HvJ EU 4 juni 2026, C-629/24, ECLI:EU:C:2026:451
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
4 juni 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Vervoer – Verordening (EG) nr. 392/2009 – Aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen – Artikel 2 – Toepassingsgebied – Artikel 3 – Aansprakelijkheid en verzekering – Artikel 7 – Informatie ten behoeve van de passagiers – Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee – Artikel 3 – Aansprakelijkheid van de vervoerder bij overlijden of persoonlijk letsel van een passagier – Artikelen 6 en 7 – Aansprakelijkheidsgrenzen – Richtlijn 90/314/EEG – Pakketreizen, vakantiepakketten en rondreispakketten – Artikel 5 – Aansprakelijkheid van de reisorganisator voor de goede uitvoering van het pakket – Cruise – Persoonlijk letsel opgelopen door een passagier aan boord van het schip – Schadevergoedingsgrenzen overeenkomstig internationale verdragen”
In zaak C‑629/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 15 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 25 september 2024, in de procedures
MH
tegen
Costa Crociere SpA,
Axyme Selàrl, in haar hoedanigheid van gerechtelijke vereffenaar van de vennootschap Blue Passion,
Generali IARD SA, in haar hoedanigheid van verzekeraar van de onderneming Blue Passion,
Hiscox Insurance Company Ltd,
Caisse primaire d’assurance maladie (CPAM) de Paris,
en
Costa Crociere SpA,
tegen
DI,
DM, zowel in eigen naam als in zijn hoedanigheid van erfgenaam van DI,
Croisière Club SAS,
Hiscox Insurance Company Ltd,
Caisse primaire d’assurance maladie (CPAM) du Puy-De-Dôme,
Hiscox SA, in haar hoedanigheid van beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van Croisière Club SAS,
WT, in zijn hoedanigheid van erfgenaam van DI,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– MH, vertegenwoordigd door N. Boullez, avocat,
– Costa Crociere SpA, vertegenwoordigd door G. Valdelièvre, avocat,
– Hiscox Insurance Company Ltd, vertegenwoordigd door G. Thouvenin, avocat,
– DM, in eigen naam en als erfgenaam van DI, alsook WT, als erfgenaam van DI, vertegenwoordigd door F. Rocheteau, avocat,
– Croisière Club SAS en Hiscox SA, in haar hoedanigheid van beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van Croisière Club SAS, vertegenwoordigd door D. Le Prado, avocat
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Herbaut en B. Travard als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude, M. Noll-Ehlers en N. Yerrell als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, artikel 3, lid 1, en artikel 7, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen (PB 2009, L 131, blz. 24) in omstandigheden waarin een zeevervoerder een cruise organiseert die een pakketreis vormt in de zin van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (PB 1990, L 158, blz. 59).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen, het eerste tussen MH en Costa Crociere SpA, Axyme Selàrl, in haar hoedanigheid van gerechtelijke vereffenaar van de vennootschap Blue Passion, Generali IARD SA, in haar hoedanigheid van verzekeraar van de onderneming Blue Passion, Hiscox Insurance Company Ltd en de Caisse primaire d’assurance maladie (CPAM) de Paris (hierna: „zaak MH”), en het tweede tussen Costa Crociere en DI, DM, in eigen naam en in zijn hoedanigheid van erfgenaam van DI, Croisière Club SAS, Hiscox Insurance Company Ltd, de Caisse primaire d’assurance maladie (CPAM) de Puy-De-Dôme, Hiscox SA, in haar hoedanigheid van verzekeraar van de beroepsaansprakelijkheid van Croisière Club SAS, en WT (hierna: „zaak Costa Crociere”), naar aanleiding van persoonlijk letsel dat is toegebracht aan MH en DI tijdens cruises op een schip dat wordt geëxploiteerd door Costa Crociere, welke cruises aan hen waren verkocht als pakketreizen door de reisbureaus Blue Passion en Croisière Club.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 392/2009
3 Artikel 1 („Doelstelling”) van verordening nr. 392/2009 bepaalt: „1. Deze verordening voorziet in de communautaire regeling betreffende aansprakelijkheid en verzekering voor het vervoer van passagiers over zee, zoals vastgesteld in de toepasselijke bepalingen van: a) het Verdrag van Athene betreffende het vervoer van passagiers en hun bagage over zee van 1974, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2002, (hierna: ‚Verdrag van Athene’), als gespecificeerd in bijlage I, […] […]”
4 Artikel 2 („Toepassingsgebied”) van die verordening, luidt als volgt: „Deze verordening is van toepassing op al het internationaal vervoer in de zin van artikel 1, punt 9, van het Verdrag van Athene en op vervoer over zee binnen eenzelfde lidstaat aan boord van schepen die overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 98/18/EG [van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB 1998, L 144, blz. 1)] met Klasse A en B overeenstemmen, indien: a) het schip onder de vlag van een lidstaat vaart of in een lidstaat is geregistreerd; b) de vervoersovereenkomst in een lidstaat is gesloten, of c) volgens de vervoersovereenkomst de plaats van vertrek of bestemming in een lidstaat is gelegen. De lidstaten kunnen de bepalingen van deze verordening toepassen op alle binnenlandse zeereizen.”
5 Artikel 3 („Aansprakelijkheid en verzekering”) van deze verordening bepaalt in lid 1 ervan: „De aansprakelijkheidsregeling ten aanzien van passagiers, hun bagage en hun voertuigen en de voorschriften inzake verzekering of een andere financiële zekerheid worden beheerst door deze verordening, door de artikelen 1 en 1 bis, artikel 2, lid 2, de artikelen 3 tot en met 16, en de artikelen 18, 20 en 21 van het Verdrag van Athene, die in bijlage I staan, en de [richtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO)] in bijlage II.”
6 Artikel 7 („Informatie ten behoeve van de passagiers”) van deze verordening luidt: „Onverminderd de verplichtingen van touroperators overeenkomstig richtlijn [90/314], met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, moeten de vervoerder en/of de feitelijke vervoerder ervoor zorgen dat de passagiers passende en begrijpelijke informatie wordt verstrekt over hun rechten uit hoofde van deze verordening. Indien de vervoersovereenkomst in een lidstaat is gesloten, wordt die informatie in alle verkooppunten, met inbegrip van verkoop per telefoon of internet, verstrekt. Wanneer de vertrekplaats in een lidstaat is gelegen, wordt die informatie voor de afvaart verstrekt. In alle andere gevallen wordt die informatie uiterlijk bij de afvaart verstrekt. Voor zover ofwel de vervoerder ofwel de feitelijke vervoerder heeft voldaan aan de informatieverplichting van dit artikel, is de ander niet gehouden tot informatieverstrekking. Die informatie wordt verstrekt in de meest geschikte vorm. Om aan de informatieverplichting uit hoofde van dit artikel te voldoen, verstrekken de vervoerder en de feitelijke vervoerder minstens de informatie die is neergelegd in een door de [Europese] Commissie opgesteld en openbaar gemaakt overzicht van de bepalingen van deze verordening.”
