HvJ EU 18 december 2025, C-320/24, ECLI:EU:C:2025:993

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

18 december 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 – Toetsingsbevoegdheid en verplichtingen van de nationale rechter – Boetebeding – Geen ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van dat beding – Gezag van gewijsde – Doeltreffendheidsbeginsel – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beroep op het oneerlijke karakter van een contractueel beding in het kader van een na cassatie terugverwezen zaak”

In zaak C‑320/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 26 april 2024, ingekomen bij het Hof op 30 april 2024, in de procedure

CR,

TP

tegen

Soledil Srl, een vennootschap die met haar schuldeisers een preventief akkoord heeft gesloten,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 februari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– CR en TP, vertegenwoordigd door J.‑S. F. Bartolomei, avvocato,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino en G. Palmieri als gemachtigden, bijgestaan door M. Cherubini en C. Colelli, avvocati dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en D. Recchia als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), alsmede van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CR en TP, twee toekomstige kopers van een onroerend goed met de hoedanigheid van consument, enerzijds, en Soledil Srl, een vennootschap die met haar schuldeisers een preventief akkoord heeft gesloten, de toekomstige verkoper, anderzijds, over een vordering tot ontbinding van de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst met betrekking tot dat onroerend goed en over de geldigheid van het boetebeding in die voorlopige koopovereenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen: „[…] [D]e gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten [moeten] over passende en doeltreffende middelen […] beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

4 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

5 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Italiaans recht

Consumentenwetboek

6 Decreto legislativo n. 206, recante codice del consumo, a norma dell’articolo 7 della legge 29 luglio 2003, n. 229 (wetsbesluit nr. 206 tot vaststelling van het consumentenwetboek krachtens artikel 7 van wet nr. 229 van 29 juli 2003) van 6 september 2005 (gewoon supplement bij GURI nr. 235 van 8 oktober 2005), waarbij richtlijn 93/13 is omgezet in Italiaans recht, bepaalt in artikel 33, leden 1 en 2: „1. In overeenkomsten tussen consumenten en verkopers worden bedingen die, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, als oneerlijk beschouwd. 2. Behoudens tegenbewijs worden bedingen als oneerlijk beschouwd indien zij tot doel of tot gevolg hebben dat: […] f) de consument in geval van niet-nakoming of vertraging in de nakoming als schadevergoeding, op grond van een strafbeding of op een andere vergelijkbare grond, een kennelijk onevenredig hoog bedrag moet betalen; […]”

7 Artikel 36, leden 1 en 3, van dat wetboek bepaalt: „1. Bedingen die overeenkomstig de artikelen 33 en 34 als oneerlijk worden aangemerkt zijn nietig, terwijl de overeenkomst voor het overige geldig blijft. […] 3. De nietigheid werkt uitsluitend in het voordeel van de consument en kan ambtshalve door de rechter worden opgeworpen.”

Burgerlijk wetboek

8 Krachtens artikel 1384 van de Codice civile (burgerlijk wetboek) kan de rechter de boete op billijke wijze verlagen indien de hoofdverplichting gedeeltelijk is uitgevoerd of indien het bedrag van de boete, gelet op het belang van de schuldeiser bij de uitvoering, kennelijk buitensporig is.

Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

9 Artikel 384 („Formulering van het rechtsprincipe en uitspraak over de gegrondheid”) van de Codice di procedura civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) bepaalt in de tweede alinea: „Wanneer de [Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië)] het cassatieberoep toewijst, vernietigt hij de beslissing en verwijst hij de zaak terug naar een andere rechter, die zich moet houden aan het uitgesproken rechtsprincipe en in ieder geval aan de uitspraak van deze rechter over die rechtsvraag, of doet hij zelf uitspraak ten gronde wanneer nieuwe feitelijke vaststellingen niet noodzakelijk zijn.”

10 Artikel 394 („Behandeling van de zaak na terugverwijzing”) van dit wetboek luidt: „[…] In de terugverwezen zaak kan de beslissende eed worden opgelegd, maar partijen kunnen geen andere conclusies formuleren dan die welke zij hebben geformuleerd in het geding waarin het vernietigde arrest is gewezen, tenzij de noodzaak van de nieuwe conclusies voortvloeit uit het arrest in cassatie.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11 In 1998 hebben CR en TP, toekomstige kopers, en Soledil, toekomstige verkoper, een wederzijds bindende voorlopige overeenkomst voor de koop van een onroerend goed gesloten. CR en TP hebben Soledil overeenkomstig die overeenkomst een voorschot van ongeveer 72870 EUR betaald. In artikel 7 van die overeenkomst was een boetebeding opgenomen waarin was bepaald dat de toekomstige verkoper, ingeval de toekomstige kopers de verplichting niet nakomen om de definitieve overeenkomst te sluiten, de als voorschot betaalde bedragen als boete mocht inhouden.

12 Er is geen definitieve koopovereenkomst gesloten en het geding over de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst is aan een scheidsgerecht voorgelegd. Dat gerecht heeft die overeenkomst bij scheidsrechterlijke beslissing van 29 juli 2002 ontbonden wegens niet-nakoming door de toekomstige kopers. Die laatsten werden veroordeeld tot teruggave van het betrokken onroerend goed. Daarnaast werd de toekomstige verkoper veroordeeld tot terugbetaling van alle als voorschot ontvangen bedragen.

13 Bij uitspraak van 2009 heeft de Corte d’appello di Ancona (rechter in tweede aanleg Ancona, Italië) de scheidsrechterlijke beslissing om procedurele redenen vernietigd en ten gronde uitspraak gedaan. Met name heeft die rechter de toekomstige kopers veroordeeld tot teruggave van het betrokken onroerend goed en de toekomstige verkoper veroordeeld tot terugbetaling van de als voorschot ontvangen bedragen. Voorts heeft die rechter de boete van artikel 7 van de overeenkomst, zoals vermeld in punt 11 van dit arrest, overeenkomstig artikel 1384 van het burgerlijk wetboek verlaagd tot enkel de rente die verschuldigd is over de als voorschot betaalde bedragen.

14 Bij een in 2015 in cassatie gewezen arrest heeft de Corte suprema di cassazione de uitspraak van de Corte d’appello di Ancona vernietigd omdat de beslissing om die boete te verlagen ontoereikend was gemotiveerd.

15 De zaak is daarop terugverwezen naar de Corte d’appello di Bologna (rechter in tweede aanleg Bologna, Italië).

16 Bij uitspraak van 2018 heeft die rechter geoordeeld dat het voorwerp van de terugverwezen zaak beperkt was tot de toepassing van het in artikel 7 van de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst opgenomen boetebeding, de eventuele verlaging van de toepasselijke boete en de vaststelling van de eventuele hogere schade die door de toekomstige verkoper is geleden als gevolg van de onrechtmatige ingebruikneming van het betrokken onroerend goed. Die rechter heeft met name geoordeeld dat een boete van ongeveer 72870 EUR buitensporig was en heeft het door de toekomstige kopers in dat verband verschuldigde bedrag bijgevolg verlaagd tot 61600 EUR.

17 De toekomstige kopers hebben cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione, de verwijzende rechter, waarbij zij met name hebben aangevoerd dat dit boetebeding ongeldig is omdat hun daarbij een kennelijk buitensporige boete is opgelegd en het derhalve een oneerlijk beding in de zin van de nationale regeling inzake consumentenbescherming vormt. In die omstandigheden had de Corte d’appello di Bologna artikel 7 van de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst huns inziens ambtshalve ongeldig moeten verklaren.

18 De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat het beginsel van het gezag van gewijsde zich er krachtens de nationale regeling tegen verzet dat een vraag over de nietigheid van een vermeend oneerlijk beding, die bij de eerste rechtmatigheidstoetsing niet is aangevoerd of aan de orde is gesteld en die noodzakelijkerwijs onverenigbaar is met de inhoud van het arrest in cassatie waarbij de uitspraak ten gronde is vernietigd, tijdens een tweede rechtmatigheidstoetsing wordt onderzocht.

19 Die rechter wijst er voorts op dat hij in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof over het doeltreffendheidsbeginsel met betrekking tot de aan consumenten bij richtlijn 93/13 verleende rechten reeds heeft geoordeeld dat het gezag van gewijsde niet van toepassing is in een summiere procedure tot verkrijging van een betalingsbevel wanneer tegen de aangevoerde titel geen verzet is aangetekend en die titel geen motivering bevat dat de betrokken contractuele bedingen niet oneerlijk zijn.

