HvJ EU 4 oktober 2024, C-767/22, ECLI:EU:C:2024:823
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
4 oktober 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen – Kaderbesluit 2005/212/JBZ – Richtlijn 2014/42/EU – Werkingssfeer – Nationale strafprocedure die kan leiden tot een confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen – Geen vaststelling van een strafbaar feit – Confiscatie zonder veroordeling – Andere redenen dan ziekte of vlucht”
In de gevoegde zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Latvijas Republikas Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland) bij beslissingen van 8 december 2022, 31 januari en 14 maart 2023, respectievelijk ingekomen bij het Hof op 12 december 2022, 1 februari en 16 maart 2023, in de procedures
1Dream OÜ,
DS,
DL,
VS,
JG (C‑767/22),
AZ,
1Dream OÜ,
Produktech Engineering AG,
BBP,
Polaris Consulting Ltd (C‑49/23),
VL,
ZS,
Lireva Investments LTD,
VI,
FORTRESS FINANCE Inc. (C‑161/23),
in tegenwoordigheid van:
Latvijas Republikas Saeima,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof, T. von Danwitz, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: I. Illéssy en S. Spyropoulos, administrateurs,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 april 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– 1Dream OÜ, vertegenwoordigd door S. Bērtaitis, advokāts,
– VS, DL, DS, vertegenwoordigd door A. Jaunzars, advokāts,
– JG, vertegenwoordigd door I. Nikuļceva en A. Voroņko, advokāti,
– AZ, vertegenwoordigd door R. Valdemārs, advokāts,
– Produktech Engineering AG, vertegenwoordigd door T. Krūmiņš en L. Liepa, advokāti,
– BBP, vertegenwoordigd door A. Rasa, advokāts,
– Polaris Consulting Ltd, vertegenwoordigd door A. Liepiņš, advokāts,
– VL, vertegenwoordigd door L. Lielbriede, advokāta palīdze, S. Oborenko en E. Rusanovs, advokāti,
– ZS, vertegenwoordigd door A. Ņikiforovs, jurists,
– Lireva Investments LTD, vertegenwoordigd door A. Rasa, advokāts,
– VI, vertegenwoordigd door D. Siliņa, advokāte,
– FORTRESS FINANCE Inc., vertegenwoordigd door L. Baltiņa, advokāta palīdze,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča, K. Pommere en S. Zābele als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, T. Suchá en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Naglis, I. Rubene, M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2024,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europees Unie (hierna: „Handvest”), kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (PB 2005, L 68, blz. 49), richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB 2014, L 127, blz. 39) en van het beginsel van voorrang van het Unierecht.
2 Deze verzoeken werden ingediend in het kader van grondwettelijke beroepen ingesteld door 1Dream OÜ, DS, DL, VS, JG (C‑767/22), AZ, 1Dream, Produktech Engineering AG, BBP, Polaris Consulting Ltd (C‑49/23), VL, ZS, Lireva Investments LTD, VI en FORTRESS FINANCE Inc. (C‑161/23) betreffende de grondwettigheid van nationale bepalingen inzake een procedure tot confiscatie van voorwerpen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2005/212
3 In artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2005/212 is bepaald: „Elke lidstaat neemt de maatregelen die nodig zijn om gehele of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van hulpmiddelen en opbrengsten die verkregen zijn uit feiten waarop een vrijheidsstraf van meer dan één jaar is gesteld, of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten.”
Richtlijn 2014/42
4 In de overwegingen 5, 15, 16, 21 en 22 van richtlijn 2014/42 staat te lezen: „(5) Met de vaststelling van minimumvoorschriften zullen de regelingen van de lidstaten inzake bevriezing en confiscatie onderling worden aangepast, waardoor het wederzijdse vertrouwen en de doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking worden versterkt. […] (15) De confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven, of van voorwerpen ter waarde van deze hulpmiddelen en opbrengsten, zou onder voorbehoud van definitieve veroordeling wegens een strafbaar feit mogelijk moeten zijn. Deze definitieve veroordeling kan ook bij een verstekveroordeling zijn. Wanneer confiscatie niet mogelijk is op grond van een definitieve veroordeling, zou het in bepaalde omstandigheden niettemin nog mogelijk moeten zijn hulpmiddelen en opbrengsten te confisqueren, althans in gevallen van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde. Voor dergelijke gevallen van ziekte en vlucht is het echter voldoende dat lidstaten over verstekprocedures beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In het geval dat de verdachte of beklaagde is gevlucht moeten de lidstaten alle redelijke maatregelen treffen en kunnen zij [eisen] dat de betrokkene wordt gedagvaard voor de confiscatieprocedure of daarvan in kennis wordt gesteld. (16) In het kader van deze richtlijn is er sprake van ziekte wanneer de verdachte of beklaagde gedurende lange tijd in de onmogelijkheid verkeert de strafprocedure bij te wonen, waardoor deze niet in normale omstandigheden kan worden voortgezet. Er kan van verdachten of beklaagden worden geëist dat zij een bewijs van ziekte leveren, bijvoorbeeld in de vorm van een medisch attest, dat de rechter buiten beschouwing kan laten indien hij dit als bewijs ontoereikend acht. Er mag geen afbreuk gedaan worden aan het recht van die personen om zich tijdens de procedure te laten vertegenwoordigen door een advocaat. […] (21) Ruimere confiscatie zou mogelijk moeten zijn wanneer een rechter ervan overtuigd is dat het betrokken voorwerp uit crimineel gedrag voortkomt. Dit houdt niet in dat het moet vaststaan dat het betrokken voorwerp uit crimineel gedrag voortkomt. Wanneer de rechter op grond van waarschijnlijkheidsafwegingen van oordeel is, of er redelijkerwijze kan van uitgaan, dat het veel waarschijnlijker is dat het betrokken voorwerp door crimineel dan door [ander] gedrag werd verworven, kan dit voor de lidstaten bijvoorbeeld als regel volstaan. De rechter dient in dit verband de specifieke omstandigheden van de zaak te onderzoeken, met name de feiten en het beschikbare bewijsmateriaal op basis waarvan ruimere confiscatie kan worden bevolen. Het feit dat de voorwerpen die de persoon toebehoren niet in verhouding staan tot zijn legale inkomen, kan een van de feiten zijn op basis waarvan de rechter beslist dat de voorwerpen uit crimineel gedrag [voortkomen]. De lidstaten kunnen als regel ook stellen dat binnen een bepaalde termijn verkregen voorwerpen geacht kunnen worden uit crimineel gedrag voort te komen. (22) Bij deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld. Zij verhindert de lidstaten niet in hun nationale recht meer uitgebreide bevoegdheden vast te leggen, onder andere wat betreft hun regels inzake bewijslast.”
