HvJ EU 26 februari 2026, C-378/22, ECLI:EU:C:2026:124

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 februari 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Inkomende luchtvrachtdiensten – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Gekwalificeerde gevolgen – Kenschetsing – Eén enkele voortdurende inbreuk – Inaanmerkingneming van de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk in haar geheel beschouwd”

In zaak C‑378/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 juni 2022,

British Airways plc, gevestigd te Harmondsworth (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door T. Coates, BL, A. Lyle-Smythe en R. O’Donoghue, advocaten, en T. Sebastian, barrister,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Dawes, N. Khan en I. Söderlund als gemachtigden, vervolgens door A. Dawes en I. Söderlund als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 april 2024,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt British Airways plc om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, British Airways/Commissie (T‑341/17, EU:T:2022:182; hierna: „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke verwerping van haar beroep dat strekte tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit haar betreft, en tot nietigverklaring of verlaging van de haar opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer

2 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer”), is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.

3 Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten. 2. De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”

4 Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) is met ingang van 5 december 2007 toepasselijk verklaard in het kader van die overeenkomst, bij besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland, opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer van 5 december 2007 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (PB 2008, L 34, blz. 19). Deze verordening heeft op die datum verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (PB 1987, L 374, blz. 1) vervangen, die sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer was opgenomen in de bijlage bij deze overeenkomst.

VWEU

5 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; […]”

EER‑Overeenkomst

6 Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER‑Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.

7 Verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 411/2004 van de Raad van 26 februari 2004 (PB 2004, L 68, blz. 1), is opgenomen in de EER‑Overeenkomst bij besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 tot wijziging van bijlage XIV (Mededinging), Protocol 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) en Protocol 23 (betreffende de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten) bij de EER‑Overeenkomst (PB 2005, L 64, blz. 57), dat op 19 mei 2005 in werking is getreden, evenals bij besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER van 11 maart 2005 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) en Protocol nr. 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) bij de EER‑Overeenkomst (PB 2005, L 198, blz. 38), dat nog dezelfde dag in werking is getreden.

Verordening nr. 1/2003

8 Artikel 16 van verordening nr. 1/2003 bepaalt in lid 1: „Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel [101] of artikel [102 VWEU] toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de [Europese] Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikking. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel [267 VWEU] onverlet.”

9 Artikel 23 van deze verordening bepaalt in de leden 2 en 3: „2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel [101] of artikel [102 VWEU]; of […] Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. […] 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.”

10 Artikel 32, onder c), van die verordening bepaalde dat zij niet van toepassing was „op luchtvervoer tussen luchthavens van de Gemeenschap en derde landen”.

11 Deze bepaling is bij artikel 3 van verordening nr. 411/2004 met ingang van 1 mei 2004 geschrapt.

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

12 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 50 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.

13 British Airways is een luchtvaartmaatschappij die actief is op de markt voor luchtvrachtdiensten.

14 In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.

Administratieve procedure

15 Op 7 december 2005 heeft de Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof‑ en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).

16 Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.

17 Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder British Airways, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 15 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.

18 Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder British Airways, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Oorspronkelijk besluit

19 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder British Airways.

20 In de motivering van dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling voor vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland.

Arresten van 16 december 2015

21 Bij arrest van 16 december 2015, British Airways/Commissie (T‑48/11, EU:T:2015:988), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op British Airways. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op twaalf andere vervoerders of groepen van vervoerders.

22 Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.

Litigieus besluit

23 Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en die daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

24 Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder British Airways.

25 In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.

26 In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten” heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.

27 In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.

28 De Commissie heeft in dit verband de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.

29 Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER‑Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER‑Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.

30 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 „Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op inkomende vliegroutes” van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, met betrekking tot de op deze routes aangeboden vrachtdiensten, „inkomende vrachtdiensten”).

31 Meer bepaald heeft de Commissie in overweging 1045 van dat besluit erop gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende hubs in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.

32 Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst vormden, en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.

33 Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dit besluit vastgesteld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.

34 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit vastgesteld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU [vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Dienaangaande heeft de Commissie in overweging 881 van het litigieuze besluit vastgesteld dat British Airways betrokken was bij alle drie deze onderdelen.

35 Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.

36 Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.

37 Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER‑Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.

38 Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op: – artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie; – artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes; – artikel 53 van de EER‑Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER; – artikel 53 van de EER‑Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes; – artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.

39 In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie met betrekking tot British Airways vastgesteld dat de inbreuk had geduurd van 22 januari 2001 tot en met 14 februari 2006.

40 In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).

41 De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt: „Artikel 1 Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER‑Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG‑Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden: 1) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER, voor de volgende perioden: […] e) British Airways […] van 22 januari 2001 tot en met 14 februari 2006, uitgezonderd de periode van 2 oktober 2001 tot en met 14 februari 2006 wat betreft de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag; […] 2) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden: […] e) British Airways […] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006, uitgezonderd voor vrachtdiensten niet zijnde verricht vanuit Hongkong (China), Japan, India, Thailand, Singapore, Zuid-Korea en Brazilië wat betreft de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag; […] 3) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER‑Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden: […] e) British Airways […] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006, uitgezonderd voor vrachtdiensten niet zijnde verricht vanuit Hongkong (China), Japan, India, Thailand, Singapore, Zuid-Korea en Brazilië wat betreft de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag; […] 4) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden: […] e) British Airways […] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006, uitgezonderd wat betreft de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag; […] Artikel 3 Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd: […] e) British Airways […]: 104040000 EUR; […] Artikel 4 De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

42 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 mei 2017, heeft British Airways een beroep ingesteld dat primair strekte tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover dit haar betrof, en subsidiair tot nietigverklaring of verlaging van de haar opgelegde geldboete.

