HvJ EU 12 februari 2026, C-864/24, ECLI:EU:C:2026:94
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
12 februari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2004/109/EG – Harmonisatie van de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een in een lidstaat gelegen of werkzame gereglementeerde markt zijn toegelaten – Kennisgeving van de verwerving van belangrijke deelnemingen in het kapitaal van vennootschappen – Verwerving van dergelijke deelnemingen door in onderling overleg handelende personen – Artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea – Begrip ‚strengere vereisten’ – Wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die zijn vastgesteld met betrekking tot openbare overnamebiedingen, fusies of andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen”
In zaak C‑864/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 22 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 13 december 2024, in de procedure
GT,
Beteiligungen im Baltikum AG,
VCI Venture Capital und Immobilien AG
tegen
Valora Effekten Handel
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: J. Passer, kamerpresident, E. Regan en D. Gratsias (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Valora Effekten Handel AG, vertegenwoordigd door D. Lochner, Rechtsanwalt,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Baroutas en K. Boskovits als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Meeßen en G. von Rintelen als gemachtigden,
– de Europese Centrale Bank, vertegenwoordigd door K. Klausch, K. Lackhoff en A. Witte als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2004, L 390, blz. 38), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 (PB 2013, L 294, blz. 13) (hierna: „richtlijn 2004/109”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen GT, Beteiligungen im Baltikum AG en VCI Venture Capital und Immobilien AG enerzijds en Valora Effekten Handel AG (hierna: „Valora”) anderzijds, met betrekking tot bepaalde besluiten die zijn vastgesteld tijdens de algemene aandeelhoudersvergadering van Valora in 2018.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2004/25
3 Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PB 2004, L 142, blz. 12), voorziet die richtlijn in maatregelen tot coördinatie van alle instrumenten van de lidstaten betreffende openbare overnamebiedingen op effecten van onder het recht van een lidstaat vallende vennootschappen, wanneer alle of een deel van deze effecten in een of meer lidstaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt.
4 Artikel 2, lid 1, onder d), van deze richtlijn luidt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: […] d) ‚in onderling overleg met ... handelende personen’: natuurlijke of rechtspersonen die met de bieder of met de doelvennootschap samenwerken op grond van een uitdrukkelijke of stilzwijgende, mondelinge of schriftelijke overeenkomst die ertoe strekt de zeggenschap over de doelvennootschap te verkrijgen of het welslagen van het bod te dwarsbomen”.
5 Artikel 4 („Toezichthoudende autoriteit en toepasselijk recht”) van die richtlijn bepaalt in lid 1: „De lidstaten wijzen de autoriteit of autoriteiten aan die belast zijn met het toezicht op een bod dat onder de krachtens deze richtlijn vastgestelde of ingevoerde voorschriften valt. […]”
6 Artikel 5 („Bescherming van minderheidsaandeelhouders, verplicht bod en billijke prijs”) van die richtlijn bepaalt in lid 1: „De lidstaten dragen er zorg voor dat een natuurlijke of rechtspersoon die, ten gevolge van eigen verwerving of verwerving door in onderling overleg met hem handelende personen, effecten van een vennootschap als bedoeld in artikel 1, lid 1, in zijn bezit krijgt welke – in voorkomend geval samen met de effecten die hij reeds bezit en de effecten die in het bezit zijn van in onderling overleg met hem handelende personen –, rechtstreeks of middellijk een bepaald percentage van de stemrechten in de vennootschap vertegenwoordigen waarmee de zeggenschap over de vennootschap wordt verkregen, verplicht is een bod uit te brengen ter bescherming van de minderheidsaandeelhouders van de vennootschap. Dat bod wordt zo spoedig mogelijk gedaan aan alle houders van effecten, voor al hun effecten en tegen de in lid 4 bepaalde billijke prijs.”
Richtlijn 2004/109
7 Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 2004/109 stelt deze richtlijn „voorschriften vast ten aanzien van de openbaarmaking van periodieke en doorlopende informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten reeds tot de handel op een in een lidstaat gelegen of werkzame gereglementeerde markt zijn toegelaten”.