7 Artikel 12 („Inwerkingtreding”) van die verordening bepaalt: „Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Athene voor de Gemeenschap, doch in elk geval uiterlijk op 31 december 2012. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.”
8 Bijlage I bij deze verordening, betreffende de bepalingen uit het Verdrag van Athene die relevant zijn voor de toepassing van die verordening (hierna: „bijlage I”), bevat een artikel 1 („Definities”), waarin het volgende is bepaald: „In dit verdrag worden de volgende uitdrukkingen in de hieronder omschreven betekenis gebruikt: 1) a) ‚vervoerder’ betekent een persoon door of namens welke een vervoerovereenkomst is gesloten, ongeacht de vraag of het vervoer feitelijk door deze persoon of door een feitelijke vervoerder wordt verzorgd; b) ‚feitelijke vervoerder’ betekent een andere persoon dan de vervoerder, of het nu de eigenaar, de bevrachter of de exploitant van het schip betreft, die geheel of gedeeltelijk het vervoer feitelijk verricht, en c) ‚vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht’ betekent de feitelijke vervoerder, of, voor zover de vervoerder zelf het vervoer verricht, de vervoerder; 2) ‚vervoersovereenkomst’ betekent een door of namens een vervoerder gesloten overeenkomst, voor het vervoer over zee van een passagier of, in voorkomende gevallen, van een passagier en zijn bagage; […] 8) ‚vervoer’ heeft betrekking op de volgende perioden: a) wat de passagier en zijn hutbagage betreft, de periode gedurende welke de passagier en/of zijn hutbagage zich aan boord van het schip bevinden, gedurende het in- en ontschepen en de periode tijdens welke de passagier en zijn hutbagage te water worden vervoerd van de kade naar het schip of omgekeerd indien de prijs van dit vervoer begrepen is in die van het biljet of indien het vaartuig dat voor dat bijkomend vervoer wordt gebruikt, door de vervoerder ter beschikking van de passagier werd gesteld. Het vervoer omvat wat de passagier betreft echter niet de periode tijdens welke deze zich in een zeestation of op een kade of in of op een ander havenwerk bevindt; […] 9) ‚internationaal vervoer’ is elk vervoer waarvan volgens de vervoersovereenkomst de plaats van vertrek en die van bestemming in twee verschillende staten liggen of in één enkele staat als er volgens de vervoersovereenkomst of het voorziene vaarplan een tussenliggende aanloophaven in een andere staat is; […]”
9 Artikel 3 („Aansprakelijkheid van de vervoerder”) van bijlage I bepaalt: „1. Bij verlies geleden als gevolg van het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier veroorzaakt door een scheepvaartincident, is de vervoerder in zoverre aansprakelijk dat een dergelijk verlies met betrekking tot die passagier voor elk afzonderlijk geval niet meer dan 250000 rekeneenheden beloopt, tenzij de vervoerder bewijst dat het incident: a) het gevolg is van een daad van oorlog, vijandigheden, burgeroorlog, opstand of een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onbedwingbare aard, of b) geheel is veroorzaakt door een handeling of verzuim van een derde met de bedoeling het incident te veroorzaken. Indien en voor zover het verlies bovengenoemde grens te boven gaat, is de vervoerder verder aansprakelijk, tenzij deze bewijst dat het incident dat het verlies heeft veroorzaakt niet aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is. 2. Bij verlies geleden als gevolg van de dood of het persoonlijk letsel van een passagier die niet zijn veroorzaakt door een scheepvaartincident, is de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat het verlies heeft veroorzaakt aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is. De last om te bewijzen dat er sprake is van schuld of nalatigheid berust bij de eiser. […] 5. Voor de toepassing van dit artikel: a) wordt onder ‚scheepvaartincident’ verstaan schipbreuk, kapseizen, aanvaring of stranden van het schip, explosie of brand aan boord, of defect aan het schip; b) omvat ‚schuld of nalatigheid van de vervoerder’ de schuld of nalatigheid van de ondergeschikten van de vervoerder, handelend binnen het kader van hun dienstverband; c) wordt onder ‚defect aan het schip’ verstaan ieder niet of gebrekkig functioneren of iedere niet-overeenstemming met toepasselijke veiligheidsvoorschriften van enig deel van het schip of de uitrusting ervan wanneer deze worden gebruikt voor ontsnapping, evacuatie, inscheping en ontscheping van passagiers, of wanneer deze worden gebruikt voor aandrijving, besturing, veilig navigeren, afmeren, ankeren, voor het aankomen op of vertrekken van een aanleg- of ankerplaats, of voor schadebeheersing na onderlopen van het schip, of wanneer deze worden gebruikt voor het te water laten van de reddingsuitrusting, en d) omvat ‚verlies’ niet als bestraffing of voorbeeldstelling bedoelde schadevergoeding. 6. De aansprakelijkheid van de vervoerder krachtens dit artikel betreft slechts een verlies als gevolg van incidenten die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan. De last om te bewijzen dat het incident dat het verlies heeft veroorzaakt zich tijdens het vervoer heeft voorgedaan, en om de omvang van het verlies aan te tonen, berust bij de eiser. […]”
10 Artikel 6 („Schuld van de passagier”) van bijlage I bepaalt: „Indien de vervoerder bewijst dat de dood of het letsel van de passagier, het verlies of de beschadiging van de bagage te wijten of mede te wijten zijn aan de schuld of nalatigheid van de passagier, kan de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale wet de vervoerder geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid ontheffen.”
11 Artikel 7 („Aansprakelijkheidsgrens bij overlijden en persoonlijk letsel”) van bijlage I bepaalt in lid 1: „De aansprakelijkheid van de vervoerder voor het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier, ingevolge artikel 3, is beperkt tot een bedrag van 400000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk geval. Indien de schadevergoeding volgens de wetgeving van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt wordt verleend in de vorm van een rente, kan het kapitaal van die rente deze grens niet overschrijden.”
