HvJ EU 18 december 2025, C-296/24, ECLI:EU:C:2025:999

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

18 december 2025(*)

„ Prejudiciële verwijzing – Artikel 45 VWEU – Vrij verkeer van werknemers – Gelijke behandeling – Verordening (EU) nr. 492/2011 – Artikel 7, lid 2 – Sociale voordelen – Kinderbijslag – Voorwaarde voor toekenning van die bijslag aan een niet-ingezeten werknemer voor een kind van zijn echtgenoot of van zijn geregistreerde partner – Vereiste dat die werknemer ‚voorziet in het onderhoud’ van dat kind – Beoordelingscriteria – Vermoeden gebaseerd op het bestaan van een gemeenschappelijke woning – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 2, punt 2, onder c) – Begrip ‚familielid’ ”

In de gevoegde zaken C‑296/24 [Jouxy]i tot en met C‑307/24 [Momeut](i),

betreffende twaalf verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Luxemburg) bij beslissingen van 25 april 2024, ingekomen bij het Hof op 26 april 2024, in de procedures

SM,

PX (C‑296/24),

CY (C‑297/24),

LK,

MF (C‑298/24),

OP,

TD (C‑299/24),

MY,

IX (C‑300/24),

AH,

CJ (C‑301/24),

AE (C‑302/24),

BF,

CG (C‑303/24),

LH (C‑304/24),

TB,

MV (C‑305/24),

KN,

PE (C‑306/24),

NB (C‑307/24)

tegen

Caisse pour l’avenir des enfants,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen (rapporteur) en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– SM, PX en NB, vertegenwoordigd door V. Bolard, avocat,

– CY, LK, MF, OP, TD, MY, IX, AH, CJ, AE, BF, CG, LH, TB, MV, KN en PE, vertegenwoordigd door P. Peuvrel, avocat,

– de Caisse pour l’avenir des enfants, vertegenwoordigd door R. Jazbinsek, avocate,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door J. Benešová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude en B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van het begrip „voorzien in het onderhoud van het kind”, dat is ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof in de context van de uitlegging van artikel 45 VWEU, artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35), artikel 1, onder i), en artikel 67 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1), alsmede artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB 2011, L 141, blz. 1).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twaalf gedingen tussen grensarbeiders en hun echtgenoten of geregistreerde partners enerzijds en de Caisse pour l’avenir des enfants (Luxemburg) (hierna: „CAE”) anderzijds over de weigering van de CAE om aan deze grensarbeiders kinderbijslag toe te kennen voor de kinderen van hun echtgenoten of van hun geregistreerde partners.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2004/38

3 Artikel 2 van richtlijn 2004/38 luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

2. ‚familielid’:

a) de echtgenoot;

b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijkstelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;

c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;

[…]”

Verordening nr. 883/2004

4 Artikel 1 van verordening nr. 883/2004 luidt:

„Voor de toepassing van deze verordening:

[…]

i) wordt onder ‚gezinslid’ verstaan:

1. i) eenieder die als gezinslid wordt aangemerkt of erkend of als huisgenoot wordt aangeduid door de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend;

[…]

2. Indien in de krachtens onderdeel 1 toepasselijke wetgeving van een lidstaat geen onderscheid wordt gemaakt tussen gezinsleden en de overige personen op wie deze wetgeving van toepassing is, worden de echtgeno(o)t(e), de minderjarige kinderen en de meerderjarige kinderen die recht op onderhoud hebben, als gezinsleden beschouwd.

[…]”

5 Artikel 3 („Materiële werkingssfeer”) van deze verordening bepaalt in lid 1:

„Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

[…]

j) gezinsbijslagen.”

6 Artikel 67 („Gezinsleden die in een andere lidstaat wonen”) van die verordening bepaalt:

„Een persoon heeft recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof deze in eerstbedoelde lidstaat woonden. […]”

Verordening nr. 492/2011

7 Artikel 7 („Verrichten van arbeid en gelijkheid van behandeling”) van verordening nr. 492/2011 bepaalt:

„1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers, wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.

2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.

