HvJ EU 26 februari 2026, C-381/22, ECLI:EU:C:2026:128
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
26 februari 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Inkomende luchtvrachtdiensten – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Gekwalificeerde gevolgen – Voorwaarde inzake de wezenlijkheid – Voorwaarde inzake de onmiddellijkheid – Enkele voortdurende inbreuk”
In zaak C‑381/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 juni 2022,
Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo (Japan), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis, avocat, R. Burton, solicitor, en K. Van Hove, advocaat,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Dawes en C. Urraca Caviedes als gemachtigden, bijgestaan door J. Holmes, BL,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 april 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Japan Airlines Co. Ltd om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, Japan Airlines/Commissie (T‑340/17, EU:T:2022:181; hierna: „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke verwerping van haar beroep dat primair strekte tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit haar betreft, en subsidiair tot verlaging van de haar bij dit besluit opgelegde geldboete.
Toepasselijke bepalingen
Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer
2 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer”) is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.
3 Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten. 2. De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”
4 Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) is met ingang van 5 december 2007 toepasselijk verklaard in het kader van die overeenkomst, bij besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland, opgericht bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer van 5 december 2007 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (PB 2008, L 34, blz. 19). Deze verordening heeft op die datum verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (PB 1987, L 374, blz. 1) vervangen, die sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer was opgenomen in de bijlage bij deze overeenkomst.
VWEU
5 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden, b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen, c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen, […]”
EER-Overeenkomst
6 Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.
7 Verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 411/2004 van de Raad van 26 februari 2004 (PB 2004, L 68, blz. 1), is opgenomen in de EER-Overeenkomst bij besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 tot wijziging van bijlage XIV (Mededinging), protocol 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) en protocol 23 (betreffende de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten) bij de EER-Overeenkomst (PB 2005, L 64, blz. 57), dat op 19 mei 2005 in werking is getreden, evenals bij besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER van 11 maart 2005 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) en protocol nr. 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) bij de EER-Overeenkomst (PB 2005, L 198, blz. 38), dat nog dezelfde dag in werking is getreden.
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
8 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 61 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.
9 Japan Airlines is een luchtvaartmaatschappij. Ten tijde van de feiten was Japan Airlines een dochteronderneming van Japan Airlines Corp., die door Japan Airlines werd overgenomen en waarvan zij de rechtsopvolgster is. Via een van haar afdelingen, namelijk JAL Cargo, is zij actief op de markt voor luchtvrachtdiensten.
10 In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.
Administratieve procedure
11 Op 7 december 2005 heeft de Europese Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenaamde „brandstof- en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).
12 Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.
13 Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder Japan Airlines, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 11 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.
14 Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder Japan Airlines, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Oorspronkelijk besluit
15 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder Japan Airlines.
16 In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de EER en Zwitserland.
Arresten van 16 december 2015
17 Bij arrest van 16 december 2015, Japan Airlines/Commissie (T‑36/11, EU:T:2015:992), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op Japan Airlines. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op twaalf andere vervoerders of groepen van vervoerders.
18 Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.
Litigieus besluit
19 Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.
20 Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder Japan Airlines.
21 In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.
22 In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten” heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.
23 In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij anderszins wordt vermeld.
24 Wat in dit verband haar bevoegdheid betreft, heeft de Commissie de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.
25 Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes” en, samen met de Unie-derdelandenroutes, „EER-derdelandenroutes”] en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.
26 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 „Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vliegroutes” van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, met betrekking tot de op deze routes aangeboden vrachtdiensten, „inkomende vrachtdiensten”).
27 Meer bepaald heeft de Commissie er in overweging 1045 van dat besluit op gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende hubs in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.
28 Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormden, en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.
29 Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dit besluit geoordeeld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.
30 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit geoordeeld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 [VWEU vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Daarbij heeft de Commissie in overweging 881 van het litigieuze besluit vastgesteld dat Japan Airlines betrokken was bij alle drie deze onderdelen.
31 Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.
32 Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij heeft geoordeeld dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.
33 Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.
34 Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op: – artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006, met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie; – artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes; – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER; – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes; – artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.
35 In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de inbreuk, wat Japan Airlines betrof, had geduurd van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006.
36 In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2). Zij heeft met name op basis van punt 37 van deze richtsnoeren de basisbedragen van de geldboeten met 50 % verlaagd omdat een deel van de diensten met betrekking tot de inkomende routes en de uitgaande routes vanuit de EER naar derde landen, met uitzondering van Unie-Zwitserlandroutes, buiten het door de EER-Overeenkomst bestreken grondgebied werden verricht, en een deel van de schade die was ontstaan dus wellicht buiten dat grondgebied viel. Voorts heeft de Commissie overeenkomstig punt 29 van die richtsnoeren de beschuldigde vervoerders een aanvullende verlaging van de basisbedragen van 15 % toegekend, op grond dat bepaalde reguleringsstelsels de litigieuze mededingingsregeling hadden aangemoedigd.
37 De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt: „Artikel 1 Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden: 1) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER, voor de volgende perioden: […] h) [Japan Airlines] van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006; […] 2) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden: […] h) [Japan Airlines] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; […] 3) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden: […] h) [Japan Airlines] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006; […] 4) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden: […] h) [Japan Airlines] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006; […] Artikel 3 Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd: […] h) [Japan Airlines]: 35700000 EUR; […] Artikel 4 De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
38 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 mei 2017, heeft Japan Airlines een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld, voor zover dit op haar betrekking had, en subsidiair verzocht om verlaging van de aan haar opgelegde geldboete.
39 Ter ondersteuning van haar beroep heeft Japan Airlines tien middelen tot nietigverklaring aangevoerd. Het eerste van die tien middelen was ontleend aan schending van het ne-bis-in-idembeginsel, artikel 266 VWEU en de verjaringstermijn. Het vijfde middel betrof de onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.
40 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht artikel 1, lid 1, onder h), en lid 4, onder h), van het litigieuze besluit nietig verklaard voor zover daarbij was vastgesteld dat Japan Airlines inbreuk had gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER alsmede artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland. Het Gerecht heeft namelijk geoordeeld dat de Commissie de verjaringsregels had geschonden door Japan Airlines een sanctie op te leggen voor de enkele voortdurende inbreuk met betrekking tot die routes, maar dat dit er niet toe kon leiden dat het litigieuze besluit in zijn geheel nietig moest worden verklaard, aangezien Japan Airlines niet had aangetoond dat de Commissie een fout had gemaakt door vast te stellen dat zij had deelgenomen aan die inbreuk.
