HvJ EU 4 september 2025, C-21/24, ECLI:EU:C:2025:659
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
4 september 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 101 VWEU – Doeltreffendheidsbeginsel – Schadevorderingen wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie – Verjaringstermijn – Bepaling van de dies a quo – Kennis van de informatie die onontbeerlijk is om de schadevordering in te stellen – Publicatie op de website van een nationale mededingingsautoriteit van haar besluit tot vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels – Bindende kracht van een besluit van een nationale mededingingsautoriteit dat nog niet definitief is – Schorsing of stuiting van de verjaringstermijn – Opschorting van de procedure voor de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld – Richtlijn 2014/104/EU – Artikel 10 – Toepassing in de tijd”
In zaak C‑21/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Zaragoza (handelsrechtbank nr. 1 Zaragoza, Spanje) bij beslissing van 10 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 12 januari 2024, in de procedure
CP
tegen
Nissan Iberia SA,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Gavalec, A. Arabadjiev (rapporteur) en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– CP, vertegenwoordigd door M. Porto Corredoira en J. Suderow Rodríguez, abogados,
– Nissan Iberia SA, vertegenwoordigd door J. Alonso Menjón, O. Guardiola Bas, I. Torras Balcell en J. Zuloaga González, abogados,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Baches Opi en C. Zois als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CP en Nissan Iberia SA (hierna: „Nissan”) in verband met de vergoeding van de beweerdelijk geleden schade wegens een inbreuk op het mededingingsrecht die is gepleegd door meerdere ondernemingen, waaronder Nissan, en die is vastgesteld bij besluit van de Comisión Nacional de los Mercados y la Competencia (nationale commissie voor markten en mededinging, Spanje; hierna: „CNMC”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1/2003
3 Artikel 16 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) heeft als opschrift „Uniforme toepassing van het communautaire mededingingsrecht”. Lid 1 ervan luidt als volgt: „Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel [101] of artikel [102 VWEU] toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de [Europese] Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikking. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel [267 VWEU] onverlet.”
Richtlijn 2014/104
4 Artikel 10 van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1), met als opschrift „Verjaringstermijnen”, luidt: „1. De lidstaten stellen overeenkomstig dit artikel regels vast die van toepassing zijn op verjaringstermijnen voor het instellen van schadevorderingen. In die regels wordt het tijdstip bepaald waarop de verjaringstermijn begint te lopen, de duur van de termijn en de omstandigheden waarin de termijn wordt gestuit of geschorst. 2. De verjaringstermijn begint niet te lopen voordat de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet en een eiser weet heeft, of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben, van: a) de gedraging en het feit dat deze gedraging een inbreuk op het mededingingsrecht vormt; b) het feit dat hij door de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft geleden, en c) de identiteit van de inbreukmaker. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijn om een schadevordering in te stellen ten minste vijf jaar bedraagt. 4. De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijn afhankelijk van het nationaal recht wordt geschorst dan wel wordt gestuit wanneer een mededingingsautoriteit een handeling verricht tot onderzoek of vervolging van de inbreuk op het mededingingsrecht waarop de schadevordering betrekking heeft. De schorsing eindigt ten vroegste één jaar na de vaststelling van een definitieve inbreukbeslissing of nadat de procedure op andere wijze is beëindigd.”
5 Artikel 21 van die richtlijn, met als opschrift „Omzetting”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 27 december 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede. [...]”
6 Artikel 22 van genoemde richtlijn heeft als opschrift „Toepassing in de tijd” en bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn.”
Spaans recht
7 Artikel 1902 van de Código Civil (burgerlijk wetboek) bepaalt: „Wie door zijn handeling of verzuim iemand schade berokkent door een fout of door nalatigheid, moet de berokkende schade herstellen.”
8 In artikel 1968 van dat wetboek staat: „Aan een verjaringstermijn van één jaar zijn onderworpen: [...] 2. De vordering uit niet-contractuele aansprakelijkheid wegens smaad of laster of op grond van de verplichtingen die voortvloeien uit de fout of nalatigheid bedoeld in artikel 1902, vanaf het moment dat de benadeelde persoon hiervan kennis heeft gekregen.”
9 Artikel 1973 van dat wetboek bepaalt: „De verjaringstermijn van vorderingen wordt gestuit door het instellen van een vordering bij de rechter, door een buitengerechtelijke vordering van de schuldeiser en door elke handeling tot erkenning van de schuld door de schuldenaar.”
10 Artikel 74 van Ley 15/2007 de Defensa de la Competencia (wet 15/2007 inzake de bescherming van de mededinging) van 3 juli 2007 (BOE nr. 159 van 4 juli 2007, blz. 28848), zoals gewijzigd bij Real Decreto-ley 9/2017, por el que se transponen directivas de la Unión Europea en los ámbitos financiero, mercantil y sanitario, y sobre el desplazamiento de trabajadores (koninklijk wetsbesluit 9/2017 tot omzetting van richtlijnen van de Europese Unie op financieel, commercieel en gezondheidsgebied, alsook inzake de terbeschikkingstelling van werknemers) van 26 mei 2017 (BOE nr. 126 van 27 mei 2017, blz. 42820), bepaalt: „1. De verjaringstermijn voor aansprakelijkheidsvorderingen wegens schade als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht bedraagt vijf jaar. 2. De verjaringstermijn begint te lopen wanneer de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet en de eiser weet heeft, of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben, van: a) de gedraging en het feit dat deze gedraging een inbreuk op het mededingingsrecht vormt; b) de door deze inbreuk veroorzaakte schade, en c) de identiteit van de inbreukmaker. 3. De termijn wordt gestuit wanneer een mededingingsautoriteit een onderzoek of een sanctieprocedure start in verband met een inbreuk op het mededingingsrecht waarop de schadevordering betrekking heeft. Deze stuiting eindigt één jaar na de datum waarop het besluit van de mededingingsautoriteit definitief is geworden of waarop de procedure op andere wijze is beëindigd. 4. De termijn wordt eveneens gestuit wanneer een procedure van buitengerechtelijke geschillenbeslechting in verband met een vordering tot vergoeding van de veroorzaakte schade wordt geopend. Deze stuiting van de verjaringstermijn geldt echter enkel voor de partijen die bij de buitengerechtelijke geschillenbeslechting zijn of waren betrokken of vertegenwoordigd.”
11 Artikel 75, lid 1, van wet 15/2007, zoals gewijzigd bij koninklijk wetsbesluit 9/2017, luidt: „Een inbreuk op het mededingingsrecht die bij een definitieve beslissing is vastgesteld door een Spaanse mededingingsautoriteit of een Spaanse rechterlijke instantie, wordt geacht onweerlegbaar vast te staan voor de behandeling van een bij een Spaanse rechter aanhangig gemaakte schadevordering.”
12 De eerste overgangsbepaling van koninklijk wetsbesluit 9/2017, waarbij richtlijn 2014/104 in Spaans recht is omgezet, met als opschrift „Overgangsregeling voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie”, luidt: „1. De bepalingen van artikel 3 van dit koninklijk wetsbesluit zijn niet met terugwerkende kracht van toepassing. 2. De bepalingen van artikel 4 van dit koninklijk wetsbesluit zijn enkel van toepassing op procedures die zijn ingeleid na de inwerkingtreding van daarvan.”
13 In artikel 90, lid 3, van Ley 39/2015 del Procedimiento Administrativo Común de las Administraciones Públicas (wet 39/2015 betreffende de gemeenschappelijke administratieve procedure voor overheidsinstanties) van 1 oktober 2015 (BOE nr. 236 van 2 oktober 2015, blz. 89343), dat krachtens artikel 45 van wet 15/2007 van toepassing is gemaakt op het mededingingsrecht, is bepaald: „Het besluit dat de procedure beëindigt is uitvoerbaar als geen gewoon administratief beroep tegen dat besluit mogelijk is en als het de voorlopige maatregelen bevat die nodig zijn om de werkzaamheid ervan te waarborgen zolang het niet uitvoerbaar is. Deze voorlopige maatregelen kunnen bestaan in de handhaving van de bewarende maatregelen die in voorkomend geval zijn vastgesteld. Wanneer het besluit uitvoerbaar is, kan het voorlopig worden opgeschort indien de belanghebbende de autoriteiten in kennis stelt van zijn voornemen om bij een administratieve rechtbank beroep tegen het definitieve administratieve besluit in te stellen. Aan deze voorlopige opschorting komt een einde wanneer: a) de belanghebbende op het tijdstip waarop de wettelijke termijn is verstreken geen beroep bij een administratieve rechtbank heeft ingesteld; b) zelfs wanneer de belanghebbende beroep bij een administratieve rechtbank heeft ingesteld: 1. hij bij dit beroep niet de voorlopige opschorting van het bestreden besluit heeft gevorderd; 2. de rechter uitspraak doet over het verzoek om voorlopige opschorting, volgens de door deze rechter vastgestelde voorwaarden.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 Op 23 juli 2015 heeft de CNMC een besluit genomen waarbij zij heeft vastgesteld dat meerdere ondernemingen, waaronder Nissan, inbreuk hadden gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 1 van wet 15/2007. Aan de mededingingverstorende gedraging die hen werd verweten, die bestond in de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie tussen die ondernemingen, kwam een einde in 2013.
15 Op 28 juli 2015 heeft de CNMC aangaande dat besluit een persbericht op haar website gepubliceerd.
16 Op 15 september 2015 werd genoemd besluit integraal gepubliceerd op de website van de CNMC.
17 Tegen dit besluit zijn meerdere beroepen tot nietigverklaring ingesteld door de plegers van de vermeende inbreuk, waaronder Nissan, maar het besluit is, wat Nissan betreft, in 2021 door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bevestigd.
18 CP heeft in maart 2023 bij de verwijzende rechter een schadevordering ingesteld na het besluit van de CNMC (follow-on damages action) met het oog op de veroordeling van Nissan tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden wegens de aankoop van een voertuig waarvan de prijs is beïnvloed door de in dat besluit vastgestelde inbreuk.
19 Nissan heeft als verdediging in essentie aangevoerd dat deze schadevordering verjaard was. Volgens deze onderneming volgt uit de regels inzake verjaring die zijn neergelegd in het burgerlijk wetboek dat de verjaringstermijn van een jaar die geldt voor een dergelijke vordering begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de benadeelde persoon kennis heeft gekregen van de betrokken inbreuk op het mededingingsrecht. Aangezien, ten eerste, het besluit van de CNMC op 15 september 2015 integraal op de website van deze instantie is gepubliceerd, ten tweede, de CNMC een perscommuniqué ter zake heeft gepubliceerd, en ten derde, de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat besluit veel media-aandacht heeft gekregen op nationaal niveau, kan CP in casu niet beweren dat hij op de datum van publicatie van dat besluit op de website van de CNMC geen kennis had van de informatie die onontbeerlijk was voor het instellen van die schadevordering. Volgens Nissan is het voor het ingaan van de verjaringstermijn niet noodzakelijk dat dit besluit definitief is geworden, zodat kan worden aangenomen dat die termijn op 15 september 2015 is beginnen te lopen.
20 Volgens de verwijzende rechter kunnen de verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens een inbreuk op de mededingingsregels niet beginnen te lopen voordat de betrokken inbreuk is beëindigd en de benadeelde persoon kennis heeft gekregen of redelijkerwijs kennis kan hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is voor het instellen van zijn schadevordering.
21 Wanneer deze inbreuk is vastgesteld door een besluit van de nationale mededingingsautoriteit, kan volgens deze rechter worden aangenomen dat de personen die schade hebben geleden kennis hebben gekregen van deze informatie op het tijdstip waarop het besluit werd gepubliceerd op de website van die autoriteit. In het bijzonder is bij die publicatie het bestaan van de betrokken inbreuk bekend, worden de inbreukmakers nauwkeurig aangewezen, wordt de duur van de onrechtmatige gedraging vermeld en kan het bestaan van schade worden vastgesteld. Omdat geen enkele rechtsregel vereist dat een dergelijk besluit definitief is geworden opdat het recht op vergoeding van de door de betrokken inbreuk veroorzaakte schade ontstaat, heeft de omstandigheid dat beroep in rechte werd ingesteld tegen dat besluit volgens de verwijzende rechter geen invloed op de berekening van de verjaringstermijn die van toepassing is op een schadevordering die strekt tot vergoeding van de schade ten gevolge van de betrokken inbreuk.
22 Volgens de verwijzende rechter is het juist dat de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld na een besluit van de mededingingsautoriteit waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, pas gebonden kan zijn aan de vaststelling van het bestaan van de in dat besluit vermelde inbreuk wanneer dit besluit definitief is geworden. Deze rechter kan echter op grond van het toepasselijke procesrecht de voor hem aanhangige procedure opschorten totdat genoemd besluit definitief is geworden. Voorts kan die rechter, indien een schadevordering is ingesteld wegens een inbreuk op de mededingingsregels die tegelijkertijd wordt onderzocht door de mededingingsautoriteit, de procedure opschorten totdat die autoriteit een besluit vaststelt en dat besluit definitief is geworden.
23 In casu was het volgens deze rechter mogelijk voor CP om kennis te hebben van alle informatie die onontbeerlijk was om zijn schadevordering in te stellen na de integrale publicatie van het besluit van de CNMC op de website van die autoriteit, na de publicatie van het persbericht dienaangaande – waarin de personen die schade hebben geleden expliciet werden uitgenodigd om een schadevordering in te stellen voor de door de betrokken inbreuk veroorzaakte schade – alsmede gelet op de grote media-aandacht op nationaal niveau voor de zaak die heeft geleid tot dat besluit.
24 De verwijzende rechter voegt daar nog aan toe dat, anders dan de besluiten van de CNMC – die worden gepubliceerd op de website van die autoriteit en waarover een persbericht op deze website wordt gepubliceerd –, de uitspraken van de Spaanse rechterlijke instanties waardoor een besluit van die autoriteit in voorkomend geval definitief wordt, niet worden bekendgemaakt via een persbericht en niet worden gepubliceerd in het Boletín Oficial del Estado (Spaans staatsblad). Bovendien is de website waarop de uitspraken van de Spaanse rechterlijke instanties worden gepubliceerd moeilijk toegankelijk voor het grote publiek.
25 In deze context merkt de verwijzende rechter evenwel op dat er, in tegenstelling tot zijn uitlegging van de regels betreffende de dies a quo van de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels, er een stroming in de nationale rechtspraak bestaat volgens welke de verjaringstermijn die van toepassing is op dergelijke schadevorderingen die zijn ingesteld na een besluit van de CNMC waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld bij de bevoegde rechterlijke instanties, pas begint te lopen vanaf het tijdstip waarop dat besluit definitief is geworden na afloop van de rechterlijke toetsing. Volgens deze stroming in de rechtspraak is het voor de benadeelde persoon niet mogelijk om kennis te hebben van de informatie die onontbeerlijk is voor het instellen van zijn schadevordering enkel en alleen op basis van de publicatie van de integrale versie van het besluit van de CNMC op haar website, en van het persbericht, alsook op basis van de media-aandacht op nationaal niveau voor de betrokken zaak. Derhalve zou moeten worden geoordeeld dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer het arrest van de laatste beroepsinstantie in kracht van gewijsde is gegaan. Hoe dan ook zou het geen nut hebben om een schadevordering in te stellen op grond van het besluit van de CNMC om vervolgens de opschorting ervan te vragen om te kunnen bepalen of het al dan niet mogelijk is om zich op dat besluit te baseren ter onderbouwing van die schadevordering.
26 Volgens de verwijzende rechter lijkt deze stroming in de rechtspraak ten onrechte een onderscheid te maken tussen de mogelijkheid en de verplichting om een vordering in te stellen. Deze rechter is van mening dat wanneer de betrokken verzoeker kennis heeft van de informatie die onontbeerlijk is voor het instellen van zijn schadevordering, hij dat binnen de daartoe gestelde termijnen moet doen.
27 Daarop heeft de Juzgado de lo Mercantil n.o 1 de Zaragoza (handelsrechtbank nr. 1 Zaragoza, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Bevat het Unierecht een rechtsgrondslag voor het onderscheid tussen de mogelijkheid om een schadevordering wegens inbreuk op het mededingingsrecht in te stellen en de verplichting daartoe, of dient de benadeelde partij die vordering daarentegen in te stellen, en begint de verjaringstermijn te lopen, zodra hij kennis heeft of redelijkerwijs kennis kan hebben van zowel het feit dat hij schade wegens die inbreuk heeft geleden als de identiteit van de pleger van de inbreuk? 2) Moet voor het instellen van een schadevordering in rechte worden gewacht tot de sanctie definitief is geworden, of moet daarentegen worden aangenomen dat indien in het – volledig bekendgemaakte – besluit van [de CNMC] wordt vermeld wie de plegers van de betrokken inbreuk zijn, hoe lang de inbreuk precies heeft geduurd en op welke producten die inbreuk betrekking had, de schadevordering in rechte kan worden ingesteld en de verjaringstermijn begint te lopen? 3) Moet, met het oog op de bepaling van de aanvangsdatum van de verjaringstermijn, de volledige bekendmaking van de sanctie op de officiële en openbare website van de CNMC worden gelijkgesteld met de bekendmaking van de samenvatting van het besluit die wordt verricht door de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie, gelet op het feit dat de besluiten van de CNMC enkel op haar officiële website worden bekendgemaakt?”
Verzoeken tot heropening van de mondelinge behandeling en tot verkrijging van verduidelijkingen van de verwijzende rechter
28 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 april 2025, heeft Nissan het Hof in hoofdorde verzocht om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Subsidiair heeft zij het Hof verzocht om de verwijzende rechter om verduidelijkingen te verzoeken in overeenstemming met artikel 101 van dat Reglement voor de procesvoering.
29 Ter ondersteuning van deze verzoeken voert Nissan in essentie aan, ten eerste, dat de advocaat-generaal zich in haar conclusie heeft gebaseerd op feitelijke en juridische elementen die CP heeft aangevoerd tijdens de terechtzitting en waarover geen contradictoir debat heeft plaatsgevonden tijdens die terechtzitting, en ten tweede, dat het Hof onvoldoende voorgelicht is over feitelijke kwesties en over het nationale recht. In het bijzonder dient volgens Nissan ten eerste te worden verduidelijkt wat de voorwaarden zijn voor de stuiting van de verjaringstermijn die van toepassing is op schadevorderingen, en – in het bijzonder – wat de invloed is van buitengerechtelijke klachten op de stuiting van die termijn. In casu dient de verwijzende rechter te worden verzocht te verduidelijken of CP een buitengerechtelijke klacht heeft ingediend, en in voorkomend geval, wat de inhoud ervan is en welke kosten verbonden zijn aan de indiening van die klacht. Ten tweede zou het nuttig zijn dat nader wordt aangegeven hoeveel sanctiebesluiten van de CNMC naar aanleiding van een rechterlijke toetsing van die besluiten werden nietig verklaard. Ten derde moet de verwijzende rechter worden verzocht nadere aanwijzingen te geven over bepaalde aspecten van het Spaanse recht inzake met name de uitvoerbaarheid van de besluiten van de CNMC, de verschillen tussen de nationale regels inzake de publicatie van de besluiten van de CNMC en die inzake de publicatie van de uitspraken van de Spaanse rechterlijke instanties, alsook de kosten die gepaard gaan met de stuiting van de verjaringstermijnen.
30 Wat in dit verband in de eerste plaats het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling betreft, zij eraan herinnerd dat de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies neemt aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is vereist. Het Hof is noch door de conclusie van de advocaat-generaal, noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden (arrest van 19 maart 2020, Sánchez Ruiz e.a., C‑103/18 en C‑429/18, EU:C:2020:219, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 In deze context dient voorts te worden opgemerkt dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid voor de partijen of de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Het feit dat een partij of een dergelijke belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, kan als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 19 maart 2020, Sánchez Ruiz e.a., C‑103/18 en C‑429/18, EU:C:2020:219, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Hieruit volgt dat het verzoek van Nissan tot heropening van de mondelinge behandeling, voor zover dit ertoe strekt haar in staat te stellen te antwoorden op het standpunt dat de advocaat-generaal heeft ingenomen in haar conclusie, niet kan worden ingewilligd.
33 Volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof echter in elke stand van het geding de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
34 In het onderhavige geval is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die nodig zijn om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te kunnen beantwoorden en dat deze zaak niet hoeft te worden beslecht op basis van een argument waarover de belanghebbenden hun standpunten onvoldoende hebben kunnen uitwisselen. Bovendien wordt in het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling geen melding gemaakt van enig nieuw feit dat van beslissende invloed zou kunnen zijn voor de beslissing die het Hof in deze zaak moet geven.
35 Bijgevolg hoeft er geen heropening van de mondelinge behandeling te worden gelast.
36 Wat in de tweede plaats het subsidiaire verzoek betreft, waarmee Nissan het Hof verzoekt verduidelijkingen te vragen aan de verwijzende rechter, volstaat het erop te wijzen dat de mogelijkheid waarover het Hof op grond van artikel 101 van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt om een verwijzende rechter om verduidelijkingen te verzoeken, een loutere mogelijkheid vormt waarvan het Hof in ieder concreet geval naar eigen goeddunken gebruik kan maken (arrest van 3 december 2015, Banif Plus Bank, C‑312/14, EU:C:2015:794, punt 32). Zoals in punt 34 van het onderhavige arrest is opgemerkt, beschikt het Hof over alle gegevens die nodig zijn om uitspraak te kunnen doen op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing. Derhalve moet dit verzoek eveneens worden afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
37 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arrest van 12 januari 2023, RegioJet, C‑57/21, EU:C:2023:6, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (arrest van 22 juni 2022, Volvo en DAF Trucks, C‑267/20, EU:C:2022:494, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Gelet op alle door de verwijzende rechter verstrekte gegevens moeten de prejudiciële vragen in casu worden geherformuleerd teneinde deze rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten.
39 Uit deze gegevens kan namelijk worden afgeleid dat de verwijzende rechter in het bijzonder wenst te vernemen of CP – die van mening is dat hij schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht die is vastgesteld bij een besluit van de CNMC, dat op 15 september 2015 op de website van die autoriteit is gepubliceerd en dat definitief is geworden na een arrest van de Tribunal Supremo dat is gewezen in 2021 – gerechtigd is om vergoeding van de geleden schade te vorderen, dan wel of zijn in maart 2023 ingestelde schadevordering is verjaard.
40 In dit verband blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat koninklijk wetsbesluit 9/2017, waarbij richtlijn 2014/104 in Spaans recht is omgezet, in werking is getreden op 27 mei 2017, te weten ongeveer vijf maanden nadat de in artikel 21 van deze richtlijn bedoelde omzettingstermijn was verstreken. De verwijzende rechter zet uiteen dat tot de datum van inwerkingtreding van dat wetsbesluit houdende omzetting van voornoemde richtlijn in Spaans recht de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht werd beheerst door de algemene regeling inzake niet-contractuele aansprakelijkheid en dat deze verjaringstermijn van één jaar krachtens artikel 1968, lid 2, van het burgerlijk wetboek pas inging op het tijdstip waarop de persoon die meende schade te hebben geleden kennis had gekregen van de feiten die aanleiding gaven tot aansprakelijkheid. Deze rechter preciseert dat de nationale wetgeving sinds een wetswijziging in 2007 niet meer vereist dat het besluit van de nationale mededingingsautoriteit definitief is geworden opdat het recht op vergoeding van de wegens de betrokken inbreuk geleden schade ontstaat. De verwijzende rechter is dus van oordeel dat het beginpunt van de verjaringstermijn die van toepassing is op de schadevordering van CP samenvalt met de datum van publicatie van het besluit van de CNMC op haar website, zijnde 15 september 2015, en niet met de datum van publicatie van het arrest van de Tribunal Supremo waardoor dat besluit in 2021 definitief is geworden.
41 In deze context en gelet op met name de omstandigheid dat de verjaringsregels van het burgerlijk wetboek tot ongeveer vijf maanden na het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 2014/104 nog steeds van toepassing waren, blijkt duidelijk uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat hij wenst te vernemen of de verjaringsregels die van kracht waren vóór de omzetting van richtlijn 2014/104, met name wat de vaststelling van de dies a quo van de verjaringstermijn betreft, verenigbaar zijn met artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en in voorkomend geval, met artikel 10 van deze richtlijn.
42 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en in voorkomend geval artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, volgens welke voor de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen die van toepassing is op schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op die regels, kan worden aangenomen dat een persoon die meent schade te hebben geleden kennis heeft gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering te kunnen instellen voordat dit besluit definitief is geworden.
43 In deze context moet voor de beantwoording van de gestelde vragen eerst de werking in de tijd van artikel 10 van richtlijn 2014/104 worden vastgesteld. Dat artikel stelt bepaalde eisen in verband met de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht. Het bepaalt met name de minimumduur van deze termijn, alsook het vroegste tijdstip waarop de termijn kan ingaan en de omstandigheden waarin deze moet worden geschorst of gestuit.
44 Aldus dient eraan te worden herinnerd dat artikel 10 van richtlijn 2014/104 een materiële bepaling is in de zin van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn. Volgens laatstgenoemde bepaling moesten de lidstaten ervoor zorgen dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 van deze richtlijn worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 47].
45 Vanaf het verstrijken van de termijn voor omzetting van een richtlijn moet het nationale recht evenwel richtlijnconform worden uitgelegd [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 48].
46 Om te bepalen of artikel 10 van richtlijn 2014/104 ratione temporis van toepassing is, moet bijgevolg worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van die richtlijn vaststond dan wel of deze na het verstrijken van die termijn effect is blijven sorteren [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 49].
47 Daartoe moet, gelet op de specifieke kenmerken, de aard en het werkingsmechanisme van verjaringsregels, met name in de context van een schadevordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht, worden onderzocht of op de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104, te weten 27 december 2016, de in het nationale recht voorgeschreven verjaringstermijn die tot dan toe gold voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie was verstreken, wat betekent dat moet worden bepaald wanneer die verjaringstermijn volgens het nationale recht is ingegaan [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 50].
48 Aangezien er ter zake geen Unieregeling bestond tot op de datum van het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104, stond het immers aan de rechtsorde van elke lidstaat om regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade als gevolg van een inbreuk op de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU, met inbegrip van regels inzake verjaringstermijnen, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht werden genomen, waarbij laatstgenoemd beginsel vereist dat de regels die van toepassing zijn op vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49 Uit het doeltreffendheidsbeginsel volgt dat, zelfs vóór de datum waarop de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104 is verstreken, een nationale regeling waarin werd vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn begint te lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moest zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht en de doelstellingen die aan de uitvoering van dit recht door de betrokken personen zijn verbonden, teneinde de volle werking van de artikelen 101 en 102 VWEU niet teniet te doen [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50 In dit verband is het nuttig eraan te herinneren dat artikel 101, lid 1 VWEU en artikel 102 VWEU rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven (arrest van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Er zou aan de volle werking van artikel 101 VWEU en met name het nuttige effect van het in lid 1 van dat artikel neergelegde verbod worden afgedaan indien het niet voor eenieder mogelijk was vergoeding van schade te vorderen die hem is berokkend door een inbreuk op het mededingingsrecht (arresten van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 21, en 28 januari 2025, ASG 2, C‑253/23, EU:C:2025:40, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Bijgevolg kan eenieder vergoeding van de geleden schade vorderen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging (arrest van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Door dat recht van eenieder om vergoeding van dergelijke schade te vorderen, worden de mededingingsregels van de Unie gemakkelijker toepasbaar en worden de gedragingen die de mededinging kunnen beperken of vervalsen minder aantrekkelijk, hetgeen ertoe bijdraagt dat de daadwerkelijke mededinging in de Unie wordt gehandhaafd (arrest van 28 januari 2025, ASG 2, C‑253/23, EU:C:2025:40, punt 63).
54 Volgens vaste rechtspraak van het Hof biedt dit recht iedere benadeelde persoon de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van de schade die is veroorzaakt door gedrag dat de mededinging kan verhinderen, beperken of vervalsen (zie in die zin arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 25; 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04 – C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 60, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C‑124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 201).
55 In dat verband beogen de verjaringstermijnen die van toepassing zijn op dit recht in beginsel enerzijds de rechten van de benadeelde te beschermen daar hij over voldoende tijd moet beschikken om de passende informatie voor een eventueel beroep te verzamelen, en anderzijds te vermijden dat de benadeelde de uitoefening van zijn recht op schadevergoeding eindeloos kan uitstellen in het nadeel van degene die voor de schade aansprakelijk is. De verjaringstermijnen beschermen dus uiteindelijk zowel de benadeelde als degene die voor de schade aansprakelijk is (zie in die zin arrest van 22 juni 2022, Volvo en DAF Trucks, C‑267/20, EU:C:2022:494, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Er zij eveneens aan herinnerd dat de uitoefening van het recht om schadevergoeding te vorderen voor schade die is geleden wegens een inbreuk op het mededingingsrecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk zou worden gemaakt indien de verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht zouden beginnen te lopen voordat de inbreuk is beëindigd en de benadeelde persoon kennis heeft gekregen of redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering in te stellen [zie in die zin arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
57 Wat in casu de eerste in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde betreft, te weten de beëindiging van de inbreuk, staat vast dat de inbreuk in de loop van 2013 is beëindigd.
58 Wat de tweede in dat punt genoemde voorwaarde betreft, namelijk dat de benadeelde persoon kennis moet hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering te kunnen instellen, volgt uit vaste rechtspraak dat het bij die informatie gaat om het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht, het bestaan van schade en het oorzakelijke verband tussen die schade en deze inbreuk, alsmede de identiteit van de inbreukmaker [zie in die zin arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 Zonder deze informatie is het voor de benadeelde immers uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk om vergoeding te verkrijgen van de schade die hij door die inbreuk heeft geleden [arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 65].
60 Het staat daarbij aan de nationale rechter bij wie de schadevordering aanhangig is, om te bepalen vanaf welk tijdstip redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de benadeelde persoon kennis heeft gekregen van deze informatie. De nationale rechter is immers bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. Het staat het Hof evenwel vrij om die rechter in zijn prejudiciële beslissing daarvoor richtsnoeren te geven [zie in die zin arrest van 18 april 2024, Heureka Group (Online prijsvergelijkers), C‑605/21, EU:C:2024:324, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61 Blijkens de verwijzingsbeslissing kan een persoon die inbreuk op de mededingingsregels heeft gemaakt volgens de nationale regelgeving in beginsel aansprakelijk worden gesteld hetzij doordat de benadeelde partij een schadevordering instelt bij de bevoegde nationale rechter, zelfs wanneer een dergelijke inbreuk niet is vastgesteld in een besluit van de nationale mededingingsautoriteit, hetzij door een dergelijke vordering in te stellen nadat die autoriteit een dergelijk besluit heeft vastgesteld.
62 De verwijzende rechter benadrukt dat geen enkele rechtsregel vereist dat een dergelijk besluit definitief is geworden opdat het recht op vergoeding van de door de betrokken inbreuk veroorzaakte schade ontstaat.
63 Deze rechter preciseert evenwel dat de rechter bij wie een schadevordering aanhangig is gemaakt nadat de nationale mededingingsautoriteit een inbreukbesluit heeft vastgesteld waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, volgens de nationale regelgeving pas gebonden kan zijn aan de vaststelling dat er sprake is van een inbreuk wanneer dat besluit definitief is geworden.
64 Aldus blijkt dat, anders dan de besluiten van de Commissie over overeenkomsten, besluiten of gedragingen die onder de artikelen 101 en 102 VWEU vallen, die op grond van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 bindend zijn voor de nationale rechterlijke instanties, zodat deze instanties geen beslissingen kunnen nemen die in strijd zijn met dergelijke besluiten, in het onderhavige geval een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels, waarvan de geldigheid in rechte wordt aangevochten, niet bindend is voor de nationale rechter. Dientengevolge beschikt de rechter bij wie een schadevordering aanhangig is gemaakt nadat een dergelijk besluit is vastgesteld, in geval van beroep tegen dat besluit over informatie die niet definitief is.
65 In de gevallen waarin de eventuele pleger van een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie, welke inbreuk is vastgesteld in een besluit van een nationale mededingingsautoriteit, via een beroep tot nietigverklaring opkomt tegen de vaststellingen van deze autoriteit met betrekking tot de aard, alsook de materiële, personele, temporele en territoriale werkingssfeer van deze inbreuk, met als gevolg dat de rechter bij wie de schadevordering is ingesteld niet gebonden is aan die vaststellingen, kan bijgevolg niet worden geoordeeld dat de benadeelde persoon zich voor deze rechter daadwerkelijk op dat besluit kan beroepen ter staving van zijn vordering tegen de eventuele pleger van de inbreuk.
66 In een dergelijk geval zou de mogelijkheid voor de benadeelde persoon om een schadevordering in te stellen na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit (follow-on damages action) worden ondermijnd en zou het voor die persoon uiterst moeilijk zijn om zijn recht op schadevergoeding uit te oefenen.
67 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat, voor zover de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld pas gebonden is aan de vaststelling inzake het bestaan van de betrokken inbreuk wanneer het besluit van de nationale mededingingsautoriteit definitief is geworden, de benadeelde persoon niet redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om zijn schadevordering te kunnen instellen op grond van dat besluit, zodat de verjaringstermijn niet mag ingaan voordat dit besluit definitief is geworden.
68 Gepreciseerd dient te worden dat deze uitlegging in casu niet wordt ontkracht door de wijze waarop de verjaringstermijn wordt geschorst en/of gestuit, noch door de regels betreffende de opschorting van de procedure bij de rechter bij wie een schadevordering is ingesteld, zoals die blijken uit het dossier waarover het Hof beschikt.
69 Wat ten eerste de eventuele schorsing van de verjaringstermijn betreft, blijkt uit dat dossier niet dat een dergelijke schorsing mogelijk is omdat bij de bevoegde rechterlijke instanties beroep tot nietigverklaring van het betrokken besluit van de CNMC is ingesteld, en evenmin dat een dergelijke schorsing noodzakelijkerwijs voortduurt tot de datum van publicatie van de uitspraak waardoor dit besluit definitief wordt.
70 Wat ten tweede de stuiting van de verjaringstermijn betreft, blijkt uit dat dossier dat deze termijn kan worden gestuit door een buitengerechtelijke vordering van de benadeelde persoon waarbij de pleger van de vermeende inbreuk wordt verzocht hem schadeloos te stellen door het inleiden van een bemiddelingsprocedure of door een verzoek om voorlopige maatregelen met het oog op het verzamelen van informatie en/of documenten die essentieel zijn om de instelling van de schadevordering voor te bereiden.
71 Vastgesteld moet echter worden dat deze gronden voor stuiting autonoom zijn ten opzichte van het instellen van beroep tot nietigverklaring van het betrokken besluit van de CNMC bij de bevoegde rechterlijke instanties. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat geen van deze gronden voor stuiting op voldoende doeltreffende wijze waarborgt dat de in de nationale regeling vastgestelde verjaringstermijn van één jaar niet is verstreken vóór de beëindiging van de gerechtelijke procedures na afloop waarvan het betrokken besluit definitief wordt.
72 Wat ten derde de mogelijkheid betreft voor de rechter bij wie een schadevordering aanhangig is gemaakt om – wanneer die vordering wordt ingesteld na een besluit van de mededingingsautoriteit waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld – de bij hem aanhangige procedure op te schorten totdat dat besluit definitief is geworden, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat die opschorting niet automatisch gebeurt, aangezien de aangezochte rechter dienaangaande over een beoordelingsmarge beschikt.
73 Zoals de advocaat-generaal in punt 83 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, kan een verzoek tot opschorting van de procedure hoe dan ook pas worden ingediend nadat de schadevordering is ingesteld, hetgeen impliceert dat deze vordering moet worden ingesteld vóór het verstrijken van de verjaringstermijn. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de mogelijkheid om te verzoeken om opschorting van de procedure kan voldoen aan de vereisten van artikel 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel.
74 Voorts moet worden opgemerkt dat de voorwaarde dat de benadeelde persoon kennis heeft van de informatie die onontbeerlijk is om een schadevordering te kunnen instellen na een besluit van een nationale mededingingsautoriteit, niet alleen vereist dat dit besluit definitief is geworden, maar eveneens dat die informatie, die blijkt uit het definitieve besluit, op passende wijze is gepubliceerd.
75 Om redelijkerwijs te kunnen aannemen dat de benadeelde persoon over de onontbeerlijke informatie beschikt om zijn schadevordering in te stellen met ingang van de datum van publicatie van een uitspraak waarbij het besluit van de betrokken nationale mededingingsautoriteit definitief is bevestigd, moet die uitspraak officieel worden gepubliceerd en vrij toegankelijk zijn voor het grote publiek en moet de datum van publicatie daar duidelijk in vermeld staan.
76 In casu heeft CP zijn schadevordering in maart 2023 ingesteld na een besluit van de CNMC van 23 juli 2015, dat op 15 september 2015 op de website van die autoriteit is gepubliceerd en dat ten aanzien van Nissan definitief is geworden als gevolg van een arrest van de Tribunal Supremo in 2021.
77 Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de website waarop de arresten van de Spaanse rechterlijke instanties worden gepubliceerd, de website van het Centro de Documentación Judicial (Cendoj) (centrum voor gerechtelijke documentatie) van de Consejo General del Poder Judicial (algemene raad van justitie, Spanje) is, die in wezen een databank van rechtspraak vormt die vrij toegankelijk is voor het grote publiek.
78 Bijgevolg kan, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, redelijkerwijs worden aangenomen dat CP op de datum van publicatie van het arrest van de Tribunal Supremo waarbij het besluit van de CNMC in 2021 definitief is geworden, kennis heeft gekregen van alle informatie die hij nodig had om zijn schadevordering te kunnen instellen.
79 Hieruit volgt dat – zoals blijkt uit de punten 76 tot en met 78 van het onderhavige arrest – op de datum waarop de termijn voor omzetting van richtlijn 2014/104 is verstreken, namelijk 27 december 2016, de verjaringstermijn niet alleen nog niet was verstreken, maar zelfs nog niet was ingegaan.
80 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie stond dus niet vast vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van deze richtlijn, zodat artikel 10 ervan in het onderhavige geval ratione temporis van toepassing is en de schadevordering van CP niet lijkt te zijn verjaard.
81 Aangezien de inhoud van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104 met betrekking tot de bepaling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen in essentie de rechtspraak van het Hof inzake de artikelen 101 en 102 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel weerspiegelt, zijn de overwegingen in het onderhavige arrest over het beginpunt van de verjaringstermijn voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld nadat een nationale mededingingsautoriteit een inbreukbesluit heeft vastgesteld, eveneens van toepassing op de uitlegging van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104.
82 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, volgens welke voor de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op die regels, kan worden aangenomen dat een persoon die meent schade te hebben geleden kennis heeft gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om een schadevordering te kunnen instellen voordat dit besluit definitief is geworden.
Kosten
83 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 101 VWEU, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, volgens welke voor de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn begint te lopen voor schadevorderingen wegens inbreuken op de mededingingsregels die worden ingesteld na een besluit van de nationale mededingingsautoriteit tot vaststelling van een inbreuk op die regels, kan worden aangenomen dat een persoon die meent schade te hebben geleden kennis heeft gekregen van de informatie die onontbeerlijk is om een schadevordering te kunnen instellen voordat dit besluit definitief is geworden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 28 januari 2025, C-253/23, ECLI:EU:C:2025:40
- HvJ EU 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324
- HvJ EU 21 december 2023, C-124/21, ECLI:EU:C:2023:1012
- HvJ EU 12 januari 2023, C-57/21, ECLI:EU:C:2023:6
- HvJ EU 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494
- HvJ EU 19 maart 2020, C-103/18, ECLI:EU:C:2020:219
- HvJ EU 3 december 2015, C-312/14, ECLI:EU:C:2015:794
- HvJ EU 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317
- HvJ EU 13 juli 2006, C-295/04, ECLI:EU:C:2006:461
- HvJ EU 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465