HvJ EU 30 april 2026, C-191/25, ECLI:EU:C:2026:360

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

30 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Artikel 101 VWEU – Mededingingsregelingen – Richtlijn 2014/104/EU – Artikel 3, lid 2 – Recht op volledige vergoeding van de door een mededingingsregeling veroorzaakte schade – Betaling van rente – Artikel 22, lid 2 – Toepassing in de tijd van nationale omzettingsbepalingen – Bepaling van de datum vanaf welke rente is verschuldigd – Tijdstip waarop de schade is ontstaan in geval van tegen een te hoge prijs aangekochte goederen”

In zaak C‑191/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 27 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 10 maart 2025, in de procedure

Wenzel Logistics GmbH

tegen

Mercedes-Benz Group AG,

in tegenwoordigheid van:

MAN Truck & Bus SE,

MAN Truck & Bus Deutschland GmbH,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Wenzel Logistics GmbH, vertegenwoordigd door M. Pilz, Rechtsanwalt,

– Mercedes-Benz Group AG, vertegenwoordigd door J. Bottyanfy, C. von Köckritz, H. Weiß en H. Wollmann, Rechtsanwälte,

– MAN Truck & Bus SE en MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, vertegenwoordigd door F. Neumayr en M. Schifferl, Rechtsanwälte,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Ernst en A. Keidel als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 22, lid 2, van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Wenzel Logistics GmbH en Mercedes-Benz Group AG over de vergoeding van schade als gevolg van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; […]”

4 Overweging 12 van richtlijn 2014/104 luidt: „Met deze richtlijn wordt het acquis communautaire betreffende het Unierecht op vergoeding van door een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie veroorzaakte schade bevestigd, in het bijzonder wat betreft de hoedanigheid om een schadevordering in te stellen en de definitie van het begrip ‚schade’ zoals dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie [van de Europese Unie] is vastgesteld, en wordt niet vooruitgelopen op toekomstige ontwikkelingen daarvan. Eenieder die door een inbreuk schade heeft geleden, kan een vergoeding vorderen voor het daadwerkelijke verlies (damnum emergens), voor de gederfde winst (lucrum cessans), vermeerderd met rente; hierbij maakt het niet uit of deze categorieën volgens de nationale voorschriften afzonderlijk dan wel in combinatie worden omschreven. De uitbetaling van rente vormt een essentieel onderdeel van de vergoeding met het oog op herstel van schade die is geleden wegens tijdsverloop, en de rente dient verschuldigd te zijn vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan tot het tijdstip van uitbetaling van de vergoeding, ongeacht of de rente volgens het nationale recht als compenserende rente wordt gekwalificeerd dan wel als wettelijke rente die verschuldigd is wegens verzuim, ongeacht of het tijdsverloop in aanmerking wordt genomen als een aparte categorie (rente), dan wel als een bestanddeel van het feitelijke verlies of de gederfde winst. De lidstaten zijn gehouden de daartoe toepasselijke regels vast te stellen.”

5 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Recht op volledige vergoeding”, bepaalt als volgt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijk persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen. 2. Een volledige vergoeding brengt een persoon die schade heeft geleden, in de positie waarin die persoon zich zou hebben bevonden indien er geen inbreuk op het mededingingsrecht was gemaakt. Zij omvat dan ook het recht op vergoeding van het daadwerkelijke verlies en voor de gederfde winst, vermeerderd met de betaling van rente. […]”

6 Artikel 21 („Omzetting”) van de richtlijn bepaalt in lid 1, eerste alinea: „De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 27 december 2016 aan deze richtlijn te voldoen. […]”

7 Artikel 22 („Toepassing in de tijd”) van dezelfde richtlijn luidt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat iedere, krachtens artikel 21 vastgestelde nationale maatregel anders dan de maatregelen bedoeld in lid 1 niet van toepassing is op vorderingen tot schadevergoeding die voor 26 december 2014 bij een nationale rechterlijke instantie aanhangig zijn gemaakt.”