[…]”

Luxemburgs recht

8 De relevante bepalingen van Luxemburgs recht, zoals die ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen van toepassing waren, zijn de artikelen 269 en 270 van de code de la sécurité sociale (wetboek sociale zekerheid), zoals gewijzigd bij de loi du 23 juillet 2016, entrée en vigueur le 1er août 2016, portant modification du code de la sécurité sociale, de la loi modifiée du 4 décembre 1967 concernant l'impôt sur le revenu, et abrogeant la loi modifiée du 21 décembre 2007 concernant le boni pour l'enfant (wet van 23 juli 2016, in werking getreden op 1 augustus 2016, tot wijziging van het wetboek sociale zekerheid en van de gewijzigde wet van 4 december 1967 betreffende de inkomstenbelasting en tot intrekking van de gewijzigde wet van 21 december 2007 betreffende de kinderpremie) (Mémorial A 2016, blz. 2348; hierna: „wetboek”).

9 Artikel 269 („Toekenningsvoorwaarden”), lid 1, van het wetboek bepaalt:

„Er wordt een toelage voor de toekomst van kinderen ingevoerd, hierna: ,kinderbijslag’.

Kinderbijslag wordt toegekend voor:

a) ieder kind dat daadwerkelijk en ononderbroken in Luxemburg verblijft en er zijn wettelijke woonplaats heeft;

b) de gezinsleden als gedefinieerd in artikel 270 van eenieder die onderworpen is aan de Luxemburgse wetgeving en valt binnen de werkingssfeer van de Europese regelgeving of van andere door Luxemburg gesloten bi- of multilaterale instrumenten die de sociale zekerheid betreffen en voorzien in de betaling van kinderbijslag overeenkomstig de wetgeving van het land van tewerkstelling. De gezinsleden moeten verblijven in een land waarop de regelgeving of instrumenten in kwestie betrekking hebben.”

10 Artikel 270 van dat wetboek luidt:

„Voor de toepassing van artikel 269, lid 1, onder b), worden als gezinsleden van een persoon beschouwd en komen in aanmerking voor kinderbijslag: de kinderen die binnen het huwelijk zijn geboren, de kinderen die buiten het huwelijk zijn geboren en de kinderen die door deze persoon zijn geadopteerd.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

11 Bij besluiten op grond van de artikelen 269 en 270 van het wetboek heeft de CAE ten aanzien van verzoekers in het hoofdgeding, die grensarbeiders zijn die in België, Duitsland of Frankrijk wonen en in Luxemburg arbeid in loondienst verrichten, hetzij geweigerd kinderbijslag toe te kennen voor de kinderen van hun echtgenoten of geregistreerde partners (zaken C‑299/24 en C‑301/24), hetzij met ingang van 1 augustus 2016 het recht op kinderbijslag voor deze kinderen ingetrokken (zaken C‑296–C‑298/24, C‑300/24 en C‑302/24–C‑307/24).

12 Volgens de CAE hadden die kinderen niet de hoedanigheid van „gezinslid” in de zin van artikel 270 van het wetboek, omdat zij met de betrokken grensarbeiders geen afstammingsband hadden.

13 De Conseil arbitral de la sécurité sociale (scheidsgerecht voor de sociale zekerheid, Luxemburg) heeft het door deze grensarbeiders ingestelde beroep, dat ertoe strekte de kinderbijslag te doen toekennen c.q. te doen hervatten, toegewezen.

14 De Conseil supérieur de la sécurité sociale (beroepsrechter in socialezekerheidszaken, Luxemburg) heeft de in punt 11 van het onderhavige arrest bedoelde besluiten van de CAE echter bevestigd.

15 Verzoekers in het hoofdgeding hebben cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie, Luxemburg), de verwijzende rechter.

16 Die rechter merkt op dat het Hof in zijn arrest van 2 april 2020, Caisse pour l’avenir des enfants (Kind van de echtgenoot van een grensarbeider) (C‑802/18, EU:C:2020:269), op basis van de uitlegging van artikel 1, onder i), en artikel 67 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 en met artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38, het recht van de grensarbeider op kinderbijslag voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner met wie hij geen afstammingsband heeft, afhankelijk heeft gesteld van het bewijs dat hij voorziet in het onderhoud van dat kind.