12 Artikel 9 („Rekeneenheid en omrekening”) van bijlage I luidt als volgt: „1. De rekeneenheid bedoeld in dit verdrag is het Bijzondere Trekkingsrecht zoals dit is omschreven door het Internationaal Monetair Fonds. De in artikel 3, lid 1, artikel 4 bis, lid 1, artikel 7, lid 1, en artikel 8 genoemde bedragen worden omgerekend in de nationale munteenheid van de staat van de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, overeenkomstig de waarde van de desbetreffende munteenheid ten opzichte van het Bijzondere Trekkingsrecht op de dag van de rechterlijke beslissing of op de door de partijen overeengekomen dag. De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in Bijzondere Trekkingsrechten, van een staat die partij is en die lid is van het Internationaal Monetair Fonds, wordt berekend in overeenstemming met de methode van waardebepaling die wordt toegepast door het Internationaal Monetair Fonds op de datum in kwestie voor zijn eigen operaties en transacties. De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in Bijzondere Trekkingsrechten, van een staat die partij is en die geen lid is van het Internationale Monetair Fonds, wordt berekend op een door die staat vastgestelde wijze. 2. Niettemin kan een staat die geen lid is van het Internationaal Monetair Fonds en waarvan de wet de toepassing van de bepalingen van lid 1 niet toelaat, op het tijdstip van ratificatie, aanvaarding, goedkeuring van dan wel toetreding tot dit verdrag of op enig tijdstip nadien, verklaren dat de in lid 1 bedoelde rekeneenheid gelijk zal zijn aan 15 goudfranken. De in dit lid bedoelde goudfrank komt overeen met vijfenzestig en een halve milligram goud van een gehalte van negenhonderdduizendste fijn. De omrekening van de goudfrank in de nationale munteenheid geschiedt volgens de wet van de betrokken staat. 3. De in de laatste zin van lid 1 genoemde berekening en de in lid 2 genoemde omrekening geschieden op zodanige wijze dat in de nationale munteenheden van de staten die partij zijn zoveel mogelijk dezelfde reële waarde voor de bedragen in artikel 3, lid 1, artikel 4 bis, lid 1, artikel 7, lid 1, en artikel 8 wordt uitgedrukt als zou resulteren van de toepassing van de eerste drie zinnen van lid 1. De staten doen de secretaris-generaal mededeling van de wijze van berekening overeenkomstig lid 1, of van het resultaat van de omrekening in lid 2, naargelang van het geval, wanneer zij een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van, of van toetreding tot dit verdrag neerleggen, en telkenmale als zich in deze berekening of omrekening een wijziging voordoet.”
13 In artikel 13 („Verval van het recht op beperking van aansprakelijkheid”) van bijlage I is het volgende bepaald: „1. Het voordeel van de in de artikelen 7, 8 en 10, lid 1, bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen vervalt voor de vervoerder indien bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of een verzuim door de vervoerder, hetzij met de bedoeling die schade te veroorzaken, hetzij uit roekeloosheid en wetend dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien. 2. De aangestelde of de lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder kan zich niet beroepen op deze aansprakelijkheidsgrenzen indien bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of verzuim door die aangestelde of lasthebber, hetzij met de bedoeling dergelijke schade te veroorzaken, hetzij uit roekeloosheid en wetend dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.”
14 Artikel 14 („Grond van de vorderingen”) van bijlage I bepaalt: „Bij overlijden of persoonlijk letsel van de passagier of bij verlies of beschadiging van bagage kan tegen de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen andere vordering tot schadevergoeding worden ingesteld dan op grond van dit verdrag.”
Verordening nr. 1177/2010
15 Artikel 3 van verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB 2010, L 334, blz. 1) bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing: […] t) ‚cruise’: vervoersdienst over zee of binnenwateren, uitsluitend bedoeld voor plezier of recreatie, aangevuld met accommodatie en andere voorzieningen, met meer dan twee overnachtingen aan boord; […]”
Richtlijn 90/314
16 De negentiende overweging van richtlijn 90/314 luidde: „Overwegende dat, wanneer de organisator en/of de doorverkoper aansprakelijk worden gesteld vanwege het niet of slecht uitvoeren van de onder het pakket vallende diensten, het raadzaam lijkt dat deze aansprakelijkheid kan worden beperkt overeenkomstig de internationale overeenkomsten waarbij deze dienstverrichtingen worden geregeld, met name het Verdrag van Warschau van 1929 inzake het internationale luchtvervoer, het Verdrag van Bern van 1961 betreffende het vervoer per spoorweg, het Verdrag van Athene […] en het Verdrag van Parijs van 1962 nopens de aansprakelijkheid van hotelhouders; dat voorts voor andere dan lichamelijke schade uit hoofde van de overeenkomst beperkingen aan de aansprakelijkheid moeten kunnen worden gesteld, op voorwaarde echter dat deze beperkingen niet onredelijk zijn”.
17 Artikel 1 van deze richtlijn luidde als volgt: „Doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake op het grondgebied van de Gemeenschap verkochte of ten verkoop aangeboden pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten.”
