprocedure in het hoofdgeding.

24 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht om daarop te antwoorden (arresten van 2 december 2025, Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Stores Claims, C‑34/24, EU:C:2025:936, punt 39, en 18 december 2025, Lukoil Bulgaria, C‑260/24, EU:C:2025:988, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 Het Hof kan een verzoek van een nationale rechterlijke instantie enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 29 januari 2026, Fondazione Teatro alla Scala di Milano, C‑668/24, EU:C:2026:60, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 In casu kan – los van de vraag of de bepalingen van bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a), en hoofdstuk IX, punt 2, van verordening nr. 852/2004 specifiek zijn ingeroepen in het kader van de tegen Aldi ingestelde strafvervolging – worden volstaan met de vaststelling dat deze bepalingen bijdragen tot het waarborgen van de voedselveiligheid en deel uitmaken van de context waarin deze bijlage in haar geheel moet worden uitgelegd. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de gevraagde uitlegging van die bepalingen geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het door de verwijzende rechter in verband met die bepalingen opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is.

27 Bovendien heeft Aldi ter terechtzitting voor het Hof aangevoerd dat de gestelde vraag geen betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht, maar op de toepassing van strafrechtelijke sancties waarin de Belgische wetgeving voorziet, aangezien verordening nr. 852/2004 geen enkele bepaling inzake strafrechtelijke sancties bevat.

28 Zoals de advocaat-generaal in punt 29 van haar conclusie heeft opgemerkt, vraagt de verwijzende rechter zich af wat de omvang is van de verplichtingen die aan exploitanten van levensmiddelenbedrijven zijn opgelegd bij verordening nr. 852/2004, die uitdrukkelijk naar verordening nr. 178/2002 verwijst. Artikel 17, lid 2, derde alinea, van laatstgenoemde verordening verplicht de lidstaten om te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen en sancties in geval van overtredingen van de levensmiddelenwetgeving van de Unie.

29 De onderhavige zaak valt dus binnen de werkingssfeer van het Unierecht, aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op de aan Aldi ten laste gelegde schendingen van verordening nr. 852/2004, die door de Belgische wetgever als strafbare feiten zijn aangemerkt, en de gestelde vraag daadwerkelijk betrekking heeft op de uitlegging van deze verordening.

30 Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.

Ten gronde

31 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, tot taak heeft om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Met het oog hierop dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen die door de nationale rechter in zijn vraag niet zijn genoemd (zie arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 44).

32 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, onder c), hoofdstuk V, punt 1, onder a), en hoofdstuk IX, punten 2 tot en met 4, bij verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van deze verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat de vaststelling door de bevoegde autoriteit van sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen in winkels en magazijnen van een levensmiddelenbedrijf volstaat om niet-nakoming aan te tonen van de verplichtingen die krachtens deze bepalingen rusten op de exploitant van dat levensmiddelenbedrijf, zonder dat verder hoeft te worden aangetoond dat deze exploitant niet alle mogelijke middelen heeft aangewend om de aanwezigheid van dergelijke organismen te voorkomen.

33 Vooraf zij eraan herinnerd dat het hoofddoel van verordening nr. 852/2004 erin bestaat een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van de voedselveiligheid te garanderen, zoals met name blijkt uit overweging 7 van deze verordening. Deze doelstelling draagt op haar beurt bij tot de verwezenlijking van een fundamentele doelstelling van de levensmiddelenwetgeving van de Unie, namelijk het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens, die eveneens wordt nagestreefd door verordening nr. 178/2002, zoals met name blijkt uit artikel 1, lid 1, ervan.

34 Zoals in overweging 1 van verordening nr. 852/2004 in herinnering wordt gebracht, bevat verordening nr. 178/2002 ook andere gemeenschappelijke beginselen en definities voor de nationale en Unierechtelijke levensmiddelenwetgeving. Verordening nr. 178/2002 is dus nauw verbonden met verordening nr. 852/2004, waarvan artikel 2, lid 2, bepaalt dat de definities van eerstgenoemde verordening ook van toepassing zijn in het kader van laatstgenoemde verordening.

35 Om te beginnen bepaalt artikel 14, leden 1 en 2, van verordening nr. 178/2002 dat levensmiddelen niet in de handel mogen worden gebracht indien zij „onveilig” zijn, dat wil zeggen wanneer zij als schadelijk voor de gezondheid of ongeschikt voor menselijke consumptie worden beschouwd.