43 Ter ondersteuning van dit beroep heeft British Airways negen middelen tot nietigverklaring aangevoerd.

44 Het vierde van die negen middelen was ontleend aan onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten. Het zevende middel bestond uit twee onderdelen en had betrekking op de onjuiste bepaling van de waarde van de verkopen met het oog op de vaststelling van het bedrag van de geldboete. Met het tweede onderdeel van dit laatste middel betoogde British Airways dat de Commissie de omzet die zij op de inkomende routes had behaald niet in de waarde van de verkopen had mogen opnemen.

45 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het zesde middel ontleend aan een onjuiste beoordeling van de deelname van British Airways aan het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk dat verband hield met de weigering om commissies te betalen aanvaard, en heeft het dientengevolge artikel 1, lid 1, onder e), lid 2, onder e), en lid 3, onder e), van het litigieuze besluit, voor zover daarin is vastgesteld dat British Airways heeft deelgenomen aan het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk dat verband hield met de weigering om commissies te betalen, alsook artikel 1, lid 4, onder e), van dat besluit in zijn geheel, nietig verklaard.

46 Het Gerecht heeft het bedrag van de aan British Airways opgelegde geldboete vastgesteld op 84456000 EUR.

47 Ten slotte heeft het Gerecht het beroep verworpen voor het overige.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

48 Met haar hogere voorziening verzoekt British Airways het Hof: – primair het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen of, subsidiair, gedeeltelijk te vernietigen, voor zover het vierde middel en het tweede deel van het zevende middel van het beroep bij het Gerecht daarbij worden afgewezen; – primair, het litigieuze besluit in zijn geheel nietig te verklaren of, subsidiair, de eerste volzin van overweging 1045 en de gehele overweging 1046 van dit besluit nietig te verklaren, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

49 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en British Airways te verwijzen in de kosten, of – subsidiair, indien het Hof de hogere voorziening zou toewijzen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

Hogere voorziening

50 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert British Airways drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen bij de analyse van de gekwalificeerde gevolgen van de mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „gekwalificeerde gevolgen”) die het Gerecht heeft verricht om vast te stellen dat de Commissie bevoegd was ten aanzien van inkomende vrachtdiensten, het tweede aan onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de gevolgen van de gedraging in verband met de inkomende routes voor de prijzen van de in de EER ingevoerde goederen, en het derde aan een onjuiste rechtsopvatting als gevolg van de inaanmerkingneming van de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

Eerste middel: onjuiste rechtsopvattingen bij de analyse van de gekwalificeerde gevolgen om vast te stellen dat de Commissie bevoegd was ten aanzien van inkomende vrachtdiensten

51 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen.

52 Met het eerste onderdeel van dit middel verwijt British Airways het Gerecht dat het zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van de beweerdelijk ontoereikende motivering van de Commissie. Met het tweede onderdeel betoogt zij dat op basis van de motivering van het Gerecht hoe dan ook geen relevante en voldoende gevolgen voor de mededinging op een of meer downstreamproductmarkten binnen de EER kunnen worden geïdentificeerd.

Eerste onderdeel: vervanging van de motivering

– Argumenten van partijen

53 British Airways voert aan dat de Commissie in overweging 1045 van het litigieuze besluit slechts in algemene en weinig nauwkeurige bewoordingen heeft verklaard dat de mededingingsverstorende praktijken in derde landen met betrekking tot het vervoer van luchtvracht naar de Unie en de EER onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen binnen de Unie en de EER konden hebben, zonder elk van deze drie criteria te onderzoeken of in te gaan op de vraag of de voorzienbare gevolgen van die praktijken waarschijnlijk waren. Zij is van mening dat de Commissie door zich te beperken tot een dergelijke kennelijk ontoereikende motivering het risico doet ontstaan dat de afbakening van haar bevoegdheid ten aanzien van gedragingen buiten de Unie elke betekenis verliest.

54 Het Gerecht heeft dit fundamentele hiaat genegeerd en getracht dit te verhelpen door zijn eigen analyse in de plaats te stellen van die van de Commissie, waarbij het echter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

55 De Commissie meent dat deze bewering niet ter zake dienend en hoe dan ook ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

56 Hoewel de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU zich volgens de rechtspraak uitstrekt tot alle aspecten van de in de procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, welke door het Gerecht zowel juridisch als feitelijk grondig worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door deze laatste aangedragen informatie, kunnen het Hof en het Gerecht in het kader van die toetsing in geen geval hun eigen motivering in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (arrest van 4 juli 2024, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑70/23 P, EU:C:2024:580, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 Het Gerecht kan dus niet met een eigen motivering een hiaat in de motivering van de bestreden handeling wegwerken op een zodanige manier dat zijn onderzoek niet aansluit bij enig oordeel in de handeling (arrest van 18 juli 2013, UEFA/Commissie,C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Wanneer het Gerecht echter enkel antwoordt op het aangevoerde betoog en daarbij de motivering van de bestreden handeling toelicht, kan niet worden geoordeeld dat het zijn eigen motivering in de plaats stelt van die van de instelling die deze handeling heeft verricht (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie,C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 56, en 23 november 2023, Ryanair/Commissie,C‑209/21 P, EU:C:2023:905, punt 49).