18 Artikel 2 van de richtlijn luidde: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‚pakket’: de van tevoren georganiseerde combinatie van niet minder dan twee van de volgende diensten, welke voor een gezamenlijke prijs wordt verkocht of ten verkoop aangeboden en een periode van meer dan 24 uur beslaat of een overnachting behelst: a) vervoer, b) logies, c) andere, niet met vervoer of logies verband houdende toeristische diensten die een significant deel van het pakket uitmaken. […]”
19 In artikel 5 van die richtlijn was het volgende bepaald: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de organisator en/of de doorverkoper die partij zijn bij de overeenkomst, tegenover de consument aansprakelijk zijn voor de goede uitvoering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, ongeacht of deze verplichtingen zijn uit te voeren door henzelf dan wel door andere verstrekkers van diensten, en zulks onverminderd het recht van de organisator en/of de doorverkoper om deze andere verstrekkers van diensten aan te spreken. 2. Met betrekking tot de schade die de consument ondervindt ingevolge het niet of slecht uitvoeren van de overeenkomst, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de organisator en/of de doorverkoper aansprakelijk te stellen, tenzij het niet of slecht uitvoeren niet aan hen is toe te schrijven, noch aan andere verstrekkers van diensten omdat – de tekortkomingen in de uitvoering van de overeenkomst toe te schrijven zijn aan de consument; – deze tekortkomingen, die niet te voorzien waren of konden worden opgeheven, toe te schrijven zijn aan een derde die niet bij de levering van de bij de overeenkomst bedoelde diensten betrokken is; – deze tekortkomingen te wijten zijn aan overmacht als omschreven in artikel 4, lid 6, tweede alinea, onder ii), dan wel aan een gebeurtenis die de organisator en/of de doorverkoper of de dienstverstrekker met inachtneming van alle mogelijke zorgvuldigheid niet konden voorzien of verhelpen. In de gevallen genoemd in de eerste alinea, tweede en derde streepje, zijn de bij de overeenkomst betrokken organisator en/of doorverkoper verplicht hun best te doen om de in moeilijkheden verkerende consument hulp te bieden. Voor wat betreft de schade die voortvloeit uit het niet of slecht uitvoeren van de in het pakket opgenomen dienstverrichtingen, kunnen de lidstaten toestaan dat de schadeloosstelling wordt beperkt overeenkomstig de internationale overeenkomsten waarbij deze dienstverrichtingen worden geregeld. Voor andere dan lichamelijke schade die voortvloeit uit het niet of slecht uitvoeren van de in het pakket opgenomen dienstverrichtingen, kunnen de lidstaten toestaan dat de schadeloosstelling uit hoofde van de overeenkomst wordt beperkt. Deze beperking mag niet onredelijk zijn. 3. Onverminderd lid 2, vierde alinea, mag van het in de leden 1 en 2 bepaalde niet worden afgeweken uit hoofde van een contractuele bepaling. […]”
Frans recht
20 Met de code du tourisme (wetboek van toerisme) is richtlijn 90/314 omgezet in Frans recht. Artikel L. 211‑1 van dat wetboek, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wetboek van toerisme”), luidt als volgt: „I.- Dit hoofdstuk is van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die zich bezighouden met of meewerken aan activiteiten die bestaan uit de organisatie of verkoop, ongeacht hoe zij worden beloond, van: a) individuele reizen of groepsreizen of -vakanties; b) diensten die kunnen worden verleend in verband met reizen of vakanties, in het bijzonder de uitgifte van tickets, de reservering van kamers in hotels of toeristische accommodaties en de uitgifte van vouchers voor logies of maaltijden; […]”
21 Artikel L. 211‑2 van het wetboek van toerisme luidt: „Een pakketreis is de prestatie die: 1° het resultaat vormt van een van tevoren georganiseerde combinatie van niet minder dan twee handelingen die respectievelijk betrekking hebben op vervoer, logies of andere, niet met vervoer of logies verband houdende toeristische diensten die een significant deel van het pakket uitmaken; 2° een periode van meer dan vierentwintig uur beslaat of een overnachting behelst; 3° wordt verkocht of ten verkoop aangeboden voor een gezamenlijke prijs.”
22 In artikel L. 211‑16 van het wetboek van toerisme staat te lezen: „Iedere natuurlijke of rechtspersoon die de in artikel L. 211‑1 bedoelde handelingen verricht, is van rechtswege tegenover de koper aansprakelijk voor de goede uitvoering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, ongeacht of de overeenkomst op afstand is gesloten en of deze verplichtingen door hemzelf of door andere dienstverleners moeten worden uitgevoerd, onverminderd zijn recht van verhaal op laatstgenoemden en binnen de grenzen van de schadevergoedingen waarin internationale verdragen voorzien. Hij kan echter geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid worden ontheven door te bewijzen dat het niet of slecht uitvoeren van de overeenkomst toe te schrijven is aan de koper, aan een tekortkoming die niet te voorzien was of kon worden opgeheven en die toe te schrijven is aan een derde die niet bij de levering van de bij de overeenkomst bedoelde diensten betrokken is, of aan overmacht.”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak MH
23 Op 18 januari 2017 boekte MH bij reisbureau Blue Passion een cruise voor een bedrag van 12038 EUR. Deze cruise zou plaatsvinden van Valparaíso (Chili) naar Melbourne (Australië) en worden uitgevoerd op een schip van Costa Crociere in de periode van 15 februari tot en met 17 maart 2017. Tijdens de nacht van 17 op 18 februari 2017 is MH opgestaan uit bed zonder het licht aan te doen en is zij gevallen, waarbij zij een humeruskop heeft gebroken. Na deze breuk werd ze voor behandeling naar het Franse vasteland overgebracht.
24 In juli 2017 heeft MH bij de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) een zaak inzake aansprakelijkheid aangespannen tegen Blue Passion en Costa Crociere. Hiscox Insurance is, in haar hoedanigheid van verzekeraar van deze bedrijven, vrijwillig tussengekomen in de procedure.
25 Bij vonnis van 24 oktober 2019 oordeelde deze rechter dat Blue Passion en Costa Crociere voor 20 % aansprakelijk waren voor het verlies dat MH had geleden als gevolg van haar val, en dat MH zelf medeverantwoordelijk was voor deze val omdat zij het licht niet had aangedaan voordat het ongeval plaatsvond. Bovendien heeft die rechter op grond van de artikelen L. 211‑2 en volgende van het wetboek van toerisme Blue Passion en Costa Crociere in solidum met Hiscox Insurance veroordeeld tot vergoeding van de door MH geleden schade ten bedrage van 2041,53 EUR.
26 Bij vonnis van 22 september 2020 is ten aanzien van Blue Passion een gerechtelijke liquidatieprocedure geopend.
27 Costa Crociere heeft bij de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 oktober 2019. Deze rechter heeft in zijn arrest van 17 november 2022 geoordeeld dat MH als enige verantwoordelijk was voor haar ongeval, omdat zij het licht in haar kamer niet had aangedaan voordat zij viel. Bijgevolg kon Blue Passion niet op grond van de artikelen L. 211‑1 en volgende van het wetboek van toerisme aansprakelijk worden gesteld wegens een slechte uitvoering van de overeenkomst. Daarenboven heeft deze rechter geoordeeld dat Costa Crociere ook niet aansprakelijk kon worden gesteld voor het ongeval uit hoofde van verordening nr. 392/2009 en het Verdrag van Athene, aangezien er niet was aangevoerd dat er sprake was van scheepsbewegingen of tekortkomingen van Costa Crociere die de oorzaak zouden zijn geweest van de val in kwestie. De cour d’appel de Paris heeft dit vonnis dan ook vernietigd.