36 Vervolgens legt artikel 17, lid 1, van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 30, de exploitant van een levensmiddelenbedrijf, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van die verordening, de primaire wettelijke verantwoordelijkheid op om ervoor te zorgen dat de levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder zijn beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op zijn bedrijvigheid en om te controleren of deze voorschriften metterdaad worden nageleefd. In dit verband stelt artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 852/2004 het beginsel vast dat de primaire verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid bij de exploitant van een levensmiddelenbedrijf ligt.

37 Ten slotte wordt het begrip „verontreiniging” in artikel 2, lid 1, onder f), van verordening nr. 852/2004 gedefinieerd als de aanwezigheid of de introductie van een „gevaar”, een begrip dat zelf in artikel 3, punt 14, van verordening nr. 178/2002 wordt gedefinieerd als een biologisch, chemisch of fysisch agens in levensmiddelen of de toestand van die levensmiddelen, met mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid.

38 Deze ruime definitie van het begrip „verontreiniging” getuigt van de duidelijke wil van de Uniewetgever om een hoog niveau van voedselveiligheid te bevorderen (zie in die zin arresten van 12 september 2019, A e.a., C‑347/17, EU:C:2019:720, punt 40, en 22 februari 2024, Micreos Food Safety, C‑745/22, EU:C:2024:160, punt 42).

39 Het Hof heeft reeds gepreciseerd dat het belang van de doelstelling om de voedselveiligheid te waarborgen en aldus een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen, negatieve economische gevolgen voor bepaalde exploitanten van levensmiddelenbedrijven kan rechtvaardigen, zelfs wanneer deze aanzienlijk zijn (zie in die zin arrest van 2 september 2021, Association of Independent Meat Suppliers en Cleveland Meat Company, C‑579/19, EU:C:2021:665, punt 97).

40 In het licht van de in de punten 33 tot en met 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen en beginselen moet elk van de bepalingen van verordening nr. 852/2004 die relevant zijn voor de beantwoording van de gestelde vraag, zo worden uitgelegd dat zij een doeltreffende werking ervan verzekeren.

41 In de eerste plaats verplicht artikel 4, lid 2, van verordening nr. 852/2004 exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, zich met name te houden aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II bij deze verordening.

42 Deze verplichting maakt deel uit van de „algemene verplichting” van artikel 3 van verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met overweging 8 van deze verordening, op grond waarvan exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen die zij onder hun beheer hebben, voldoen aan de bij die verordening vastgestelde toepasselijke hygiënevoorschriften, teneinde ervoor te zorgen dat de voedselveiligheid niet in het gedrang wordt gebracht.

43 Het begrip „levensmiddelenhygiëne” wordt in artikel 2, lid 1, onder a), van deze verordening gedefinieerd als de maatregelen en voorschriften die nodig zijn om de aan een levensmiddel verbonden gevaren tegen te gaan en de geschiktheid van een levensmiddel voor menselijke consumptie te waarborgen, met inachtneming van het beoogde gebruik.

44 In de tweede plaats worden in de bepalingen van bijlage II bij verordening nr. 852/2004, waarnaar in artikel 4, lid 2, van deze verordening wordt verwezen, de algemene hygiënevoorschriften vastgesteld die in beginsel van toepassing zijn op alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven. Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft uitdrukkelijk betrekking op vijf van deze voorschriften.

45 Ten eerste moeten volgens de bepalingen van hoofdstuk I, punt 2, onder c), van bijlage II de indeling, het ontwerp, de constructie, de ligging en de afmetingen van ruimten voor levensmiddelen zodanig zijn dat goede hygiënische praktijken mogelijk zijn, onder andere door bescherming tegen verontreiniging en met name door bestrijding van schadelijke organismen.

46 Deze bepaling legt dus een verplichting op met betrekking tot de kenmerken van de ruimten voor levensmiddelen die zodanig moeten zijn dat goede hygiënische praktijken mogelijk zijn door bescherming van deze levensmiddelen tegen „verontreiniging” in de zin van verordening nr. 852/2004. Hieruit volgt dat de aanwezigheid in ruimten voor levensmiddelen van sporen of uitwerpselen van schadelijke organismen die de exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten bestrijden, op zich geen schending vormt van de verplichting die krachtens hoofdstuk I, punt 2, onder c), van bijlage II bij deze verordening op deze exploitanten rust, voor zover de kenmerken van die ruimten de toepassing van dergelijke goede praktijken mogelijk maken.