41 Bovendien heeft het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van de aan Japan Airlines opgelegde geldboete vastgesteld op 28875000 EUR. Het Gerecht heeft met name opgemerkt dat Japan Airlines geen omzet had behaald op de routes waarop de nietig verklaarde bepalingen van het litigieuze besluit betrekking hadden.
Conclusies van partijen in hogere voorziening voor het Hof
42 Met haar hogere voorziening verzoekt Japan Airlines het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst van toepassing zijn op inkomende vrachtdiensten op routes tussen de EER en derde landen; – het litigieuze besluit in zijn geheel nietig te verklaren; – subsidiair, het besluit nietig te verklaren voor zover daarin wordt vastgesteld dat artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst van toepassing zijn op inkomende vrachtdiensten op routes tussen de EER en derde landen en de boete te verlagen tot 26775000 EUR of tot een ander bedrag dat het Hof passend acht, en – de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
43 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en Japan Airlines te verwijzen in de kosten, en – subsidiair, indien het Hof de hogere voorziening zou toewijzen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
Hogere voorziening
44 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Japan Airlines twee middelen aan. Met het eerste middel wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren rekwirantes middel te onderzoeken waarmee zij heeft aangevoerd dat het litigieuze besluit artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst schendt omdat de Commissie gedragingen verbiedt met betrekking tot inkomende vrachtdiensten die de mededinging binnen de EER niet beperken, en zij zich bij het vaststellen van haar Unierechtelijke bevoegdheid ten onrechte beroept op een internationaal publiekrechtelijk criterium, namelijk een criterium dat is gebaseerd op de gekwalificeerde gevolgen van mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”). Met het tweede middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, stelt rekwirante dat het Gerecht bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen teneinde vast te stellen of de Commissie bevoegd was om deze bepalingen toe te passen op inkomende vrachtdiensten, artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft geschonden.
Eerste middel, betreffende het criterium op basis waarvan de bevoegdheid van de Commissie kan worden vastgesteld met betrekking tot inkomende vrachtdiensten
Argumenten van partijen
45 Met haar eerste middel voert Japan Airlines aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren het eerste onderdeel van het vijfde middel in eerste aanleg te onderzoeken, waarmee zij is opgekomen tegen de vaststelling van de Commissie dat de toepassing van artikel 101 VWEU op gedragingen met betrekking tot inkomende routes voldeed aan het criterium van de plaats van uitvoering van de mededingingsverstorende praktijken (hierna: „uitvoeringscriterium”).
46 Het Gerecht heeft dit in punt 79 van het bestreden arrest gemotiveerd door te verklaren dat het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen twee alternatieven vormen die krachtens het internationaal recht als grondslag kunnen dienen voor de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU toe te passen. Aangezien het Gerecht in punt 165 van dat arrest heeft aangenomen dat was voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, heeft het geoordeeld dat niet hoefde te worden ingegaan op rekwirantes argumenten waarmee zij aanvoerde dat de Commissie het uitvoeringscriterium onjuist had toegepast in het litigieuze besluit.
47 Deze motivering geeft blijk van twee onjuiste rechtsopvattingen. In de eerste plaats – anders dan het Gerecht impliciet heeft vastgesteld – steunt het in het eerste onderdeel van het vijfde middel in eerste aanleg aangevoerde argument dat is ontleend aan het uitvoeringscriterium niet op het internationaal publiekrecht maar uitsluitend op het Unierecht, namelijk op het in artikel 101 VWEU genoemde vereiste dat de betrokken gedraging de mededinging beperkt „binnen de interne markt”. De vaststelling door het Gerecht dat de Commissie naar internationaal publiekrecht bevoegd zou zijn om een besluit vast te stellen met betrekking tot de inkomende routes, kon het Gerecht niet ontslaan van de verplichting om rekwirantes argument te onderzoeken dat de Commissie geen Unierechtelijke bevoegdheid had om een dergelijk besluit vast te stellen.
48 In de tweede plaats lijdt het geen twijfel dat het begrip „gekwalificeerde gevolgen” een begrip van internationaal publiekrecht is. Dit geldt evenwel niet voor het begrip „uitvoering”, dat een Unierechtelijk begrip is dat door het Hof is ontwikkeld in het arrest van 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85‑129/85, EU:C:1988:447), op basis van een analyse van de bewoordingen van artikel 85 EEG en meer bepaald van het vereiste dat de mededinging wordt beperkt „binnen de interne markt”. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat het voor de toepassing van artikel 85 EEG (thans artikel 101 VWEU) niet van belang was of de prijsovereenkomst al dan niet in een derde land was gesloten, zolang de overeenkomst betrekking had op prijzen die in rekening werden gebracht aan afnemers in de Europese Gemeenschap of, met andere woorden, zolang de overeenkomst in de Europese Gemeenschap werd toegepast. Het uitvoeringscriterium is evenwel geen begrip van internationaal publiekrecht enkel en alleen omdat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat deze afbakening van de territoriale werkingssfeer van artikel 85 EEG gedekt was door „het in het internationaal publiekrecht algemeen aanvaarde territorialiteitsbeginsel”.
49 Het onderzoek van het internationaal publiekrecht is weliswaar kennelijk relevant wanneer wordt aangevoerd dat een instelling van de Unie internationaalrechtelijk niet bevoegd is om een bepaalde handeling vast te stellen, maar wanneer wordt betoogd dat een instelling van de Unie Unierechtelijk niet bevoegd is om een handeling vast stellen, is een onderzoek van het internationaal publiekrecht overbodig.