20 In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13], alsmede artikel 47 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat a) zij in de weg staan aan de toepassing van de beginselen van nationaal procesrecht op grond waarvan een preliminaire kwestie over de nietigheid van een [vermeend oneerlijk contractueel beding], dat bij de rechtmatigheidstoetsing niet is aangevoerd of aan de orde gesteld, en dat in logisch opzicht onverenigbaar is met de aard van het dictum van het arrest van de cassatierechter, niet kan worden onderzocht tijdens de behandeling van de terugverwezen zaak, noch tijdens de rechtmatigheidstoetsing waaraan de partijen het in de terugverwezen zaak gewezen arrest onderwerpen; b) ook in het licht van de aan de consumenten toerekenbare volslagen passiviteit, in die zin dat zij de nietigheid/ongeldigheid van de oneerlijke bedingen pas voor het eerst hebben aangevoerd in het cassatieberoep tegen het in de terugverwezen zaak gewezen arrest; c) en dit met name in verband met het aan de orde stellen van de oneerlijke aard van een kennelijk onredelijk boetebeding, met betrekking waartoe [door de Corte suprema di cassazione] is geoordeeld dat de hoogte daarvan op grond van passende criteria moet worden verlaagd, ook gezien het feit dat de consumenten pas na de uitspraak in de terugverwezen zaak hebben aangevoerd dat het beding oneerlijk is?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de toepassing van het beginsel van het gezag van gewijsde de nationale rechter, bij wie de na cassatie terugverwezen zaak aanhangig is, het niet toestaat om ambtshalve de nietigheid van een vermeend oneerlijk contractueel beding te onderzoeken wanneer, ten eerste, de consument in eerdere fasen van de gerechtelijke procedure niet heeft aangevoerd dat dit beding oneerlijk is en, ten tweede, de nationale rechters de nietigheid van een dergelijk beding niet ambtshalve hebben opgeworpen in de procedure die tot de uitspraak in cassatie heeft geleid.

22 Volgens vaste rechtspraak berust het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt (arrest van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a.,C‑693/19 en C‑831/19, EU:C:2022:395, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23 Gelet op deze zwakke positie bepaalt artikel 6, lid 1, van die richtlijn dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Het gaat om een dwingende bepaling die beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt (arrest van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a.,C‑693/19 en C‑831/19, EU:C:2022:395, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 In dit verband moet de nationale rechter ambtshalve toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, oneerlijk is en moet hij aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (arresten van 14 maart 2013, Aziz,C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 46, en 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a.,C‑693/19 en C‑831/19, EU:C:2022:395, punt 53).

25 Voorts verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, gelezen in het licht van de vierentwintigste overweging ervan, te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (arresten van 26 juni 2019, Addiko Bank,C‑407/18, EU:C:2019:537, punt 44, en 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a.,C‑693/19 en C‑831/19, EU:C:2022:395, punt 54).

26 Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling zijn de procedures ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, beschikt het Hof niet over gegevens die twijfel doen ontstaan over de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met dit beginsel.

28 Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die regel in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Voorts heeft het Hof verduidelijkt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen – met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 –, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is verankerd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste geldt onder meer voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst, de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten niet kan worden gewaarborgd (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Hieruit volgt dat de in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, geen afbreuk mogen doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Evenwel moet worden gewezen op het belang van het beginsel van het gezag van gewijsde, zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden. Het Hof heeft immers reeds aangegeven dat het, om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na het verstrijken van de voor het instellen van deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33 Het Hof heeft ook geoordeeld dat wanneer de nationale rechter bij een eerder onderzoek van een omstreden overeenkomst, dat heeft geleid tot een beslissing die gezag van gewijsde heeft, slechts één beding of bepaalde bedingen van die overeenkomst ambtshalve heeft getoetst aan richtlijn 93/13, deze richtlijn een nationale rechter gebiedt om op verzoek van de partijen of ambtshalve te onderzoeken of de andere bedingen van de overeenkomst oneerlijk zijn, zodra hij over de daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens beschikt. Bij gebreke van een dergelijk onderzoek is de bescherming die de consument wordt geboden, immers onvolledig en ontoereikend en vormt zij geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dat soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus,C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Daarentegen wordt deze bescherming wel gewaarborgd indien de bevoegde rechter tijdens een eerste gerechtelijke procedure de toetsing van het eventueel oneerlijke karakter van de bedingen van de betrokken overeenkomst had verricht, die toetsing – die minstens summier was gemotiveerd – geen oneerlijke bedingen aan het licht had gebracht en de consument naar behoren ervan in kennis was gesteld dat hij zich later niet meer zal kunnen beroepen op het mogelijk oneerlijke karakter van die bedingen indien hij niet binnen de in het nationale recht gestelde termijn hoger beroep instelt (zie arrest van 7 november 2024, ERB New Europe Funding II,C‑178/23, EU:C:2024:943, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Uit het voorgaande volgt dat de toetsing door een rechter of contractuele bedingen in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper oneerlijk zijn, in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel in het licht van richtlijn 93/13 indien, ten eerste, de consument op de hoogte wordt gebracht van het bestaan van die toetsing en van de gevolgen die zijn passiviteit heeft voor het verval van het recht om het oneerlijke karakter van contractuele bedingen aan te voeren en, ten tweede, de naar aanleiding van die toetsing genomen beslissing voldoende wordt gemotiveerd om te kunnen vaststellen welke bedingen daarbij zijn onderzocht en om welke redenen – zelfs al zijn ze summier weergegeven – de rechter heeft geoordeeld dat die bedingen niet oneerlijk zijn. Een rechterlijke beslissing die aan deze vereisten voldoet, kan tot gevolg hebben dat in een latere procedure niet opnieuw kan worden getoetst of de contractuele bedingen oneerlijk zijn (arrest van 29 februari 2024, Investcapital,C‑724/22, EU:C:2024:182, punt 45).