17 Aangezien de Conseil supérieur de la sécurité sociale in de hoofdgedingen heeft geoordeeld dat niet was bewezen dat de grensarbeider in het onderhoud van het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner bijdroeg, vraagt de verwijzende rechter zich, mede onder verwijzing naar het arrest van 15 december 2016, Depesme e.a. (C‑401/15–C‑403/15, EU:C:2016:955), af welke objectieve gegevens kunnen aantonen dat die grensarbeider in het onderhoud van dat kind voorziet.

18 Zo vraagt die rechter zich met name af of het bewijs dat de grensarbeider en het betrokken kind een gemeenschappelijke woning hebben, volstaat om aan te tonen dat die grensarbeider in het onderhoud van dat kind voorziet, dan wel of ook andere objectieve factoren in aanmerking moeten worden genomen, zoals de wijze waarop die woning wordt gefinancierd. In deze context rijst ook de vraag welk belang moet worden gehecht aan de leeftijd van het kind, aangezien uit dat arrest volgt dat kinderen hoe dan ook worden geacht ten laste te zijn tot de leeftijd van 21 jaar. Voorts vraagt hij zich af welk belang moet worden gehecht aan de bijdrage van de ouders van het kind in diens behoeften in het kader van een onderhoudsplicht ten laste van de ouders of een omgangs- en verblijfsrecht.

19 Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende prejudiciële vragen, die in de zaken C‑296/24 tot en met C‑307/24 gelijkluidend zijn:

„l a) Moet de voorwaarde dat wordt ‚voorzien in het onderhoud’ van een kind, waaruit de hoedanigheid van familielid in de zin van de bepalingen van het recht van de Europese Unie voortvloeit, zoals deze voorwaarde is ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof betreffende het vrije verkeer van werknemers en het recht van een grensarbeider om een aan de verrichting van arbeid in loondienst in een lidstaat verbonden sociaal voordeel te ontvangen voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner met wie hij geen afstammingsband heeft, op zichzelf of in samenhang met het beginsel dat de bepalingen die het vrije verkeer van werknemers beogen te waarborgen, ruim moeten worden uitgelegd, aldus worden uitgelegd dat deze voorwaarde moet worden geacht te zijn vervuld, zodat er een recht op een sociaal voordeel ontstaat,

– op grond van het enkele feit dat de grensarbeider met een ouder van het kind is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan,

– op grond van het enkele feit dat de grensarbeider en het kind een gemeenschappelijke woning of verblijfplaats hebben,

– op grond van het enkele feit dat de grensarbeider uitgaven van welke aard ook die ten goede komen aan het kind voor zijn rekening neemt, ook al

– dekken die uitgaven andere dan basis- of voedingsbehoeften,

– worden die uitgaven betaald aan derden en komen zij slechts indirect ten goede aan het kind,

– worden die uitgaven niet in het exclusieve of specifieke belang van het kind gedaan, maar komen zij ten goede aan het hele huishouden,

– hebben die uitgaven slechts een incidenteel karakter,

– zijn die uitgaven lager dan die van de ouders,

– zijn die uitgaven onbeduidend gelet op de behoeften van het kind,

– op grond van het enkele feit dat de uitgaven worden gedaan vanaf een gezamenlijke rekening van de grensarbeider en zijn echtgenoot of geregistreerde partner, die de ouder is van het kind, waarbij het niet uitmaakt van wie het geld op die rekening afkomstig is,

– op grond van het enkele feit dat het kind jonger is dan 21 jaar?

b) Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet de voorwaarde dat wordt ‚voorzien in het onderhoud’ aldus worden uitgelegd dat deze voorwaarde moet worden geacht te zijn vervuld, zodat er een recht op een sociaal voordeel ontstaat, wanneer twee of meer van de genoemde omstandigheden zich voordoen?