50 Wanneer wordt vastgesteld dat artikel 101 VWEU de Commissie geen bevoegdheid verleende om een maatregel vast te stellen met betrekking tot een gedraging die inkomende routes betrof omdat er geen vrachtdiensten werden verkocht aan in de EER gevestigde klanten, doet het enkele feit dat een dergelijke maatregel mogelijk zou zijn krachtens het internationaal publiekrecht, geen afbreuk aan die vaststelling. In casu heeft het Gerecht zijn vaststelling dat de Commissie bevoegd is om een gedraging te bestraffen die niet voldoet aan een essentiële voorwaarde om binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU te vallen, namelijk de vaststelling dat die gedraging de mededinging beperkt op de markt voor luchtvrachtdiensten binnen de interne markt, evenwel gebaseerd op het internationaal publiekrecht. Het Gerecht heeft dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de werkingssfeer van artikel 101 VWEU kan worden uitgebreid door het internationaal publiekrecht.
51 Anders dan wat het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest heeft verklaard, heeft Japan Airlines nooit betoogd dat „het criterium van de gekwalificeerde gevolgen is verankerd in de bewoordingen van artikel 101 VWEU”. Zij heeft integendeel in punt 31 van haar memorie van repliek voor het Gerecht erop gewezen dat „het begrip gekwalificeerde gevolgen niet kan prevaleren boven de duidelijke bewoordingen van artikel 101 VWEU, dat alleen overeenkomsten verbiedt die de mededinging ‚binnen de interne markt’ beperken”.
52 De Commissie betwist dit betoog.
Beoordeling door het Hof
53 In zijn arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), heeft het Hof – naar aanleiding van een middel waarmee het Gerecht werd verweten te hebben geoordeeld dat de bevoegdheid van de Commissie om krachtens artikel 102 VWEU een gedraging die buiten de Unie heeft plaatsgevonden vast te stellen en te bestraffen, volgens de regels van het internationaal publiekrecht kon worden vastgesteld aan de hand van het uitvoeringscriterium dan wel aan de hand van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen – in punt 46 van dat arrest geoordeeld dat het enkele criterium van de gekwalificeerde gevolgen als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie.
54 Het Hof is tot deze slotsom gekomen nadat het in de punten 42 en 45 van dat arrest erop heeft gewezen dat, ten eerste, de in de artikelen 101 en 102 VWEU vervatte mededingingsregels van de Unie tot doel hebben collectieve en eenzijdige gedragingen van ondernemingen aan te pakken die de mededinging binnen de interne markt beperken en, ten tweede, het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hetzelfde doel nastreven, namelijk gedragingen aanpakken die inderdaad niet op het grondgebied van de Unie hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie.
55 Hieruit volgt dat het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen alternatieven zijn en dat slechts één van die criteria op zich volstaat om volgens de regels van het internationaal publiekrecht te rechtvaardigen dat de Commissie bevoegd is om het mededingingsrecht van de Unie toe te passen op een gedraging die buiten de Unie heeft plaatsgevonden.
56 Ten eerste stelt Japan Airlines dan ook ten onrechte dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 93 van het bestreden arrest te oordelen dat aan de hand van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kan worden vastgesteld dat de Commissie bevoegd is om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op mededingingsverstorende gedragingen buiten het grondgebied van de Unie of de EER en, bijgevolg, dat zij zich op dat criterium kon baseren om vast te stellen dat zij bevoegd was om kennis te nemen van de litigieuze mededingingsregeling voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten.
57 Ten tweede volgt hieruit dat Japan Airlines eveneens ten onrechte aanvoert dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 79 van het bestreden arrest te oordelen dat dit criterium een alternatief was voor het uitvoeringscriterium, en door vervolgens in punt 165 van dat arrest te verklaren dat het betoog van Japan Airlines inzake fouten bij de toepassing van het uitvoeringscriterium niet meer hoefde te worden onderzocht, aangezien het had vastgesteld dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat het voorzienbaar was dat de litigieuze gedraging een wezenlijk en onmiddellijk gevolg in de EER zou hebben. De bevoegdheid van de Commissie om op grond van het Unierecht een gedraging buiten de Unie of de EER aan te pakken kan immers zelfs worden vastgesteld wanneer niet is aangetoond dat de betrokken overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
58 Ten derde is het argument van Japan Airlines dat zij – anders dan in punt 100 van het bestreden arrest is aangegeven – nooit heeft beweerd dat „het criterium van de gekwalificeerde gevolgen is verankerd in de bewoordingen van artikel 101 VWEU”, niet ter zake dienend. Zelfs indien het Gerecht een dergelijk argument ten onrechte aan Japan Airlines zou hebben toegerekend, zou dit namelijk geen gevolgen hebben voor de conclusie in de twee voorgaande punten betreffende de belangrijkste premisse waarop het onderhavige middel van Japan Airlines is gebaseerd, namelijk dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen en het uitvoeringscriterium geen alternatieve criteria zijn.
59 Bijgevolg moet het eerste middel van de hogere voorziening gedeeltelijk niet ter zake dienend en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
Tweede middel, betreffende de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen alsmede de toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vrachtdiensten
60 Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat, aangezien de Commissie had vastgesteld dat de betrokken gedraging op de inkomende routes deel uitmaakte van een globale mededingingsregeling die de uitgaande routes omvatte, het gevolg van het wereldwijde kartel binnen de EER volstond om te voldoen aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Met het tweede onderdeel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door het criterium van de gekwalificeerde gevolgen toe te passen op de afzonderlijke gedragingen met betrekking tot de inkomende routes.
61 Dit tweede onderdeel dient eerst te worden onderzocht.
Tweede onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen bij de analyse van de gekwalificeerde gevolgen
– Argumenten van partijen
62 In de eerste plaats voert Japan Airlines aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een beperking naar strekking op zich relevante gevolgen heeft om het criterium van de gekwalificeerde gevolgen te kunnen toepassen, en door dit juridische criterium hoe dan ook toe te passen voor zijn vaststelling dat er sprake was van een mededingingsbeperking naar strekking.
63 In dit verband heeft het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de Commissie in de omstandigheden van het geval, zodra zij de gedraging als mededingingsbeperking naar strekking had aangemerkt, niet meer hoefde aan te tonen dat de gedraging gekwalificeerde gevolgen had binnen de EER. Op basis van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632) heeft het Gerecht verklaard dat niet hoefde te worden vastgesteld dat de litigieuze gedraging daadwerkelijk mededingingsverstorende gevolgen had binnen de EER, maar dat het volstond om rekening te houden met de waarschijnlijke gevolgen ervan. Het Gerecht heeft evenwel in essentie geoordeeld dat mededingingsbeperkingen naar strekking per definitie waarschijnlijke gevolgen hebben voor de mededinging binnen de EER.
64 Uit de rechtspraak van het Hof volgt echter dat een gedraging reeds als een beperking naar strekking kan worden aangemerkt zodra deze geschikt of voorbestemd is om negatieve gevolgen voor de mededinging teweeg te brengen. Dit is een aanzienlijk minder streng juridisch criterium dan dat van de gekwalificeerde gevolgen.
65 Voorts voert Japan Airlines aan dat het Gerecht in punt 104 van het bestreden arrest hoe dan ook ten onrechte heeft vastgesteld, en dit zonder nader onderzoek, dat de buiten de EER verrichte en uitgevoerde gedraging met betrekking tot buiten de EER verkochte diensten, de mededinging op de interne markt voldoende beperkte om als een mededingingsbeperking naar strekking te worden beschouwd. Uit de rechtspraak volgt duidelijk dat, om te beoordelen of een gedraging als een mededingingsbeperking naar strekking kan worden aangemerkt, per geval en rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval, moet worden nagegaan of de gedraging de mededinging binnen de EER beperkt. Hieruit volgt dat ook moet worden beoordeeld of er een causaal verband bestaat tussen de gedraging en de vermeende mededingingsverstorende gevolgen binnen de EER. Het Gerecht heeft echter slechts de conclusie van de Commissie bevestigd dat de gedraging op de inkomende routes als een beperking naar strekking kon worden aangemerkt, zonder daarbij de omstandigheden van de zaak volledig te beoordelen, in het bijzonder het feit dat de gedraging buiten de EER is verricht en uitgevoerd met betrekking tot buiten de EER verkochte diensten.
66 Japan Airlines merkt in dit verband op dat niet kan worden aangenomen dat een gedraging die buiten de EER is verricht en uitgevoerd met betrekking tot buiten de EER verkochte diensten – ook al impliceert deze gedraging een coördinatie van onderdelen van de prijs – binnen de interne markt voldoende mededingingsverstorende gevolgen heeft om die gedraging als een mededingingsbeperking naar strekking te kunnen aanmerken. Veeleer zouden de gevolgen van een dergelijke gedraging moeten worden vastgesteld, of op zijn minst zou moeten worden aangetoond dat die gedraging een voldoende mededingingsverstorend effect binnen de interne markt kan hebben.
67 Naar analogie heeft het Hof in het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173, punten 20 en 21), geoordeeld dat een uitvoerverbod naar de Unie vanuit een land buiten de Unie geen mededingingsbeperking naar strekking vormde, terwijl hetzelfde uitvoerverbod tussen lidstaten van de Unie wel degelijk een dergelijke beperking vormde. Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat een verbod op uitvoer vanuit een derde land alleen binnen de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU kon vallen indien op basis van een beoordeling van alle omstandigheden van het geval vaststond dat het betrokken beding binnen de Unie voldoende mededingingsbeperkende gevolgen had. Uit deze rechtspraak komt duidelijk naar voren dat een gedraging die een beperking naar strekking vormt wanneer zij binnen de Unie wordt waargenomen, niet onder artikel 101, lid 1, VWEU valt wanneer zij buiten de EER wordt waargenomen, tenzij uit een beoordeling van alle omstandigheden van het geval blijkt dat die gedraging binnen de Unie voldoende mededingingsverstorende gevolgen heeft gehad. Met andere woorden, een beperking naar strekking wordt een beperking naar gevolg wanneer zij in een extraterritoriale context plaatsvindt. De Commissie heeft in punt 917 van het litigieuze besluit uitdrukkelijk verklaard dat zij de mededingingsverstorende gevolgen niet had beoordeeld. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 104 van het bestreden arrest niet te erkennen dat het ontbreken van die beoordeling relevant was.
68 In de tweede plaats voert Japan Airlines aan dat het Gerecht bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hoe dan ook ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie had voldaan aan dat criterium, waarbij het is uitgegaan van een motivering en bewijzen waarop de Commissie zich niet had gebaseerd in het litigieuze besluit. Daardoor heeft het Gerecht de bewijslast omgekeerd.
69 De Commissie heeft in overweging 1045 van het litigieuze besluit de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen gerechtvaardigd in één zin. Het Gerecht heeft daarentegen in de punten 116 tot en met 153 van het bestreden arrest in detail zijn eigen motivering met betrekking tot de voorwaarden inzake de voorzienbaarheid, de wezenlijkheid en de onmiddellijkheid uiteengezet, teneinde de toepassing van dit criterium te rechtvaardigen. Aldus heeft het Gerecht zijn eigen motivering in de plaats gesteld van die van de Commissie en derhalve op meerdere punten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting alsook de rechten van verdediging van Japan Airlines geschonden.
70 Bovendien heeft het Gerecht de bewijslast omgekeerd, om te beginnen in het kader van het onderzoek van de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid, door ten eerste in punt 121 van het bestreden arrest op te merken dat Japan Airlines niet had aangetoond dat een „waterbedeffect” zo waarschijnlijk was dat het betrokken gevolg niet viel te verwachten, en door ten tweede in punt 125 van dat arrest te verklaren dat Japan Airlines geen gegevens had aangevoerd waaruit bleek dat de omstandigheden van de onderhavige zaak niet bevorderden dat de extra kosten die voortvloeiden uit de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes op de verzenders zouden worden afgewenteld. Bovendien heeft het Gerecht de bewijslast omgekeerd in het kader van het onderzoek van de voorwaarde inzake de wezenlijkheid, door in punt 140 van dat arrest te verklaren dat Japan Airlines alleen met een bewering betwistte dat de prijs van de vrachtdiensten een belangrijk deel van de kosten van de vervoerde goederen vormde en dit invloed had op de verkoop van die goederen. Het is echter niet aan Japan Airlines om aan te tonen dat de Commissie bevoegd is.
71 In de derde plaats betoogt Japan Airlines dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de voorwaarden inzake wezenlijkheid en onmiddellijkheid.