47 Ten tweede wordt in hoofdstuk V, punt 1, onder a), van bijlage II bepaald dat de artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, afdoende moeten worden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, en dit moet zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Het begrip „risico” wordt in artikel 3, punt 9, van verordening nr. 178/2002 gedefinieerd als een functie van de kans op een nadelig gezondheidseffect en de ernst van dat effect, voortvloeiend uit een gevaar.

48 Aan deze verplichting tot schoonmaken en ontsmetting met een voldoende frequentie om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, kan niet worden geacht te zijn voldaan wanneer de bevoegde autoriteiten vaststellen dat sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen aanwezig zijn op uitrustingsstukken of apparatuur die met voedsel in aanraking komen.

49 Ten derde moeten, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IX, punt 2, van bijlage II betreffende de voorschriften voor levensmiddelen, grondstoffen en alle ingrediënten die in het levensmiddelenbedrijf zijn opgeslagen, worden bewaard in adequate omstandigheden die erop gericht zijn bederf te voorkomen en verontreiniging tegen te gaan.

50 Uit de bewoordingen van deze bepalingen, met name uit de uitdrukkingen „alle opgeslagen ingrediënten” en „verontreiniging”, gelezen in het licht van de doelstelling van verordening nr. 852/2004, die erin bestaat een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van voedselveiligheid te garanderen, volgt dat niet wordt voldaan aan de verplichting om de grondstoffen en ingrediënten op passende wijze op te slaan in de zin van genoemde bepalingen, wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat er in de opslagruimten van een levensmiddelenbedrijf niet alleen sporen of uitwerpselen van schadelijke organismen aanwezig zijn, maar ook aangevreten en vervuilde producten.

51 Ten vierde vereisen de bepalingen van hoofdstuk IX, punt 3, van bijlage II bij verordening nr. 852/2004 dat levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.

52 De noodzaak om levensmiddelen te beschermen tegen „elke vorm verontreiniging” in „alle stadia van de productie, verwerking en distributie” van deze levensmiddelen, veroorzaakt door biologische, chemische of fysische agentia waardoor zij ongeschikt kunnen worden voor consumptie, alsmede de doelstelling om een hoog beschermingsniveau van de gezondheid van de consument te waarborgen, impliceert dat deze bepalingen niet worden nageleefd wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat levensmiddelen in de winkels of magazijnen van een levensmiddelenbedrijf door schadelijke organismen zijn vervuild en aangevreten.

53 Ten vijfde moet elke exploitant van een levensmiddelenbedrijf, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IX, punt 4, van bijlage II, adequate maatregelen treffen om schadelijke organismen te bestrijden in het levensmiddelenbedrijf dat hij exploiteert.

54 Uit deze bepalingen, gelezen in het licht van de doelstelling van verordening nr. 852/2004 om de voedselveiligheid te garanderen en een hoog beschermingsniveau van de gezondheid van de consument te waarborgen, volgt dat de vaststelling door de bevoegde autoriteit van de aanwezigheid van schadelijke organismen in winkels of magazijnen van een levensmiddelenbedrijf een belangrijke aanwijzing vormt dat de exploitant van dat bedrijf geen adequate maatregelen heeft getroffen om deze organismen te bestrijden. Bovendien blijkt uit die bepalingen dat de herhaalde vaststelling van sporen van ongedierte volstaat om niet-nakoming van de verplichting tot het treffen van dergelijke adequate maatregelen aan te tonen.

55 In de derde plaats moet, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, bij de uitlegging van de bepalingen van bijlage II bij verordening nr. 852/2004 in het bijzonder rekening worden gehouden met artikel 5 van deze verordening (zie in die zin arresten van 6 oktober 2011, Astrid Preissl, C‑381/10, EU:C:2011:638, punt 26, en Albrecht e.a., C‑382/10, EU:C:2011:639, punt 18).

56 Krachtens artikel 5, lid 1, van die verordening, gelezen in het licht van overweging 12 ervan, zijn exploitanten van levensmiddelenbedrijven verplicht om een of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen in te voeren, uit te voeren en te handhaven, met name het in artikel 5, lid 2, onder a), van die verordening bedoelde beginsel, op grond waarvan zij elk gevaar moeten onderkennen dat moet worden voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau moet worden gereduceerd. Artikel 1, lid 1, onder d), van verordening nr. 852/2004 preciseert in dit verband dat de algemene toepassing van procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen, samen met goede hygiënepraktijken, tot doel heeft om de verantwoordelijkheid van deze exploitanten te vergroten.