5 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt: „1. Bij deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld betreffende de bevriezing van voorwerpen met het oog op een eventuele confiscatie, en betreffende de confiscatie van voorwerpen in strafzaken. 2. Deze richtlijn laat de procedures die de lidstaten kunnen toepassen voor de confiscatie van de bedoelde voorwerpen onverlet.”
6 In artikel 2 van die richtlijn heet het: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‚opbrengst’, elk economisch voordeel dat al dan niet rechtstreeks uit een strafbaar feit is verkregen; dit kunnen voorwerpen van enigerlei aard zijn, met inbegrip van enige wederbelegging of omzetting van rechtstreekse opbrengsten en andere in geld waardeerbare voordelen; 2) ‚voorwerpen’, goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten [ten] aanzien van die goederen blijken; 3) ‚hulpmiddelen’, alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om een of meer strafbare feiten te plegen; 4) ‚confiscatie’, definitieve ontneming van voorwerpen, bevolen door een rechter in verband met een strafbaar feit; […] 6) ‚strafbaar feit’, een strafbaar feit dat valt onder een van de in artikel 3 vermelde instrumenten.”
7 Artikel 4 van die richtlijn, „Confiscatie”, luidt: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen die de volledige of gedeeltelijke confiscatie mogelijk maken van hulpmiddelen en opbrengsten of voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de hulpmiddelen of opbrengsten, onder voorbehoud van definitieve veroordeling wegens een strafbaar feit, die ook bij verstek kan gebeuren. 2. Indien confiscatie op grond van lid 1 niet mogelijk is, nemen de lidstaten, ten minste in gevallen waar deze onmogelijkheid het gevolg is van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde, de nodige maatregelen om confiscatie van opbrengsten en hulpmiddelen mogelijk te maken voor gevallen waarin een strafprocedure is aangevangen met betrekking tot een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, en waarin deze procedure zou kunnen hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling indien de verdachte of beklaagde in staat was geweest voor de rechter te verschijnen.”
8 Artikel 5 van richtlijn 2014/42, met als opschrift „Ruimere confiscatie”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de volledige of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van voorwerpen die toebehoren aan een persoon die is veroordeeld wegens een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, indien een rechter, gezien de omstandigheden, met name bepaalde feiten en het beschikbare bewijsmateriaal, bijvoorbeeld het gegeven dat de waarde van de voorwerpen niet in verhouding staat tot het legale inkomen van de veroordeelde, ervan overtuigd is dat de bedoelde voorwerpen uit criminele gedragingen zijn verkregen.”
9 Artikel 6 van deze richtlijn draagt het opschrift „Confiscatie bij een derde” en bepaalt in lid 1: „De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de confiscatie mogelijk te maken van opbrengsten, of andere voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met opbrengsten, die door een verdachte of beklaagde al dan niet rechtstreeks aan derden zijn overgemaakt, of die door derden zijn verworven van een verdachte of beklaagde, ten minste wanneer die derden wisten of hadden moeten weten dat het doel van de overdracht of de verwerving het vermijden van confiscatie was, en dit op grond van concrete feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld het feit dat de overdracht of verwerving kosteloos werd uitgevoerd, of tegen een bedrag dat beduidend onder de marktwaarde lag.”
10 In artikel 8, leden 1 en 8, van die richtlijn is bepaald: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de personen tegen wie de in deze richtlijn bedoelde maatregelen zijn gericht, recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces, om hun rechten te kunnen handhaven. […] 8. In de in artikel 5 bedoelde procedures heeft de betrokkene daadwerkelijk de mogelijkheid om de omstandigheden, met name de specifieke feiten en het beschikbare bewijsmateriaal op grond waarvan de betrokken voorwerpen worden geacht voort te komen uit crimineel gedrag, te betwisten.”
11 Artikel 14, lid 1, van voornoemde richtlijn bepaalt: „[A]rtikel 1, eerste vier streepjes, en artikel 3 van kaderbesluit [2005/212] worden vervangen ten aanzien van de lidstaten die aan deze richtlijn gebonden zijn, […].”
Verordening 2018/1805
12 Overweging 13 van verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PB 2018, L 303, blz. 1) luidt als volgt: „Deze verordening dient van toepassing te zijn op alle bevriezingsbevelen en alle confiscatiebevelen die in het kader van procedures in strafzaken worden uitgevaardigd. ‚Procedures in strafzaken’ is een autonoom Unierechtelijk begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, niettegenstaande de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Die term dient derhalve betrekking te hebben op alle soorten bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen die zijn uitgevaardigd naar aanleiding van procedures in verband met een strafbaar feit, dus niet alleen bevelen die vallen onder richtlijn [2014/42], maar ook andere soorten bevelen zonder definitieve veroordeling. […]”
Lets recht
13 Artikel 92, eerste en tweede zin, van de Latvijas Republikas Satversme (grondwet van de Republiek Letland; hierna: „Letse grondwet”) bepaalt: „Eenieder heeft het recht zijn rechten en legitieme belangen voor een onpartijdige rechter te doen gelden. Eenieder wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”
14 Artikel 124, lid 6, van de Kriminālprocesa likums (wetboek van strafvordering) van 21 april 2005(Latvijas Vēstnesis, 2005, nr. 74), in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding (hierna: „wetboek van strafvordering”), bepaalt dat in strafprocedures en in procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen, het bewijs betreffende de illegale herkomst van voorwerpen wordt geacht te zijn geleverd indien er tijdens de bewijsvoering redenen zijn om aan te nemen dat de voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid van criminele herkomst zijn en niet van rechtmatige herkomst.