2) Moet de voorwaarde dat wordt ‚voorzien in het onderhoud’ van een kind, waaruit de hoedanigheid van familielid in de zin van de bepalingen van het recht van de Europese Unie voortvloeit, zoals deze voorwaarde is ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof betreffende het vrije verkeer van werknemers en het recht van een grensarbeider om een aan de verrichting van arbeid in loondienst in een lidstaat verbonden sociaal voordeel te ontvangen voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner met wie hij geen afstammingsband heeft, op zichzelf of in samenhang met het beginsel dat de bepalingen die het vrije verkeer van werknemers beogen te waarborgen, ruim moeten worden uitgelegd, aldus worden uitgelegd dat deze voorwaarde moet worden geacht niet te zijn vervuld, zodat er geen recht op een sociaal voordeel ontstaat,

– op grond van het enkele feit dat er een onderhoudsverplichting rust op de ouders van het kind, ongeacht

– of het recht op een onderhoudsbijdrage is vastgesteld door de rechter of bij overeenkomst,

– op welk bedrag de onderhoudsbijdrage is vastgesteld,

– of de schuldenaar zijn onderhoudsverplichting daadwerkelijk nakomt,

– of de bijdrage van de grensarbeider een verzuim van een ouder van het kind compenseert,

– op grond van het enkele feit dat het kind regelmatig bij de andere ouder verblijft in het kader van de uitoefening van een omgangs- en verblijfsrecht, een co-ouderschap of een andere regeling?”

20 Bij beslissing van de president van het Hof van 26 juni 2024 zijn de zaken C‑296/24 tot en met C‑307/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

Prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

21 Zonder uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, heeft de CAE in haar schriftelijke opmerkingen aangegeven dat het Hof de prejudiciële vragen moet „verwerpen” op grond dat zij betrekking hebben op de beoordeling van een feitelijke situatie die tot de uitsluitende bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten en, in voorkomend geval, van de bevoegde nationale rechterlijke instanties behoort.

22 Dienaangaande is in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd om het nationale recht uit te leggen en toe te passen, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is om zich over de uitlegging of de rechtsgeldigheid van een rechtsvoorschrift van de Unie uit te spreken op basis van de door de nationale rechterlijke instantie omschreven feiten (arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, EU:C:1978:69, punt 4, en 7 november 2024, ERB New Europe Funding II, C‑178/23, EU:C:2024:943, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23 Wat de argumenten van de CAE betreft, volstaat het op te merken dat de verwijzende rechter met zijn vragen het Hof in wezen verzoekt om uitlegging van artikel 45 VWEU, artikel 1, onder i), en artikel 67 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 en met artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit het arrest van 2 april 2020, Caisse pour l’avenir des enfants (Kind van de echtgenoot van een grensarbeider), (C‑802/18, EU:C:2020:269, punten 64 en 70), en in het bijzonder vraagt om te verduidelijken hoe de in die rechtspraak geformuleerde voorwaarde moet worden uitgelegd dat aan de niet-ingezeten werknemer in de lidstaat van tewerkstelling kinderbijslag wordt toegekend voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner, mits die werknemer „voorziet in het onderhoud” van dat kind.

24 Terwijl het uiteindelijk aan de overheid en, in voorkomend geval, aan de nationale rechterlijke instanties staat om te beoordelen of voor de toekenning van kinderbijslag in een bepaald geval aan dit vereiste is voldaan, staat het overeenkomstig de in punt 22 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak aan het Hof om de Unierechtelijke bepalingen uit te leggen waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben.

25 Bijgevolg zijn de verzoeken om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

De twee vragen

26 Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 45 VWEU, artikel 1, onder i), en artikel 67 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 en met artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38, aldus moeten worden uitgelegd dat de voorwaarde waaronder aan de niet-ingezeten werknemer in de lidstaat van tewerkstelling kinderbijslag voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner wordt toegekend, namelijk dat deze werknemer „voorziet in het onderhoud” van dat kind, is vervuld op grond van het enkele feit dat hij met dat kind dezelfde woning deelt, dan wel of andere objectieve factoren in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen dat er sprake is van een dergelijk onderhoud.