8 Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn luidt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] d) ‚uitgevende instelling’: een natuurlijke persoon of een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke juridische entiteit, met inbegrip van een staat, waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. In het geval van certificaten van aandelen die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, is de uitgevende instelling de instelling die de onderliggende effecten uitgeeft, ongeacht of deze effecten al dan niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten; e) ‚aandeelhouder’: elke natuurlijke persoon, dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke juridische entiteit die rechtstreeks of middellijk houder is, i) in eigen naam en voor eigen rekening, van aandelen van de uitgevende instelling; ii) in eigen naam maar voor rekening van een andere natuurlijke persoon of juridische entiteit, van aandelen van de uitgevende instelling; iii) van certificaten van aandelen, waarbij de houder van het certificaat van aandelen wordt beschouwd als de aandeelhouder van de onderliggende aandelen van het aandelencertificaat; […] i) ‚lidstaat van herkomst’ i) ingeval het gaat om een instelling die […] aandelen uitgeeft: – wanneer de uitgevende instelling in de [Europese] Unie gevestigd is: de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft; […] […] […] q) ‚formele overeenkomst’: een overeenkomst die bindend is krachtens het toepasselijk recht”.
9 Artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, van deze richtlijn luidt: „De lidstaat van herkomst mag een aandeelhouder, een natuurlijke persoon of een juridische entiteit als bedoeld in artikel 10 of artikel 13 geen strengere vereisten opleggen dan die uit hoofde van deze richtlijn, behoudens bij: […] iii) het toepassen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zijn vastgesteld met betrekking tot openbare overnamebiedingen, fusies, of andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen, waarop wordt toegezien door de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen overeenkomstig artikel 4 van richtlijn [2004/25].”
10 Artikel 9 („Kennisgeving van de verwerving of overdracht van belangrijke deelnemingen”) van richtlijn 2004/109, bepaalt in lid 1: „De lidstaat van herkomst draagt er zorg [voor] dat een aandeelhouder die aandelen van een uitgevende instelling die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en waaraan stemrechten verbonden zijn, verwerft of overdraagt, de uitgevende instelling in kennis stelt van het percentage van de stemrechten van de uitgevende instelling dat hij ten gevolge van de verwerving of overdracht bezit wanneer dat percentage de drempelwaarden 5 %, 10 %, 15 %, 20 %, 25 %, 30 %, 50 % en 75 % bereikt, overschrijdt of onderschrijdt. […]”
11 In artikel 10 („Verwerving of overdracht van belangrijke percentages stemrechten”) van richtlijn 2004/109 is bepaald: „De regels inzake kennisgeving als omschreven in artikel 9, leden 1 en 2, zijn ook van toepassing op een natuurlijke persoon of juridische entiteit voor zover deze het recht heeft stemrechten te verwerven, over te dragen of uit te oefenen in een van de volgende gevallen, of een combinatie daarvan: a) stemrechten die een derde houdt, met wie deze persoon of entiteit een overeenkomst heeft gesloten die hen verplicht, door een onderling afgestemde uitoefening van hun stemrechten, een duurzaam gemeenschappelijk beleid inzake het beheer van de betrokken uitgevende instelling te voeren; b) stemrechten die een derde houdt uit hoofde van een overeenkomst die met deze persoon of entiteit is gesloten en waarin een tijdelijke en betaalde overdracht van deze stemrechten is geregeld; c) stemrechten die verbonden zijn aan aandelen die bij deze persoon of entiteit in pand zijn gegeven, mits de pandhouder de stemrechten controleert en zijn voornemen kenbaar maakt om deze uit te oefenen; d) stemrechten verbonden aan aandelen waarvan deze persoon of entiteit het vruchtgebruik heeft; e) stemrechten als bedoeld onder a) tot en met d) die worden gehouden of kunnen worden uitgeoefend door een onderneming die onder de zeggenschap van deze persoon of entiteit staat; f) stemrechten die verbonden zijn aan bij deze persoon of entiteit in bewaring gegeven aandelen en die deze persoon of entiteit bij gebreke van specifieke instructies van de aandeelhouders naar eigen goeddunken kan uitoefenen; g) stemrechten die een derde houdt in eigen naam voor rekening van deze persoon of entiteit; h) stemrechten die deze persoon of entiteit, als gevolmachtigde, bij gebreke van specifieke instructies van de aandeelhouders, naar eigen goeddunken kan uitoefenen.”
12 Artikel 24 („Bevoegde autoriteiten en hun bevoegdheden”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: „Elke lidstaat wijst de in artikel 21, lid 1, van richtlijn 2003/71/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2003, L 345, blz. 64)] bedoelde centrale autoriteit aan als de centrale bevoegde administratieve autoriteit die ervoor verantwoordelijk is dat de in deze richtlijn omschreven verplichtingen worden vervuld en ervoor moet zorgen dat de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen worden toegepast. […]”
Richtlijn 2013/50
13 Bij richtlijn 2013/50 is lid 1 bis ingevoegd in artikel 3 van richtlijn 2004/109. In overweging 12 van richtlijn 2013/50 staat te lezen: „Een geharmoniseerde regeling voor kennisgeving van belangrijke deelnemingen waaraan stemrechten zijn verbonden, in het bijzonder met betrekking tot het samenvoegen van deelnemingen in de vorm van aandelen met deelnemingen in de vorm van financiële instrumenten, moet de rechtszekerheid verbeteren, de transparantie vergroten en de administratieve last verlichten voor grensoverschrijdende beleggers. […] In het bijzonder dienen de lidstaten ook de mogelijkheid te behouden wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen die zijn vastgesteld met betrekking tot openbare overnamebiedingen, fusies, of andere transacties die gevolgen hebben voor het eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen waarop wordt toegezien door de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen overeenkomstig artikel 4 van richtlijn [2004/25], waarbij informatieverplichtingen worden opgelegd die verder gaan dan die van richtlijn [2004/109].”
Duits recht
14 § 33, lid 1, eerste volzin, van het Gesetz über den Wertpapierhandel (wet op de effectenhandel) (BGBl 1998 I, blz. 2708) in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „WpHG”), bepaalt: „Wie door aankoop, verkoop of op andere wijze de drempel van 3 %, 5 %, 10 %, 15 %, 20 %, 25 %, 30 %, 50 % of 75 % van de stemrechten van aandelen die hij bezit in een uitgevende instelling waarvan de Bondsrepubliek Duitsland het land van herkomst is, bereikt, overschrijdt of onderschrijdt (meldingsplichtige), moet dit onmiddellijk aan de uitgevende instelling en tegelijkertijd aan de Bundesanstalt [für Finanzdienstleistungsaufsicht (federale toezichthouder op financiële diensten, Duitsland)] melden, uiterlijk binnen vier handelsdagen, met inachtneming van § 34, leden 1 en 2.”
15 § 34, lid 2, WpHG bepaalt: „De meldingsplichtige krijgt ook alle stemrechten toegerekend die verbonden zijn aan aandelen van een uitgevende instelling waarvan de Bondsrepubliek Duitsland de staat van herkomst is en die worden gehouden door een derde, met wie de meldingsplichtige of zijn dochteronderneming zijn of haar gedrag jegens die uitgevende instelling middels een overeenkomst of op andere wijze afstemt; overeenkomsten in afzonderlijke gevallen zijn hiervan uitgezonderd. Afgestemd gedrag houdt in dat de meldingsplichtige of zijn dochteronderneming en de derde overeenstemming bereiken over het uitoefenen van de stemrechten of op andere wijze samenwerken met het doel de bedrijfsoriëntatie van de uitgevende instelling blijvend en aanzienlijk te wijzigen. […]”
16 § 44, lid 1, WpHG bepaalt: „Rechten die voortvloeien uit aandelen die een meldingsplichtige bezit of waaruit hem overeenkomstig § 34 stemrechten worden toegerekend, vervallen gedurende de tijd dat niet is voldaan aan de kennisgevingsvereisten die voortvloeien uit § 33, lid 1 of lid 2. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
17 Verzoekers in het hoofdgeding zijn aandeelhouders van Valora, verweerster in het hoofdgeding, en hebben bij het Landgericht Mannheim (rechter in eerste aanleg Mannheim, Duitsland) een vordering ingesteld tot betwisting van bepaalde besluiten die zijn vastgesteld tijdens de algemene vergadering van Valora in 2018.
18 Aangezien het Landgericht Mannheim deze vordering heeft afgewezen, hebben verzoekers in het hoofdgeding hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Karlsruhe (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Baden-Württemberg, Karlsruhe, Duitsland).
19 Deze rechter heeft dit hoger beroep verworpen op grond dat verzoekers overeenkomstig § 44, lid 1, WpHG niet het recht hadden om de besluiten van de algemene vergadering van Valora aan te vechten, aangezien zij de krachtens de §§ 33 en 34 WpHG op hen rustende kennisgevingsvereisten niet waren nagekomen. Het Oberlandesgericht Karlsruhe heeft in dit verband geoordeeld dat de stemrechten die verbonden waren aan de aandelen die elk van de verzoekers in het hoofdgeding en een derde vennootschap, namelijk K. AG, in Valora hadden, aan hen wederzijds moesten worden toegerekend, aangezien verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K. tussen 2017 en 2019 hun gedrag hadden afgestemd in de zin van § 34, lid 2, WpHG.
20 In dit verband heeft het Oberlandesgericht Karlsruhe op basis van de verklaringen die verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K. hebben afgelegd met het oog op de gewone algemene vergaderingen van Valora in 2017 en 2018, vastgesteld dat de stemrechten die verbonden waren aan aandelen in handen van verzoekers en de vennootschap K., samen genomen, in 2017 de drempelwaarde van 10 % van de stemrechten in Valora overschreden, terwijl die rechten in 2018 onder deze drempelwaarde lagen, zonder dat die verzoekers de federale toezichthouder op financiële diensten daarvan in kennis hadden gesteld, zoals zij overeenkomstig § 33 WpHG verplicht waren te doen.
21 Aangezien verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K. hun gedrag hadden afgestemd, achtte het Oberlandesgericht Karlsruhe het bovendien niet nodig om te antwoorden op de vraag of die verzoekers gebonden waren door een overeenkomst over de uitoefening van hun stemrechten.
22 Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, bij wie verzoekers in het hoofdgeding beroep in Revision hebben ingesteld tegen het arrest van het Oberlandesgericht Karlsruhe, vraagt zich af of artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, van richtlijn 2004/109 de lidstaten toestaat om een bepaling als § 34, lid 2, WpHG vast te stellen die voorziet in kennisgevingsvereisten die verder gaan dan die van artikel 10 van deze richtlijn.
23 Hij zet in dit verband uiteen dat het Oberlandesgericht Karlsruhe heeft geoordeeld dat aan elk van de verzoekers in het hoofdgeding stemrechten moesten worden toegerekend die in handen waren van de andere verzoekers en van de vennootschap K., omdat er tussen hen „op andere wijze” afstemming had plaatsgevonden in de zin van § 34, lid 2, eerste volzin, tweede alternatief, WpHG. Het Bundesgerichtshof merkt op dat, indien zou blijken dat deze bepaling niet in overeenstemming is met het Unierecht, het arrest van het Oberlandesgericht Karlsruhe moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar laatstgenoemde rechter opdat deze op basis van een aanvullend onderzoek van de zaak vaststelt of er tussen verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K. sprake is van een „overeenkomst” in de zin van § 34, lid 2, eerste volzin, eerste afstemmingswijze, WpHG. Indien daarentegen zou blijken dat § 34, lid 2, eerste volzin, tweede afstemmingswijze, WpHG in overeenstemming is met het Unierecht, zou het Bundesgerichtshof het beroep in Revision moeten verwerpen. In dit laatste geval zou het irrelevant zijn of verzoekers in het hoofdgeding en vennootschap K. een „overeenkomst” in de zin van § 34, lid 2, eerste volzin, eerste afstemmingswijze, WpHG hebben gesloten.
24 Het Bundesgerichtshof zet uiteen dat de vraag naar de verenigbaarheid van § 34, lid 2, WpHG met het Unierecht in de Duitse rechtsleer omstreden is. De auteurs die stellen dat deze bepaling in overeenstemming is met het Unierecht, baseren zich hoofdzakelijk op de ontstaansgeschiedenis van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109. Hieruit volgt volgens hen dat § 34, lid 2, juist tot doel had het begrip „afgestemd gedrag”, dat naar de mening van veel lidstaten zijn waarde had bewezen, te handhaven.
25 Deze rechter voegt daaraan toe dat volgens die auteurs kan worden aangenomen dat § 34, lid 2, WpHG een bepaling betreffende openbare overnamebiedingen in de zin van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109 vormt. Daarvoor pleit dat de Duitse wetgever ervoor heeft gekozen om § 34, lid 2, WpHG in dezelfde bewoordingen te formuleren als § 30, lid 2, van het Wertpapiererwerbs- und Übernahmegesetz (wet op de verwerving van effecten en openbare overnamebiedingen) (BGBl. 2001 I, blz. 3822), waarmee wordt beoogd richtlijn 2004/25 om te zetten in Duits recht. Bovendien controleert de federale toezichthouder op financiële diensten tegelijkertijd de naleving van de bepalingen van laatstgenoemde wet, als toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 4 van richtlijn 2004/25, en de naleving van de in het WpHG neergelegde kennisgevingsvereisten, als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 24 van richtlijn 2004/109.
26 Tegen deze achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn [2004/109] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan § 34, lid 2, eerste volzin, tweede afstemmingswijze, [WpHG], volgens welke het voor de toerekening van stemrechten niet noodzakelijk is dat de meldingsplichtige en de derde een stemovereenkomst hebben gesloten, maar het voldoende is dat uit feitelijke omstandigheden blijkt dat zij op andere wijze onderling afgestemd gedrag vertonen?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
27 Valora betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op grond dat de vraag van het Bundesgerichtshof niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding. Zij voert in essentie aan dat er in de omstandigheden van de aan de orde zijnde zaak wel degelijk sprake is van een „overeenkomst” in de zin van artikel 10, onder a), van richtlijn 2004/109. Hoe dan ook vallen deze omstandigheden ook onder de in dat artikel 10, onder e), bedoelde situatie betreffende de stemrechten van een vennootschap die onder zeggenschap staat van een persoon die aan de meldingsplicht is onderworpen.
28 In dit verband zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In casu blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat het Oberlandesgericht Karlsruhe heeft vastgesteld dat er sprake was van een afstemming „op andere wijze” in de zin van § 34, lid 2, eerste volzin, tweede afstemmingswijze, WpHG tussen verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K.
30 Het is juist dat het bestaan van een onderlinge afstemming tussen meerdere houders van effecten van een vennootschap die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/109 valt, een aanwijzing kan vormen dat deze houders een „overeenkomst” hebben gesloten in de zin van artikel 10, onder a), van deze richtlijn en § 34, lid 2, eerste volzin, eerste afstemmingswijze, WpHG.
31 De verwijzende rechter preciseert evenwel dat het Oberlandesgericht Karlsruhe in het arrest waartegen beroep in Revision is ingesteld, zich uitdrukkelijk ervan heeft onthouden vast te stellen dat verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K. een „overeenkomst” in de zin van § 34, lid 2, eerste volzin, eerste afstemmingswijze, WpHG hadden gesloten. Het Oberlandesgericht Karlsruhe heeft namelijk geoordeeld dat het, om § 34, lid 2, eerste volzin, tweede afstemmingswijze, WpHG te kunnen toepassen in verband met een afstemming „op andere wijze”, volstond dat verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K. onderling overleg hadden gepleegd.
32 De verwijzende rechter wenst derhalve te vernemen of richtlijn 2004/109 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling als § 34, lid 2, eerste volzin, tweede afstemmingswijze, WpHG. Zoals deze rechter heeft uiteengezet, moet het beroep in Revision worden verworpen indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord. De verwijzende rechter merkt daarentegen op dat hij, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hij het beroep in Revision moet toewijzen, het arrest van het Oberlandesgericht Karlsruhe moet vernietigen en de zaak naar die rechter moet terugverwijzen voor een uitspraak over de vraag of verzoekers in het hoofdgeding en de vennootschap K. een „overeenkomst” hebben gesloten in de zin van artikel 10, onder a), van richtlijn 2004/109 en § 34, lid 2, eerste volzin, eerste afstemmingswijze, WpHG.
33 Wat de verwijzing door Valora naar artikel 10, onder e), van richtlijn 2004/109 betreft, volstaat het op te merken dat uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter niet blijkt dat het Oberlandesgericht Karlsruhe, dat als enige bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding te beoordelen, heeft vastgesteld dat een persoon zeggenschap heeft over een onderneming als bedoeld in die bepaling.
34 Uit een en ander volgt dat de prejudiciële vraag relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding, zodat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
35 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarin is bepaald dat de kennisgevingsvereisten die zijn omschreven in artikel 9, leden 1 en 2, van deze richtlijn ook gelden voor houders van stemrechten die ten aanzien van de uitgevende instelling van de aandelen waaraan die stemrechten zijn verbonden, hun gedrag afstemmen op een andere wijze dan op basis van een onderlinge „overeenkomst” als bedoeld in artikel 10, onder a), van die richtlijn.
36 Zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, van richtlijn 2004/109, mag de lidstaat van herkomst aan een aandeelhouder, een natuurlijke persoon of een juridische entiteit als bedoeld in artikel 10 of artikel 13 van deze richtlijn geen strengere vereisten opleggen dan die uit hoofde van genoemde richtlijn, behoudens in de drie uitzonderingsgevallen die in de vierde alinea, onder i) tot en met iii), zijn opgenomen (arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑605/18, EU:C:2021:712, punt 30).
37 De uitzondering van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), staat in het bijzonder de lidstaat van herkomst toe de aandeelhouders, natuurlijke personen of juridische entiteiten als bedoeld in met name artikel 10 richtlijn 2004/109, te onderwerpen aan „wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zijn vastgesteld met betrekking tot openbare overnamebiedingen, fusies, of andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen, waarop wordt toegezien door de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen overeenkomstig artikel 4 van richtlijn [2004/25]” (zie in die zin arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑605/18, EU:C:2021:712, punt 32).
38 Deze uitzondering is dus onderworpen aan twee voorwaarden, te weten, ten eerste, dat de strengere vereisten dan de in richtlijn 2004/109 opgenomen vereisten zijn neergelegd in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die betrekking hebben op de in het vorige punt van het onderhavige arrest opgesomde transacties, en ten tweede, dat op deze vereisten wordt toegezien door de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2004/25. Deze twee voorwaarden zijn van cumulatieve aard (zie in die zin arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑605/18, EU:C:2021:712, punten 33, 37 en 45).
39 Het Hof heeft geoordeeld dat met de invoeging bij richtlijn 2013/50 van lid 1 bis in artikel 3 van richtlijn 2004/109 werd beoogd een einde te maken aan het ongelijke niveau van harmonisatie van de kennisgevingsvereisten voor natuurlijke of rechtspersonen die effecten verwerven van uitgevende instellingen die actief zijn op een gereglementeerde markt van een lidstaat of deze anderszins verhandelen. Die ongelijke harmonisatie was het gevolg van de mogelijkheid die richtlijn 2004/109 – alvorens zij bij richtlijn 2013/50 werd gewijzigd – aan de lidstaat van herkomst bood om houders van aandelen of andere financiële instrumenten aan strengere kennisgevingsvereisten te onderwerpen dan die waarin zij zelf voorzag. Richtlijn 2013/50, die luidens overweging 12 ervan tot doel had een geharmoniseerde regeling voor kennisgeving van belangrijke deelnemingen waaraan stemrechten zijn verbonden vast te stellen, heeft deze mogelijkheid voor de lidstaten bijgevolg afgeschaft, behoudens de uitzonderingen die in artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder i) tot en met iii), van richtlijn 2004/109 zijn neergelegd (arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑605/18, EU:C:2021:712, punt 31).
40 Gelet op het doel van artikel 3, lid 1 bis – dat erin bestaat deze regeling in te voeren –, moeten uitzonderingen op het verbod voor de lidstaat van herkomst om houders van aandelen en andere financiële instrumenten strengere vereisten inzake kennisgeving op te leggen, strikt worden uitgelegd (arrest van 9 september 2021, Adler Real Estate e.a., C‑605/18, EU:C:2021:712, punt 41).
41 Bijgevolg moet in het kader van een strikte uitlegging van de uitzondering die is neergelegd in artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109 worden geoordeeld dat deze uitzondering alleen betrekking heeft op de strengere kennisgevingsvereisten die rechtstreeks verband houden met wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die een lidstaat heeft vastgesteld met betrekking tot openbare overnamebiedingen, fusies, of andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van en de zeggenschap over vennootschappen.
42 Daarentegen kan niet worden geoordeeld dat deze uitzondering ook geldt voor de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen inzake de bekendmaking van informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten reeds tot de handel op een in een lidstaat gelegen of werkzame gereglementeerde markt zijn toegelaten, die gelden ongeacht het bestaan van een openbaar overnamebod, een fusie of een andere transactie die gevolgen heeft voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen. De omstandigheid dat de informatie waarop deze bepalingen slaan, relevant zou kunnen zijn bij een openbaar overnamebod van effecten van de betrokken onderneming, een fusie van die onderneming met een andere onderneming of een andere transactie die gevolgen heeft voor de eigendom van of de zeggenschap over de eerste onderneming, volstaat niet om een andere uitlegging te rechtvaardigen.
43 In het onderhavige geval blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat het toezicht op de strengere vereisten van § 34, lid 2, WpHG overeenkomstig de toepasselijke Duitse regeling toekomt aan de federale toezichthouder op financiële diensten, die tevens de instantie is die overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2004/25 door de Bondsrepubliek Duitsland is aangewezen.
44 Bijgevolg lijkt te zijn voldaan aan de tweede voorwaarde voor de toepassing van de uitzondering die is neergelegd in artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109 – welke voorwaarden zijn vermeld in punt 38 van het onderhavige arrest – onder voorbehoud, voor zover nodig, van verificatie door de verwijzende rechter.
45 Uit de door deze rechter verstrekte aanwijzingen volgt evenwel dat § 34, lid 2, eerste volzin, tweede afstemmingswijze, WpHG geldt in alle omstandigheden waarin een kennisgevingsplicht kan ontstaan op grond van artikel 9 van deze richtlijn. Deze bepaling lijkt dus niet rechtstreeks verband te houden met „openbare overnamebiedingen, fusies, of andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen”, zoals is vereist in artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van deze richtlijn. Het staat evenwel aan deze rechter om dit na te gaan.
46 Het door de verwijzende rechter aangevoerde feit dat de bewoordingen van § 34, lid 2, WpHG identiek zijn aan die van een andere bepaling van Duits recht die betrekking heeft op de verwerving van effecten en op openbare overnamebiedingen, is in dit verband irrelevant.
47 Het doorslaggevende element voor de toepassing van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109 ligt namelijk niet in de bewoordingen van de betrokken nationale bepaling, maar in de werkingssfeer ervan, die alleen betrekking mag hebben op openbare overnamebiedingen, fusies of andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen.
48 Wat het argument van de verwijzende rechter betreft dat artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109 in essentie het resultaat is van een compromis dat tijdens de procedure tot vaststelling van richtlijn 2013/50 is bereikt en dat ertoe strekt nationale bepalingen als § 34, lid 2, eerste volzin, tweede afstemmingswijze, WpHG te handhaven, volstaat het op te merken dat een dergelijke omstandigheid, gesteld dat zij wordt aangetoond, niet kan rechtvaardigen dat artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, aldus wordt uitgelegd dat nationale bepalingen die niet onder de bewoordingen ervan vallen, binnen de werkingssfeer ervan zouden komen te vallen, temeer daar artikel 3, lid 1 bis, zoals blijkt uit de in punt 40 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, strikt moet worden uitgelegd.
49 Gelet op een en ander moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord dat artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarin is bepaald dat de kennisgevingsvereisten die zijn omschreven in artikel 9, leden 1 en 2, van deze richtlijn ook gelden voor houders van stemrechten die ten aanzien van de instelling die de aandelen uitgeeft waaraan die stemrechten zijn verbonden, hun gedrag hebben afgestemd op een andere wijze dan op basis van een onderlinge „overeenkomst” als bedoeld in artikel 10, onder a), van die richtlijn, omdat het vereiste dat uit een dergelijke nationale regeling voortvloeit geen rechtstreeks verband houdt met „openbare overnamebiedingen, fusies en andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen” in de zin van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii).
Kosten
50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii), van richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarin is bepaald dat de kennisgevingsvereisten die zijn omschreven in artikel 9, leden 1 en 2, van deze richtlijn ook gelden voor houders van stemrechten die ten aanzien van de instelling die de aandelen uitgeeft waaraan die stemrechten zijn verbonden, hun gedrag hebben afgestemd op een andere wijze dan op basis van een onderlinge „overeenkomst” als bedoeld in artikel 10, onder a), van richtlijn 2004/109, zoals gewijzigd, omdat het vereiste dat uit een dergelijke nationale regeling voortvloeit geen rechtstreeks verband houdt met „openbare overnamebiedingen, fusies en andere transacties die gevolgen hebben voor de eigendom van of de zeggenschap over vennootschappen” in de zin van artikel 3, lid 1 bis, vierde alinea, onder iii).
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.