8 Richtlijn 2014/104 is krachtens artikel 23 ervan in werking getreden op 26 december 2014, de twintigste dag na die van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Oostenrijks recht

9 § 1000, lid 1, van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek, Oostenrijk), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „ABGB”), bepaalt het volgende: „Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, bedraagt de rente die zonder bepaling van de hoogte ervan is overeengekomen of die wettelijk verschuldigd is, vier procent per jaar. […]”

10 § 1333 ABGB luidt: „1. De schade die de schuldeiser ten gevolge van de te late betaling van een geldvordering door de schuldenaar heeft geleden, wordt vergoed door de wettelijke rente (§ 1000, lid 1). 2. Naast de wettelijke rente kan de schuldeiser ook de vergoeding vorderen van andere schade die hij door toedoen van de schuldenaar heeft geleden, met name de noodzakelijke kosten van doelmatige buitengerechtelijke invorderings- of inningsmaatregelen, voor zover deze in een redelijke verhouding staan tot de betrokken vordering.”

11 § 37a, lid 1, van het Bundesgesetz gegen Kartelle und andere Wettbewerbsbeschränkungen (Kartellgesetz 2005) [wet betreffende de strijd tegen kartels en andere mededingingsbeperkingen (kartelwet 2005), Oostenrijk] (BGBl. I, 61/2005; hierna: „KartG”), in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 13/2013, bepaalde het volgende: „Eenieder die zich schuldig maakt aan een inbreuk [op het mededingingsrecht] is verplicht de aldus veroorzaakte schade te vergoeden. Wanneer een goed of een dienst tegen een te hoge prijs wordt gekocht, wordt het recht op schadevergoeding niet uitgesloten op grond van enkel het feit dat het goed of de dienst is doorverkocht. Bij het bepalen van de omvang van de schade […] kan met name rekening worden gehouden met het voordeel dat de onderneming uit de inbreuk heeft gehaald. De onderneming moet rente over de schadevordering betalen vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan, met analoge toepassing van § 1333 ABGB.”

12 Volgens § 86 KartG, in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 13/2013, was § 37a van toepassing op inbreuken op het mededingingsrecht die na 28 februari 2013 waren begaan.

13 Teneinde richtlijn 2014/104 om te zetten in nationaal recht heeft de Oostenrijkse wetgever het KartG in 2017 gewijzigd. § 37c, lid 1, KartG, in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 56/2017, bepaalt het volgende: „Eenieder die zich schuldig maakt aan een inbreuk op het mededingingsrecht is verplicht de aldus veroorzaakte schade te vergoeden.”

14 § 37d KartG, in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 56/2017, luidt als volgt: „1. De schadevergoeding omvat ook de gederfde winst. 2. Degene die tot schadevergoeding gehouden is, dient rente te betalen over de schadevordering vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan, met analoge toepassing van § 1333 ABGB.”

15 Ingevolge § 86 KartG, in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 56/2017, zijn de in de twee bovenstaande punten bedoelde bepalingen in werking getreden op 27 december 2016 en zijn ze van toepassing op de vergoeding van schade die is ontstaan na 26 december 2016, terwijl schade die vóór 27 december 2016 is ontstaan valt onder het KartG in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 13/2013, dus met name onder § 37a van die wet, zoals omschreven in de punten 11 en 12 van dit arrest.

16 § 37a KartG, in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 176/2021, bepaalt: „1. De bepalingen van deze afdeling regelen de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor inbreuken op het mededingingsrecht en de uitoefening van het recht op vergoeding van door dergelijke inbreuken veroorzaakte schade. 2. Deze bepalingen dienen ter omzetting van richtlijn [2014/104].”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17 De Europese Commissie heeft op 19 juli 2016 besluit C(2016) 4673 final inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak AT.39824 – Vrachtwagens) vastgesteld. Een samenvatting van dit besluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van 6 april 2017 (PB 2017, C 108, blz. 6).

18 Volgens dit besluit hebben vijftien vrachtwagenfabrikanten, MAN SE, MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, MAN Truck & Bus AG, Daimler AG, Fiat Chrysler Automobiles NV, CNH Industrial NV, Iveco SpA, Iveco Magirus AG, AB Volvo (publ), Volvo Lastvagnar AB, Renault Trucks SAS, Volvo Group Trucks Central Europe GmbH, PACCAR Inc., DAF Trucks Deutschland GmbH en DAF Trucks NV, deelgenomen aan een met name krachtens artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling, die bestond in heimelijke afspraken met betrekking tot prijsstelling en brutoprijsverhogingen van vrachtwagens in de Europese Economische Ruimte en met betrekking tot het tijdsschema voor en de doorberekening van de kosten voor de invoering van voor de geldende normen vereiste emissietechnologieën (hierna: „betrokken mededingingsregeling”). Voor MAN SE, MAN Truck & Bus Deutschland GmbH en MAN Truck & Bus AG heeft deze inbreuk plaatsgevonden tussen 17 januari 1997 en 20 september 2010, en voor de twaalf andere deelnemende vennootschappen tussen 17 januari 1997 en 18 januari 2011.

19 Wenzel Logistics is een in Oostenrijk gevestigde vervoersonderneming die gedurende de door de betrokken mededingingsregeling beslagen perioden vrachtwagens heeft gekocht bij dealers van meerdere deelnemers aan die regeling, met name vrachtwagens van het merk Mercedes-Benz, waarvan Daimler AG (later Mercedes-Benz Group) de houder was.

20 Op 13 januari 2021 heeft Wenzel Logistics een schadevordering ingesteld bij het Landesgericht für Zivilrechtssachen Graz (rechter in eerste aanleg in civiele zaken Graz, Oostenrijk) om Mercedes-Benz Group te doen veroordelen tot vergoeding van 848357,92 EUR aan schade die zij als gevolg van de mededingingsregeling zou hebben geleden. Volgens Wenzel Logistics kwam dit bedrag overeen met het verschil, vermeerderd met wettelijke rente en kosten, tussen de prijzen die zij daadwerkelijk voor de vrachtwagens heeft betaald en de prijzen die zij zonder de betrokken mededingingsregeling zou hebben betaald.

21 Wenzel Logistics meende dat de rente krachtens § 37d KartG verschuldigd was vanaf de datum waarop de schade was ontstaan.

22 Mercedes-Benz Group, ondersteund door MAN Truck & Bus SE en MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, interveniërende partijen in het hoofdgeding, betoogt dat de betrokken mededingingsregeling geen invloed had op de aan Wenzel Logistics gefactureerde nettoprijzen en dat deze laatste die kosten hoe dan ook aan haar klanten heeft doorberekend. Tevens voert zij aan dat het recht op vergoeding van schade als gevolg van mededingingsregelingen pas sinds 1 maart 2013 via het KartG in Oostenrijks recht is geregeld. Aangezien het recht op vergoeding van de door de mededingingsregeling veroorzaakte schade vóór die datum is ontstaan, moet de rente, krachtens het ABGB, worden betaald vanaf de datum waarop die verschuldigd wordt. Die datum moet niet aan de hand van het ontstaan van de schade worden bepaald, maar aan de hand van de betekening van de door Wenzel Logistiscs ingestelde vordering.

23 Bij uitspraak van 2 april 2024 heeft het Landesgericht für Zivilrechtssachen Graz op grond van een deskundigenonderzoek geoordeeld dat Mercedes-Benz Group aan Wenzel Logistics een bedrag van 172857,42 EUR moest betalen, waarbij een wettelijke rente van 4 % per jaar was inbegrepen. Deze rechter heeft op grond van § 1333 ABGB, gelezen in samenhang met andere Oostenrijkse civielrechtelijke bepalingen, overwogen dat die rente verschuldigd was vanaf de datum waarop een becijferde aanspraak was gemaakt op het recht op schadevergoeding door een ingebrekestelling of in het kader van een rechtsvordering, in casu vanaf 21 januari 2021, op welke datum de schadevordering aan Mercedes-Benz Group is betekend.

24 Het hoger beroep van Wenzel Logistics tegen dit vonnis is afgewezen bij vonnis van 10 oktober 2024 van het Oberlandesgericht Graz (rechter in tweede aanleg Graz, Oostenrijk).

25 In dit vonnis wees de appelrechter erop dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, betreffende het recht op volledige vergoeding, met rente, van schade die is geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, in de Oostenrijkse rechtsorde is omgezet bij § 37d KartG, in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 56/2017, die overeenkomstig § 86 van deze wet alleen van toepassing is op schade die na 26 december 2016 is ontstaan. Deze bepaling is dus net als § 37a KartG, die op 1 maart 2013 in werking is getreden, ratione temporis niet van toepassing op de schadevordering van Wenzel Logistics. De rechter in eerste aanleg heeft zich dus terecht gebaseerd op de algemene regels van Oostenrijks civielrecht, zonder rekening te houden met de specifieke regels van het KartG.

26 Wenzel Logistics heeft tegen dit arrest een beroep in Revision ingediend bij het Oberste Gerichtshof (hoogste rechterlijke instantie, Oostenrijk), de verwijzende rechter.

27 Deze rechter merkt op dat het recht op volledige vergoeding, met rente, van door een mededingingsregeling veroorzaakte schade, volgens de rechtspraak van het Hof rechtstreeks voortvloeit uit artikel 101, lid 1, VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel. Daarnaast heeft het Hof verduidelijkt dat artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/104 een weerspiegeling vormt van deze rechtspraak inzake artikel 101, lid 1, VWEU, zodat de nationale maatregelen ter uitvoering van artikel 3, leden 1 en 2, overeenkomstig artikel 22, lid 2, van deze richtlijn onmiddellijk van toepassing moeten zijn op schadevorderingen die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen.

28 Gelet op deze rechtspraak kan volgens de verwijzende rechter niet worden uitgesloten dat § 37d KartG, in de versie zoals bekendgemaakt in BGBl. I, 56/2017, van toepassing is op het hoofdgeding. Die toepasselijkheid is evenwel alleen mogelijk indien § 86 KartG buiten toepassing blijft, aangezien daarin is bepaald dat § 37d uitsluitend geldt voor de vergoeding van schade die na 26 december 2016 is ontstaan. Deze rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, ervan, daadwerkelijk zo moet worden opgevat dat een nationale bepaling als § 37d KartG van toepassing is op een schadevordering zoals die van Wenzel Logistics.

29 Verder wenst de verwijzende rechter te vernemen welke criteria moeten worden toegepast om, gelet op artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, vast te stellen op welk tijdstip de schade is ontstaan, aangezien volgens overweging 12 van deze richtlijn vanaf dat tijdstip rente moet worden betaald. De rechter vraagt zich af of de rente in het kader van een schadevordering zoals die van Wenzel Logistics, betreffende schade die is veroorzaakt door een mededingingsregeling waarbij goederen te duur zijn verkocht, moet worden berekend vanaf de datum waarop de te hoge prijs voor deze goederen is betaald, of een andere datum, zoals die waarop de aankoopprijs van deze goederen verschuldigd is geworden dan wel de datum waarop de koopovereenkomst is gesloten.

30 In die omstandigheden heeft het Oberster Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 3, lid 2, juncto artikel 22, lid 2, van richtlijn [2014/104] aldus worden uitgelegd dat artikel 3, lid 2, betreffende de betaling van rente over kartelschade, van toepassing is op schadevorderingen die vanaf 26 december 2014 bij een nationale rechter zijn ingesteld? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: welk ander tijdstip is bepalend voor de toepasselijkheid van artikel 3, lid 2, van richtlijn [2014/104]? 2) Moet artikel 3, lid 2, van richtlijn [2014/104] aldus worden uitgelegd dat het tijdstip waarop de kartelschade is ontstaan en vanaf hetwelk rente over de kartelschade verschuldigd is, het tijdstip is waarop de ingevolge een verboden prijsafspraak gevraagde te hoge prijs door de benadeelde partij is betaald? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: welk ander tijdstip is bepalend voor het ontstaan van de schade?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

31 Volgens Mercedes-Benz Group, ondersteund door MAN Truck & Bus SE en MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, zijn de prejudiciële vragen, die betrekking hebben op de uitlegging van richtlijn 2014/104, kennelijk irrelevant voor de beslechting van het hoofdgeding, aangezien de schadevordering van Wenzel Logistics buiten de temporele werkingssfeer van deze richtlijn valt. Artikel 3, lid 2, van deze richtlijn is overduidelijk een „materiële bepaling” in de zin van artikel 22, lid 1, ervan. Gezien het verbod van terugwerkende kracht in artikel 22, lid 1, kunnen de nationale bepalingen ter uitvoering van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 dus niet van toepassing zijn op Wenzel Logistics’ schadevordering, die slaat op schade van vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2014/104.

32 In dat verband zij eraan herinnerd dat het in procedures krachtens artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken, rust een vermoeden van relevantie. Het Hof kan alleen weigeren uitspraak te doen op een verzoek om een prejudiciële beslissing wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf, C‑355/97, EU:C:1999:391, punt 22, en 12 februari 2026, Valora Effekten Handel, C‑864/24, EU:C:2026:94, punt 28).

33 In casu blijkt uit de toelichting van de verwijzende rechter bij zijn eerste vraag dat hij twijfelt of op § 37d KartG, een bepaling van Oostenrijks recht ter uitvoering van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, het verbod van terugwerkende kracht van toepassing is zoals geformuleerd in artikel 22, lid 1, van deze richtlijn.

34 Dit vraagstuk is niet hypothetisch, noch houdt het kennelijk geen verband met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Het staat namelijk vast dat Wenzel Logistics in haar schadevordering toepassing vraagt van § 37d KartG in plaats van de algemene regels van Oostenrijks civielrecht, die op deze vordering zijn toegepast door het Landesgericht für Zivilrechtssachen Graz en het Oberlandesgericht Graz. Als § 37d van toepassing is, wordt de rente berekend vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Blijkens de verwijzingsbeslissing is bij toepassing van de algemene regels van Oostenrijks civielrecht de rente daarentegen pas verschuldigd vanaf de datum waarop de schadevordering aan Mercedes-Benz Group is betekend. De in de eerste vraag genoemde bepalingen van richtlijn 2014/104 zijn dus relevant om vast te stellen of § 37d KartG kan worden toegepast op het hoofdgeding en het Hof beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een antwoord te geven op deze vraag.

35 De eerste vraag is daarmee ontvankelijk.

36 De tweede vraag stoelt op de premisse – waarvan de juistheid zal worden nagegaan bij het onderzoek van de eerste vraag – dat een nationale bepaling ter uitvoering van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, zoals § 37d KartG, kan worden toegepast op een rechtsvordering tot vergoeding van schade die is ontstaan voordat deze richtlijn in werking trad. Indien zou blijken dat die premisse juist is moet antwoord worden gegeven op deze tweede vraag, namelijk welke conclusies uit artikel 3, lid 2, van deze richtlijn kunnen worden getrokken om, met het oog op de berekening van de rente, vast te stellen op welk tijdstip de schade is ontstaan.

37 Aangezien de tweede vraag dus noch hypothetisch is, noch kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, en het Hof beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven aan de verwijzende rechter, is deze vraag eveneens ontvankelijk. Daarnaast betreft het argument van Mercedes-Benz Group, ondersteund door MAN Truck & Bus SE en MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, dat richtlijn 2014/104, anders dan de verwijzende rechter met deze vraag suggereert, geen dwingende regel bevat betreffende het tijdstip waarop de schade is ontstaan, de grond van de zaak.

Ten gronde

Eerste vraag

38 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 2, en artikel 22, lid 2, van richtlijn 2014/104 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale bepaling ter omzetting van het recht op volledige vergoeding van de schade door een inbreuk op het mededingingsrecht, die voorschrijft dat de rente over deze volledige vergoeding berekend moet worden aan de hand van het tijdstip waarop de schade is ontstaan, onmiddellijk van toepassing is op alle rechtsvorderingen waarbij een dergelijke vergoeding wordt geëist en die zijn ingediend vanaf 26 december 2014, de inwerkingtredingsdatum van deze richtlijn.

39 Wat betreft de toepassing in de tijd van de nationale bepalingen ter uitvoering van richtlijn 2014/104, moet een onderscheid worden gemaakt tussen het geval waarin de door de nationale bepaling uitgevoerde regel van deze richtlijn een codificatie vormt van de rechtspraak van het Hof inzake artikel 101 VWEU, in welk geval deze nationale bepaling onmiddellijk van toepassing moet zijn, en het geval waarin deze bepaling uitsluitend voortvloeit uit die richtlijn, in welk geval de toepasselijkheid in de tijd van die nationale bepaling moet worden bepaald aan de hand van artikel 22 van de richtlijn (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Tráficos Manuel Ferrer, C‑312/21, EU:C:2023:99, punt 33).

40 Wat betreft de regel in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 volgens welke de volledige vergoeding van de schade door een inbreuk op het mededingingsrecht de vergoeding van de daadwerkelijke schade en de gederfde winst alsmede de betaling van rente moet omvatten, heeft het Hof reeds vastgesteld dat deze regel, zoals blijkt uit overweging 12 van deze richtlijn, een codificering vormt van de rechtspraak over artikel 101, lid 1, VWEU, met name het arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 95), zodat de nationale maatregelen ter omzetting van artikel 3, lid 2, met onmiddellijke ingang van toepassing zijn op alle schadevorderingen die binnen de werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallen, zoals bevestigd door artikel 22, lid 2, ervan (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Tráficos Manuel Ferrer, C‑312/21, EU:C:2023:99, punten 34 en 35).

41 Naast zijn verduidelijking dat de nationaalrechtelijke bepalingen ter uitvoering van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 onmiddellijk van toepassing zijn op schadevorderingen wegens een inbreuk op het mededingingsrecht, heeft het Hof in punt 35 van het arrest van 16 februari 2023, Tráficos Manuel Ferrer (C‑312/21, EU:C:2023:99), bepaald dat deze onmiddellijke toepasbaarheid de schadevorderingen betreft die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen overeenkomstig artikel 22, lid 2, ervan.

42 Uit deze laatste bepaling blijkt dat rechtsvorderingen die zijn ingediend vóór 26 december 2014, de inwerkingtredingsdatum van richtlijn 2014/104, zijn uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn en dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn in hun nationale rechtsorde niet van toepassing zijn op deze vorderingen.

43 Wat dit laatste betreft heeft het Hof gepreciseerd dat, wanneer een in artikel 22, lid 2, van richtlijn 2014/104 bedoelde nationale bepaling in werking treedt tussen 26 december 2014 en 27 december 2016, de datum waarop de omzettingstermijn van deze richtlijn is verstreken, de betrokken lidstaat alle schadevorderingen die zijn ingediend vóór de inwerkingtredingsdatum van deze nationale bepaling, dus vóór 27 december 2016, moet beschouwen als uitgesloten van de werkingssfeer van de richtlijn (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punten 28 en 29).

44 In dit geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Wenzel Logistics haar vordering tot vergoeding van de door de betrokken mededingingsregeling veroorzaakte schade op 13 januari 2021 heeft ingediend. Tevens blijkt dat met § 37d KartG, waarin met name wordt bepaald dat de rente verschuldigd is vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, werd beoogd om artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 in de Oostenrijkse rechtsorde om te zetten. In deze omstandigheden, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken, is § 37d KartG van toepassing op de situatie in het hoofdgeding.

45 In dit verband hoeft niet te worden nagegaan of artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 een „materiële bepaling” is in de zin van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn. Zoals volgt uit de punten 33 en 35 van het arrest van 16 februari 2023, Tráficos Manuel Ferrer (C‑312/21, EU:C:2023:99), waarvan de strekking in herinnering is gebracht in de punten 39 tot en met 41 van het onderhavige arrest, kan de toepassing in de tijd van de nationale bepalingen ter uitvoering van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 namelijk niet worden onderworpen aan de in artikel 22 van deze richtlijn gestelde beperkingen, omdat dan afbreuk zou worden gedaan aan de nuttige werking van artikel 101, lid 1, VWEU, waarvan de uitlegging is vastgelegd in artikel 3, lid 2. De enige uitzondering hierop is de beperking die voortvloeit uit artikel 22, lid 2, volgens welke nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn hoe dan ook niet kunnen worden toegepast op vorderingen die zijn ingediend voordat de richtlijn in werking is getreden.

46 Een nationale bepaling zoals § 86 KartG, waarin de toepasselijkheid van § 37d van deze wet wordt beperkt tot schadevorderingen die na 26 december 2016 zijn ingediend, en op grond waarvan voor een vordering zoals die van Wenzel Logistics – waarbij vergoeding wordt geëist van schade die vóór 27 december 2016 is ontstaan – niet vanaf de datum waarop de schade is ontstaan maar vanaf de betekening van de schadevordering rente moet worden betaald, moet dus worden geacht afbreuk te doen aan de nuttige werking van artikel 101, lid 1, VWEU.

47 Hierover zij opgemerkt dat toen richtlijn 2014/104 werd aangenomen, het Hof in de punten 95 en 97 van het arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461), in wezen al had geoordeeld dat bij de volledige vergoeding van schade door een inbreuk op het mededingingsrecht niet kan worden voorbijgegaan aan factoren – zoals het verstrijken van de tijd – waardoor de waarde van de schadevergoeding feitelijk kan afnemen, aangezien anders wordt afgedaan aan de effectiviteit van die vergoeding. Wat dit laatste betreft heeft het Hof in punt 97 van dat arrest naar analogie verwezen naar zijn eerdere rechtspraak, voortvloeiend uit het arrest van 2 augustus 1993, Marshall (C‑271/91, EU:C:1993:335, punt 31). Uit overweging 12 van richtlijn 2014/104 blijkt dat met deze richtlijn met name werd beoogd om deze rechtspraak van het Hof te codificeren, volgens welke een volledige vergoeding van door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade veronderstelt dat rente wordt betaald vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

48 Gelet op deze rechtspraak en deze overweging van richtlijn 2014/104, die relevant zijn voor de uitlegging van artikel 3, lid 2, van deze richtlijn, garandeert een nationale bepaling als § 86 KartG, die bij toepassing op vóór 27 december 2016 ontstane schade zou leiden tot een renteberekening die geen rekening houdt met het tijdsverloop tussen het tijdstip waarop de schade is ontstaan en dat waarop de betrokkene vergoeding daarvan eist, niet de volledige doeltreffendheid van artikel 101, lid 1, VWEU. Dit geldt temeer omdat het specifieke karakter van het mededingingsrecht in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist (zie in die zin arrest van 20 april 2023, Repsol Comercial de Productos Petrolíferos, C‑25/21, EU:C:2023:298, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit specifieke karakter brengt met zich mee dat er gewoonlijk veel tijd verstrijkt tussen het ontstaan van schade door een mededingingsregeling en de vaststelling van die schade door de bevoegde mededingingsautoriteit. Zo is de betrokken mededingingsregeling, die voor wat betreft de deelname van Daimler – later Mercedes-Benz Group – heeft bestaan tussen 17 januari 1997 en 18 januari 2011, pas op 19 juli 2016 door de Commissie geconstateerd.

49 Aangezien een nationale bepaling zoals § 86 KartG moet worden beschouwd als een aantasting van de nuttige werking van artikel 101, lid 1, VWEU, zij eraan herinnerd dat deze bepaling van primair Unierecht rechtstreekse gevolgen teweegbrengt in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doet ontstaan die de nationale rechter moet beschermen (arresten van 30 januari 1974, BRT en Société belge des auteurs, compositeurs et éditeurs, 127/73, EU:C:1974:6, punt 16, en 4 september 2025, Nissan Iberia, C‑21/24, EU:C:2025:659, punt 50).

50 Ook moet eraan worden herinnerd dat de nationale rechter, met inachtneming van het gehele nationale recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, dit recht zo veel mogelijk dient uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 101, lid 1, VWEU teneinde de volle werking van die bepaling van primair Unierecht te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling. Indien de nationale rechter zich niet in staat acht tot een Unierechtconforme uitlegging, vanwege beperkingen in verband met bijvoorbeeld het verbod om het nationale recht contra legem uit te leggen, moet hij de nationale bepaling buiten toepassing laten en artikel 101, lid 1, VWEU rechtstreeks toepassen op het bij hem aanhangige geding (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punten 71‑73).

51 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, en artikel 22, lid 2, van richtlijn 2014/104, gelezen in samenhang met artikel 101, lid 1, VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale bepaling ter omzetting van het recht op volledige vergoeding van de schade door een inbreuk op het mededingingsrecht, die voorschrijft dat de rente over deze volledige vergoeding berekend moet worden aan de hand van het – in voorkomend geval vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn liggende – tijdstip waarop de schade is ontstaan, onmiddellijk van toepassing is op alle rechtsvorderingen waarbij een dergelijke vergoeding wordt geëist en die zijn ingediend na de inwerkingtreding van deze nationale bepaling of, indien deze inwerkingtreding heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de omzettingstermijn van die richtlijn, op alle dergelijke schadevorderingen die na het verstrijken van deze termijn zijn ingediend.

Tweede vraag

52 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 aldus moet worden uitgelegd dat voor de volledige vergoeding van schade die is veroorzaakt door een mededingingsregeling die bestond in heimelijke afspraken leidend tot de verkoop van goederen tegen te hoge prijzen, de datum waarop die schade is ontstaan en vanaf welke de rente verschuldigd is, de datum is waarop de benadeelde die prijzen heeft betaald.

53 Zoals in de punten 40 en 47 van dit arrest is uiteengezet, heeft de Uniewetgever in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 de eerdere rechtspraak van het Hof gecodificeerd volgens welke het recht op volledige vergoeding van door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade onder andere inhoudt dat rente wordt betaald vanaf de datum waarop die schade is ontstaan.

54 Deze verplichting vindt zijn weerslag in de definitie van het begrip „volledige vergoeding” in artikel 3, lid 2, van deze richtlijn, volgens welke die vergoeding „een persoon die schade heeft geleden, in de positie [brengt] waarin die persoon zich zou hebben bevonden indien er geen inbreuk op het mededingingsrecht was gemaakt”.

55 Het ontstaan van de schade creëert een situatie die fundamenteel verschilt van die waarin de betreffende persoon zich had bevonden zonder de betrokken inbreuk, zodat alle bestanddelen van de schadevergoeding – waaronder de rente die dient ter compensatie van het verstrijken van de tijd – gebaseerd moeten zijn op de datum waarop de schade is ontstaan.

56 De Uniewetgever heeft evenwel geen criteria bepaald aan de hand waarvan moet worden vastgesteld welke omstandigheid bepalend is voor het ontstaan van de schade. Aangezien deze concrete wijze van uitvoering van het recht op een volledige vergoeding van door een inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade niet is geharmoniseerd, beschikken de lidstaten in dit verband over een beoordelingsmarge.

57 Deze vrijheid doet evenwel niet af aan de verplichting die op elk van de lidstaten rust om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de betreffende richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (zie in die zin arresten van 10 april 1984, von Colson en Kamann, 14/83, EU:C:1984:153, punt 15, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 62).

58 De verplichting tot „volledige vergoeding” van de schade in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, welke verplichting voortvloeit uit artikel 101, lid 1, VWEU, impliceert voor de autoriteiten van de lidstaten dat zij zich moeten baseren op criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke omstandigheid het meest bepalend is voor het tijdstip waarop de benadeelde de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade begon te lijden. Indien meerdere omstandigheden even bepalend zijn voor het ontstaan van de schade, moet als uitgangspunt voor de renteberekening worden gekozen voor de omstandigheid die zich het eerst heeft voorgedaan.

59 Als de schade uit onderscheiden delen bestaat, moet er bovendien voor worden gezorgd dat het ontstaansmoment van de schade, op basis van de in het voorgaande punt gegeven aanwijzingen, voor elk deel van die schade afzonderlijk wordt vastgesteld.

60 In deze zaak blijkt ten eerste uit de verwijzingsbeslissing dat de door Wenzel Logistics aangevoerde schade volgt uit de aanschaf van vrachtwagens die wegens de betrokken mededingingsregeling te hoog waren geprijsd. Ten tweede volgt uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 – waarvan de inhoud voortvloeit uit artikel 101, lid 1, VWEU, dat, zoals in punt 49 van dit arrest in herinnering is gebracht, rechtstreekse gevolgen teweegbrengt in de betrekkingen tussen particulieren – dat de schade waar deze richtlijn op ziet bestaat uit zowel het daadwerkelijk geleden verlies als de gederfde winst. Hieruit blijkt, onder voorbehoud van de verificaties die de verwijzende rechter in het licht van alle relevante feiten dient te verrichten, dat voor het tijdstip waarop de schade is ontstaan bepalend kan zijn op welk tijdstip er, door het betalen van voorbedoelde te hoge prijzen, middelen onbeschikbaar zijn geworden.

61 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, gelezen in samenhang met artikel 101, lid 1, VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat voor de volledige vergoeding schade die is veroorzaakt door een mededingingsregeling die bestond in heimelijke afspraken leidend tot de verkoop van goederen tegen te hoge prijzen, de datum waarop die schade is ontstaan en vanaf welke de rente verschuldigd is, de datum is waarop de omstandigheid zich heeft voorgedaan die het meest bepalend is voor het tijdstip waarop de benadeelde daadwerkelijke schade of winstderving begon te lijden als gevolg van die mededingingsregeling.

Kosten

62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 2, en artikel 22, lid 2, van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 101, lid 1, VWEU, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale bepaling ter omzetting van het recht op volledige vergoeding van de schade door een inbreuk op het mededingingsrecht, die voorschrijft dat de rente over deze volledige vergoeding berekend moet worden aan de hand van het – in voorkomend geval vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn liggende – tijdstip waarop de schade is ontstaan, onmiddellijk van toepassing is op alle rechtsvorderingen waarbij een dergelijke vergoeding wordt geëist en die zijn ingediend na de inwerkingtreding van deze nationale bepaling of, indien deze inwerkingtreding heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de omzettingstermijn van die richtlijn, op alle dergelijke schadevorderingen die na het verstrijken van deze termijn zijn ingediend.

2) Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104, gelezen in samenhang met artikel 101, lid 1, VWEU, moet aldus worden uitgelegd dat voor de volledige vergoeding van schade die is veroorzaakt door een mededingingsregeling die bestond in heimelijke afspraken leidend tot de verkoop van goederen tegen te hoge prijzen, de datum waarop die schade is ontstaan en vanaf welke de rente verschuldigd is, de datum is waarop de omstandigheid zich heeft voorgedaan die het meest bepalend is voor het tijdstip waarop de benadeelde daadwerkelijke schade of winstderving begon te lijden als gevolg van die mededingingsregeling.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in