28 MH heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de Cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter. Zij is van mening dat de cour d’appel de Paris ten onrechte heeft geweigerd de artikelen L. 211‑2 en L. 211‑16 van het wetboek van toerisme toe te passen en ten onrechte de bepalingen van verordening nr. 392/2009 en van het Verdrag van Athene heeft toegepast.
Zaak Costa Crociere
29 Op 11 februari 2016 kocht DM voor zichzelf en zijn echtgenote DI bij reisbureau Croisière Club een pakketreis voor de prijs van 1782 EUR. Deze reis bestond uit een cruise langs de Griekse eilanden, met vertrek vanuit Marseille (Frankrijk) en met vijf tussenstops, uitgevoerd op een schip van Costa Crociere in de periode van 30 maart tot en met 11 april 2016.
30 Op 30 maart 2016 is DI gevallen en heeft ze haar linkerhumeruskop gebroken na een duw door een niet-geïdentificeerde persoon toen ze zich wilde bedienen aan het buffet op het cruiseschip, dat nog in de haven van Marseille voor anker lag.
31 DM en DI, die daardoor niet aan de cruise hebben deelgenomen, hebben bij de tribunal judiciaire de Nanterre (rechter in eerste aanleg Nanterre, Frankrijk) een vordering tot schadevergoeding ingesteld tegen Costa Crociere en Croisière Club. Hiscox Insurance is in haar hoedanigheid van verzekeraar van Croisière Club vrijwillig tussengekomen in de procedure.
32 Op 22 oktober 2020 oordeelde deze rechter dat Costa Crociere en Croisière Club aansprakelijk waren en veroordeelde hen, evenals Hiscox Insurance, tot het betalen van diverse bedragen aan DI en DM ter vergoeding van het geleden verlies. Costa Crociere, Croisière Club en Hiscox Insurance hebben tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend bij de cour d’appel de Versailles (rechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk).
33 Bij arrest van 14 februari 2023 heeft deze rechter genoemde uitspraak bevestigd op grond van de artikelen L. 211‑1 en volgende van het wetboek van toerisme.
34 Costa Crociere heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, omdat zij van mening is dat de cour d’appel de Versailles ten onrechte heeft geweigerd verordening nr. 392/2009 en het Verdrag van Athene toe te passen en haar ten onrechte aansprakelijk heeft gesteld voor het door DM en DI geleden verlies op grond van de artikelen L. 211‑1 en volgende van het wetboek van toerisme.
Overwegingen betreffende beide zaken in het hoofdgeding
35 De verwijzende rechter merkt op dat de cour d’appel de Paris en de cour d’appel de Versailles, alsmede een deel van de rechtsleer, het oneens zijn over de vraag of verordening nr. 392/2009 van toepassing is op cruises die de kenmerken van een pakketreis in de zin van richtlijn 90/314 vertonen.
36 Enerzijds zou de aansprakelijkheid van de organisator van zeecruises die als pakketreizen worden verkocht kunnen vallen onder de aansprakelijkheidsregeling die bij richtlijn 90/314 is vastgesteld. Verordening nr. 392/2009 bevat immers geen afwijking van de uniforme regeling inzake de aansprakelijkheid van rechtswege van de organisator of de doorverkoper die bij deze richtlijn is vastgesteld. Bovendien beoogt deze richtlijn een betere bescherming van de consument te waarborgen. Voormelde verordening heeft uitsluitend betrekking op overeenkomsten inzake het vervoer van passagiers over zee, en de verwijzing in artikel 7 van die verordening naar richtlijn 90/314 is beperkt tot de verplichtingen van touroperators inzake de informatieverstrekking aan passagiers en heeft geenszins betrekking op de aansprakelijkheidsregeling waarin die richtlijn voorziet.
37 Anderzijds zou de aansprakelijkheid van de organisator van zeecruises die in de vorm van pakketreizen worden verkocht, onder de aansprakelijkheidsregeling van verordening nr. 392/2009 kunnen vallen, aangezien artikel 14 van het Verdrag van Athene, waarnaar artikel 3 van die verordening verwijst, bepaalt dat bij overlijden of persoonlijk letsel van de passagier of bij verlies of beschadiging van bagage tegen de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen andere vordering tot schadevergoeding kan worden ingesteld dan op grond van dit verdrag, en dat voorts geen enkele bepaling van die verordening cruises van het toepassingsgebied ervan heeft uitgesloten en dat artikel 7 van die verordening verwijst naar richtlijn 90/314.
38 Daarnaast moet volgens een deel van de rechtsleer een onderscheid worden gemaakt naargelang het ongeval waarbij een passagier tijdens een cruise betrokken is, verband houdt met het vervoer zelf, in welk geval de aansprakelijkheid van de vervoerder onder de regeling van het Verdrag van Athene zou vallen, dan wel met een toeristische dienst die in verband met dat vervoer wordt verleend, die binnen het toepassingsgebied van richtlijn 90/314 valt.
39 In die omstandigheden heeft de cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten [artikel 2, artikel 3, lid 1, en artikel 7,] eerste alinea, van verordening [nr. 392/2009], en bijlage I daarbij, aldus worden uitgelegd dat zij de aansprakelijkheid regelen van een zeevervoerder die de exploitant is van een cruise met de kenmerken van een pakketreis in de zin van richtlijn [90/314]? 2) Indien de eerste vraag [bevestigend] wordt beantwoord, regelen deze bepalingen van verordening [nr. 392/2009] de aansprakelijkheid van deze exploitant uitsluitend indien het persoonlijk letsel verband houdt met vervoer over zee?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
40 Vooraf zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arrest van 18 december 2025, SACD e.a., C‑182/24, EU:C:2025:979, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In casu wenst de verwijzende rechter met zijn twee complementaire vragen te vernemen welke aansprakelijkheidsregels van toepassing zijn wanneer een passagier van een cruiseschip aan boord van dat schip persoonlijk letsel oploopt, aangezien een cruise kan worden aangemerkt als zowel een pakketreis in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 90/314 als een zeevervoer in de zin van artikel 2 van verordening nr. 392/2009, en artikel 5 van die richtlijn en artikel 3 van die verordening, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij, in afzonderlijke aansprakelijkheidsregelingen voorzien.
42 Hieruit volgt dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 3, lid 1, artikel 7, eerste alinea, en bijlage I van verordening nr. 392/2009, en artikel 5 van richtlijn 90/314 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer een cruise de kenmerken van een pakketreis heeft in de zin van artikel 2, punt 1, van die richtlijn, vorderingen tot schadevergoeding met betrekking tot persoonlijk letsel dat tijdens het vervoer over zee, in de zin van artikel 2 van die verordening, is opgelopen door een passagier aan boord van het cruiseschip, vallen onder de in die verordening vastgelegde aansprakelijkheidsregeling voor de zeevervoerder die de cruise met het schip uitvoert.
43 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 90/314 volgens artikel 1 ervan tot doel heeft de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake op het grondgebied van de Europese Unie verkochte of ten verkoop aangeboden pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, onderling aan te passen. Zoals uit artikel 2 ervan blijkt, ziet richtlijn 90/314 op tussen een consument en een organisator of een doorverkoper gesloten overeenkomsten die betrekking hebben op een pakket dat erin bestaat dat een combinatie van diensten die een periode van meer dan 24 uur beslaat of een overnachting behelst en betrekking heeft op minstens twee van de drie volgende diensten (vervoer – logies – andere, niet met vervoer of logies verband houdende toeristische diensten die een significant deel van het pakket uitmaken), voor een gezamenlijke prijs wordt verkocht of ten verkoop wordt aangeboden.
44 Hieruit volgt dat wanneer een cruise – in artikel 3, onder t), van verordening nr. 1177/2010 omschreven als een vervoersdienst over zee of binnenwateren, uitsluitend bedoeld voor plezier of recreatie, aangevuld met accommodatie en andere toeristische voorzieningen, met meer dan twee overnachtingen aan boord – tegen een gezamenlijke prijs aan een consument wordt verkocht, deze verkoop moet worden geacht betrekking te hebben op een pakketreis in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 90/314, en derhalve onder die richtlijn valt.
45 In dat verband zij opgemerkt dat richtlijn 90/314, met het oog op de onderlinge aanpassing waarvan sprake in artikel 1 ervan, een bindende regeling invoert van contractuele aansprakelijkheid van de pakketreisorganisator tegenover de consument die met hem een pakketreisovereenkomst heeft gesloten. Zo bepaalt artikel 5, lid 1, van deze richtlijn dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de organisator en/of de doorverkoper die partij zijn bij een dergelijke overeenkomst, tegenover de consument aansprakelijk zijn voor de goede uitvoering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, ongeacht of deze verplichtingen zijn uit te voeren door henzelf dan wel door andere dienstverstrekkers. Artikel 5, lid 2, eerste alinea, van deze richtlijn bepaalt op zijn beurt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de organisator en/of de doorverkoper aansprakelijk te stellen voor de schade die de consument ondervindt door het niet of slecht uitvoeren van de overeenkomst (zie in die zin arrest van 18 maart 2021, Kuoni Travel, C‑578/19, EU:C:2021:213, punten 34 en 35).
46 Deze aansprakelijkheid van de organisator en/of de doorverkoper jegens de consument is echter niet onbeperkt.
47 De organisator en/of de doorverkoper zijn op grond van artikel 5, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 90/314 namelijk niet aansprakelijk voor tekortkomingen bij de uitvoering van de overeenkomst indien deze tekortkomingen aan de consument toe te schrijven zijn, indien zij zijn toe te schrijven aan een derde die niet bij de levering van de bij de overeenkomst bedoelde diensten betrokken is en zij niet te voorzien waren of konden worden opgeheven, of indien zij te wijten zijn aan overmacht of een voor de organisator niet te voorziene of te verhelpen gebeurtenis.
48 Bovendien blijkt uit artikel 5, lid 2, derde alinea, van richtlijn 90/314, gelezen in samenhang met de negentiende overweging daarvan, dat de lidstaten kunnen toestaan dat de schadeloosstelling van de consument wegens het niet of slecht uitvoeren van de in het pakket opgenomen dienstverrichtingen wordt beperkt overeenkomstig de internationale overeenkomsten waarbij deze dienstverrichtingen worden geregeld, waaronder het Verdrag van Athene.
49 Wat deze laatste beperking van de schadeloosstelling van een consument betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat deze van toepassing is op elke „vervoerder”, die in artikel 1, onder 1), is gedefinieerd als een persoon door of namens welke een vervoersovereenkomst is gesloten, ongeacht de vraag of het vervoer feitelijk door deze persoon wordt verricht, dan wel door een feitelijke vervoerder, te weten een andere persoon dan de vervoerder die geheel of gedeeltelijk het vervoer feitelijk verricht.
50 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat dit verdrag de schadeloosstelling die een passagier of zijn rechthebbenden van een vervoerder kunnen vorderen, beperkt tot gevallen van persoonlijk letsel of overlijden die zich tijdens het vervoer over zee hebben voorgedaan.
51 In het bijzonder voorziet artikel 3 van dat verdrag in verschillende aansprakelijkheidsregelingen voor de vervoerder, naargelang een scheepvaartincident – in dat artikel gedefinieerd als schipbreuk, kapseizen, aanvaring of stranden van het schip, explosie of brand aan boord, of defect aan het schip – al dan niet de oorzaak is van het overlijden of het persoonlijk letsel van de passagier.
52 Zo bepaalt artikel 3, lid 1, van dat verdrag dat, bij verlies als gevolg van het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier veroorzaakt door een dergelijk scheepvaartincident, de vervoerder aansprakelijk is in zoverre het door de passagier geleden verlies voor elk afzonderlijk geval niet meer bedraagt dan 250000 rekeneenheden, waarbij het, overeenkomstig artikel 9 van dat verdrag, gaat om de bijzondere trekkingsrechten van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Indien het door de passagier geleden verlies deze grens van 250000 rekeneenheden niet overschrijdt, kan de vervoerder zich alleen van zijn aansprakelijkheid bevrijden door aan te tonen dat het scheepvaartincident het gevolg is van een daad van oorlog, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onbedwingbare aard of volledig is veroorzaakt door een handeling of verzuim door een derde met de bedoeling het incident te veroorzaken. Indien het geleden verlies per passagier die grens van 250000 rekeneenheden te boven gaat, is de vervoerder aansprakelijk voor het daarboven liggende bedrag, tenzij hij bewijst dat het scheepvaartincident niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten is.
53 In geval van verlies als gevolg van het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier dat niet is veroorzaakt door een scheepvaartincident, bepaalt artikel 3, leden 2 en 5, van het Verdrag van Athene daarentegen dat de vervoerder alleen aansprakelijk is indien de persoon die een schadeloosstelling vordert, aantoont dat het incident dat het verlies heeft veroorzaakt te wijten is aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder of van diens ondergeschikten, handelend binnen het kader van hun dienstverband.
54 Artikel 6 en artikel 7, lid 1, van dat verdrag beperken bovendien de aansprakelijkheid van de vervoerder voor het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier, en dit ongeacht of dit overlijden of deze letsels al dan niet door een scheepvaartincident zijn veroorzaakt. De bevoegde rechtbank kan namelijk op grond van dat artikel 6 de vervoerder geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid ontheffen indien deze aantoont dat het overlijden of het persoonlijk letsel van de passagier te wijten of mede te wijten is aan de schuld of nalatigheid van de passagier. Bovendien is de aansprakelijkheid van de vervoerder voor het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier overeenkomstig artikel 7, lid 1, hoe dan ook beperkt tot 400000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk geval. Artikel 13, lid 1, van genoemd verdrag bepaalt evenwel dat het voordeel van de in artikel 7, lid 1, bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen vervalt indien bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of een verzuim door de vervoerder, hetzij met de bedoeling die schade te veroorzaken, hetzij uit roekeloosheid en wetend dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.
55 In de derde plaats zijn de aansprakelijkheidsgrenzen voor vervoerders zoals vastgelegd in het Verdrag van Athene en vermeld in de punten 48 tot en met 54 van dit arrest bindend voor alle lidstaten, in ieder geval met ingang van 31 december 2012, ook al voorziet artikel 5, lid 2, derde alinea, van richtlijn 90/314 uitsluitend in de mogelijkheid voor de lidstaten om overeenkomstig de internationale overeenkomsten de schadeloosstelling van de consument te beperken in verband met de schade die voortvloeit uit het niet of slecht uitvoeren van de in het pakket opgenomen dienstverrichtingen.
56 Zoals bepaald in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 392/2009, wordt bij deze verordening een Unieregeling betreffende aansprakelijkheid ingesteld voor het vervoer van passagiers over zee, die is gebaseerd op de in bijlage I bij deze verordening opgenomen toepasselijke bepalingen van het Verdrag van Athene. In artikel 3, lid 1, van deze verordening wordt in dit verband nader bepaald dat deze aansprakelijkheidsregeling wordt geregeld door artikel 1, artikel 1 bis, artikel 2, lid 2, de artikelen 3 tot en met 16 en de artikelen 18, 20 en 21 van het Verdrag van Athene, die in bijlage I bij genoemde verordening staan. Daarnaast bepaalt artikel 12, tweede alinea, van verordening nr. 392/2009 dat deze verordening uiterlijk op 31 december 2012 van toepassing is.
57 Bovendien moet, wanneer een vervoerder diensten verricht ten behoeve van de organisator van een als een pakketreis aan de consument verkochte cruise, die organisator – die overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 90/314 tegenover de consument aansprakelijk kan worden gesteld voor het niet of slecht uitvoeren van het vervoer over zee door die vervoerder –, gelet op artikel 5, lid 1, in fine, en lid 2, derde alinea, gelezen in het licht van de negentiende overweging van die richtlijn, zich eveneens kunnen beroepen op de beperkingen van de schadevergoeding die de vervoerder ten opzichte van een passagier geniet op grond van het Verdrag van Athene, wanneer dat verdrag op een dergelijk vervoer van toepassing is.
58 Hieruit volgt dat de lidstaten uiterlijk op 31 december 2012 niet langer beschikken over de mogelijkheid om de aansprakelijkheid van de organisator voor het vervoer van passagiers over zee vrijelijk te beperken, gelet op de aansprakelijkheidsgrenzen van een vervoerder die met een dergelijk vervoer is belast, zoals vastgelegd in het Verdrag van Athene, maar verplicht zijn deze aansprakelijkheid van de organisator te beperken in overeenstemming met dit verdrag. Derhalve zijn de aansprakelijkheidsgrenzen van de vervoerder, zoals vastgelegd in het genoemde verdrag en vermeld in de punten 48 tot en met 54 van dit arrest, van toepassing op de schadeloosstelling die de organisator aan een consument verschuldigd is wegens schade die het gevolg is van het niet of slecht uitvoeren van diensten tijdens een cruise die aan deze consument in de vorm van een pakketreis is verkocht.
59 Evenwel moet worden opgemerkt dat deze cruise binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 392/2009 valt. In dit verband zij erop gewezen dat deze verordening, overeenkomstig artikel 2 ervan, met name van toepassing is op elk internationaal vervoer – in artikel 1, punt 9, van het Verdrag van Athene gedefinieerd als elk vervoer waarvan volgens de vervoersovereenkomst de plaats van vertrek en die van bestemming in twee verschillende staten liggen of in één enkele staat indien er volgens de vervoersovereenkomst of het voorziene vaarplan een tussenliggende aanloophaven in een andere staat is – wanneer het schip onder de vlag van een lidstaat vaart of in die lidstaat is geregistreerd, de vervoersovereenkomst in een lidstaat is gesloten, of volgens de vervoersovereenkomst de plaats van vertrek of bestemming in een lidstaat is gelegen.
60 Daarnaast bepaalt artikel 3, lid 6, van het Verdrag van Athene, dat krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 392/2009 van toepassing is, dat de in dat verdrag opgenomen aansprakelijkheidsregeling van de vervoerder uitsluitend betrekking heeft op verlies als gevolg van incidenten die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan. Vervoer wordt in artikel 1, punt 8, onder a), van dat verdrag, dat ook van toepassing is krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 392/2009, gedefinieerd als de periode gedurende welke de passagier zich aan boord van het schip bevindt, gedurende het in- en ontschepen en de periode tijdens welke de passagier te water wordt vervoerd van de kade naar het schip of omgekeerd indien de prijs van dit vervoer begrepen is in die van het biljet of indien het vaartuig dat voor dat bijkomend vervoer wordt gebruikt, door de vervoerder ter beschikking van de passagier werd gesteld, met uitsluiting van de periode gedurende welke de passagier zich in een zeestation of op een kade of op een andere havenwerk bevindt.