27 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak een niet-ingezeten werknemer niet alleen voor zijn eigen kind, maar ook voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner met wie deze werknemer geen afstammingsband heeft, recht heeft op een staatsuitkering uit hoofde van een sociaal voordeel, zoals studiefinanciering, wanneer die werknemer in het onderhoud van dat kind voorziet (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Depesme e.a., C‑401/15–C‑403/15, EU:C:2016:955, punten 57‑60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Wat vervolgens meer bepaald de kinderbijslag als aan de orde in het hoofdgeding betreft, heeft het Hof in het arrest van 2 april 2020, Caisse pour l’avenir des enfants (Kind van de echtgenoot van een grensarbeider) (C‑802/18, EU:C:2020:269), ten eerste geoordeeld dat een dergelijke kinderbijslag een socialezekerheidsuitkering vormt die onder de in artikel 3, lid 1, onder j), van verordening nr. 883/2004 bedoelde gezinsbijslagen valt. Aangezien deze uitkering verband houdt met de uitoefening van arbeid in loondienst door een grensarbeider in een lidstaat, vormt zij ook een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011, waaruit blijkt dat niet-ingezeten werknemers overeenkomstig het non-discriminatiebeginsel dat elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, dezelfde sociale en fiscale voordelen genieten als de nationale werknemers [zie in die zin arrest van 2 april 2020, Caisse pour l’avenir des enfants (Kind van de echtgenoot van een grensarbeider), C‑802/18, EU:C:2020:269, punten 24, 31 en 40].

29 Ten tweede is het Hof met name op grond van de in punt 27 van het onderhavige arrest bedoelde vaste rechtspraak inzake het vrije verkeer van werknemers die betrekking heeft op de voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering aan gezinsleden van dergelijke werknemers, tot de slotsom gekomen dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011, dat op het specifieke gebied van de toekenning van sociale voordelen de bijzondere uitdrukking vormt van het in artikel 45, lid 2, VWEU neergelegde beginsel van gelijke behandeling, in de weg staat aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan niet-ingezeten werknemers de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kinderbijslag slechts kunnen ontvangen voor hun eigen kinderen, en niet voor de kinderen van hun echtgenoot met wie zij geen afstammingsband hebben, maar in wier onderhoud zij wel voorzien, terwijl alle kinderen die in die lidstaat wonen recht hebben op die kinderbijslag [arrest van 2 april 2020, Caisse pour l’avenir des enfants (Kind van de echtgenoot van een grensarbeider), C‑802/18, EU:C:2020:269, punten 64 en 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

30 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de Conseil supérieur de la sécurité sociale naar aanleiding van dat arrest, na de hoofdgedingen in concreto te hebben herzien, heeft geoordeeld dat de CAE terecht had geweigerd om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kinderbijslag aan de niet-ingezeten werknemers toe te kennen voor de kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner, op grond dat die werknemers niet volledig in het onderhoud van die kinderen voorzagen.

31 Dienaangaande zij in de eerste plaats benadrukt dat volgens de rechtspraak de bepalingen waarin het vrije verkeer van werknemers, dat een van de grondslagen van de Unie vormt, verankerd ligt, ruim moeten worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Depesme e.a., C‑401/15–C‑403/15, EU:C:2016:955, punten 58‑60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de definitie van het begrip „familielid” in artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38. Het begrip „gezinslid” van de grensarbeider, welk lid dat overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 indirect recht heeft op gelijke behandeling, komt immers overeen met het begrip „familielid” in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38, dat de echtgenoot of partner met wie de burger van de Unie een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn omvat [zie in die zin arrest van 2 april 2020, Caisse pour l’avenir des enfants (Kind van de echtgenoot van een grensarbeider), C‑802/18, EU:C:2020:269, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33 In dit verband heeft het Hof reeds verduidelijkt dat kinderen hoe dan ook worden geacht ten laste te zijn tot de leeftijd van 21 jaar, zoals met name voortvloeit uit artikel 2, punt 2, onder c), van richtlijn 2004/38 (arrest van 15 december 2016, Depesme e.a., C‑401/15–C‑403/15, EU:C:2016:955, punt 62), en dat de hoedanigheid van het kind van de echtgenoot of geregistreerde partner van een grensarbeider van „familielid ten laste” objectief kan blijken uit het feit dat die grensarbeider en het betrokken kind een gemeenschappelijke woning hebben (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Depesme e.a., C‑401/15–C‑403/15, EU:C:2016:955, punten 59 en 60).

34 Wat dit laatste betreft, kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat wanneer de niet-ingezeten werknemer en het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner een gemeenschappelijke woning hebben, dit objectieve element in beginsel op zichzelf volstaat om aan te tonen dat deze werknemer in het onderhoud van dat kind voorziet, aangezien de gemeenschappelijke woning kenmerkend is voor een duurzame band tussen deze personen.

35 Elke andere uitlegging zou niet alleen in strijd zijn met het beginsel van ruime uitlegging van de bepalingen waarin het vrije verkeer van werknemers is neergelegd, zoals in punt 31 van het onderhavige arrest is aangegeven, maar ook voorbijgaan aan de in punt 32 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, volgens welke de definitie van „familielid” in artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38 in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de vraag welke personen indirect recht hebben op de gelijke behandeling waarin artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 voorziet.

36 Derhalve moet worden geoordeeld dat, om vast te stellen of in een bepaald geval is voldaan aan het vereiste dat de niet-ingezeten werknemer in het onderhoud van het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner voorziet ongeacht de leeftijd van het kind, het bewijs dat die werknemer en dat kind een gemeenschappelijke woning hebben volstaat, voor zover dit kind voor het overige voldoet aan de criteria van de wetgeving van de lidstaat van tewerkstelling, in casu de Luxemburgse wetgeving, die de toekenning van de betrokken kinderbijslag regelt.

37 Op basis van het bestaan van een gemeenschappelijke woning kan immers worden aangenomen dat een niet-ingezeten werknemer die arbeid in loondienst verricht, bijdraagt in ten minste een deel van de kosten van het huishouden, te weten met name de kosten in verband met de huisvesting en het dagelijkse leven van het gezin, en dus helpt te voorzien in de behoeften van de leden ervan, waaronder die van het kind van de echtgenoot of geregistreerde partner. De omstandigheid dat de niet-ingezeten werknemer met dat kind een woning deelt, volstaat dus om aan te tonen dat is voldaan aan het vereiste dat die werknemer in het onderhoud van dat kind voorziet.

38 Overigens moet worden benadrukt dat die gemeenschappelijke woning niet noodzakelijkerwijs voltijds hoeft te worden gedeeld. In de eerste plaats kan het betrokken kind, gelet op het belang van het verschijnsel van nieuw samengestelde gezinnen, zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, ook een deel van de tijd bij zijn andere biologische of adoptieouder wonen, die niet de echtgenoot of geregistreerde partner van de niet-ingezeten werknemer is. In de tweede plaats kan de band tussen deze werknemer en dat kind niet worden geacht te zijn verbroken op grond van het enkele feit dat het kind een deel van de tijd buiten die woning verblijft omdat het een opleiding volgt.

39 Gelet op de vragen van de verwijzende rechter moet hieraan ten eerste nog worden toegevoegd dat, aangezien het bestaan van een gemeenschappelijke woning een voldoende voorwaarde is om te voldoen aan het vereiste inzake het onderhoud van het kind, de overheid of in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties van de niet-ingezeten werknemer niet kunnen verlangen dat hij, naast het bewijs van het bestaan van een dergelijke woning, meer specifiek aantoont dat hij bijdraagt in de dagelijkse uitgaven van het betrokken kind of helpt te voorzien in zijn bijzondere behoeften.

40 Wanneer de niet-ingezeten werknemer en het betrokken kind daarentegen in het geheel geen gemeenschappelijke woning hebben, bijvoorbeeld wegens de opleiding die het kind volgt, moeten andere objectieve factoren die een zekere stabiliteit vertonen, zoals met name de bijdrage in de kosten van huisvesting, vervoer en/of dagelijks leven van dat kind, in aanmerking kunnen worden genomen om die werknemer in staat te stellen aan te tonen dat hij in zijn onderhoud blijft voorzien.