57 Hieruit volgt dat de toepassing van de HACCP-beginselen overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 852/2004 de exploitant van een levensmiddelenbedrijf niet kan ontslaan van zijn aansprakelijkheid die voortvloeit uit schending van de bepalingen van bijlage II bij deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, van die verordening.

58 In dit verband kan niet worden geoordeeld dat de „bevordering/flexibilisering van de uitvoering in bepaalde levensmiddelenbedrijven”, waarnaar wordt verwezen in de in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde mededeling van de Commissie, het mogelijk maakt om een exploitant van een levensmiddelenbedrijf vrij te stellen van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 852/2004 juncto bijlage II erbij. Zoals in overweging 16 van deze verordening wordt gepreciseerd, mag deze „flexibiliteit”, die bedoeld is om het voortgezette gebruik van traditionele methoden mogelijk te maken, immers niet tot gevolg hebben dat de doelstellingen inzake levensmiddelenhygiëne in het gedrang komen.

59 Zoals de Franse regering en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen in wezen hebben betoogd, vullen de verplichtingen van artikel 4, lid 2, en artikel 5 van verordening nr. 852/2004 elkaar aan teneinde de verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven te vergroten.

60 In casu is volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie bij herhaalde controles, die met tussenpozen van enkele maanden in verschillende filialen van het betrokken levensmiddelenbedrijf zijn uitgevoerd, een verontreiniging aan het licht gebracht door sporen van ongedierte in, op en in de onmiddellijke nabijheid van levensmiddelen, waarvan het merendeel reeds in de handel was gebracht, dat wil zeggen voor de consument toegankelijk was.

61 Aangezien ten slotte uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet blijkt dat de betrokken exploitant van een levensmiddelenbedrijf in het hoofdgeding heeft aangevoerd dat er sprake is van overmacht, een vreemde oorzaak of een onoverkomelijke dwaling, hoeft dit onderdeel van de prejudiciële vraag niet te worden onderzocht.

62 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat: – de bepalingen van bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a), en hoofdstuk IX, punten 2 en 3, bij verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van deze verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat de vaststelling door de bevoegde autoriteit van sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen in winkels en magazijnen van een levensmiddelenbedrijf volstaat om niet-nakoming aan te tonen van de verplichtingen die krachtens deze bepalingen rusten op de exploitant van dat levensmiddelenbedrijf, zonder dat verder hoeft te worden aangetoond dat deze exploitant niet alle mogelijke middelen heeft aangewend om de aanwezigheid van dergelijke organismen te voorkomen; – de bepalingen van bijlage II, hoofdstuk IX, punt 4, bij verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van deze verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat de herhaalde vaststelling door de bevoegde autoriteit van de aanwezigheid van dergelijke sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen volstaat om aan te tonen dat die exploitant geen adequate maatregelen heeft getroffen om dergelijke organismen te bestrijden; – de bepalingen van bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, onder c), bij verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van deze verordening, aldus moeten worden uitgelegd dat voor de vaststelling van een schending van deze bepalingen moet worden aangetoond dat de kenmerken van de bedrijfsruimten voor levensmiddelen geen goede hygiënische praktijken mogelijk maken.

Kosten

63 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

– De bepalingen van bijlage II, hoofdstuk V, punt 1, onder a), en hoofdstuk IX, punten 2 en 3, bij verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van die verordening, moeten aldus worden uitgelegd dat de vaststelling door de bevoegde autoriteit van sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen in winkels en magazijnen van een levensmiddelenbedrijf volstaat om niet-nakoming aan te tonen van de verplichtingen die krachtens deze bepalingen rusten op de exploitant van dat levensmiddelenbedrijf, zonder dat verder hoeft te worden aangetoond dat deze exploitant niet alle mogelijke middelen heeft aangewend om de aanwezigheid van dergelijke organismen te voorkomen. – De bepalingen van bijlage II, hoofdstuk IX, punt 4, bij verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van die verordening, moeten aldus worden uitgelegd dat de herhaalde vaststelling door de bevoegde autoriteit van de aanwezigheid van dergelijke sporen en uitwerpselen van schadelijke organismen volstaat om aan te tonen dat die exploitant geen adequate maatregelen heeft getroffen om dergelijke organismen te bestrijden. – De bepalingen van bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, onder c), bij verordening nr. 852/2004, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van die verordening, moeten aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling van een schending van deze bepalingen moet worden aangetoond dat de kenmerken van de bedrijfsruimten voor levensmiddelen geen goede hygiënische praktijken mogelijk maken.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken