HvJ EU 18 december 2025, C-182/24, ECLI:EU:C:2025:979
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
18 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Artikelen 2 tot en met 4 en 8 – Richtlijn 2004/48/EG – Artikelen 1 tot en met 3 – Richtlijn 2006/115/EG – Richtlijn 2006/116/EG – Artikelen 1, 2 en 9 – Artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Rechtsmiddelen – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Nationale regeling die voor de ontvankelijkheid van een door een van de medehouders van het auteursrecht op een cinematografisch werk ingestelde vordering wegens inbreuk de voorwaarde stelt dat alle medehouders van dat recht in het geding worden geroepen ”
In zaak C‑182/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) bij beslissing van 8 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 5 maart 2024, in de procedure
RB, als rechtsopvolger van Claude Chabrol,
AD, vertegenwoordigd door zijn curator, NM, als rechtsopvolger van Claude Chabrol,
DR, als rechtsopvolger van Claude Chabrol,
ZB, als rechtsopvolger van Claude Chabrol,
VQ, als rechtsopvolger van Claude Chabrol,
RZ, als rechtsopvolger van Paul Gégauff,
DQ, als rechtsopvolger van Paul Gégauff,
FI, als rechtsopvolger van Paul Gégauff,
LF, als rechtsopvolger van Paul Gégauff
tegen
Société des auteurs et compositeurs dramatiques (SACD),
Radio Days SARL,
Brinter Company Ltd,
BS,
MW,
Artedis SA,
Panoceanic Films SA,
in tegenwoordigheid van:
Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique (SACEM),
HU, als rechtsopvolger van Pierre Jansen,
YG, als rechtsopvolger van Ellery Queen,
VH, als rechtsopvolger van Ellery Queen,
IA,
ID, als rechtsopvolger van Jean Patrick Manchette,
Nalatenschap Daniel Boulanger, als rechtsopvolger van Daniel Boulanger,
HK, als rechtsopvolger van Claude Brulé,
QY, als rechtsopvolger van Claude Brulé,
WY, als rechtsopvolger van Claude Brulé,
KE, als rechtsopvolger van Claude Brulé,
NA, als rechtsopvolger van Claude Brulé,
IY, als rechtsopvolger van Claude Brulé,
Nalatenschap Nicholas Blake, als rechtsopvolger van Nicholas Blake,
Nalatenschap Edward Atiyah, als rechtsopvolger van Edward Atiyah,
Nalatenschap Ellery Queen, als rechtsopvolger van Ellery Queen,
Nalatenschap Richard Neely, als rechtsopvolger van Richard Neely,
Nalatenschap Patricia Highsmith,
Nalatenschap Charlotte Armstrong, als rechtsopvolger van Charlotte Armstrong,
WI, als rechtsopvolger van Claude Rank,
QT, als rechtsopvolger van Hubert Monteilhet,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele (rapporteur), A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– RB, als rechtsopvolger van Claude Chabrol, vertegenwoordigd door J. Aittouares, avocat,
– AD, vertegenwoordigd door zijn curator NM, als rechtsopvolger van Claude Chabrol, DR, ZB en VQ, als rechtsopvolgers van Claude Chabrol, RZ, DQ, FI en LF, als rechtsopvolgers van Paul Gégauff, vertegenwoordigd door L. Klein, avocat,
– Radio Days SARL, Brinter Company Ltd, BS, MW, Artedis SA en Panoceanic Films SA, vertegenwoordigd door P. Spinosi, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Fodda en E. Timmermans als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en G. Kunnert als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret en J. Samnadda als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2 tot en met 4 en 8 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10), de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16), richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 2006, L 376, blz. 28), de artikelen 1, 2 en 9 van richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB 2006, L 372, blz. 12), en de artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen negen natuurlijke personen, als rechtsopvolgers van Claude Chabrol, een in 2010 overleden filmregisseur, en van Paul Gégauff, een in 1983 overleden scenario- en dialoogschrijver, enerzijds, en Société des auteurs et compositeurs dramatiques (SACD), Radio Days SARL, Brinter Company Ltd (hierna: „Brinter”), BS, MW, Artedis SA en Panoceanic Films SA, anderzijds, over de exploitatie van veertien door Chabrol gemaakte films, waaraan Gégauff bij vijf daarvan als dialoogschrijver heeft meegewerkt.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2001/29
3 Overweging 4 van richtlijn 2001/29 luidt:
„Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie, met inbegrip van de netwerkinfrastructuur, bevorderen, hetgeen weer tot groei en vergroting van het concurrentievermogen van de Europese industrie zal leiden, op het gebied van de voorziening van inhoud en de informatietechnologie en, meer in het algemeen, in een hele reeks industriële en culturele sectoren. Hierdoor zal de werkgelegenheid veilig worden gesteld en de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen worden aangemoedigd.”
4 Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt onder het opschrift „Reproductierecht”:
„De lidstaten voorzien ten behoeve van:
a) auteurs, met betrekking tot hun werken,
b) uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,
c) producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,
d) producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en
e) omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,
in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”
5 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”, bepaalt:
„1. De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.
2. De lidstaten voorzien ten behoeve van:
a) uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,
b) producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,
c) producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en
d) omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,
in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten worden niet uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling aan het publiek overeenkomstig dit artikel.”
6 Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Distributierecht”, bepaalt:
„1. De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.
2. Het distributierecht met betrekking tot het origineel of kopieën van een werk is in de Gemeenschap alleen dan uitgeput, wanneer de eerste verkoop of andere eigendomsovergang van dat materiaal in de Gemeenschap geschiedt door de rechthebbende of met diens toestemming.”
7 Artikel 8 van richtlijn 2001/29, met als opschrift „Sancties en rechtsmiddelen”, bepaalt:
„1. De lidstaten voorzien in passende sancties en rechtsmiddelen met betrekking tot inbreuken op de in deze richtlijn omschreven rechten en verplichtingen en dragen er zorg voor, dat deze sancties en rechtsmiddelen daadwerkelijk worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend en evenredig zijn en bijzonder preventieve werking hebben.
2. Elke lidstaat draagt er zorg voor, dat rechthebbenden wier belangen worden geschaad door een inbreukmakende handeling die op zijn grondgebied plaatsvindt, een vordering tot schadevergoeding en/of beëindiging van de inbreuk en in voorkomend geval een vordering tot inbeslagneming van het inbreukmakende materiaal en de in artikel 6, lid 2, bedoelde inrichtingen, producten of onderdelen kunnen instellen.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten.”
Richtlijn 2004/48
8 De overwegingen 10 en 13 van richtlijn 2004/48 luiden als volgt:
„(10) Het doel van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van [de wetgevingen van de lidstaten op het gebied van het materiële recht inzake intellectuele eigendom] teneinde een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt te waarborgen.
[…]
(13) De werkingssfeer van deze richtlijn dient zo breed mogelijk te worden vastgesteld, zodat zij alle intellectuele-eigendomsrechten omvat die onder de communautaire bepalingen op dit gebied en/of het nationaal recht van de betrokken lidstaat vallen. Dit vereiste vormt echter voor de lidstaten die dat wensen, geen belemmering de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn voor interne doeleinden uit te breiden tot handelingen die oneerlijke concurrentie vormen, waaronder het maken van illegale kopieën, of soortgelijke activiteiten.”
9 Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Doel”, bepaalt:
„Deze richtlijn betreft de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. In deze richtlijn omvat de term ‚intellectuele-eigendomsrechten’ ook industriële-eigendomsrechten.”
10 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:
„1. Onverminderd de middelen die in de communautaire of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden, zijn de bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 3 van toepassing op elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, zoals bepaald in het communautaire recht en/of het nationale recht van de betrokken lidstaat.
2. Deze richtlijn laat de bijzondere rechtshandhavings- en uitzonderingsbepalingen, opgenomen in de Gemeenschapswetgeving betreffende auteursrecht en naburige rechten, met name in richtlijn 91/250/EEG [van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 1991, L 122, blz. 42)], in het bijzonder artikel 7, en in richtlijn [2001/29], in het bijzonder de artikelen 2 tot en met 6 en artikel 8, onverlet.
3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan:
a) de communautaire bepalingen betreffende het materiële recht inzake de intellectuele eigendom, richtlijn 95/46/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31)], richtlijn 1999/93/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PB 2000, L 13, blz. 12)], of richtlijn 2000/31/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB 2000, L 178, blz. 1)] in het algemeen en de artikelen 12 tot en met 15 daarvan in het bijzonder;
b) internationale verplichtingen van de lidstaten en met name de [O]vereenkomst [inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom die is opgenomen in bijlage 1C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die op 15 april 1994 te Marrakesh is ondertekend en is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1)], waaronder de verplichtingen met betrekking tot strafprocedures en straffen;
c) enige nationale bepaling in de lidstaten met betrekking tot strafprocedures en straffen in verband met inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten.”
11 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Algemene verplichting”, bepaalt:
„1. De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.
2. De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”
12 Artikel 4 van richtlijn 2004/48, met het opschrift „Personen bevoegd tot het verzoeken van de toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen”, bepaalt:
„De lidstaten zullen als personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, erkennen:
a) houders van intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijk recht,
b) alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder houders van een licentie, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,
c) instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,
d) organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen, die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht.”
Richtlijn 2006/115
13 Richtlijn 2006/115 betreft het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom.
Richtlijn 2006/116
14 Overweging 11 van richtlijn 2006/116 luidt:
„Het auteursrecht en de naburige rechten vereisen een hoge graad van bescherming omdat deze rechten fundamenteel zijn voor een schepping van de geest. De bescherming van deze rechten garandeert het bewaren en de ontwikkeling van creativiteit in het belang van de auteurs, de culturele industrie, de consumenten en de samenleving in haar geheel.”
15 Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Duur van de rechten van de auteur”, bepaalt:
„1. Het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie [voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de gewijzigde versie van 28 juli 1979,] geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn dood, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.
2. In geval van een gemeenschappelijk auteursrecht op eenzelfde werk wordt de in lid 1 vastgestelde termijn berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur.
[…]
4. Indien een lidstaat voorziet in bijzondere bepalingen betreffende het auteursrecht op collectieve werken of bepaalt dat een rechtspersoon als rechthebbende aangewezen moet worden, wordt de beschermingstermijn overeenkomstig lid 3 berekend, tenzij de natuurlijke personen die het werk als zodanig hebben gecreëerd, als auteur worden geïdentificeerd in de versies van het werk die voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt. Dit lid laat onverlet de rechten van geïdentificeerde auteurs wier identificeerbare bijdragen in dat werk zijn opgenomen; lid 1 of lid 2 is op die bijdragen van toepassing.
[…]”
16 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Cinematografische of audiovisuele werken”, bepaalt:
„1. De hoofdregisseur van een cinematografisch of audiovisueel werk wordt als de auteur of een van de auteurs beschouwd. Het staat de lidstaten vrij andere personen als coauteur aan te wijzen.
2. De beschermingstermijn van een cinematografisch of audiovisueel werk bedraagt 70 jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de auteur van de dialogen en de componist van de muziek die specifiek voor gebruik in het cinematografische of audiovisuele werk is gemaakt.”
17 Artikel 9 van deze richtlijn, met als opschrift „Morele rechten”, luidt:
„Deze richtlijn laat de bepalingen van de lidstaten inzake de morele rechten onverlet.”
Frans recht
18 Artikel L. 113‑3 van de code de la propriété intellectuelle (wetboek van intellectuele eigendom) bepaalt:
„Een gemeenschappelijk werk is de gemeenschappelijke eigendom van de coauteurs.
De coauteurs moeten hun rechten in onderling overleg uitoefenen.
In geval van onenigheid is het aan de civiele rechter om uitspraak te doen.
Wanneer elke coauteur een verschillende soort bijdrage heeft geleverd, kan elk van deze coauteurs, tenzij anders overeengekomen, zijn persoonlijke bijdrage afzonderlijk exploiteren, mits hij daardoor geen schade toebrengt aan de exploitatie van het gemeenschappelijke werk.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19 Tussen 1967 en 1974 heeft Chabrol veertien films gemaakt (hierna: „betrokken films”). Gégauff werkte mee aan vijf van deze films als auteur van de dialogen, scenarioschrijver of auteur van de bewerking.
20 Het materiaal van de betrokken films behoorde toe aan de producent ervan, SA Les Films La Boétie, die het bij haar ontbinding bij overeenkomst van 25 maart 1982 heeft overgedragen aan de vennootschap naar Engels recht Brinter C.
21 Bij verkoopmandaat van 1 januari 1990 heeft Brinter Artedis, waarvan MW als bestuurder optrad, gemachtigd om voor een periode van twaalf maanden, die stilzwijgend kon worden verlengd, rechtstreeks verkoopovereenkomsten met kopers te sluiten en de verkoopprijs in ontvangst te nemen.
22 Bij overeenkomst van 8 juni 1990 heeft Chabrol aan Brinter het recht voor de „verdere exploitatie” van verschillende betrokken films overgedragen voor een periode van dertig jaar. BS trad destijds op als bestuurder van die vennootschap.
23 De exploitatierechten van Gégauff met betrekking tot de vijf films waaraan hij had meegewerkt, zijn door vier van zijn erfgenamen eveneens op 8 juni 1990 aan Brinter overgedragen.
24 Bij overeenkomst van 18 februari 2012 heeft Brinter het exploitatierecht voor deze vijf films overgedragen aan Panoceanic Films.
25 Op 11 juli 2019 hebben de vijf erfgenamen van Chabrol en de vier erfgenamen van Gégauff tegen Radio Days, Brinter, BS, MW, Artedis en Panoceanic Films een vordering ingesteld wegens schending van de overeenkomst en van het auteursrecht met betrekking tot de betrokken films. Deze erfgenamen, verzoekers in het hoofdgeding, maken in essentie bezwaar tegen de niet-bestaande of ontoereikende exploitatie van deze films en vorderen vergoeding van de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de niet-nakoming van de overeenkomst.
26 Op 27 januari 2020 hebben verweerders in het hoofdgeding op basis van de rechtspraak inzake artikel L. 113‑3, tweede alinea, van de code de la propriété intellectuelle een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen op grond dat 19 coauteurs van de betrokken films niet in het geding waren geroepen.
27 Bij akten van 5 mei en 12 juni 2020 hebben verzoekers in het hoofdgeding met het oog op de regularisatie van hun vorderingen de volgende partijen in het geding geroepen: zeven natuurlijke personen die zij als „coauteurs” of „rechtverkrijgenden van vooroverleden coauteurs” beschouwden, acht „nalatenschappen” van coauteurs, voor wie zij niet in staat waren de natuurlijke personen met de hoedanigheid van erfgenaam te identificeren, en twee organisaties voor het collectieve beheer van auteursrechten, te weten de Société des auteurs et compositeurs dramatiques (SACD) en de Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique (SACEM).
28 Bij beschikking van 9 februari 2023 heeft de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk), de verwijzende rechter, verweerders in het hoofdgeding in essentie gelast om de identificatiegegevens van de coauteurs van de betrokken films of van hun rechtverkrijgenden te verstrekken.
29 Zelfs met deze gegevens waren verzoekers in het hoofdgeding niet in staat om alle coauteurs van de betrokken films en hun rechtverkrijgenden op te sporen en te identificeren, hetgeen te wijten is aan het aantal betrokken films, de ouderdom ervan, de veelheid aan betrokken partijen en het overlijden van sommige coauteurs, van wie de erfgenamen niet bekend zijn of niet in Frankrijk wonen.
30 De verwijzende rechter wijst erop dat het hoofdgeding sinds 27 januari 2020 verlamd is door de onmogelijkheid om de vele opeenvolgende erfgenamen van de coauteurs van de betrokken films te identificeren. Hij benadrukt dat verzoekers in het hoofdgeding belangrijke stappen hebben gezet om deze coauteurs of hun rechtverkrijgenden te identificeren, zonder dat deze op wettige wijze in het geding konden worden geroepen zoals vereist door de nationale rechtspraak op grond van artikel L. 113‑3 van de code de la propriété intellectuelle.
31 Deze rechter wijst er ten eerste met klem op dat richtlijn 2001/29 evenwel vereist dat de lidstaten voorzien in passende sancties en rechtsmiddelen en dat deze sancties doeltreffend en evenredig zijn en preventieve werking hebben.
32 Hij onderstreept ten tweede dat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin richtlijn 2004/48 voorziet geen afbreuk mogen doen aan de middelen die het nationale recht biedt „voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden” en op voorwaarde dat deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen niet „onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn” en geen „onredelijke termijnen” of „nodeloze vertragingen” inhouden.
33 De verwijzende rechter merkt hoe dan ook op dat artikel 1 van richtlijn 2006/116 het aan rechtverkrijgenden overgedragen auteursrecht beschermt gedurende zeventig jaar na het overlijden van de auteur en dat deze bescherming voor collectieve werken wordt uitgebreid, aangezien zij wordt berekend vanaf het overlijden van de laatste overlevende van degenen die aan het betrokken werk hebben meegewerkt. Dat is met name het geval bij een cinematografisch of audiovisueel werk in de zin van artikel 2 van deze richtlijn.
34 Bovendien merkt deze rechter op dat het Handvest het recht van verzoekers in het hoofdgeding op een doeltreffende voorziening in rechte waarborgt. Hij is namelijk van oordeel dat hun de toegang wordt ontzegd tot een rechter die oordeelt over de grond van hun civiele geschil indien zij niet alle rechtverkrijgenden van de coauteurs van de betrokken films in het geding kunnen roepen.
35 In dit verband benadrukt de verwijzende rechter dat het niet gaat om het ter discussie stellen van verworven rechten, waarover partijen het oneens zijn en waarop het debat ten gronde ziet, maar, in het stadium van de ontvankelijkheid, om de mogelijkheid zelf om die rechten te doen gelden door middel van een beroep in rechte. Volgens de verwijzende rechter lijkt de uitoefening van het auteursrecht van verzoekers in het hoofdgeding in casu af te hangen van hun vermogen om alle medehouders van die rechten te identificeren.
36 Tegen deze achtergrond heeft de tribunal judiciaire de Paris de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Kunnen de artikelen [2 tot en met 4] en 8 van richtlijn [2001/29], de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn [2004/48] en de artikelen 1, 2 en 9 van richtlijn [2006/116], waarin het uitsluitende recht wordt gewaarborgd van de auteur en de coauteur van een cinematografisch of audiovisueel werk om de reproductie van hun werken en de mededeling ervan aan het publiek toe te staan of te verbieden, alsmede een beschermingstermijn wordt gewaarborgd van 70 jaar na de dood van de langstlevende van de personen die aan het werk hebben bijgedragen, en de lidstaten tegelijkertijd worden verplicht te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties en passende rechtsmiddelen tegen inbreuken op het auteursrecht, alsmede in maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden, aldus worden uitgelegd dat een door de rechthebbende ingestelde vordering wegens inbreuk op het gemeenschappelijke auteursrecht op eenzelfde werk slechts ontvankelijk is wanneer alle coauteurs in het geding worden geroepen?
2) Moet het recht van een rechthebbende van een auteursrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en op toegang tot een gerecht, een onderdeel van het recht op een eerlijk proces, zoals gezamenlijk gewaarborgd door de artikelen [2 tot en met 4] en 8 van richtlijn [2001/29], de artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn [2004/48] en de artikelen 1, 2 en 9 van richtlijn [2006/116], richtlijn [2006/115] en de artikelen 17 en 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een rechtsvordering wegens inbreuk op het auteursrecht al dan niet geldt dat alle coauteurs van het werk in het geding worden geroepen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing voor zover het betrekking heeft op de uitlegging van richtlijn 2006/115
37 Er zij aan herinnerd dat de gestelde vragen uitsluitend betrekking hebben op een procedureel probleem dat voortvloeit uit de uitlegging van artikel L. 113‑3 van de code de la propriété intellectuelle, dat bepaalt dat de coauteurs van een gemeenschappelijk werk hun rechten in onderling overleg moeten uitoefenen. Volgens de rechtspraak van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) volgt uit deze bepaling dat de coauteur van een gemeenschappelijk werk, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde films, op straffe van niet-ontvankelijkheid van zijn vordering alle coauteurs van het betrokken werk in het geding moet roepen wanneer hij in rechte optreedt ter verdediging van zijn vermogensrechten, voor zover zijn bijdrage niet scheidbaar is ten opzichte van de bijdragen van die andere coauteurs. De verwijzende rechter wenst in essentie te vernemen of het Unierecht, waarvan hij bepaalde handelingen in die vragen aanhaalt, waaronder richtlijn 2006/115, zich tegen een dergelijk vereiste verzet.
38 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de in artikel 267 VWEU geregelde procedure een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de elementen betreffende de uitlegging van het Unierecht verschaft die zij nodig hebben voor de beslechting van het bij hen aanhangige geding (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C‑628/21, EU:C:2023:342, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Het is tevens vaste rechtspraak dat de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving dient te geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten waarop die vragen zijn gebaseerd moet uiteenzetten. Voorts moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C‑628/21, EU:C:2023:342, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 In dit verband blijkt uit artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een verzoek om een prejudiciële beslissing, op straffe van niet-ontvankelijkheid, de uiteenzetting moet bevatten van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het Unierecht vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
41 In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel geen enkele aanwijzing over de eventuele relevantie van richtlijn 2006/115 voor de beslechting van het hoofdgeding, en geeft het evenmin aan op welke bepalingen van deze richtlijn het verzoek om uitlegging van de verwijzende rechter betrekking heeft.
42 Wat richtlijn 2006/115 betreft, moet hieruit worden opgemaakt dat de verwijzingsbeslissing niet voldoet aan alle in de punten 39 en 40 van dit arrest genoemde vereisten.
43 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de uitlegging van richtlijn 2006/115.
Ten gronde
44 Er zij aan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arrest van 18 november 2021, A. S.A., C‑212/20, EU:C:2021:934, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In casu blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de vragen van de verwijzende rechter in essentie betrekking hebben op de invloed van artikel 8 van richtlijn 2001/29, artikel 3 van richtlijn 2004/48 en artikel 1 van richtlijn 2006/116 op de ontvankelijkheid van een vordering wegens inbreuk die is ingesteld door een deel van de houders van het auteursrecht op een collectief werk. Deze rechter merkt op dat in casu niet is voldaan aan het vereiste van de code de la propriété intellectuelle, zoals uitgelegd in de rechtspraak van de Cour de cassation, volgens hetwelk een dergelijke vordering slechts ontvankelijk is indien zij door al deze houders wordt ingesteld, aangezien verzoekers in het hoofdgeding niet in staat zijn om de rechtverkrijgenden van bepaalde coauteurs op zodanige wijze aan te wijzen dat zij kunnen worden gedagvaard.
46 In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 8 van richtlijn 2001/29, artikel 3 van richtlijn 2004/48 en artikel 1 van richtlijn 2006/116, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die voor de ontvankelijkheid van een vordering wegens inbreuk op het auteursrecht op een collectief werk de voorwaarde stelt dat alle medehouders van dat recht in het geding worden geroepen.
47 In de eerste plaats bepaalt artikel 8, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2001/29, dat de lidstaten moeten voorzien in passende sancties en rechtsmiddelen met betrekking tot inbreuken op de in deze richtlijn omschreven rechten en verplichtingen en er zorg voor moeten dragen dat deze sancties en rechtsmiddelen daadwerkelijk worden toegepast.
48 Deze bepaling beperkt zich dus tot het vereiste om met name te voorzien in passende rechtsmiddelen tegen inbreuken op de in deze richtlijn omschreven rechten en verplichtingen, zonder te specificeren hoe een rechtsvordering kan worden ingesteld om de bescherming van het auteursrecht te waarborgen in geval van medehouderschap van een dergelijk recht.
49 In de tweede plaats bepaalt artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/48 dat de lidstaten de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten vaststellen die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden. Bovendien moeten deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen volgens artikel 3, lid 2, tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en moeten zij zodanig worden toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.
50 In dit verband moet worden vastgesteld dat dit artikel 3 weliswaar vereist dat met name doeltreffende procedures worden ingesteld om de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen, met dien verstande dat deze procedures niet onnodig ingewikkeld of kostbaar mogen zijn, maar dat het geen regels bevat die van toepassing zijn in geval van medehouderschap van een auteursrecht.
51 In de derde plaats regelt artikel 1, lid 2, van richtlijn 2006/116 de beschermingstermijn van het auteursrecht doordat het bepaalt dat in geval van een gemeenschappelijk auteursrecht op eenzelfde werk, de in dit artikel 1, lid 1, vastgestelde termijn wordt berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur. Bijgevolg gaat dit artikel niet in op de wijze waarop een rechtsvordering kan worden ingesteld om de bescherming van een auteursrecht te waarborgen in geval van medehouderschap van een dergelijk recht.
52 Uit het voorgaande volgt dat artikel 8 van richtlijn 2001/29, artikel 3 van richtlijn 2004/48 en artikel 1 van richtlijn 2006/116 de lidstaten verplichten om de nodige procedures vast te stellen teneinde de doeltreffende bescherming van de in deze richtlijnen bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen, en daarbij met name procedures verbieden die onnodig ingewikkeld of kostbaar zouden zijn. Geen van deze artikelen bepaalt daarentegen, op basis van de bewoordingen alleen, op welke wijze deze bescherming moet worden geboden in geval van medehouderschap van een auteursrecht.
53 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht echter niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context van die bepaling en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C‑628/21, EU:C:2023:342, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Wat de context van artikel 8 van richtlijn 2001/29, artikel 3 van richtlijn 2004/48 en artikel 1 van richtlijn 2006/116 betreft, moet worden opgemerkt dat de andere artikelen van deze richtlijnen evenmin bepalen op welke wijze de betrokken rechtsmiddelen kunnen worden uitgeoefend in geval van medehouderschap van een auteursrecht.
55 In het bijzonder bevat artikel 4 van richtlijn 2004/48, dat ziet op de personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in die richtlijn bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, geen specifieke voorschriften op het gebied van vorderingen die worden ingesteld door medehouders van auteursrechten.
56 Wat de nagestreefde doelstellingen betreft, moet worden opgemerkt dat uit overweging 4 van richtlijn 2001/29, overweging 10 van richtlijn 2004/48 en overweging 11 van richtlijn 2006/116 blijkt dat deze drie richtlijnen met name beogen een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom, waaronder auteursrechten, te waarborgen.
57 Wat met name richtlijn 2004/48 betreft, wordt volgens vaste rechtspraak met de bepalingen van deze richtlijn niet beoogd om alle aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten te regelen, maar alleen de aspecten die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken op die rechten, door te eisen dat er doeltreffende rechtswegen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen. De Uniewetgever heeft er aldus voor gekozen om een minimumharmonisatie inzake de eerbiediging van de intellectuele-eigendomsrechten in het algemeen tot stand te brengen (zie in die zin arresten van 9 juli 2020, Constantin Film Verleih, C‑264/19, EU:C:2020:542, punt 36, en 11 januari 2024, Mylan, C‑473/22, EU:C:2024:8, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het, onder voorbehoud van de verplichting om te voorzien in rechtsmiddelen die niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn, op grond van het beginsel van procedurele autonomie aan de lidstaten staat om de procedureregels voor de betrokken rechtsmiddelen vast te stellen, ook in de gevallen van medehouderschap van intellectuele-eigendomsrechten.
59 Volgens de rechtspraak van het Hof is het krachtens dat beginsel een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, te beschermen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [zie in die zin arresten van 16 december 1976, Rewe/Landwirtschaftskammer Saarland, 33/76, EU:C:1976:188, punt 5; 17 november 2022, Harman International Industries, C‑175/21, EU:C:2022:895, punt 65, en 30 april 2024, M. N. (EncroChat), C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 129].
60 Bovendien moeten deze procedureregels hoe dan ook in overeenstemming zijn met de vereisten die voortvloeien uit het Handvest en in het bijzonder uit artikel 17 ervan, betreffende het recht op eigendom, en uit artikel 47 ervan, waarin het recht op een doeltreffende voorziening in rechte is vastgelegd.
61 In casu blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat op grond van artikel L. 113‑3 van de code de la propriété intellectuelle de coauteurs van collectieve werken hun rechten in onderlinge overeenstemming uitoefenen en dat de aangezochte nationale rechter uitspraak doet in geval van onenigheid. De uitlegging van deze bepaling door de Cour de cassation heeft echter tot gevolg dat een door een coauteur ingestelde vordering niet-ontvankelijk is wanneer niet alle andere coauteurs of, in voorkomend geval, hun rechtverkrijgenden, in het geding zijn geroepen, zelfs wanneer een dergelijke oproeping in het geding wegens omstandigheden buiten de wil van de verzoeker zeer moeilijk of zelfs onmogelijk blijkt te zijn.
62 In het licht van de in de punten 58 tot en met 60 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten moet worden nagegaan of de betrokken procedure in die omstandigheden niet onnodig ingewikkeld of kostbaar is en of zij mogelijk niet in strijd is met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en met de vereisten die voortvloeien uit de artikelen 17 en 47 van het Handvest.
63 Ten eerste blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat het vereiste dat alle coauteurs en/of hun rechtverkrijgenden in het geding worden geroepen, tot gevolg heeft dat het onmogelijk is om hun aanspraken in rechte te onderzoeken, gelet op de moeilijkheid om alle rechtverkrijgenden van de betrokken medehouders van de auteursrechten te identificeren en dus in het geding te roepen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit vereiste er in casu niet toe leidt dat de betrokken procedure onnodig ingewikkeld en kostbaar wordt.
64 Ten tweede kan uit het dossier waarover het Hof beschikt weliswaar niet worden afgeleid dat inbreuk is gemaakt op het gelijkwaardigheidsbeginsel, maar dient er met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel aan te worden herinnerd dat het Unierecht de lidstaten er niet toe verplicht om andere rechtsmiddelen in te voeren dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld, tenzij uit de opzet van de betrokken nationale rechtsorde blijkt dat er geen rechtsgang is waarmee, al was het maar incidenteel, de eerbiediging van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, kan worden verzekerd, of wanneer de justitiabelen slechts toegang tot de rechter kunnen krijgen door onrechtmatig te handelen (arrest van 17 november 2022, Harman International Industries, C‑175/21, EU:C:2022:895, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Bovendien moet worden benadrukt dat, volgens de rechtspraak van het Hof, ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die regel in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure (arrest van 17 november 2022, Harman International Industries, C‑175/21, EU:C:2022:895, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Wanneer in casu de identificatie en de lokalisatie van coauteurs van een collectief werk op ernstige en voortdurende moeilijkheden stuiten, kan de uitoefening van de door het Unierecht aan de coauteurs van dat werk verleende rechten uiterst moeilijk worden gemaakt indien voor de ontvankelijkheid van een vordering in rechte van de coauteurs die hun rechten willen verdedigen, de voorwaarde wordt gesteld dat alle andere coauteurs van dat werk in het geding worden geroepen.
67 Ten derde moet ook worden nagegaan of een dergelijke situatie afbreuk kan doen aan de in de artikelen 17 en 47 van het Handvest verankerde rechten, die respectievelijk betrekking hebben op het eigendomsrecht en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.
68 Dienaangaande zij opgemerkt dat volgens artikel 17, lid 1, van het Handvest „[e]enieder […] het recht [heeft] de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.” Lid 2 van dit artikel bepaalt dat intellectuele eigendom is beschermd (arrest van 9 februari 2012, Luksan, C‑277/10, EU:C:2012:65, punt 68).
69 In deze context moet worden opgemerkt dat een voorwerp dat als „werk” in de zin van richtlijn 2001/29 kan worden aangemerkt, in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming moet genieten overeenkomstig deze richtlijn, waarbij deze richtlijn overigens geen enkele voorwaarde stelt met betrekking tot het aantal coauteurs van een dergelijk werk.
70 Hieruit volgt dat wanneer meerdere personen gezamenlijk een intellectueel-eigendomsrecht, zoals het auteursrecht, op hetzelfde werk bezitten, zij allen worden geacht krachtens het Unierecht het recht te hebben verkregen om dat intellectuele-eigendomsrecht te genieten, en zij op dezelfde wijze worden beschermd.
71 In die omstandigheden vormt de erkenning van de hoedanigheid van auteur van een cinematografisch werk, zoals in casu, een voldoende voorwaarde voor de uitoefening van het eigendomsrecht, gelet op de in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginselen.
72 Bovendien zij eraan herinnerd dat eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, toegang moet hebben tot een doeltreffende voorziening in rechte, zoals is bepaald in artikel 47 van het Handvest. Volgens de rechtspraak van het Hof is dit artikel 47 namelijk op zichzelf voldoende om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen inroepen, zonder dat de inhoud ervan hoeft te worden gepreciseerd door andere bepalingen van het Unierecht of van het interne recht van de lidstaten, waarbij de erkenning van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in een bepaald geval veronderstelt, zoals blijkt uit dat artikel 47, eerste alinea, dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden (zie in die zin arrest van 17 november 2022, Harman International Industries, C‑175/21, EU:C:2022:895, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Het Hof heeft geoordeeld dat de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het Handvest vastgelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte er onder andere in bestaat dat de houder van dit recht toegang moet hebben tot een rechterlijke instantie die bevoegd is om de eerbiediging van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten te waarborgen en om daartoe alle voor het bij haar aanhangige geding relevante feitelijke en juridische kwesties te onderzoeken (arrest van 17 november 2022, Harman International Industries, C‑175/21, EU:C:2022:895, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Het is juist dat een beperking als die welke voortvloeit uit artikel L. 113‑3 van de code de la propriété intellectuelle de rechten van afwezige medehouders beschermt door hen in staat te stellen over voldoende informatie te beschikken om al dan niet aan de procedure deel te nemen, hetgeen met name bijdraagt tot het waarborgen van de eerbiediging van het eigendomsrecht van deze medehouders in de zin van artikel 17 van het Handvest en tot het bereiken van de in punt 56 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstelling ten aanzien van hen.
75 Het lijkt er echter op dat deze bepaling, ondanks de inspanningen die verzoekers in het hoofdgeding hebben geleverd en de zorgvuldigheid die zij aan de dag hebben gelegd om alle medehouders van het auteursrecht in het geding te roepen, het onderzoek van hun vorderingen in rechte onmogelijk maakt. In een dergelijk geval lijkt de verplichting om alle medehouders in het geding te roepen op straffe van niet-ontvankelijkheid van de betrokken vordering, deze verzoekers te beletten om hun eigen rechten uit te oefenen. De Franse regering heeft in dit verband erkend dat deze verplichting in bepaalde gevallen een onredelijk vereiste kan vormen dat de uitoefening door verzoekers in het hoofdgeding van de door het Unierecht verleende rechten onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken. Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, mag het recht van de medehouders om hun auteursrechten te verdedigen niet worden onderworpen aan procedurele vereisten waaraan onmogelijk of uiterst moeilijk kan worden voldaan, daar dit er in de praktijk op zou neerkomen dat dit recht wordt ondermijnd, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde grondrecht.
76 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt dus dat de uitlegging en de toepassing van de aan verzoekers in het hoofdgeding opgelegde procedurele vereisten, gelet op de bijzondere omstandigheden van het bij deze rechter aanhangige geding, de procedure onnodig ingewikkeld en kostbaar kunnen maken en afbreuk kunnen doen aan zowel het doeltreffendheidsbeginsel als artikel 47 van het Handvest.
77 Indien de verwijzende rechter vaststelt dat zijn nationale recht niet in overeenstemming met het Unierecht kan worden uitgelegd, is hij gehouden om binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit dat artikel 47 en de volle werking daarvan te waarborgen door, zo nodig, de betrokken nationale bepalingen buiten toepassing te laten (zie naar analogie arrest van 25 november 2025, Wojewoda Mazowiecki, C‑713/23, EU:C:2025:917, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 8 van richtlijn 2001/29, artikel 3 van richtlijn 2004/48 en artikel 1 van richtlijn 2006/116, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voor de ontvankelijkheid van een vordering wegens inbreuk op het auteursrecht op een collectief werk de voorwaarde stelt dat alle medehouders van dat recht in het geding worden geroepen, mits de uitlegging en de toepassing van deze regeling de voorziene procedure niet onnodig ingewikkeld of kostbaar maken, aangezien deze procedure de uitoefening van die vordering door slechts een of meerdere coauteurs niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken. De nationale rechter moet hoe dan ook waarborgen dat het in artikel 47 van het Handvest vastgelegde recht op effectieve rechterlijke bescherming wordt geëerbiedigd.
Kosten
79 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, artikel 3 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, en artikel 1 van richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voor de ontvankelijkheid van een vordering wegens inbreuk op het auteursrecht op een collectief werk de voorwaarde stelt dat alle medehouders van dat recht in het geding worden geroepen, mits de uitlegging en de toepassing van deze regeling de voorziene procedure niet onnodig ingewikkeld of kostbaar maken, aangezien deze procedure de uitoefening van die vordering door slechts een of meerdere coauteurs niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken. De nationale rechter moet hoe dan ook waarborgen dat het in artikel 47 van het Handvest vastgelegde recht op effectieve rechterlijke bescherming wordt geëerbiedigd.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 25 november 2025, C-713/23, ECLI:EU:C:2025:917
- HvJ EU 30 april 2024, C-670/22, ECLI:EU:C:2024:372
- HvJ EU 11 januari 2024, C-473/22, ECLI:EU:C:2024:8
- HvJ EU 27 april 2023, C-628/21, ECLI:EU:C:2023:342
- HvJ EU 17 november 2022, C-175/21, ECLI:EU:C:2022:895
- HvJ EU 18 november 2021, C-212/20, ECLI:EU:C:2021:934
- HvJ EU 9 juli 2020, C-264/19, ECLI:EU:C:2020:542
- HvJ EU 9 februari 2012, C-277/10, ECLI:EU:C:2012:65