15 Artikel 125, lid 3, van dit wetboek bepaalt dat voorwerpen die het object van witwassen zijn geweest, worden geacht illegaal te zijn verkregen indien de persoon tegen wie een strafprocedure is gericht, geen geloofwaardige verklaring kan geven met betrekking tot de rechtmatige herkomst van de voorwerpen en indien de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit op grond van alle bewijsstukken kan aannemen dat de voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid van onrechtmatige herkomst zijn.
16 Artikel 126, lid 31, van dat wetboek bepaalt: „Als de persoon tegen wie een strafprocedure is gericht, stelt dat niet kan worden aangenomen dat de voorwerpen illegaal zijn verkregen, dient hij de rechtmatigheid van de herkomst van de voorwerpen aan te tonen. Indien hij binnen de gestelde termijn geen betrouwbare informatie over de rechtmatigheid van de herkomst van de voorwerpen verstrekt, wordt hem de mogelijkheid ontzegd om vergoeding te verkrijgen van de schade ten gevolge van de beperkingen die in het kader van de strafprocedure aan het gebruik van die voorwerpen zijn gesteld.”
17 Artikel 626, lid 1, van voornoemd wetboek bepaalt: „Met het oog op een snelle afhandeling van vermogensrechtelijke aangelegenheden die zich in de inleidende fase van de strafprocedure voordoen en om redenen van proceseconomie kan de opsporingsambtenaar met instemming van de openbaar aanklager die het onderzoek leidt of de openbaar aanklager zelf de stukken die betrekking hebben op illegaal verkregen voorwerpen uit het strafdossier lichten en een procedure inleiden als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1) de bewijsstukken bevatten duidelijke aanwijzingen dat de ontnomen of in beslag genomen voorwerpen illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit; 2) het is om objectieve redenen niet mogelijk de strafzaak binnen afzienbare tijd (binnen een redelijke termijn) aanhangig te maken of dit kan tot aanzienlijke [en] ongerechtvaardigde kosten leiden.”
18 Artikel 627, leden 1 tot en met 5, van het wetboek van strafvordering bepaalt: „(1) In de omstandigheden als bedoeld in artikel 626 van dit wetboek neemt de autoriteit die verantwoordelijk is voor de procedure een beslissing om een procedure wegens illegale verkrijging van voorwerpen in te leiden en om de stukken betreffende de illegaal verkregen voorwerpen voor te leggen aan de rechter. (2) De autoriteit die verantwoordelijk is voor de procedure vermeldt in haar beslissing: 1) informatie over de feiten waaruit het verband tussen de voorwerpen en het strafbare feit of de onrechtmatige herkomst van de voorwerpen blijkt, en informatie over de stukken die uit het dossier van een lopende strafzaak zijn gelicht en betrekking hebben op de illegale verwerving van de voorwerpen; 2) de personen die een band met de voorwerpen hebben; 3) de maatregelen die zij met betrekking tot de illegaal verkregen voorwerpen voorstelt; 4) in voorkomend geval, het slachtoffer. (3) De beslissing en de bijbehorende stukken worden toegezonden aan de rechter in eerste aanleg. (4) Stukken van het dossier van een procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen vallen onder het geheim van het onderzoek en kunnen worden ingezien door de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit, de openbaar aanklager en de rechter die kennisneemt van de zaak. De in artikel 628 van dit wetboek bedoelde personen kunnen toegang krijgen tot de stukken van het dossier na toestemming van de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit en voor zover deze zulks beschikt. (5) Tegen de beslissing van de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit tot afwijzing van het verzoek om toegang tot de stukken van het dossier kan beroep worden ingesteld bij de rechter in eerste aanleg die kennisneemt van de procedure betreffende de illegaal verkregen voorwerpen. De rechter geeft een beslissing tot toewijzing of gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek. Die beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep. Opdat de rechter kan beslissen of de toegang tot de stukken van het dossier de grondrechten van andere personen of het algemeen belang in gevaar brengt of de verwezenlijking van het doel van de strafprocedure belemmert, kan hij de stukken van het dossier van de strafprocedure opvragen en inzien.”
19 Artikel 628 van dat wetboek luidt: „De voor de procedure verantwoordelijke autoriteit betekent onverwijld een afschrift van de in artikel 627 van het onderhavige wetboek bedoelde beslissing aan de verdachte of de beklaagde en aan de persoon wiens voorwerpen hem zijn ontnomen of in beslag zijn genomen, indien de betrokken strafprocedure tegen deze personen is gericht, of aan een andere persoon die het eigendomsrecht op de betrokken voorwerpen heeft […].”
20 Bij wet van 7 oktober 2021 (Latvijas Vēstnesis, 2021, nr. 202) zijn met ingang van 2 november 2021 de woorden „de verdachte of de beklaagde en aan” uit artikel 628 van het wetboek van strafvordering geschrapt.
21 Artikel 630 van het wetboek van strafvordering bepaalt het volgende: „(1) Bij het onderzoek van de stukken betreffende de illegaal verkregen voorwerpen beslist de rechter: 1) of de goederen illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit; 2) of er informatie is over de eigenaar of de rechtmatige bezitter van de voorwerpen; 3) of een persoon een legitiem recht heeft op de voorwerpen; 4) welke maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot de illegaal verkregen voorwerpen. (2) Indien de rechter vaststelt dat het verband tussen de voorwerpen en het strafbare feit niet is aangetoond of dat de voorwerpen niet van onrechtmatige herkomst zijn, neemt hij een beslissing tot beëindiging van de procedure betreffende de illegale verkrijging van de voorwerpen.”
22 Artikel 631 van het wetboek van strafvordering bepaalt in lid 1 dat „[t]egen de beslissing van de rechter […] binnen 10 dagen hoger beroep [kan] worden ingesteld bij de apgabaltiesa (regionaal hof)” en in lid 3 dat „[d]e rechter […], na beoordeling van het beroep, de beslissing van de rajona (pilsētas) tiesa (rechter in eerste aanleg) [kan] vernietigen en een beslissing [kan] nemen als bedoeld in artikel 630 van het onderhavige wetboek”. Tegen deze laatste beslissing „staat geen rechtsmiddel open”.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C-767/22
23 In het kader van strafprocedures die in 2019 en 2020 zijn ingeleid wegens met name het op grote schaal witwassen van de opbrengsten van een misdrijf, is beslag gelegd op tegoeden, financiële instrumenten en onroerende zaken van 1Dream, DS, DL, VS en JG.
24 Op de datum van indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing verkeerden deze strafprocedures nog in de fase van het vooronderzoek.
25 Tussen 12 maart 2021 en 21 februari 2022 heeft de voor deze procedures verantwoordelijke autoriteit procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen ingeleid met betrekking tot deze tegoeden, financiële instrumenten en onroerende zaken. Daartoe heeft zij de dossiers van deze procedures doorgestuurd naar de bevoegde rechters.
26 Wat in het bijzonder de tegoeden van 1Dream betreft, heeft de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesas kolēģija (regionale rechtbank Riga, strafkamer, Letland) op 7 oktober 2021 in hoger beroep geoordeeld dat de tegoeden van 1Dream illegaal waren verkregen. Deze rechtbank heeft daarom besloten tot confiscatie van deze tegoeden ten gunste van de staatsbegroting. De procedures met betrekking tot de vermogensbestanddelen van DS, DL, VS en JG zijn geschorst.
27 In het kader van deze procedures met betrekking tot illegaal verkregen voorwerpen hebben 1Dream, DS, DL, VS en JG de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit op grond van artikel 627, lid 4, van het wetboek van strafvordering verzocht om toegang tot het dossier. Nadat deze verantwoordelijke autoriteit hun verzoeken slechts gedeeltelijk had ingewilligd, hebben zij tegen de beslissingen van deze autoriteit beroepen ingesteld.
28 Aangezien 1Dream, DS, DL, VS en JG van mening waren dat de regeling van artikel 627, leden 4 en 5, van het wetboek van strafvordering hen benadeelt ten opzichte van de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit, hebben zij bij de Latvijas Republikas Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland), de verwijzende rechter, grondwettelijke beroepen ingesteld tegen die bepalingen, waarbij zij aanvoerden dat deze bepalingen in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 92, eerste volzin, van de Letse grondwet, gelezen in het licht van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42.
29 Om zich over deze beroepen uit te spreken, vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 van toepassing zijn op de in artikel 626, lid 1, van het wetboek van strafvordering bedoelde procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen.
30 De verwijzende rechter verduidelijkt in dit verband dat de strafbare feiten die worden vervolgd in het kader van de lopende strafprocedures, die losstaan van de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen, behoren tot de in artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2005/212 en artikel 3 van richtlijn 2014/42 bedoelde strafbare feiten.
31 Deze rechter merkt ook op dat, anders dan in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 19 maart 2020, Agro In 2001 (C‑234/18, EU:C:2020:221), en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo (C‑319/19, EU:C:2021:883), de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen onder het strafprocesrecht valt.
32 Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 van toepassing is op de confiscatie van voorwerpen in gevallen waarin de veroordeling niet mogelijk is om andere redenen dan ziekte en vlucht van de verdachte of beklaagde.
33 Deze rechter verduidelijkt dat het doel van de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen is te zorgen voor een snelle, efficiënte en economisch voordelige oplossing van vragen met betrekking tot de rechtmatige herkomst van voorwerpen of hun verband met een strafbaar feit die in de inleidende fase van de strafprocedure zijn gerezen. De vaststelling dat voorwerpen illegaal zijn verkregen, wordt gedaan door de rechter voordat is vastgesteld dat er een strafbaar feit is gepleegd of een veroordeling is uitgesproken. Bovendien staat deze vaststelling niet gelijk aan de vaststelling van een of meer strafbare feiten.
34 Zo wordt de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen ingeleid bij beslissing van de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit, door de stukken die betrekking hebben op voorwerpen waarop die procedure betrekking heeft uit het strafdossier te lichten, wanneer die verantwoordelijke autoriteit van oordeel is dat de bewijsstukken duidelijke aanwijzingen bevatten dat die voorwerpen illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit, en dat het om objectieve redenen niet mogelijk is de zaak binnen afzienbare tijd of binnen een redelijke termijn aanhangig te maken of dat dit tot aanzienlijke en ongerechtvaardigde kosten kan leiden.
35 In deze omstandigheden kan de voor de procedure verantwoordelijke autoriteit besluiten om de zaak aanhangig te maken bij de rechter, die dan alleen zal bepalen of de voorwerpen illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit. Zodra de aangezochte rechter over deze kwestie uitspraak heeft gedaan, wordt deze geacht definitief te zijn afgedaan en wordt deze niet langer behandeld in de strafprocedure in het kader waarvan de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen werd ingeleid.
36 Indien kaderbesluit 2005/212 of richtlijn 2014/42 zou worden geacht in casu van toepassing te zijn, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af in hoeverre een persoon wiens voorwerpen onder de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen vallen, recht heeft op toegang tot het dossier van die procedure en, in voorkomend geval, of de gevolgen van de bepalingen die hij onverenigbaar met het Unierecht acht, in de tijd kunnen worden gehandhaafd.
37 In deze omstandigheden heeft de Latvijas Republikas Satversmes tiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Valt een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechter beslist over de confiscatie van de opbrengsten van een misdrijf in een afzonderlijke procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen, die van de strafrechtelijke hoofdprocedure is gescheiden voordat is vastgesteld dat er een strafbaar feit is gepleegd en iemand daaraan schuldig is bevonden, en op grond waarvan de confiscatie plaatsvindt op basis van stukken van het dossier van de strafzaak, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42, met name artikel 4 ervan, en kaderbesluit 2005/212, met name artikel 2 ervan? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de regeling inzake de toegang tot de stukken van het dossier van de procedure betreffende de illegaal verkregen voorwerpen dan worden aangemerkt als verenigbaar met het recht op een eerlijk proces dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest en in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42? 3) Moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het grondwettelijk hof van een lidstaat, waaraan is verzocht om een nationale regeling die onverenigbaar is bevonden met het Unierecht constitutioneel te toetsen, oordeelt dat het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing is en de rechtsgevolgen van die regeling in stand blijven ten aanzien van de periode dat de regeling van kracht was?”
Zaak C-49/23
38 In het kader van strafprocedures die tussen 2012 en 2020 zijn ingeleid wegens het op grote schaal witwassen van de opbrengsten van een misdrijf is beslag gelegd op onroerende zaken van AZ en tegoeden van 1Dream, Produktech Engineering, BBP en Polaris Consulting.
39 Op de datum van indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing verkeerden deze strafprocedures nog in de fase van het vooronderzoek.
40 Tussen 9 april en 8 juni 2021 heeft de voor deze procedures verantwoordelijke autoriteit procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen ingeleid met betrekking tot deze onroerende zaken en tegoeden. Daartoe heeft zij de dossiers van deze procedures doorgestuurd naar de bevoegde rechters.
41 Wat de onroerende zaken van AZ en de tegoeden van 1Dream, Produktech Engineering en BBP betreft, hebben deze rechters geoordeeld dat deze niet illegaal waren verkregen en hebben zij de procedures beëindigd. Wat de tegoeden van Polaris Consulting betreft, heeft de bevoegde rechter geoordeeld dat een deel ervan illegaal was verkregen. Deze rechter heeft met betrekking tot deze tegoeden besloten tot confiscatie ten gunste van de staat en de procedure met betrekking tot de overige voorwerpen beëindigd.
42 Bij de behandeling van de beroepen tegen deze beslissingen heeft de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesas kolēģija tussen 22 juli en 19 oktober 2021 geoordeeld dat alle in het hoofdgeding aan de orde zijnde onroerende zaken en tegoeden, met inbegrip van die van Polaris Consulting die nog niet waren geconfisqueerd, illegaal waren verkregen. Deze vermogensbestanddelen werden daarom geconfisqueerd en aan de staatsbegroting overgedragen.
43 Aangezien de beslissingen van de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesas kolēģija overeenkomstig artikel 631, lid 3, van het wetboek van strafvordering niet vatbaar zijn voor hoger beroep, hebben AZ, 1Dream, Produktech Engineering, BBP en Polaris Consulting bij de Latvijas Republikas Satversmes tiesa, de verwijzende rechter, grondwettelijke beroepen ingesteld waarbij zij aanvoerden dat de bepalingen die een dergelijk beroep beletten in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 92, eerste volzin, van de Letse grondwet, gelezen in het licht van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42.
44 Om uitspraak op deze beroepen te kunnen doen, werpt de verwijzende rechter in de eerste plaats vragen op over de toepasselijkheid van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42, die overeenkomen met de vragen die in de punten 29 tot en met 35 van het onderhavige arrest zijn samengevat.
45 Indien dit kaderbesluit of deze richtlijn zou worden geacht in casu van toepassing te zijn, is de verwijzende rechter van oordeel dat in de tweede plaats moet worden bepaald of artikel 47 van het Handvest en artikel 8, lid 6, van die richtlijn vereisen dat kan worden opgekomen tegen een beslissing tot confiscatie die voor het eerst is vastgesteld in hoger beroep en, in voorkomend geval, of de gevolgen van de bepalingen die hij onverenigbaar met het Unierecht acht, in de tijd kunnen worden gehandhaafd.
46 In deze omstandigheden heeft de Latvijas Republikas Satversmes tiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Valt een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechter beslist over de confiscatie van de opbrengsten van een misdrijf in een afzonderlijke procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen, die van de strafrechtelijke hoofdprocedure is gescheiden voordat is vastgesteld dat er een strafbaar feit is gepleegd en iemand daaraan schuldig is bevonden, en op grond waarvan de confiscatie plaatsvindt op basis van stukken van het dossier van de strafzaak, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42, met name artikel 4 ervan, en kaderbesluit 2005/212, met name artikel 2 ervan? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet het begrip ‚confiscatiebevel’ in de zin van richtlijn 2014/42, met name artikel 8, lid 6, tweede volzin, ervan, dan worden geacht niet alleen betrekking te hebben op rechterlijke beslissingen waarbij wordt verklaard dat de voorwerpen illegaal zijn verkregen en de confiscatie ervan wordt gelast, maar ook op beslissingen waarbij de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen wordt beëindigd? 3) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, is een regeling die niet voorziet in het recht van personen die een band hebben met de voorwerpen om beroep in te stellen tegen een confiscatiebevel, verenigbaar met artikel 47 van het Handvest en met artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42?” 4) Moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het grondwettelijk hof van een lidstaat, waaraan is verzocht om een nationale regeling die onverenigbaar is bevonden met het Unierecht constitutioneel te toetsen, verklaart dat het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing is en de rechtsgevolgen van die regeling tijdelijk in stand blijven, te weten tot het in de beslissing van die rechter vastgestelde tijdstip waarop de litigieuze bepaling ophoudt rechtsgevolgen te sorteren?”
Zaak C-161/23
47 In het kader van strafprocedures wegens het op grote schaal witwassen van de opbrengsten van een misdrijf is beslag gelegd op tegoeden en onroerende zaken van VL, ZS, Lireva Investments, VI en FORTRESS FINANCE.
48 Op de datum van indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing verkeerden deze strafprocedures nog in de fase van het vooronderzoek.
49 Vervolgens heeft de voor deze procedures verantwoordelijke autoriteit procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen ingeleid met betrekking tot deze tegoeden en onroerende zaken. Daartoe heeft zij de dossiers van deze procedures doorgestuurd naar de bevoegde rechters.
50 In het kader van deze procedures hebben VL, ZS, Lireva Investments, VI en FORTRESS FINANCE deze verantwoordelijke autoriteit dan wel de aangezochte rechters informatie verstrekt over de rechtmatigheid van de herkomst van hun vermogensbestanddelen. Bij definitieve beslissingen in alle procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen hebben deze rechters vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tegoeden en onroerende zaken illegaal waren verkregen. Deze tegoeden en onroerende zaken werden derhalve geconfisqueerd en aan de staatsbegroting overgedragen.
51 Aangezien VL, ZS, Lireva Investments, VI en FORTRESS FINANCE van mening waren dat de bewijsregeling van artikel 124, lid 6, artikel 125, lid 3, en artikel 126, lid 31, van het wetboek van strafvordering de processuele gelijkheid in strafprocedures niet waarborgt en inbreuk maakt op het beginsel van het vermoeden van onschuld, hebben zij bij de Latvijas Republikas Satversmes tiesa, de verwijzende rechter, grondwettelijke beroepen ingesteld tegen die regeling, waarbij zij aanvoerden dat die regeling in strijd is met het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld zoals neergelegd in artikel 92, eerste en tweede volzin, van de Letse grondwet, gelezen in het licht van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42.
52 Om uitspraak op deze beroepen te kunnen doen, werpt de verwijzende rechter in de eerste plaats vragen op over de toepasselijkheid van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42, die overeenkomen met de vragen die in de punten 29 tot en met 35 van het onderhavige arrest zijn samengevat.
53 Indien dit kaderbesluit of deze richtlijn zou worden geacht in casu van toepassing te zijn, moet volgens de verwijzende rechter in de tweede plaats worden bepaald of de bewijsregeling die geldt voor de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen verenigbaar is met de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest en artikel 8, lid 1, van die richtlijn neergelegde rechten en, in voorkomend geval, of de gevolgen van de bepalingen die hij onverenigbaar met het Unierecht acht, in de tijd kunnen worden gehandhaafd.
54 Daarop heeft de Latvijas Republikas Satversmes tiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Valt een nationale regeling op grond waarvan een nationale rechter beslist over de confiscatie van de opbrengsten van misdrijven in een afzonderlijke procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen, die van de strafrechtelijke hoofdprocedure is gescheiden voordat is vastgesteld dat er een strafbaar feit is gepleegd en iemand daaraan schuldig is bevonden, en op grond waarvan de confiscatie plaatsvindt op basis van stukken van het dossier van de strafzaak, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42, met name artikel 4 ervan, en kaderbesluit 2005/212, met name artikel 2 ervan? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet een nationale regeling inzake het bewijs van de illegale herkomst van voorwerpen in procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen, zoals die welke is neergelegd in de litigieuze bepalingen, dan worden aangemerkt als verenigbaar met het recht op een eerlijk proces dat is neergelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest en in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42? 3) Moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het grondwettelijk hof van een lidstaat, waaraan is verzocht om een nationale regeling die onverenigbaar is bevonden met het Unierecht constitutioneel te toetsen, oordeelt dat het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing is en de rechtsgevolgen van die regeling in stand blijven ten aanzien van de periode dat de regeling van kracht was?”
55 Aangezien de zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23 verknocht zijn, dienen zij voor het arrest te worden gevoegd.
Feiten die dateren van na de verzoeken om een prejudiciële beslissing
56 Na de indiening van de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing, heeft VL de verwijzende rechter verzocht de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen te verduidelijken of aan te vullen op grond van het feit dat de strafprocedure, waarvan de procedure die leidde tot de confiscatie van zijn voorwerpen was gescheiden, was beëindigd zonder dat zijn schuld was komen vast te staan.
57 Bij beslissing van 30 augustus 2024, ter kennis gebracht van de griffie van het Hof op 9 september 2024, heeft de verwijzende rechter dit verzoek afgewezen. Deze rechter wees er namelijk op dat hij het Hof reeds had meegedeeld dat de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen autonoom is en losstaat van de strafprocedure, aangezien de eerste procedure niet afhankelijk is van de uitkomst van de tweede procedure. Zo heeft de verwijzende rechter het Hof bij deze beslissing meegedeeld dat de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen kan leiden tot confiscatie, terwijl de strafprocedure vervolgens kan worden beëindigd wegens gebrek aan bewijs. Tot slot heeft de verwijzende rechter in die beslissing toegevoegd dat de omstandigheden waarnaar VL verwees geen nieuw element vormden.
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
58 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 26 augustus en 4 september 2024, hebben JG en VL verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.
59 Ter ondersteuning van deze verzoeken voeren JG en VL aan dat de conclusie van de advocaat-generaal betrekking heeft op elementen waarover geen standpunten zijn uitgewisseld voor het Hof en die een aanzienlijke invloed kunnen hebben op de beslissing van het Hof in de onderhavige zaken.
60 JG verwijst allereerst naar bepaalde elementen die in deze conclusie zijn aangevoerd met het oog op de uitlegging van artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42, waarover de belanghebbenden hun standpunten niet hebben kunnen uitwisselen. Voorts merkt JG op dat de uitlegging van deze bepaling ook van invloed kan zijn op de uitlegging van richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen (PB L, 2024/1260). De vaststelling van deze richtlijn na de terechtzitting vormt volgens JG een nieuw element.
61 VL verklaart dat de strafprocedure tegen hem is beëindigd zonder dat zijn schuld is komen vast te staan. Volgens VL dient te worden besproken welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat de strafprocedure tegen de pleger van een strafbaar feit kan worden beëindigd, wanneer de confiscatie van voorwerpen reeds is bevolen in het kader van een tijdens die strafprocedure ingeleide procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen.
62 In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
63 Tevens dient eraan te worden herinnerd dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid voor de partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Verder heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is niet gebonden aan deze conclusies of aan de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt. Bijgevolg kan het feit dat een partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in die conclusie onderzoekt (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 In casu moet ten eerste worden opgemerkt dat de elementen die JG aanvoert ter ondersteuning van zijn verzoek om heropening van de mondelinge behandeling, geen argumenten vormen die niet voor het Hof zijn besproken en op basis waarvan in de onderhavige zaken moet worden beslist. In het bijzonder hebben de belanghebbenden tijdens de gemeenschappelijke terechtzitting voor deze zaken, waaraan JG heeft deelgenomen, de juridische gegevens kunnen uiteenzetten die zij relevant achtten om het Hof in staat te stellen de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden, met inbegrip van de vraag over de uitlegging van artikel 8, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2014/42. Meer specifiek was deze bepaling het onderwerp van een vraag van het Hof waarop de belanghebbenden was verzocht ter terechtzitting te antwoorden. Ten tweede moet wat betreft het argument van JG op basis van richtlijn 2024/1260 om te beginnen worden opgemerkt dat deze richtlijn in geen van de verzoeken om een prejudiciële verwijzing is genoemd. Bovendien is de termijn voor de omzetting van de richtlijn overeenkomstig artikel 33 van de richtlijn vastgesteld op 23 november 2026, zodat de verwijzende rechter in voorkomend geval het Hof een vraag zal moeten stellen die specifiek betrekking heeft op die richtlijn en de eventuele relevantie van de bepalingen ervan.
66 Wat de door VL aangevoerde elementen betreft, dient met de verwijzende rechter te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter reeds bij de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑161/23 het Hof heeft meegedeeld dat de strafprocedure tegen de vermeende daders van een strafbaar feit kan voortduren tijdens de procedure betreffende illegaal verkregen voorwerpen en kan worden beëindigd zonder veroordeling van die dader, terwijl de procedure met betrekking tot die voorwerpen in de tussentijd kan leiden tot confiscatie. Hieruit volgt dat de belanghebbenden hun standpunt ter zake hebben kunnen toelichten.
67 Ten slotte is het Hof van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om uitspraak te kunnen doen.
68 Gelet op het voorgaande is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat er geen reden is om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag in de zaken C-767/22, C-49/23 en C-161/23
69 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren, nadat het uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht heeft geput die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven [arrest van 29 juli 2024, CU en ND (Sociale bijstand – Indirecte discriminatie), C‑112/22 en C‑223/22, EU:C:2024:636, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
70 In dit verband blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling binnen de werkingssfeer van het nationale strafprocesrecht valt en dat op grond van deze regeling, in de gevallen waarin tegen een persoon een strafprocedure is ingeleid wegens een strafbaar feit, maar het om objectieve redenen niet mogelijk is de zaak binnen afzienbare tijd aanhangig te maken of dit tot aanzienlijke en ongerechtvaardigde kosten kan leiden, een procedure kan worden ingeleid wegens illegale verkrijging van voorwerpen, die tot confiscatie van die voorwerpen kan leiden. Volgens die regeling kan de bevoegde rechter confiscatie van voorwerpen gelasten als blijkt dat zij illegaal zijn verkregen of verband houden met een strafbaar feit. Deze procedure heeft echter niet tot doel het strafbare feit vast te stellen waarvoor die strafprocedure is ingeleid en staat los van de vaststelling van dat strafbare feit door de rechter die de strafprocedure behandelt.
71 Gelet op het voorgaande moet derhalve worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in de zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23, die samen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een nationale regeling die voorziet in de mogelijkheid om in het kader van een strafprocedure strekkende tot vaststelling of een persoon een strafbaar feit heeft gepleegd, op basis van gegevens uit het dossier van de strafprocedure een procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen in te leiden, wanneer deze confiscatieprocedure geen betrekking heeft op de vaststelling van dat strafbaar feit en er geen sprake is van ziekte of vlucht van de betrokkene waardoor deze niet voor de rechter kan verschijnen.
72 In dit verband zij eraan herinnerd dat kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42, die overeenkomstig artikel 14, lid 1, ervan de bepalingen van dat kaderbesluit gedeeltelijk heeft vervangen, handelingen zijn op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken (zie in die zin arresten van 19 maart 2020, Agro In 2001, C‑234/18, EU:C:2020:221, punten 52 en 53, en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo, C‑319/19, EU:C:2021:883, punten 32 en 33).
73 Deze handelingen verplichten de lidstaten gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen voor de confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten die verkregen zijn in verband met strafbare feiten, teneinde met name de wederzijdse erkenning van in het kader van strafprocedures gegeven rechterlijke beslissingen tot confiscatie te vergemakkelijken (zie in die zin arresten van 19 maart 2020, Agro In 2001, C‑234/18, EU:C:2020:221, punt 56, en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo, C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 36).
74 Daartoe wordt bij artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2005/212 en de artikelen 4 tot en met 6 van richtlijn 2014/42 de lidstaten de verplichting opgelegd om in bepaalde gevallen te voorzien in een dergelijke confiscatie (zie naar analogie arrest van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna, C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 48).
75 Er zij op gewezen dat deze gevallen, zoals blijkt uit de bewoordingen van de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde bepalingen, veronderstellen dat er een verband is tussen de confiscatie en een strafbaar feit. In dit verband wordt het begrip „confiscatie” in artikel 2, punt 4, van die richtlijn gedefinieerd als „definitieve ontneming van voorwerpen, bevolen door een rechter in verband met een strafbaar feit”.
76 Kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 zijn daarom alleen in deze gevallen van toepassing. Deze afbakening van het toepassingsgebied van deze richtlijn wordt ook bevestigd door overweging 13 van verordening 2018/1805, waaruit blijkt dat de onder richtlijn 2014/42 vallende beslissingen, anders dan die verordening, niet alle confiscatiebevelen omvatten die zijn uitgevaardigd naar aanleiding van procedures in verband met een strafbaar feit.
77 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat richtlijn 2014/42 overeenkomstig artikel 1, lid 1, gelezen in samenhang met de overwegingen 5 en 22, minimumvoorschriften vaststelt voor onder meer de confiscatie van voorwerpen in strafzaken.
78 In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld dat de minimumvoorschriften van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 niet van toepassing zijn op een nationale regeling betreffende de confiscatie van voor illegale activiteiten gebruikte hulpmiddelen of uit die activiteiten voortkomende opbrengsten die door een rechterlijke instantie van een lidstaat wordt gelast in het kader of als gevolg van een procedure die niet ziet op de vaststelling van een of meerdere strafbare feiten (zie in die zin arresten van 19 maart 2020, Agro In 2001, C‑234/18, EU:C:2020:221, punten 57 en 62; van 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo, C‑319/19, EU:C:2021:883, punten 37, 39 en 41, en 9 maart 2023, Otdel Mitnichesko razsledvane i razuznavane, C‑752/21, EU:C:2023:179, punt 40).
79 In het bijzonder zijn deze teksten niet van toepassing op een nationale procedure die weliswaar wordt ingeleid op basis van informatie dat een persoon ervan wordt beschuldigd bepaalde strafbare feiten te hebben gepleegd, maar die uitsluitend tot doel heeft vast te stellen of voorwerpen illegaal zijn verkregen en die autonoom wordt gevoerd, ongeacht of er in voorkomend geval een strafprocedure tegen de gestelde dader van de feiten is ingeleid en ongeacht de uitkomst van laatstgenoemde procedure, met name ongeacht de eventuele veroordeling van die dader (zie in die zin arresten van 19 maart 2020, Agro In 2001, C‑234/18, EU:C:2020:221, punt 60, en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo, C‑319/19, EU:C:2021:883, punt 38).
80 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat niet kan worden geoordeeld dat kaderbesluit 2005/212 of richtlijn 2014/42 van toepassing is op een procedure waarin weliswaar in het nationale strafprocesrecht is voorzien, maar die uitsluitend ertoe strekt dat op basis van de gegevens van het dossier die zijn ontleend aan de procedure tot vaststelling van een of meer van de in die handelingen bedoelde strafbare feiten, wordt vastgesteld of een voorwerp illegaal is verkregen zonder dat de rechter bij wie de confiscatieprocedure aanhangig is, in die procedure bevoegd is om het bestaan van een dergelijk strafbaar feit vast te stellen en zonder dat die vaststelling heeft plaatsgevonden in de procedure tot vaststelling van een of meer strafbare feiten.
81 Hoewel het feit dat een confiscatieprocedure wordt beheerst door het nationale strafprocesrecht een aanwijzing kan zijn voor het bestaan van een noodzakelijk verband tussen de confiscatieprocedure en de vaststelling van een strafbaar feit, is dat op zich niet doorslaggevend om aan te nemen dat een dergelijke confiscatieprocedure binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2005/212 of richtlijn 2014/42 valt.
82 Voorts doet artikel 4, lid 2, van deze richtlijn geen afbreuk aan de uitsluiting van de werkingssfeer van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 van confiscatieprocedures die uitsluitend tot doel hebben vast te stellen of voorwerpen illegaal zijn verkregen, zonder dat de aangezochte rechter bevoegd is om het bestaan van een strafbaar feit vast te stellen en zonder dat een dergelijk feit vooraf is vastgesteld.
83 In dit verband bepaalt artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 dat de lidstaten, indien confiscatie op grond van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2014/42 niet mogelijk is, ten minste in gevallen waar deze onmogelijkheid het gevolg is van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde, de nodige maatregelen nemen om confiscatie van opbrengsten en hulpmiddelen mogelijk te maken voor gevallen waarin een strafprocedure is aangevangen met betrekking tot een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, en waarin deze procedure zou kunnen hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling indien de verdachte of beklaagde in staat was geweest voor de rechter te verschijnen.
84 Zoals de advocaat-generaal in punt 27 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn de gevallen waarin artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 de lidstaten verplicht om maatregelen vast te stellen die confiscatie mogelijk maken, gedefinieerd als tegengesteld aan die waarin artikel 4, lid 1, van die richtlijn voorziet.
85 Deze laatste bepaling heeft namelijk betrekking op de confiscatie van aan de verdachte of beklaagde toebehorende hulpmiddelen en opbrengsten of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de hulpmiddelen of opbrengsten, en die worden gebruikt voor of voortvloeien uit het strafbare feit waarvoor de verdachte of beklaagde definitief is veroordeeld [zie in die zin arresten van 21 oktober 2021, Okrazhna prokuratura – Varna, C‑845/19 en C‑863/19, EU:C:2021:864, punt 55, en 12 mei 2022, RR en JG (Bevriezing van voorwerpen van derden), C‑505/20, EU:C:2022:376, punt 50].
86 Artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 heeft daarentegen, zoals duidelijk blijkt uit overweging 15 van die richtlijn, betrekking op het geval waarin een definitieve veroordeling niet mogelijk is wegens de niet-verschijning van de verdachte of beklaagde in bepaalde omstandigheden, ten minste in gevallen van ziekte of vlucht van deze verdachte of beklaagde, maar wanneer een strafprocedure is aangevangen met betrekking tot een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, en waarin deze procedure zou kunnen hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling indien die verdachte of beklaagde in staat was geweest voor de rechter te verschijnen.
87 Hieruit volgt dat de confiscatie waarin artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 voorziet, weliswaar betrekking heeft op „hulpmiddelen” en „opbrengsten” in de zin van artikel 2, punten 1 en 3, van die richtlijn, maar dat voor deze confiscatie zelfs los van een eventuele veroordeling van de dader van het strafbare feit vereist is dat de rechter die de confiscatie gelast kan beoordelen of dat strafbare feit inderdaad is gepleegd.
88 Artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 heeft dus geen betrekking op een procedure als die in het hoofdgeding, die een snelle confiscatie mogelijk maakt, maar niet tot doel heeft het bestaan van een strafbaar feit vast te stellen.
89 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag in de zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23 worden geantwoord dat kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling die voorziet in de mogelijkheid om in het kader van een strafprocedure strekkende tot vaststelling of een persoon een strafbaar feit heeft gepleegd, op basis van gegevens uit het dossier van de strafprocedure een procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen in te leiden, wanneer deze confiscatieprocedure geen betrekking heeft op de vaststelling van dat strafbaar feit en er geen sprake is van ziekte of vlucht van de betrokkene waardoor deze niet voor de rechter kan verschijnen.
Tweede en derde vraag in de zaken C-767/22, C-49/23 en C-161/23, en vierde vraag in zaak C-49/23
90 Gelet op het antwoord op de eerste vraag in de zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23 behoeven de andere vragen in die zaken, die aan het Hof zijn gesteld voor het geval die eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, niet te worden beantwoord, onverminderd de vaststelling door de verwijzende rechter van de eventuele toepasselijkheid op het hoofdgeding van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1) of richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).
Kosten
91 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) De zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23 worden gevoegd voor het arrest.
2) Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen, en richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling die voorziet in de mogelijkheid om in het kader van een strafprocedure strekkende tot vaststelling of een persoon een strafbaar feit heeft gepleegd, op basis van gegevens uit het dossier van de strafprocedure een procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen in te leiden, wanneer deze confiscatieprocedure geen betrekking heeft op de vaststelling van dat strafbaar feit en er geen sprake is van ziekte of vlucht van de betrokkene waardoor deze niet voor de rechter kan verschijnen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Lets.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 29 juli 2024, C-112/22, ECLI:EU:C:2024:636
- HvJ EU 9 maart 2023, C-752/21, ECLI:EU:C:2023:179
- HvJ EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57
- HvJ EU 12 mei 2022, C-505/20, ECLI:EU:C:2022:376
- HvJ EU 28 oktober 2021, C-319/19, ECLI:EU:C:2021:883
- HvJ EU 21 oktober 2021, C-845/19, ECLI:EU:C:2021:864
- HvJ EU 19 maart 2020, C-234/18, ECLI:EU:C:2020:221