61 Hieruit volgt dat elke vordering tot schadevergoeding wegens het overlijden van een passagier of persoonlijk letsel dat een passagier tijdens het vervoer over zee heeft opgelopen, onder de aansprakelijkheidsregeling van het Verdrag van Athene valt. Aangezien het vervoer van een passagier in dit verdrag wordt omschreven als de periode gedurende welke de passagier zich aan boord van het schip bevindt, kan de vaststelling van de aansprakelijkheidsregeling die van toepassing is in geval van overlijden of persoonlijk letsel dat zich heeft voorgedaan aan boord van een schip, niet afhangen van het antwoord op de vraag of dit overlijden of dit persoonlijk letsel te wijten is aan het niet of slecht uitvoeren van de vervoersdiensten, dan wel aan het niet of slecht uitvoeren van de accommodatiediensten of recreatiediensten aan boord. De organisator kan voor alle niet of slecht uitgevoerde prestaties aan boord van een cruiseschip gedurende het vervoer die het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier hebben veroorzaakt, tegenover de passagier een beroep doen op de aansprakelijkheidsgrenzen die zijn neergelegd in het Verdrag van Athene. Hij kan zich daarop beroepen zonder dat hij een onderscheid moet maken tussen diensten op het gebied van vervoer, accommodatie aan boord of recreatie aan boord.
62 Aangezien artikel 7 van verordening nr. 392/2009 bepaalt dat, onverminderd de in richtlijn 90/314 vastgelegde informatieverplichtingen van touroperators, passagiers van de vervoerder passende en begrijpelijke informatie ontvangen over hun rechten uit hoofde van deze verordening, ten minste in de vorm van een samenvatting van de bepalingen daarvan, moet daarenboven worden geoordeeld dat de passagiers van een cruiseschip in kennis moeten worden gesteld van de aansprakelijkheidsregeling die van toepassing is in het geval van overlijden of persoonlijk letsel dat aan boord van dit schip is ontstaan.
63 Gelet op het voorgaande moet worden opgemerkt dat, wanneer – zoals in het onderhavige geval – een consument die een pakketreis heeft gekocht voor een cruise die valt onder artikel 2, punt 1, van richtlijn 90/314, persoonlijk letsel oploopt tijdens de periode waarin hij zich aan boord van het cruiseschip bevindt, en deze consument van mening is dat dit letsel te wijten is aan het niet of slecht uitvoeren van de pakketreisovereenkomst, hij de keuze heeft om twee soorten vorderingen tot schadeloosstelling in te stellen.
64 Ten eerste kan deze consument, overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 90/314, een vordering tot schadevergoeding instellen tegen de organisator van deze cruise om een schadeloosstelling te verkrijgen.
65 De organisator kan zich echter bij een dergelijke vordering om schadevergoeding beroepen op de grenzen van de schadevergoeding die de vervoerder aan de passagier verschuldigd is, zoals vastgelegd in de artikelen 3 en 7 van het Verdrag van Athene, die voor de lidstaten bindend zijn op grond van de gecombineerde toepassing van artikel 3 van verordening nr. 392/2009 en artikel 5, lid 2, derde alinea van richtlijn 90/314, zoals uiteengezet in de punten 55 tot en met 58 van het onderhavige arrest, en die in geval van overlijden of persoonlijk letsel verder gaan dan de grenzen van artikel 5, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn.
66 In casu staat het derhalve aan de verwijzende rechter in de zaken „MH” en „Costa Crociere” om na te gaan of het persoonlijk letsel dat MH en DI aan boord van de cruiseschepen hebben opgelopen, zijn veroorzaakt door een scheepvaartincident in de zin van artikel 3, lid 5, van het Verdrag van Athene en, indien dit niet het geval is, of MH en DI hebben aangetoond dat hun verlies te wijten is aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder of van diens ondergeschikten, handelend binnen het kader van hun dienstverband.
67 Ten tweede kan de in punt 63 van het onderhavige arrest bedoelde consument op grond van verordening nr. 392/2009 en het Verdrag van Athene rechtstreeks tegen de vervoerder die het vervoer over zee feitelijk heeft verricht een vordering tot schadevergoeding instellen, zelfs wanneer deze niet de organisator van de cruise is.
68 Aangezien in artikel 14 van het Verdrag van Athene, dat krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 392/2009 van toepassing is op de lidstaten, is bepaald dat elke vordering tot schadevergoeding tegen de vervoerder met betrekking tot met name persoonlijk letsel uitsluitend op grond van dit verdrag kan worden ingesteld, kan de vervoerder zich beroepen op de aansprakelijkheidsgrenzen die zijn vastgelegd in de artikelen 3 en 7 van dat verdrag.
69 Indien een passagier die aan een cruise deelneemt beide vorderingen tot schadevergoeding instelt, moet de schadeloosstelling die naar aanleiding van een van deze vorderingen wordt verkregen, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de schadeloosstelling die in het kader van de andere vordering wordt gevorderd, teneinde te voorkomen dat de passagier door middel van die vorderingen een schadeloosstelling ontvangt die hoger is dan die welke overeenkomt met het geleden verlies.
70 Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, artikel 7, eerste alinea, en bijlage I van verordening nr. 392/2009, en artikel 5 van richtlijn 90/314 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer een cruise de kenmerken van een pakketreis heeft in de zin van artikel 2, punt 1, van die richtlijn, vorderingen tot schadevergoeding met betrekking tot persoonlijk letsel dat tijdens het vervoer over zee, in de zin van artikel 2 van die verordening, is opgelopen door een passagier aan boord van het cruiseschip, vallen onder de in die verordening vastgelegde aansprakelijkheidsregeling voor de zeevervoerder die de cruise met het schip uitvoert.
Kosten
71 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, artikel 7, eerste alinea, en bijlage I van verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen, en artikel 5 van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten
moeten aldus worden uitgelegd dat
wanneer een cruise de kenmerken van een pakketreis heeft in de zin van artikel 2, punt 1, van die richtlijn, vorderingen tot schadevergoeding met betrekking tot persoonlijk letsel dat tijdens het vervoer over zee, in de zin van artikel 2 van die verordening, is opgelopen door een passagier aan boord van het cruiseschip, vallen onder de in die verordening vastgelegde aansprakelijkheidsregeling voor de zeevervoerder die de cruise met het schip uitvoert.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
- Artikel 2 VWEU
- Artikel 3 VWEU
- Artikel 5 VWEU
- Artikel 267 VWEU
- Artikel 14 Verdrag van Athene
- Artikel 18 Verdrag van Athene
- Artikel 20 Verdrag van Athene
- Artikel 21 Verdrag van Athene
- Artikel 7 Verdrag van Athene
- Artikel 2 Verdrag van Athene
- Artikel 3 Verdrag van Athene
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 5
- Artikel 5