72 Zij voert in dit verband allereerst aan dat het Gerecht de voorwaarde inzake wezenlijkheid onjuist heeft toegepast, aangezien de elementen waarop het zich in de punten 132 tot en met 142 van het bestreden arrest heeft gebaseerd, betrekking hebben op het wezenlijke karakter van de gedraging op de inkomende routes in Japan en niet binnen de EER. De omstandigheden waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd, namelijk de duur, de omvang en de aard van de gedraging alsmede het evenredige bedrag van de toeslagen en het gecombineerde marktaandeel van de adressaten van het litigieuze besluit, zijn relevant om te beoordelen of de gedraging wezenlijke gevolgen heeft voor de prijs van luchtvrachtdiensten in Japan. Bij zijn beoordeling heeft het Gerecht echter geen rekening gehouden met het feit dat elk gevolg van de betrokken gedraging binnen de EER zich volgens zijn eigen motivering in de punten 120 tot en met 130 van het bestreden arrest ten minste twee niveaus downstream van de in Japan waargenomen gedraging voordoet, waardoor het wezenlijke karakter van het aldus onderzochte gevolg vervaagt.
73 Wat vervolgens de voorwaarde inzake onmiddellijkheid betreft, stelt Japan Airlines dat de benadering van het Gerecht in de punten 144 tot en met 146 van het bestreden arrest deze voorwaarde geheel uitholt, aangezien die benadering erop neerkomt dat de handelwijze van onafhankelijke derden bij de beslissing om een stijging van de kosten al dan niet door te berekenen, niet volstaat om de causaliteitsketen te doorbreken. Een dergelijke benadering leidt tot een uiterst ruime toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, waardoor vrijwel elke gedraging aan dat criterium zou voldoen, ook wanneer een product door meerdere tussenpersonen wordt verkocht voordat het in de EER in de handel wordt gebracht. Opdat de voorwaarde inzake onmiddellijkheid haar relevantie behoudt, is het noodzakelijk dat gevolgen die zo ver verwijderd zijn als die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.
74 Volgens de Commissie is dit tweede onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
75 In de eerste plaats zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat in het geval van een gedraging waarvan de Commissie, zoals in het onderhavige geval, heeft vastgesteld dat de mededinging op de interne markt of binnen de EER daardoor zodanig nadelig wordt beïnvloed dat die gedraging als mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst kan worden aangemerkt, aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als mededingingsbeperking „naar gevolg” in de zin van deze bepalingen.
76 Evenzo heeft het Gerecht in punt 103 van dat arrest verklaard dat een uitlegging van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen waarbij, zelfs als er sprake is van een mededingingsbeperking „naar strekking”, de concrete gevolgen van de litigieuze gedraging moeten worden bewezen, zoals Japan Airlines lijkt te bepleiten, erop neer zou komen dat de bevoegdheid van de Commissie om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen, wordt onderworpen aan een voorwaarde die niet gebaseerd is op de bewoordingen van die bepalingen.
77 Het Gerecht heeft daaruit in punt 104 van dat arrest ten eerste afgeleid dat Japan Airlines de Commissie niet met recht kon verwijten dat zij een fout had begaan door te oordelen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, ook al had zij in de overwegingen 917, 1190 en 1277 van het litigieuze besluit aangegeven dat zij geen beoordeling van de mededingingsverstorende gevolgen van de litigieuze gedraging hoefde te verrichten gelet op de mededingingsverstorende strekking ervan, en ten tweede dat Japan Airlines evenmin uit die overwegingen kon afleiden dat de Commissie met het oog op de toepassing van dat criterium geen enkele analyse had verricht van de gevolgen van die gedraging op de interne markt of binnen de EER.
78 In de tweede plaats geven de in dat punt 104 uiteengezette overwegingen reeds aan dat uit deze door Japan Airlines betwiste punten echter niet kakn worden afgeleid dat het Gerecht, om aan te tonen dat in casu aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, heeft geoordeeld dat het volstond dat de litigieuze mededingingsregeling als mededingingsbeperking naar strekking kon worden aangemerkt.
79 Uit de punten 95 tot en met 115 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt namelijk dat het Gerecht in die betwiste punten enkel het betoog van Japan Airlines dat aan het einde van punt 82 van dat arrest is samengevat, van de hand heeft gewezen. Zo heeft het in die punten uiteengezet waarom Japan Airlines ten onrechte stelde dat het feit dat de Commissie in de overwegingen van het litigieuze besluit die betrekking hadden op de kwalificatie van de betrokken mededingingsbeperking – wat overweging 917 ervan betreft – en op de berekening van de geldboete – wat de overwegingen 1190 en 1277 ervan betreft – had aangegeven dat zij de werkelijke mededingingsverstorende gevolgen niet hoefde te onderzoeken omdat de mededingingsverstorende strekking van de verweten gedragingen vaststond, betekende dat de Commissie wegens deze mededingingsverstorende strekking niet had beoordeeld of die gedragingen de vereiste gekwalificeerde gevolgen hadden gehad teneinde vast te stellen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.
80 Ten eerste heeft het Gerecht echter geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in essentie te antwoorden dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag dient voor de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie, verschilt van de vraag of de litigieuze mededingingsregeling kan worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het internationaal publiekrecht – voor de extraterritoriale toepassing van de mededingingsregels van de Unie en van de EER, niet samen met het materiële criterium van de mededingingsbeperking, naar strekking of naar gevolg, op de interne markt van de Unie of binnen de EER, waaraan de bevoegdheid van de Commissie – naar Unierecht – voor de vaststelling en de bestraffing van een inbreuk op deze mededingingsregels onderworpen is.
81 Ten tweede is het Gerecht op de vraag of de Commissie terecht had geoordeeld dat in casu aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, ingegaan in de punten 115 tot en met 153 van het bestreden arrest voor wat de coördinatie van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd betreft en in de punten 154 tot en met 164 van dit arrest, wat de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd betreft.
82 Derhalve leest Japan Airlines het bestreden arrest onjuist wanneer zij stelt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat, om op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen vast te stellen dat de Commissie bevoegd is om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op gedragingen die buiten het grondgebied van de EER hebben plaatsgevonden, het bewijs van dergelijke gevolgen achterwege kon worden gelaten wanneer die gedragingen als mededingingsbeperking naar strekking kunnen worden aangemerkt.
83 Bijgevolg is het in de punten 62 tot en met 64 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog ongegrond en moet het worden afgewezen. Hetzelfde geldt dan eveneens voor het betoog in de punten 65 tot en met 67 van dat arrest, aangezien dat betoog berust op de premisse dat het Gerecht in de betwiste punten van het bestreden arrest de litigieuze mededingingsregeling ten onrechte als mededingingsbeperking naar strekking heeft aangemerkt, terwijl het Gerecht zich in die punten – zoals uit de voorgaande analyse naar voren komt – daarover niet heeft uitgesproken maar slechts de overwegingen heeft herhaald die de Commissie in het litigieuze besluit heeft uiteengezet met betrekking tot de kwalificatie van de inbreuk en de berekening van de geldboete. Overigens heeft Japan Airlines voor het Gerecht zelfs niet aangevoerd dat een dergelijke kwalificatie van de litigieuze mededingingsregeling in het litigieuze besluit onjuist was.
84 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak blijkt dat de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU betrekking heeft op alle aspecten van de in procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, die door het Gerecht grondig, zowel juridisch als feitelijk, worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door deze laatste verstrekte informatie. De rechterlijke instanties van de Unie kunnen in het kader van die toetsing echter in geen geval hun eigen motivering in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (arrest van 4 juli 2024, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑70/23 P, EU:C:2024:580, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 Het Gerecht kan dus niet met een eigen motivering een hiaat in de motivering van de bestreden handeling wegwerken op een zodanige manier dat zijn onderzoek niet aansluit bij enig oordeel in de handeling (arrest van 18 juli 2013, UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 Wanneer het Gerecht echter enkel antwoordt op het aangevoerde betoog en daarbij de motivering van de bestreden handeling toelicht, kan niet worden geoordeeld dat het zijn eigen motivering in de plaats stelt van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 56, en 23 november 2023, Ryanair/Commissie, C‑209/21 P, EU:C:2023:905, punt 49).
87 Zoals blijkt uit de punten 89 en 105 van het bestreden arrest, bevatte in casu de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit, zij het beknopt, de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie haar extraterritoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het zijn immers deze elementen die, gelezen in het licht van de andere relevante overwegingen van dat besluit waarnaar in de punten 110, 118 tot en met 121, 124, 127, 135 tot en met 137, 140 en 141 van het bestreden arrest wordt verwezen, het Gerecht in staat hebben gesteld na te gaan of de Commissie het bestaan van dergelijke gevolgen daadwerkelijk had aangetoond. Bovendien blijkt uit de punten 95 tot en met 153 van het bestreden arrest dat het Gerecht er zich in die punten toe heeft beperkt te antwoorden op het betoog van Japan Airlines, de motivering van het litigieuze besluit toe te lichten en meer in het bijzonder bepaalde aanwijzingen af te leiden uit de in dat besluit opgenomen informatie. Gelet op de in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak is de vermeende vervanging van de motivering, wat die punten 95 tot en met 153 betreft, dus niet aangetoond.
88 Wat daarnaast de gestelde schending van de rechten van verdediging betreft, kan worden volstaan met de opmerking dat het Gerecht – anders dan Japan Airlines betoogt – de motivering niet heeft vervangen door zich te baseren op een betoog dat de Commissie in de loop van de procedure had aangevoerd, maar daarentegen in het bestreden arrest de elementen van de redenering in het litigieuze besluit heeft overgenomen, zodat Japan Airlines het Gerecht niet op goede gronden kan verwijten dat het zich heeft gebaseerd op rechtspraak en een analyse waarover zij haar standpunt niet kenbaar heeft kunnen maken.
89 Wat verder de gestelde omkering van de bewijslast betreft, zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak aan de Commissie staat om de bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam aantonen dat de feiten die een inbreuk op het mededingingsrecht vormen, zijn gepleegd. Het is evenwel aan de onderneming die tegen de vaststelling van een dergelijke inbreuk een verweermiddel aanvoert, om aan te tonen dat dit verweermiddel moet worden aanvaard. Zelfs indien de bewijslast volgens die beginselen op de Commissie of de betrokken onderneming rust, kunnen de door een partij aangevoerde feiten evenwel van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij gebreke waarvan mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90 Deze rechtspraak is gebaseerd op de algemene regels inzake de bewijsvoering en kan worden toegepast op de situatie waarin de Commissie moet aantonen dat zij territoriaal bevoegd is ten aanzien van gedragingen die buiten het grondgebied van de Unie of de EER zijn ontstaan.
91 Met betrekking tot de grief inzake punt 121 van het bestreden arrest zij erop gewezen dat het Gerecht in dat punt heeft opgemerkt dat, zoals bleek uit overweging 17 van het litigieuze besluit, de prijs van vrachtdiensten bestond uit tarieven en toeslagen, waaronder de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag, en dat het voor de hand lag dat een verhoging van deze toeslagen in beginsel een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zou hebben, tenzij ervan werd uitgegaan dat een dergelijke verhoging door het „waterbedeffect” waarschijnlijk zou worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van deze tarieven en andere toeslagen. Het heeft daar weliswaar aan toegevoegd dat Japan Airlines niet had aangetoond dat dit „waterbedeffect” zo waarschijnlijk was dat er geen gevolgen voor de prijzen van de ingevoerde goederen vielen te verwachten. Deze vaststelling volgt evenwel op een analyse, in de punten 118 tot en met 120 en in de eerste volzin van punt 121 van het bestreden arrest, waaruit het Gerecht heeft afgeleid dat het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de horizontale vaststelling van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zouden hebben.
92 Het is dus pas na het litigieuze besluit te hebben beoordeeld en te hebben vastgesteld dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat een dergelijke verhoging voorzienbaar was, dat het Gerecht heeft onderzocht of Japan Airlines elementen had aangevoerd op grond waarvan deze vaststelling kon worden weerlegd. Derhalve heeft het Gerecht de bewijslast niet omgekeerd door te oordelen dat het aan Japan Airlines was om het tegenbewijs te leveren teneinde die vaststellingen te weerleggen. Bijgevolg moet de grief betreffende punt 121 van het bestreden arrest ongegrond worden verklaard.
93 Wat de grief inzake punt 125 van het bestreden arrest betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft verklaard dat Japan Airlines geen gegevens had aangevoerd waaruit bleek dat de omstandigheden van de onderhavige zaak niet bevorderden dat de extra kosten die voortvloeiden uit de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes op de verzenders zouden worden afgewenteld. Net daarvoor had het Gerecht in de punten 118 tot en met 122 van dat arrest allereerst vastgesteld dat uit verschillende elementen in het litigieuze besluit bleek dat de partijen bij de litigieuze mededingingsregeling redelijkerwijs hadden kunnen voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten, zou leiden tot een stijging van de prijs voor vrachtdiensten op de inkomende routes. Daarna had het in punt 123 van dat arrest opgemerkt dat derhalve de vraag moest worden beantwoord of de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de expediteurs dergelijke extra kosten zouden doorberekenen aan hun eigen klanten, dat wil zeggen de verzenders. In dit verband had het Gerecht in punt 124 van dat arrest vastgesteld dat uit de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van vrachtdiensten voor de expediteurs een productiefactor vormt en dat het gaat om een variabele kost, waarvan de stijging in beginsel leidt tot hogere marginale kosten op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepalen.
94 Aangezien het Gerecht eerst had vastgesteld dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat er sprake was van de in de punten 118 tot en met 124 van het bestreden arrest genoemde omstandigheden, kan dan ook niet worden geoordeeld dat het Gerecht met zijn vaststelling in punt 125 van het bestreden arrest ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. Bijgevolg moet de grief betreffende bedoeld punt 125 ongegrond worden verklaard.
95 Wat de grief inzake punt 140 van het bestreden arrest betreft, volstaat het vast te stellen dat pas na te hebben opgemerkt dat uit overweging 1031 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van de vrachtdiensten een belangrijk deel van de kosten van de vervoerde goederen vormde en dit invloed had op de verkoop van die goederen, het Gerecht heeft verklaard dat Japan Airlines dit louter betwistte door iets anders te zeggen. Bijgevolg moet de grief betreffende bedoeld punt 140 ongegrond worden verklaard.
96 Dientengevolge is het in de punten 68 en 70 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog ongegrond en moet het worden afgewezen.
97 In de derde plaats moet eraan worden herinnerd dat de hogere voorziening op grond van artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen.
98 Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof krachtens artikel 256 VWEU dus enkel bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 21, en 11 januari 2024, Planistat Europe en Charlot/Commissie, C‑363/22 P, EU:C:2024:20, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
99 Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijzen te beoordelen. Wanneer deze bewijzen volgens de ter zake geldende regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen alsook de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 22, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 In casu verwijt Japan Airlines het Gerecht, om te beginnen, dat het een aantal omstandigheden in aanmerking heeft genomen om te beoordelen of het wezenlijke karakter van de gevolgen voor de prijzen van de ingevoerde goederen was aangetoond, terwijl deze omstandigheden wijzen op het wezenlijke karakter van die gekwalificeerde gevolgen in Japan, maar niet in de EER.
101 Japan Airlines betwist daarmee de vaststellingen van het Gerecht in de punten 132 tot en met 142 van het bestreden arrest. In die punten heeft het Gerecht slechts de feiten uiteengezet en beoordeeld zoals die naar voren kwamen in de overwegingen 1146, 1215, 1217, 889 en 1030 van het litigieuze besluit met betrekking tot de duur, de omvang en de aard van de inbreuk, alsmede ten overvloede bleken uit de overwegingen 1031 en 1209 van dat besluit en uit bepaalde bewijzen met betrekking tot het aandeel van de toeslagen in de totale prijs van de vrachtdiensten en het gecumuleerde marktaandeel van de beschuldigde vervoerders.
102 Vastgesteld moet dus worden dat Japan Airlines, voor zover zij aanvoert dat aan de hand van deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van wezenlijke gevolgen binnen de EER, met dit betoog het Hof verzoekt om opnieuw de feiten te beoordelen die het Gerecht in die punten 132 tot en met 142 reeds heeft beoordeeld, iets waartoe het Hof overeenkomstig de in punt 99 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet bevoegd is in hogere voorziening, aangezien er geen onjuiste opvatting van die feiten wordt aangevoerd. Bijgevolg moet dit betoog niet-ontvankelijk worden verklaard.
103 Wat voor het overige de voorwaarde inzake onmiddellijkheid betreft, volstaat het vast te stellen dat het betoog van Japan Airlines waarmee zij het Gerecht verwijt dat het deze voorwaarde in de punten 144 tot en met 146 van het bestreden arrest ruim heeft toegepast, op een onjuiste lezing van die punten berust en derhalve als ongegrond moet worden afgewezen. Anders dan Japan Airlines suggereert, heeft het Gerecht namelijk geenszins uitgesloten dat de handelwijze van onafhankelijke derden bij de beslissing om een stijging van de kosten al dan niet door te berekenen, de causaliteitsketen kan doorbreken, maar heeft het geoordeeld – zoals met name blijkt uit punt 146 van dat arrest – dat die keten niet wordt doorbroken wanneer die handelwijze volgens de normale werking van de markt objectief voortvloeit uit de betrokken mededingingsregeling. Japan Airlines voert echter niet aan dat deze beoordeling blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
104 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond worden verklaard.
Eerste onderdeel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de gevolgen van het wereldwijde kartel binnen de EER volstonden om te voldoen aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen
– Argumenten van partijen
105 Japan Airlines stelt in de eerste plaats dat om in casu vast te stellen of de Commissie bevoegd is, elk onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk afzonderlijk binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU moet vallen.
106 De punten 154 tot en met 157 van het bestreden arrest houden evenwel in dat het voor de bevoegdheid van de Commissie volstaat dat zij vaststelt dat een gedraging die buiten de EER ten uitvoer wordt gelegd en die afzonderlijk beschouwd geen gevolgen heeft in de EER, deel uitmaakt van dezelfde enkele voortdurende inbreuk als een gedraging die binnen de EER ten uitvoer wordt gelegd of aldaar gevolgen heeft. De door het Gerecht voorgestelde benadering zou de Commissie in staat stellen om door de toepassing van het criterium van de enkele voortdurende inbreuk haar bevoegdheid uit te breiden tot gedragingen die materieel niet binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU vallen. Dit zou haar een potentieel onbeperkte bevoegdheid kunnen verlenen met betrekking tot gedragingen die overal ter wereld plaatsvinden, mits zij van mening is dat een bepaalde gedraging deel uitmaakt van één enkele voortdurende inbreuk, waarvan bepaalde onderdelen – maar niet alle – gevolgen hebben binnen de EER.
107 Volgens Japan Airlines moet elk onderdeel van één enkele voortdurende inbreuk afzonderlijk beschouwd een schending van artikel 101 VWEU kunnen vormen. Dit is met name van belang in situaties zoals die in de onderhavige zaak, waarin de gedraging met betrekking tot de inkomende routes, die erin bestaat dat toeslagen worden vastgesteld op vluchten vanaf een luchthaven buiten de EER – in het geval van Japan Airlines in Japan – ten eerste, niet samenhing met de gedraging met betrekking tot de uitgaande routes, die erin bestaat dat toeslagen worden vastgesteld voor vluchten vanaf een luchthaven in de EER, ten tweede, volledig buiten de EER ten uitvoer is gelegd, ten derde, afzonderlijk beschouwd geen gevolgen binnen de EER had en, ten vierde, dus een afzonderlijke gedraging vormde die moet worden onderscheiden van de gedraging op de uitgaande routes. Het begrip „enkele voortdurende inbreuk” kan niet worden gebruikt om de grenzen van de aan de Commissie verleende bevoegdheden te omzeilen of om de werkingssfeer van artikel 101 VWEU uit te breiden tot gedragingen die op zich niet onder de bevoegdheid van de Commissie vallen of niet voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepaling.
108 In de tweede plaats voert Japan Airlines aan dat het Gerecht in de punten 158 tot en met 164 van het bestreden arrest hoe dan ook ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie op goede gronden had vastgesteld dat de gedraging op de inkomende routes, waaraan deze vervoerder had deelgenomen, één enkele voortdurende inbreuk vormde met de gedraging op de uitgaande routes, zonder vooraf aan te tonen dat de gedraging op de inkomende routes voldoende verband hield met de EER om naar behoren te kunnen worden beschouwd als een gedraging die hetzelfde doel nastreefde als de gedraging op de uitgaande routes. Een dergelijke uitlegging zou de Commissie namelijk in staat stellen ervan uit te gaan dat de coördinatie van de toeslagen voor vluchten tussen Japan en de Verenigde Staten inbreuk maakt op artikel 101 VWEU op de enkele grond dat daarmee hetzelfde doel wordt nagestreefd als de coördinatie op de EER-derdelandenroutes, die erop gericht is de mededinging overal ter wereld te beperken.
109 Japan Airlines betoogt dat elk onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk het doel moet hebben de mededinging binnen de EER te beperken. In casu had de gedraging van Japan Airlines op de inkomende routes kennelijk een ander doel dan de gedraging op de uitgaande routes, aangezien haar gedraging op de inkomende routes betrekking had op de mededinging op de Japanse markt. In dit verband heeft het Gerecht in punt 158 van het bestreden arrest ten onrechte aangegeven dat Japan Airlines niet betwistte dat de gedraging op de inkomende routes deel uitmaakte van de in het litigieuze besluit vastgestelde enkele voortdurende inbreuk. Japan Airlines stelde in feite dat haar gedraging zelfs geen inbreuk kon vormen, aangezien die gedraging niet binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU viel en zij de mededinging binnen de EER niet had belemmerd.
110 De Commissie stelt dat dit onderdeel ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
111 Opgemerkt moet worden dat Japan Airlines met haar vijfde middel voor het Gerecht enkel de bevoegdheid van de Commissie betwistte om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de betrokken gedragingen voor zover deze betrekking hadden op inkomende vrachtdiensten. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 153 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie ten aanzien van de coördinatie op het gebied van de inkomende vrachtdiensten, afzonderlijk beschouwd, terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, zodat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de betrokken gedragingen, voor zover deze werden betwist, vaststond. Bijgevolg was het voor het Gerecht overbodig om in de punten 154 tot en met 164 van het bestreden arrest te onderzoeken of de Commissie, teneinde aan te tonen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op de betrokken gedragingen toe te passen, in overweging 1046 van het litigieuze besluit ook terecht had aangegeven dat was voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen gelet op de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.
112 Bovendien blijkt uit heel het voorgaande onderzoek van het tweede onderdeel van het tweede middel in hogere voorziening dat het Gerecht in punt 153 van het bestreden arrest tot deze slotsom is gekomen zonder blijk te geven van de vermeende onjuiste rechtsopvattingen en zonder de vermeende vervanging van de motivering.
113 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het onderhavige onderdeel betrekking heeft op ten overvloede gegeven overwegingen van het bestreden arrest. Volgens vaste rechtspraak kunnen argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen echter niet tot vernietiging van die uitspraak leiden en zijn zij dus niet ter zake dienend (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening als niet ter zake dienend moet worden afgewezen.
115 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
116 Aangezien geen van de middelen die Japan Airlines ter onderbouwing van haar hogere voorziening heeft aangevoerd, gegrond is, moet deze in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
117 Krachtens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
118 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
119 Aangezien Japan Airlines in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Japan Airlines Co. Ltd wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-581/22, ECLI:EU:C:2024:821
- HvJ EU 4 juli 2024, C-70/23, ECLI:EU:C:2024:580
- HvJ EU 11 januari 2024, C-363/22, ECLI:EU:C:2024:20
- HvJ EU 21 december 2023, C-680/21, ECLI:EU:C:2023:1010
- HvJ EU 23 november 2023, C-209/21, ECLI:EU:C:2023:905
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-340/17, ECLI:EU:T:2022:181
- HvJ EU 18 maart 2021, C-440/19, ECLI:EU:C:2021:214
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632
- HvJ EU 12 juni 2014, C-578/11, ECLI:EU:C:2014:1742
- HvJ EU 18 juli 2013, C-201/11, ECLI:EU:C:2013:519
- HvJ EU 15 oktober 2002, C-238/99, ECLI:EU:C:2002:582
- HvJ EU 28 mei 1998, C-7/95, ECLI:EU:C:1998:256
- HvJ EU 28 april 1998, C-306/96, ECLI:EU:C:1998:173
- HvJ EU 27 september 1988, 89/85, ECLI:EU:C:1988:447