41 Ten tweede kan het bestaan van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere biologische of adoptieouder van het kind van de echtgenoot of geregistreerde partner van de niet-ingezeten werknemer, een situatie als bedoeld in punt 52 van het arrest van 2 april 2020, Caisse pour l’avenir des enfants (Kind van de echtgenoot van een grensarbeider) (C‑802/18, EU:C:2020:269), of het bestaan van een omgangs- en verblijfsrecht voor deze ouder, niet worden beschouwd als een omstandigheid op basis waarvan kan worden uitgesloten dat deze werknemer voorziet in het onderhoud van dat kind, met wie hij dezelfde woning deelt.

42 In dit verband moet ten eerste met de advocaat-generaal (punt 49 van zijn conclusie) worden opgemerkt dat het Hof in dat arrest het feit dat er in die zaak geen sprake van een dergelijke bijdrage was, enkel heeft vermeld met de bedoeling om de verwijzende rechter bij te staan bij zijn beoordeling van de vraag of de grensarbeider in het onderhoud van dat kind voorzag. Bijgevolg kan het bestaan van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere ouder van het kind van de echtgenoot of geregistreerde partner van de niet-ingezeten werknemer niet worden beschouwd als een criterium op grond waarvan kan worden uitgesloten dat deze werknemer voorziet in het onderhoud van het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner, met wie hij dezelfde woning deelt. Dit geldt temeer daar het bestaan van een dergelijke onderhoudsbijdrage geen voorwaarde is die uitsluit dat kinderbijslag wordt toegekend voor het kind van de echtgenoot of geregistreerde partner van een ingezeten werknemer met wie deze laatste dezelfde woning deelt.

43 Ten tweede zou het erop neerkomen dat het vereiste inzake het onderhoud van het kind wordt uitgelegd in strijd met het in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginsel van ruime uitlegging van de bepalingen waarin het vrije verkeer van werknemers is verankerd, wanneer de in punt 41 van het onderhavige arrest genoemde elementen in aanmerking zouden worden genomen om uit te sluiten dat de niet-ingezeten werknemer in het onderhoud van het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner voorziet.

44 Ten derde moet worden verduidelijkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, uit het op een gemeenschappelijke woning gebaseerde vermoeden dat de niet-ingezeten werknemer het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner onderhoudt, volgt dat de overheid, of in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties, de toekenning van kinderbijslag als aan de orde in het hoofdgeding aan die werknemer slechts in uitzonderlijke omstandigheden kunnen weigeren. Een dergelijke weigering kan slechts gerechtvaardigd zijn indien uit het dossier blijkt dat die werknemer valse verklaringen heeft afgelegd of in werkelijkheid op geen enkele wijze bijdraagt in de kosten van het onderhoud van het kind, en dat deze volledig door een derde worden gedragen.

45 Gelet op een en ander moeten de gestelde vragen aldus worden beantwoord dat artikel 45 VWEU, artikel 1, onder i), en artikel 67 van verordening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 en met artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38, aldus moeten worden uitgelegd dat de voorwaarde waaronder aan de niet-ingezeten werknemer in de lidstaat van tewerkstelling kinderbijslag voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner wordt toegekend, namelijk dat deze werknemer „voorziet in het onderhoud” van dit kind, is vervuld wanneer er tussen die werknemer en het biologische of geadopteerde kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner een gezinsverband bestaat dat erdoor wordt gekenmerkt dat die werknemer en dat kind een gemeenschappelijke woning hebben.

Kosten

46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 45 VWEU, artikel 1, onder i), en artikel 67 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie en met artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG,

moeten aldus worden uitgelegd dat

de voorwaarde waaronder aan de niet-ingezeten werknemer in de lidstaat van tewerkstelling kinderbijslag voor het kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner wordt toegekend, namelijk dat deze werknemer „voorziet in het onderhoud” van dit kind, is vervuld wanneer er tussen die werknemer en het biologische of geadopteerde kind van zijn echtgenoot of geregistreerde partner een gezinsverband bestaat dat erdoor wordt gekenmerkt dat die werknemer en dat kind een gemeenschappelijke woning hebben.

ondertekeningen

* Procestaal: Frans.

i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in