59 In casu blijkt uit de vaststellingen die het Gerecht in de punten 44 en 107 van het bestreden arrest heeft gedaan dat de Commissie, om in overweging 1045 van het litigieuze besluit vast te stellen dat in het onderhavige geval aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, zich in de eerste plaats heeft gebaseerd op de overweging dat „de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen [zouden] hebben voor de consumenten in de EER”, wat het Gerecht het „betrokken gevolg” heeft genoemd (hierna: „effect op de prijzen van de ingevoerde goederen”). Zoals het Gerecht in punt 112 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, betwistte British Airways zowel de relevantie, de voorzienbaarheid, de wezenlijkheid als de onmiddellijkheid van dit effect.

60 Zoals blijkt uit de punten 107 en 123 van het bestreden arrest, bevatte de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit, zij het beknopt, de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie haar extraterritoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het zijn immers deze elementen die, gelezen in het licht van de andere relevante overwegingen van dat besluit, waarnaar in de punten 122, 129 tot en met 132, 136, 139, 148 tot en met 150, 153 en 154 van het bestreden arrest wordt verwezen, ervoor hebben gezorgd dat het Gerecht kon vaststellen dat de Commissie het bestaan van dergelijke gevolgen daadwerkelijk had aangetoond.

61 Bovendien blijkt uit de punten 113 tot en met 162 van het bestreden arrest dat het Gerecht er in deze punten mee heeft volstaan te antwoorden op het betoog van British Airways, de motivering van het litigieuze besluit toe te lichten en meer in het bijzonder bepaalde aanwijzingen af te leiden uit de in dat besluit opgenomen informatie.

62 Gelet op de in punt 58 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak is de vermeende vervanging van de motivering dus niet aangetoond en moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel: geen identificatie van relevante en voldoende gevolgen voor de mededinging op downstreamproductmarkten

– Argumenten van partijen

63 British Airways betoogt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het de gevolgen voor de mededinging op de downstreammarkten niet hoefde te beoordelen omdat de Commissie een inbreuk naar strekking had vastgesteld, zodat zij niet verplicht was om het bestaan van gekwalificeerde gevolgen voor de mededinging binnen de EER aan te tonen, of omdat een stijging van de prijzen van de ingevoerde goederen de mededingingsdynamiek op de downstreammarkten kon wijzigen.

64 Volgens British Airways geldt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen echter zowel voor inbreuken naar strekking als voor inbreuken naar gevolg, zodat het Gerecht in punt 121 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het vereiste dat gekwalificeerde gevolgen worden aangetoond in geval van een mededingingsbeperking „naar strekking” geen grondslag vindt in de bewoordingen van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst.

65 Daarnaast stelt zij dat niet aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kan worden voldaan op basis van louter mogelijke, speculatieve of hypothetische gevolgen. Daarvoor is integendeel een onderzoek vereist van de gevolgen voor de mededinging op specifieke downstreamproductmarkten, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende factoren, zoals de aard van de betrokken producten, de wijze waarop de distributie van deze producten binnen de EER was gestructureerd, of het relatieve marktaandeel van de goederen die per luchtvracht worden ingevoerd op de inkomende routes. In de overwegingen 917 en 1190 van de litigieuze beschikking wordt echter uitdrukkelijk vermeld dat de Commissie die gevolgen niet heeft onderzocht.

66 De Commissie betwist dit betoog en stelt dat het deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

67 In de eerste plaats zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 117 van het bestreden arrest heeft gesteld dat in het geval van een gedraging waarvan de Commissie, zoals in het onderhavige geval, heeft vastgesteld dat de mededinging op de interne markt of binnen de EER daardoor zodanig nadelig wordt beïnvloed dat die gedraging als mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst kan worden aangemerkt, aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als een mededingingsbeperking „naar gevolg”, in de zin van deze bepalingen.

68 Evenzo heeft het Gerecht, zoals British Airways stelt, in punt 121 van dat arrest verklaard dat een uitlegging van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen waarbij, zelfs als er sprake is van een mededingingsbeperking „naar strekking”, de concrete gevolgen van de litigieuze gedraging moeten worden bewezen – zoals deze vervoerder leek te bepleiten –, erop neer zou komen dat de bevoegdheid van de Commissie om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen, wordt onderworpen aan een voorwaarde die niet gebaseerd is op de bewoordingen van die bepalingen.

69 In punt 122 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat British Airways, ten eerste, de Commissie niet met recht kon verwijten dat zij een fout had begaan door te oordelen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, ook al had zij in de overwegingen 917, 1190 en 1277 van het litigieuze besluit aangegeven dat zij geen beoordeling van de mededingingsverstorende gevolgen van de litigieuze gedraging hoefde te verrichten gelet op de mededingingsverstorende strekking ervan, en ten tweede, evenmin uit die overwegingen kon afleiden dat de Commissie bij de toepassing van dat criterium geen analyse had verricht van de gevolgen van die gedraging op de interne markt of binnen de EER.

70 Zoals de overwegingen in het tweede deel van dit punt 122 reeds aangeven, kan uit die punten echter niet worden afgeleid dat het Gerecht, om aan te tonen dat in casu aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, heeft geoordeeld dat het volstond dat de litigieuze mededingingsregeling als mededingingsbeperking naar strekking kon worden aangemerkt.