36 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat het beginsel van het gezag van gewijsde zich er volgens de toepasselijke nationale regeling tegen verzet dat een middel dat ambtshalve kan worden opgeworpen, zoals het vermeend oneerlijke karakter van een contractueel beding, in het kader van een terugverwezen zaak wordt onderzocht wanneer dit middel niet is aangevoerd of aan de orde gesteld in het kader van de procedure die tot het arrest in cassatie heeft geleid, en het aanvoeren van een dergelijk middel bijgevolg noodzakelijkerwijs onverenigbaar is met de inhoud van het dictum van dat arrest.

37 Tevens blijkt dat de rechterlijke beslissingen in verband met het hoofdgeding, die zijn genoemd in de punten 13, 14 en 16 van het onderhavige arrest, geen enkele toetsing bevatten – noch door de bodemrechters noch door de Corte suprema di cassazione – van het eventueel oneerlijke karakter van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde boetebeding.

38 Volgens de verwijzende rechter is er echter inderdaad een rechterlijke beslissing genomen waarin impliciet is erkend dat dit boetebeding geldig is, aangezien de door de nationale rechters genomen beslissing om het bedrag van de boete te verlagen logischerwijs veronderstelt dat dit beding geldig is en rechtsgevolgen heeft. Zo wordt een ambtshalve toetsing van het eventueel oneerlijke karakter van het betrokken boetebeding krachtens de nationale toepasselijke regeling geacht impliciet te hebben plaatsgevonden en gezag van gewijsde te hebben, ook al is er daarvoor geen motivering gegeven. Hierdoor wordt de toetsing die de in de punten 30 en 33 tot en met 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak vereist, onmogelijk gemaakt, ondanks het feit dat een gerechtelijke procedure over dat boetebeding nog steeds loopt.

39 Hieruit volgt dat die nationale regeling, die de consument de procedurele middelen ontneemt om zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden, de bescherming van die rechten onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, waardoor dus afbreuk wordt gedaan aan het doeltreffendheidsbeginsel.

40 Bovendien merkt de verwijzende rechter op dat de toekomstige kopers blijk hebben gegeven van totale passiviteit en pas in het tweede cassatieberoep hebben aangevoerd dat het betrokken boetebeding oneerlijk was.

41 Het is juist dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel niet zodanig ver kan worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (arrest van 24 juni 2025, GR REAL,C‑351/23, EU:C:2025:474, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het onderhavige geval blijkt echter uit de verwijzingsbeslissing dat de toekomstige kopers aan de verschillende fasen van de gerechtelijke procedure hebben deelgenomen en – zij het alleen in het tweede cassatieberoep – hebben aangevoerd dat het betrokken boetebeding oneerlijk was. Hun gedrag kan derhalve niet als volledig passief worden aangemerkt.

42 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de toepassing van het beginsel van het gezag van gewijsde het de nationale rechter, bij wie de na cassatie terugverwezen zaak aanhangig is, niet toestaat om ambtshalve de nietigheid van een vermeend oneerlijk contractueel beding te onderzoeken wanneer, ten eerste, de consument in eerdere fasen van de gerechtelijke procedure niet heeft aangevoerd dat dit beding oneerlijk is en, ten tweede, de nationale rechters de nietigheid van een dergelijk beding niet ambtshalve hebben opgeworpen in de procedure die tot de uitspraak in cassatie heeft geleid.

Kosten

43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de toepassing van het beginsel van het gezag van gewijsde het de nationale rechter, bij wie de na cassatie terugverwezen zaak aanhangig is, niet toestaat om ambtshalve de nietigheid van een vermeend oneerlijk contractueel beding te onderzoeken wanneer, ten eerste, de consument in eerdere fasen van de gerechtelijke procedure niet heeft aangevoerd dat dit beding oneerlijk is en, ten tweede, de nationale rechters de nietigheid van een dergelijk beding niet ambtshalve hebben opgeworpen in de procedure die tot de uitspraak in cassatie heeft geleid.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in