71 Uit de punten 113 tot en met 125 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt namelijk dat het Gerecht enkel het betoog van British Airways, dat aan het einde van punt 103 van dat arrest is samengevat, van de hand heeft gewezen. Zo heeft het in die punten uiteengezet waarom het feit dat de Commissie in de delen van de motivering van het litigieuze besluit die betrekking hadden op de kwalificatie van de betrokken mededingingsbeperking – wat overweging 917 ervan betreft –, en op de berekening van de geldboete – wat de overwegingen 1190 en 1277 ervan betreft –, had aangegeven dat zij de werkelijke mededingingsverstorende gevolgen niet hoefde aan te tonen omdat de mededingingsverstorende strekking van de verweten gedragingen vaststond, geenszins betekende dat de Commissie wegens deze mededingingsverstorende strekking niet had beoordeeld of die gedragingen de vereiste gekwalificeerde gevolgen hadden gehad teneinde vast te stellen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.

72 Ten eerste heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in essentie te antwoorden dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag dient voor de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie, verschilt van de vraag of de litigieuze mededingingsregeling kan worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het internationaal publiekrecht – voor de extraterritoriale toepassing van de mededingingsregels van de Unie en van de EER, niet samen met het materiële criterium van de mededingingsbeperking, naar strekking of naar gevolg, op de interne markt van de Unie of binnen de EER, waaraan de bevoegdheid van de Commissie – naar Unierecht – voor de vaststelling en de bestraffing van een inbreuk op deze mededingingsregels onderworpen is.

73 Ten tweede is de analyse waarbij het Gerecht heeft onderzocht of de Commissie terecht had geoordeeld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, uiteengezet in de punten 126 tot en met 162 van het bestreden arrest, wat de onderlinge afstemming op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd betreft, en in de punten 163 tot en met 174 van dit arrest, wat de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd betreft.

74 Derhalve leest British Airways het bestreden arrest onjuist wanneer zij het Gerecht verwijt dat het heeft geoordeeld dat, om op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen vast te stellen dat de Commissie bevoegd is om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op gedragingen die buiten het grondgebied van de EER hebben plaatsgevonden, het bewijs van dergelijke gevolgen achterwege kon worden gelaten wanneer die gedragingen als mededingingsbeperking naar strekking kunnen worden aangemerkt. Dientengevolge moet het in punt 64 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

75 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat met het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hetzelfde doel wordt nagestreefd als met het criterium dat gebaseerd is op de plaats waar de mededingingsverstorende praktijken ten uitvoer zijn gelegd, namelijk gedragingen aanpakken die niet op het grondgebied van de Unie of, al naargelang het geval, de EER hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie of de EER. Bijgevolg kan de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie en de EER vanuit het oogpunt van het internationaal publiekrecht op grond van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen gerechtvaardigd zijn wanneer voorzienbaar is dat de betrokken gedraging een onmiddellijk en wezenlijk gevolg zal hebben in de Unie of de EER. In dit verband wordt reeds voldaan aan het criterium van voorzienbare gevolgen indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging. Daarnaast volstaat het dat de betrokken gedraging een onmiddellijk gevolg in de Unie of de EER „kan” teweegbrengen, wil aan de voorwaarde inzake onmiddellijke gevolgen zijn voldaan (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 45, 49, 51 en 52).

76 Om aan te tonen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen is voldaan, moet de Commissie dus bewijzen dat de betrokken praktijken voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen hebben binnen de Unie of de EER, wat het Gerecht overigens in herinnering heeft gebracht in de punten 111 en 126 van het bestreden arrest. Anders dan British Airways stelt met haar betoog dat in punt 65 van het onderhavige arrest is uiteengezet, is het Gerecht in de punten 118, 136 en 150 van het bestreden arrest evenwel niet van dit criterium afgeweken door te oordelen dat louter waarschijnlijke, speculatieve of hypothetische gevolgen volstaan om te kunnen spreken van gekwalificeerde gevolgen als bedoeld in de in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

77 Wat betreft het betoog van British Airways dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het niet verplicht was de gevolgen voor de mededinging op de downstreammarkten te beoordelen, zij er ten eerste aan herinnerd dat volgens artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de aangevoerde middelen en argumenten rechtens nauwkeurig moeten aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht. In casu moet worden vastgesteld dat British Airways in haar hogere voorziening slechts de punten 114 en 115 van het bestreden arrest met de door deze bepaling vereiste nauwkeurigheid aanwijst. In punt 114 heeft het Gerecht echter enkel de formulering overgenomen van punt 45 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), volgens welke het criterium van de gekwalificeerde gevolgen de mogelijkheid biedt gedragingen aan te pakken waarvan de mededingingsverstorende gevolgen „merkbaar kunnen zijn” op de markt van de Unie. In punt 115 heeft het Gerecht punt 51 van dat arrest aangehaald, luidens hetwelk reeds wordt voldaan aan het criterium van voorzienbare gevolgen, indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging.

78 Aangezien aldus blijkt dat het Gerecht in de punten 114 en 115 van het bestreden arrest enkel de beginselen in herinnering heeft gebracht die respectievelijk in de punten 45 en 51 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), zijn uiteengezet, volgt uit die punten van het bestreden arrest geenszins dat het Gerecht niet heeft onderzocht of de Commissie genoegzaam had aangetoond dat de litigieuze gedraging gekwalificeerde gevolgen had voor de mededinging in de EER. Het in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde betoog van British Airways berust dan ook op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

79 Voor zover British Airways betoogt dat het Gerecht, net als de Commissie, bij zijn onderzoek van de mededinging op specifieke downstreamproductmarkten geen rekening heeft gehouden met verschillende factoren, zoals die welke in punt 65 van het onderhavige arrest zijn vermeld, zij er ten tweede aan herinnerd dat het Hof in het kader van een hogere voorziening enkel bevoegd is om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd. Een partij kan bijgevolg een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren, aangezien zij anders bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (arresten van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie,C‑280/08 P, EU:C:2010:603, punt 34, en 2 februari 2023, Spanje e.a./Commissie,C‑649/20 P, C‑658/20 P en C‑662/20 P, EU:C:2023:60, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80 Zoals in casu blijkt uit punt 103 van het bestreden arrest, heeft British Airways in eerste aanleg ter ondersteuning van haar vierde middel tot nietigverklaring voor het Gerecht met name aangevoerd dat de gestelde gevolgen voor de vervoerstarieven niet op basis van loutere veronderstellingen konden worden vastgesteld maar moesten worden bewezen, dat de redenering van de Commissie afhing van het bewijs van gekwalificeerde gevolgen op een andere markt dan de gekartelleerde markt, en dat moest worden aangetoond dat de gevolgen wezenlijk, onmiddellijk en voorzienbaar waren. Het Gerecht heeft deze argumenten onderzocht in de punten 106 tot en met 175 van het bestreden arrest.

81 Het in punt 65 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog is daarentegen een middel dat voor het eerst wordt aangevoerd in het kader van de onderhavige hogere voorziening. Het moet dus als niet-ontvankelijk worden afgewezen.

82 Voor zover British Airways aanvoert dat het litigieuze besluit uitdrukkelijk vermeldt dat de Commissie niet verplicht was de mededingingsverstorende gevolgen van de onderlinge afstemming van de toeslagen op de prijzen voor het luchtvrachtvervoer of de mededingingsverstorende gevolgen op de downstreammarkten van de eindproducten te onderzoeken, moet ten derde worden opgemerkt dat dit betoog niet is gericht tegen het bestreden arrest, maar tegen het litigieuze besluit, zodat het als niet-ontvankelijk moet worden afgewezen (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, TUIfly/Commissie,C‑763/21 P, EU:C:2023:528, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83 Ten vierde wordt in het betoog dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet kan worden voldaan door louter mogelijke, speculatieve of hypothetische gevolgen aan te halen, niet aangegeven in welke punten van het bestreden arrest het Gerecht van dergelijke gevolgen gewag heeft gemaakt. Bijgevolg voldoet dit betoog niet aan de vereisten van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Hieruit volgt dat dit betoog niet-ontvankelijk is.

84 Ten vijfde kan British Airways het Gerecht niet in algemene termijnen verwijten dat het niet heeft onderzocht of de Commissie had vastgesteld dat er sprake was van gevolgen die voldeden aan de vereisten van wezenlijkheid, voorzienbaarheid en onmiddellijkheid, aangezien uit de punten 144 tot en met 155, 127 tot en met 143 en 156 tot en met 161 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht is nagegaan of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen deze kenmerken vertoonde om vast te stellen dat de Commissie bevoegd was ten aanzien van een gedraging die niet op het grondgebied van de Unie of de EER had plaatsgevonden.

85 Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.

86 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel worden afgewezen.

Tweede middel: onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het causaal verband tussen de litigieuze mededingingsregeling en de hogere prijzen van de in de EER ingevoerde goederen

Argumenten van partijen

87 Met haar tweede middel betoogt British Airways dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de prijzen van de in de EER ingevoerde goederen door de vastgestelde gedragingen op de inkomende routes zouden stijgen.

88 Met het eerste onderdeel van dit middel stelt British Airways dat het Gerecht in punt 132 van het bestreden arrest de bewijslast heeft omgekeerd en de duidelijke betekenis van het bewijs onjuist heeft opgevat door te oordelen dat het aan haar stond om aan te tonen dat een „waterbedeffect” dermate waarschijnlijk was dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen niet viel te verwachten. Ook meent British Airways dat het Gerecht in punt 133 van het bestreden arrest ten onrechte de bewijslast bij haar heeft gelegd aangaande de stelling dat de tarieven op de inkomende routes voldoende flexibel waren om boven het concurrentieniveau uitgestegen toeslagen tijdig te compenseren door een overeenkomstige verlaging van die tarieven. Bovendien heeft het Gerecht op onjuiste gronden geweigerd rekening te houden met de door British Airways overgelegde bewijzen betreffende dit „waterbedeffect”, waaruit bleek dat er in de relevante periode sprake was van een omgekeerde correlatie tussen die tarieven en de toeslagen.

89 Met het tweede onderdeel van dit middel verwijt British Airways het Gerecht dat het de regels inzake de bewijslast heeft geschonden en bepaalde bewijselementen onjuist heeft opgevat door in punt 137 van het bestreden arrest te oordelen dat het aan haar stond om aan te tonen dat de omstandigheden van het geval weinig bevorderlijk waren om de meerkosten die werden veroorzaakt door de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes in een later stadium door te berekenen aan de verzenders, en door in punt 136 van dat arrest te verklaren dat uit de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van de vrachtdiensten een input vormde voor de expediteurs, dat wil zeggen variabele kosten, waarvan de stijging in beginsel hogere marginale kosten tot gevolg had op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepaalden. Geen van de twee door het Gerecht aangehaalde overwegingen heeft betrekking op de marginale of variabele kosten en in geen enkel onderdeel van de motivering van het litigieuze besluit dat betrekking heeft op de gekwalificeerde gevolgen wordt melding gemaakt van dergelijke kosten.

90 Met het derde onderdeel van het tweede middel voert British Airways aan dat het Gerecht met betrekking tot de doorberekening van de hogere prijzen voor luchtvrachtdiensten aan verzenders in de prijzen die consumenten binnen de EER betalen, volledig ongegronde conclusies heeft getrokken uit de overgelegde bewijzen, voorbij is gegaan aan de door British Airways overgelegde bewijzen en bovendien in de punten 139 en 141 van het bestreden arrest overwegingen van het litigieuze besluit heeft aangehaald die geen enkel relevant element bevatten in verband met die doorberekening.

91 Met het vierde onderdeel van dit middel betoogt British Airways dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 140 van het bestreden arrest te verklaren dat de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover die betrekking had op de inkomende routes, tot hogere prijzen voor de in de EER ingevoerde goederen „zou” leiden, terwijl de Commissie tot een heel andere conclusie was gekomen. Zij had namelijk enkel vastgesteld dat de litigieuze gedraging gevolgen „kon” hebben voor de aan consumenten in de EER aangerekende prijzen.

92 Met het vijfde onderdeel van dit middel verwijt British Airways het Gerecht dat het in punt 130 van het bestreden arrest heeft vermeld dat de door de Commissie vastgestelde inbreuk ook de weigering om commissies te betalen omvatte, zonder er rekening mee te houden dat het tevens had vastgesteld dat de Commissie een fout had gemaakt door haar dit onderdeel van de inbreuk toe te rekenen.

93 Volgens de Commissie moet het tweede middel worden afgewezen

Beoordeling door het Hof

94 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak aan de Commissie staat om de bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam aantonen dat de feiten die een inbreuk op het mededingingsrecht vormen, zijn gepleegd. Het is evenwel aan de onderneming die tegen de vaststelling van een dergelijke inbreuk een verweermiddel aanvoert, om aan te tonen dat dit verweermiddel moet worden aanvaard. Hoewel de bewijslast volgens deze beginselen op de Commissie of op de betrokken onderneming rust, kunnen de door een partij aangevoerde feiten evenwel van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij gebreke waarvan mag worden geconcludeerd dat aan de regels inzake de bewijslast is voldaan (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club,C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Deze rechtspraak is gebaseerd op de algemene regels inzake de bewijsvoering en kan worden toegepast op de situatie waarin de Commissie moet aantonen dat zij territoriaal bevoegd is ten aanzien van gedragingen die buiten het grondgebied van de Unie of de EER zijn ontstaan.

96 In casu heeft het Gerecht in de punten 129 tot en met 131 van het bestreden arrest vastgesteld dat de mededingingsregeling betreffende de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen blijkens de overwegingen 846, 909, 1199 en 1208 van het litigieuze besluit, een onderling afgestemde gedraging vormde waarbij horizontale prijsafspraken werden gemaakt, waarvan volgens de rechtspraak van het Hof vaststaat dat zij met name leidt tot prijsverhogingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen in het bijzonder de consumenten schaadt. Het heeft derhalve geoordeeld dat het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag door de horizontale vaststelling ervan hoger zouden uitvallen, en dat de weigering om commissies te betalen die verhogingen in de hand kon werken. Het Gerecht heeft namelijk vastgesteld dat het hierbij ging om een onderling afgestemde weigering om de expediteurs kortingen op de toeslagen toe te kennen teneinde zo de beschuldigde vervoerders in staat te stellen de prijsonzekerheid binnen de sector, die had kunnen ontstaan door mededinging op het punt van betaling van die commissies „zo veel mogelijk te onderdrukken” en aldus de toeslagen aan de mededinging te onttrekken, zoals de Commissie in de overwegingen 874 en 879 van het litigieuze besluit had opgemerkt.

97 Het Gerecht heeft in punt 132 van het bestreden arrest bovendien opgemerkt dat, zoals bleek uit overweging 17 van het litigieuze besluit, de prijs van vrachtdiensten bestond uit tarieven en toeslagen, waaronder de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag, en dat het voor de hand lag dat een verhoging van deze toeslagen in beginsel een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zou hebben, tenzij ervan werd uitgegaan dat een dergelijke verhoging door het „waterbedeffect” waarschijnlijk zou worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van de tarieven en andere toeslagen. Het heeft daar inderdaad aan toegevoegd dat British Airways niet had aangetoond dat dit „waterbedeffect” zo waarschijnlijk was dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen niet viel te verwachten, maar zoals blijkt uit het vorige punt van het onderhavige arrest, volgt deze vaststelling op een analyse, in de punten 129 tot en met 131 en in de eerste volzin van punt 132 van het bestreden arrest, op basis waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de horizontale vaststelling van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zouden hebben.

98 Het Gerecht heeft dus eerst vastgesteld dat de Commissie in het litigieuze besluit genoegzaam had aangetoond dat een dergelijke verhoging voorzienbaar was, alvorens te onderzoeken of British Airways elementen had aangevoerd op grond waarvan deze vaststelling kon worden weerlegd. Nadat British Airways in dit verband het bestaan van een „waterbedeffect” had aangevoerd, heeft het in punt 133 van het bestreden arrest vastgesteld dat uit de grafiek die British Airways bij haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar had gevoegd, en die zij aanvoerde om dit effect aan te tonen, in feite slechts bleek dat er tussen 2001 en 2006 een aanzienlijke negatieve correlatie bestond tussen de hoogte van haar toeslagen en de hoogte van haar tarieven op uitgaande routes, maar geenszins dat het zo waarschijnlijk was dat een verhoging van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag zou worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van de tarieven en andere toeslagen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen niet viel te verwachten. Bij zijn onderzoek of British Airways elementen had aangedragen op grond waarvan deze vaststelling – die was gebaseerd op door de Commissie aangevoerde bewijselementen die het als overtuigend beschouwde – kon worden weerlegd, heeft het Gerecht dus de in punt 94 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak in acht genomen. Bijgevolg moet het betoog inzake een onrechtmatige omkering van de bewijslast dat British Airways voert in het eerste onderdeel van het onderhavige middel als ongegrond worden afgewezen.

99 Voorts zij eraan herinnerd dat de hogere voorziening op grond van artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen.

100 Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijzen te beoordelen. Wanneer deze bewijzen volgens de ter zake geldende regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen alsook de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie,C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 22, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie,C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101 Onder het mom van grieven inzake een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de verschillende causale verbanden en een onjuiste opvatting van het bewijs, tracht British Airways echter in werkelijkheid de beoordeling van de feiten en het bewijs door het Gerecht in punt 133 van het bestreden arrest ter discussie te stellen, en verzoekt zij het Hof met name om zijn eigen beoordeling van de bewijswaarde van de grafiek die zij bij haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar had gevoegd in de plaats te stellen van de beoordeling die het Gerecht daarvan heeft gemaakt in dat punt, hetgeen volgens de in punt 100 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak in het kader van een hogere voorziening niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Bijgevolg moet dit deel van het betoog ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het onderhavige middel als niet-ontvankelijk worden afgewezen.

102 In de tweede plaats heeft het Gerecht, ten eerste, de regels inzake de verdeling van de bewijslast niet geschonden door in punt 137 van het bestreden arrest te oordelen dat British Airways geen aanwijzingen verstrekte dat de omstandigheden van het geval weinig bevorderlijk waren om de meerkosten die zijn veroorzaakt door de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes in een later stadium door te berekenen aan de verzenders. Het Gerecht heeft namelijk eerst in punt 136 van dat arrest vastgesteld dat de prijs voor inkomende vrachtdiensten voor de expediteurs een input en dus een variabele kost vormde, waarvan de stijging in beginsel hogere marginale kosten tot gevolg had op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepaalden. Vervolgens heeft het daar in punt 138 van dat arrest uit afgeleid dat de beschuldigde vervoerders redelijkerwijs konden voorzien dat de expediteurs die meerkosten door middel van een prijsverhoging voor vrachtvervoersdiensten zouden doorberekenen aan de verzenders. Het Gerecht heeft dus geoordeeld dat de doorberekening van de meerkosten voorzienbaar was nadat het had onderzocht welke invloed de handelwijze van de expediteurs had op het oorzakelijk verband tussen de litigieuze mededingingsregeling en het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen. Bij deze beoordeling heeft het Gerecht er in punt 159 van het bestreden arrest met name op gewezen dat de handelwijze van de expediteurs de causaliteitsketen niet had verbroken, aangezien deze objectief voortvloeide uit de litigieuze mededingingsregeling, volgens de normale werking van de markt. In die context kan punt 137 van het bestreden arrest slechts aldus worden opgevat dat British Airways geen bewijzen had verstrekt die konden afdoen aan de door de Commissie aangedragen feiten, en dat de Commissie dus overeenkomstig de in punt 94 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak had voldaan aan de op haar rustende bewijslast.

103 Ten tweede moet de stelling van British Airways dat het Gerecht een „kennelijke fout” heeft gemaakt door in punt 136 van het bestreden arrest vast te stellen dat uit de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs voor vrachtdiensten voor de expediteurs een input en dus een variabele kost vormde, waarvan de stijging in beginsel hogere marginale kosten tot gevolg had op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepaalden, worden afgewezen. Door het gebruik van het woord „blijkt” heeft het Gerecht namelijk duidelijk gemaakt dat deze vaststelling geen letterlijke herhaling van de bewoordingen van die overwegingen behelsde, maar voortvloeide uit zijn eigen lezing van die passages van het litigieuze besluit. Het Gerecht heeft in dit punt 136 dus enkel de motivering van het litigieuze besluit toegelicht en bepaalde aanwijzingen afgeleid uit de in dat besluit opgenomen informatie, zonder deze onjuist op te vatten.

104 In de derde plaats moet in het licht van de in de punten 99 en 100 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginselen worden vastgesteld dat de stelling van British Airways dat het Gerecht de voorgelegde bewijzen heeft genegeerd – met name wat betreft de vestiging van de verzenders in het land van vertrek –, en zonder enige analyse heeft verklaard dat de hogere prijzen voor luchtvrachtdiensten tot hogere prijzen voor de ingevoerde goederen zouden leiden, erop neerkomt dat zij de beoordeling van de bewijselementen door het Gerecht ter discussie stelt en het Hof dus verzoekt de feiten opnieuw te onderzoeken, zonder dat zij aanvoert dat het Gerecht deze onjuist heeft opgevat. Bijgevolg is deze stelling niet-ontvankelijk.

105 In de vierde plaats heeft het Gerecht zijn eigen motivering geenszins in de plaats gesteld van die van de Commissie door in punt 140 van het bestreden arrest te verklaren dat de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover die betrekking had op de inkomende routes, tot hogere prijzen voor de ingevoerde goederen zou leiden. Deze beoordeling van de voorzienbaarheid van de gevolgen verschilt immers geenszins van die welke de Commissie heeft gemaakt in overweging 1045 van het litigieuze besluit waarin, overeenkomstig de bewoordingen van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 45), die het Gerecht in punt 114 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, wordt verwezen naar mededingingsverstorende praktijken die „geacht kunnen worden” gevolgen te hebben voor de consumenten binnen de EER.

106 In de vijfde plaats berust de stelling van British Airways dat het Gerecht er in punt 130 van het bestreden arrest bij de analyse van de gekwalificeerde gevolgen geen rekening mee heeft gehouden dat het had vastgesteld dat rekwirante niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de inbreuk in verband met de weigering om commissies te betalen, op een verwarring tussen de voorafgaande vraag of de Commissie bevoegd was ten aanzien van een gedraging die, hoewel zij buiten de Unie of de EER heeft plaatsgevonden, gekwalificeerde gevolgen kan hebben binnen de interne markt of de EER, en de vraag of het onderdeel van de in het litigieuze besluit genoemde enkele voortdurende inbreuk dat verband houdt met de weigering om commissies te betalen, aan British Airways kon worden toegerekend. In dat punt 130 heeft het Gerecht in het kader van zijn onderzoek van het vierde middel van British Airways, volgens hetwelk de Commissie niet bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten, immers enkel opgemerkt dat uit de overwegingen 846, 909, 1199 en 1208 van het litigieuze besluit bleek dat de litigieuze gedraging betrekking had op de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, zonder vooruit te lopen op de deelname van British Airways aan dit laatste onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk.

107 Aangezien geen van de onderdelen van het tweede middel van British Airways kan worden aanvaard, dient dit middel in zijn geheel te worden afgewezen.

Derde middel: onjuiste rechtsopvatting als gevolg van de inaanmerkingneming van de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd

Argumenten van partijen

108 Met het derde middel stelt British Airways dat het Gerecht in de punten 172 tot en met 174 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd in aanmerking te nemen om na te gaan of aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan.

109 Ten eerste verwijt British Airways het Gerecht dat het heeft geoordeeld dat het begrip „enkele voortdurende inbreuk” de juridische voorwaarden voor vaststelling van de gekwalificeerde gevolgen wijzigde, terwijl dit begrip volgens haar een procedureregel is, die bedoeld is om de op de Commissie rustende bewijslast voor elk specifiek onderdeel van een algemene inbreuk, te verlichten.

110 Ten tweede betoogt British Airways dat de benadering van het Gerecht, volgens welke de Commissie bevoegd kan zijn ten aanzien van gedragingen in derde landen wanneer er een verband bestaat met een onderdeel van een inbreuk waarvoor deze instelling territoriaal bevoegd is, de strikte beginselen inzake de uitoefening van de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie op grond van het mededingingsrecht van de Unie zou uithollen, aangezien dit zou betekenen dat de Commissie, wanneer zij bevoegd is voor bepaalde aan de in de Unie interne aspecten van een internationale mededingingsregeling, internationale bevoegdheid verkrijgt voor alle onderdelen van de inbreuk, ook voor die welke geen voorzienbare, wezenlijke of onmiddellijke gevolgen hebben voor de mededinging op de interne markt van de Unie of de EER.

111 Volgens de Commissie moet dit middel worden afgewezen omdat het niet ter zake dienend en hoe dan ook ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

112 Voor zover British Airways met dit derde middel het bestreden arrest slechts bekritiseert voor zover het Gerecht in de punten 172 tot en met 174 van dat arrest heeft geoordeeld dat de Commissie de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd mocht onderzoeken en mocht vaststellen dat wat die inbreuk betreft aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, moet worden opgemerkt dat British Airways met haar vierde middel tot nietigverklaring voor het Gerecht enkel de bevoegdheid van de Commissie betwistte om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op de litigieuze gedraging toe te passen voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten.

113 In dit verband heeft het Gerecht in punt 162 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie ten aanzien van de onderlinge afstemming op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, zodat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging, voor zover deze werd betwist, vaststond. Hieruit volgt dat het voor het Gerecht overbodig was om in de punten 163 tot en met 174 van het bestreden arrest te onderzoeken of de Commissie, teneinde vast te stellen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op de litigieuze gedraging toe te passen, in overweging 1046 van het litigieuze besluit ook terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, gelet op de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

114 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het betoog van British Airways betrekking heeft op ten overvloede gegeven overwegingen van het bestreden arrest. Volgens vaste rechtspraak kunnen argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen echter niet tot vernietiging van die uitspraak leiden en zijn zij dus niet ter zake dienend (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie,C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie,C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

115 Het derde middel moet derhalve als niet ter zake dienend worden afgewezen.

116 Aangezien geen van de middelen die British Airways ter onderbouwing van haar hogere voorziening heeft aangevoerd, gegrond is, moet deze in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

117 Krachtens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

118 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

119 Aangezien British Airways in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) British Airways plc wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken