HvJ EU 26 februari 2026, C-369/22, ECLI:EU:C:2026:118

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 februari 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Inkomende luchtvrachtdiensten – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Gekwalificeerde gevolgen – Berekening van de geldboete – Verzachtende omstandigheid – Inaanmerkingneming van reguleringsstelsels van derde landen – Gelijke behandeling – Duur van de deelname aan de enkele voortdurende inbreuk – Bewijs – Deelname aan de verschillende onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk”

In zaak C‑369/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 8 juni 2022,

Société Air France SA, gevestigd te Roissy (Frankrijk), vertegenwoordigd door M. Blayney en A. Wachsmann, avocats,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Berghe en A. Dawes als gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door V. Bringer en N. Coutrelis, avocats, vervolgens door N. Coutrelis, avocate,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 april 2024,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt Société Air France SA (hierna: „Air France”) primair om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, Air France/Commissie (T‑338/17, EU:T:2022:180; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit haar betreft, en subsidiair tot gedeeltelijke nietigverklaring van dit besluit en tot verlaging van de haar opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer

2 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer”) is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.

3 Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten. 2. De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”

4 Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) is met ingang van 5 december 2007 toepasselijk verklaard in het kader van die overeenkomst, bij besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland, opgericht bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer van 5 december 2007 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (PB 2008, L 34, blz. 19). Deze verordening heeft op die datum verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (PB 1987, L 374, blz. 1) vervangen, die sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer was opgenomen in de bijlage bij deze overeenkomst.

VWEU

5 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; […]”

EER-Overeenkomst

6 Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.

7 Verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 411/2004 van de Raad van 26 februari 2004 (PB 2004, L 68, blz. 1), is opgenomen in de EER-Overeenkomst bij besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 tot wijziging van bijlage XIV (Mededinging), Protocol 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) en Protocol 23 (betreffende de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten) bij de EER-Overeenkomst (PB 2005, L 64, blz. 57), dat op 19 mei 2005 in werking is getreden, evenals bij besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER van 11 maart 2005 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) en Protocol nr. 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) bij de EER-Overeenkomst (PB 2005, L 198, blz. 38), dat nog dezelfde dag in werking is getreden.

Verordening nr. 1/2003

8 Artikel 32, onder c), van verordening nr. 1/2003 bepaalde dat deze niet van toepassing was „op luchtvervoer tussen luchthavens van de Gemeenschap en derde landen”.

9 Deze bepaling is bij artikel 3 van verordening nr. 411/2004 met ingang van 1 mei 2004 geschrapt.

Verordening nr. 411/2004

10 In de overwegingen 2, 3 en 7 van verordening nr. 411/2004 staat te lezen: „(2) […] de [Europese] Commissie [beschikt] ten aanzien van inbreuken op de artikelen [101] en [102 VWEU], met betrekking tot het luchtvervoer tussen de Gemeenschap en derde landen, niet over dezelfde onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden als ten aanzien van het luchtvervoer binnen de Gemeenschap. […] Voorts gelden de specifieke rechten, bevoegdheden […] die bij [verordening nr. 1/2003] aan de nationale rechtbanken en aan de mededingingsautoriteiten zijn toegewezen niet voor het luchtvervoer tussen de Gemeenschap en derde landen. […] (3) Concurrentieverstorende praktijken in het luchtvervoer tussen de Gemeenschap en derde landen kunnen het handelsverkeer tussen de lidstaten nadelig beïnvloeden. Aangezien de bij [verordening nr. 1/2003] vastgestelde mechanismen, waarmee wordt beoogd uitvoering te geven aan de in de artikelen [101] en [102 VWEU] neergelegde mededingingsregels, zich ook lenen voor de toepassing van de mededingingsregels op het luchtvervoer tussen de Gemeenschap en derde landen, dient de werkingssfeer van die verordening tot dat onderdeel van het luchtvervoer te worden uitgebreid. […] (7) De Commissie dient te worden gemachtigd om binnen de luchtvervoerssector groepsvrijstellingen te verlenen voor zowel het verkeer tussen de Gemeenschap en derde landen als voor het intracommunautaire verkeer. […]”

Richtsnoeren van 2006

11 De punten 29 en 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”) luiden als volgt: „29. Het basisbedrag van de boete kan worden verlaagd wanneer de Commissie vaststelt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden, zoals: […] – wanneer het mededingingsbeperkende gedrag door de overheidsinstanties of de regelgeving werd toegestaan of aangemoedigd. […] […] 37. Hoewel de algemene methode voor de vaststelling van geldboeten in deze richtsnoeren uiteen wordt gezet kunnen de bijzondere kenmerken van een gegeven zaak of de noodzaak om een bepaald afschrikkend niveau te bereiken, een afwijking van deze methode of van de in punt 21 vastgestelde maxima rechtvaardigen.”

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

12 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 58 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.

13 Air France is een luchtvaartmaatschappij waarvan alle stemrechten en economische rechten in handen zijn van holdingmaatschappij Air France-KLM (hierna: „Air France-KLM”). Air France is actief op de markt voor luchtvrachtdiensten.

14 In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.

Administratieve procedure

15 Op 7 december 2005 heeft de Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof- en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).

16 Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.

17 Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder Air France-KLM namens Air France, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 15 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.

18 Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder Air France, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Oorspronkelijk besluit

19 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder Air France.

20 In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de EER en Zwitserland.

Arresten van 16 december 2015

21 Bij arrest van 16 december 2015, Air France/Commissie (T‑63/11, EU:T:2015:993), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op Air France. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op twaalf andere vervoerders of groepen van vervoerders.

22 Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.

Litigieus besluit

23 Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

24 Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder Air France.

25 In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.

26 In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten” heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.

27 In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.

28 De Commissie heeft in dit verband de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.

29 Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes” en, samen met de Unie-derdelandenroutes, „EER-derdelandenroutes”] en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.

30 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 „Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vliegroutes” van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, met betrekking tot de op deze routes aangeboden vrachtdiensten, „inkomende vrachtdiensten”).

31 Meer bepaald heeft de Commissie in overweging 1045 van dat besluit erop gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende hubs in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.

32 Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormden, en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.

33 Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dit besluit vastgestelde dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.

34 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit vastgesteld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 [VWEU vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Daarbij heeft de Commissie in overweging 881 van het litigieuze besluit vastgesteld dat Air France betrokken was bij alle drie deze onderdelen.

35 Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.

36 Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.

37 Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.

38 Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op: – artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie; – artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes; – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER; – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes; – artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.

39 In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie met betrekking tot Air France vastgesteld dat de inbreuk had geduurd van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006.

40 In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar de richtsnoeren van 2006. Zij heeft met name op basis van punt 37 van deze richtsnoeren de basisbedragen van de geldboeten met 50 % verlaagd omdat een deel van de diensten met betrekking tot de inkomende routes en de uitgaande routes vanuit de EER naar derde landen, met uitzondering van Unie-Zwitserlandroutes, buiten het door de EER-Overeenkomst bestreken grondgebied werden verricht, en een deel van de schade die was ontstaan dus wellicht buiten dat grondgebied viel. Voorts heeft de Commissie overeenkomstig punt 29 van die richtsnoeren de beschuldigde vervoerders een aanvullende verlaging van de basisbedragen van 15 % (hierna: „algemene verlaging wegens verzachtende omstandigheden”) toegekend, op grond dat bepaalde reguleringsstelsels de litigieuze mededingingsregeling hadden aangemoedigd.

41 De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt: „Artikel 1 Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden: 1) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER, voor de volgende perioden: […] c) [Air France] van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006; […] 2) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden: […] c) [Air France] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; […] 3) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden: […] c) [Air France] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006; […] 4) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden: […] c) [Air France] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006; […] Artikel 3 Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd: […] b) [Air France-KLM] en [Air France], zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk: 182920000 EUR; […] Artikel 4 De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

42 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 mei 2017, heeft Air France beroep ingesteld dat strekte tot, primair, nietigverklaring van het litigieuze besluit in zijn geheel, voor zover dit op haar betrekking heeft; subsidiair, nietigverklaring van artikel 1, lid 1, onder c), lid 2, onder c), lid 3, onder c), en lid 4, onder c), artikel 3, onder b), en artikel 4 van het litigieuze besluit en verlaging van de geldboete die haar bij dit besluit is opgelegd, en nog meer subsidiair, nietigverklaring van artikel 3, onder b), van het litigieuze besluit en verlaging van de geldboete die haar bij dit besluit is opgelegd.

43 Ter ondersteuning van dit beroep heeft Air France acht middelen tot nietigverklaring aangevoerd, alsmede negen argumenten op grond waarvan zij verzocht om verlaging van de haar opgelegde geldboete.

44 Het derde van die acht middelen was ontleend aan onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten; het zevende middel aan onjuistheden en schending van het evenredigheidsbeginsel bij de berekening van de duur van de deelname van Air France aan de enkele voortdurende inbreuk, en het achtste aan een ontoereikende motivering en ontoereikendheid van de algemene verlaging wegens verzachtende omstandigheden. Daarnaast heeft het Gerecht ambtshalve een middel aan de orde gesteld dat is ontleend aan de onbevoegdheid van de Commissie om krachtens de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer schending van artikel 53 van de EER-Overeenkomst op routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, maar die geen lid zijn van de Unie en luchthavens in Zwitserland [hierna: „EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes”], vast te stellen en te bestraffen.

45 Zeven van de negen argumenten ter ondersteuning van het verzoek om verlaging van de geldboete kwamen overeen met de acht middelen tot nietigverklaring. Daaraan heeft Air France in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht met betrekking tot het middel dat het ambtshalve aan de orde had gesteld, twee aanvullende argumenten toegevoegd, namelijk ten eerste dat de inkomsten uit vrachtdiensten op de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes niet in de waarde van de verkopen kon worden opgenomen, en ten tweede dat het wegens de uitsluiting van de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes uit de geografische reikwijdte van de enkele voortdurende inbreuk gerechtvaardigd was om de coëfficiënt voor de ernst te verlagen.

46 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht al deze middelen tot nietigverklaring, ook datgene dat het ambtshalve aan de orde had gesteld, ongegrond verklaard. In verband met dit laatste middel heeft het Gerecht evenwel vastgesteld dat de Commissie had erkend dat zij bij de vaststelling van de geldboeten mogelijk „door onachtzaamheid” de omzet die bepaalde beschuldigde vervoerders in de betrokken periode op de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes hadden gerealiseerd in de waarde van de verkopen had opgenomen, maar het was van oordeel dat dit slechts van invloed was op de inkomsten die in aanmerking moesten worden genomen voor de berekening van het basisbedrag van de geldboeten. Voorts heeft het Gerecht in verband met het zevende middel geoordeeld dat de Commissie bepaalde in het litigieuze besluit genoemde contacten niet tegen Air France in aanmerking mocht nemen, maar dat deze instelling niettemin terecht tot de slotsom was gekomen dat zij over voldoende bewijs beschikte aangaande de deelname van Air France aan de litigieuze mededingingsregeling van 7 december 1999 tot 19 januari 2001 en van 20 oktober 2005 tot 14 februari 2006.

47 Wat het bedrag van de geldboete betreft, heeft het Gerecht opgemerkt dat de totale waarde van de verkopen van Air France in 2005, namelijk 1150248000 EUR, inkomsten op de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes omvatte, namelijk 2502 EUR, terwijl deze routes buiten de reikwijdte van de door de Commissie vastgestelde enkele voortdurende inbreuk vielen, zoals het Gerecht in het kader van het onderzoek van het ambtshalve aan de orde gestelde middel zelf had vastgesteld. Derhalve heeft het overeenkomstig het derde argument van Air France geoordeeld dat dit bedrag niet in de totale waarde van de verkopen kon worden opgenomen. Daarnaast heeft het Gerecht geoordeeld dat het feit dat bepaalde contacten ingevolge het onderzoek van het zevende middel uit de bundel van aanwijzingen werden gelaten, niet rechtvaardigde dat aan Air France een verdere verlaging wegens verzachtende omstandigheden werd toegekend. Het heeft daaraan toegevoegd dat uit niets bleek dat de toegekende algemene verlaging wegens verzachtende omstandigheden niet passend was. Het Gerecht heeft uiteindelijk in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het eindbedrag van de aan Air France op te leggen geldboete vastgesteld op 182920000 EUR. Aangezien dit bedrag gelijk was aan dat van de geldboete die bij het litigieuze besluit aan Air France was opgelegd, heeft het Gerecht de vordering van deze onderneming tot wijziging van het bedrag van de geldboete afgewezen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

48 Met haar hogere voorziening verzoekt Air France het Hof: – primair, het bestreden arrest te vernietigen en derhalve het litigieuze besluit, voor zover het haar betreft en haar bij dit besluit een geldboete wordt opgelegd, nietig te verklaren; – subsidiair, de boete van 182920000 EUR die haar hoofdelijk en gezamenlijk met Air France-KLM werd opgelegd bij artikel 3, onder b), van het litigieuze besluit tot een passend bedrag te verlagen, en – hoe dan ook de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van de procedures bij het Hof en het Gerecht.

49 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en Air France te verwijzen in de kosten, en – subsidiair, indien het Hof de hogere voorziening zou toewijzen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

Hogere voorziening

50 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Air France drie middelen aan. Met haar eerste middel voert zij primair aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen toen het bevestigde dat de Commissie bevoegd is om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten. Met haar tweede middel stelt zij subsidiair dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen en het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden wat de inaanmerkingneming van de reguleringsstelsels betreft. Met haar derde middel stelt zij eveneens subsidiair dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de deelname van Air France aan de enkele voortdurende inbreuk tussen 7 december 1999 en 14 februari 2006.

Eerste middel, betreffende de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten

51 Het eerste middel van Air France bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel stelt zij dat het Gerecht verordening nr. 411/2004 heeft geschonden door deze onjuist uit te leggen. Met het tweede onderdeel betoogt zij dat het Gerecht bij zijn analyse van de gekwalificeerde gevolgen hoe dan ook blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.

Eerste onderdeel: schending van verordening nr. 411/2004

– Argumenten van partijen

52 Air France betoogt dat de punten 90 en 94 van het bestreden arrest rechtens onjuist zijn voor zover het Gerecht daarin heeft geoordeeld dat verordening nr. 411/2004 en besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER de Commissie de bevoegdheid hebben verleend om de artikelen 101 en 102 VWEU vanaf 1 mei 2004 toe te passen op Unie-derdelandenroutes en de artikelen 53 en 54 van de EER-Overeenkomst vanaf 19 mei 2005 toe te passen op EER(zonder Unie)-derdelandenroutes, en dat inkomende vrachtdiensten niet van deze bevoegdheid uitgesloten waren omdat er geen „expliciete tekstuele grondslag” meer was die rechtvaardigde dat deze diensten van de bij verordening nr. 1/2003 ingevoerde regeling uitgesloten bleven.

53 Het Gerecht heeft erkend dat verordening nr. 411/2004 niet uitdrukkelijk bepaalt dat zij van toepassing is op inkomende vrachtdiensten, aangezien de richting van de daarin genoemde routes niet wordt vermeld. Niettemin heeft het geoordeeld dat het ontbreken van een uitdrukkelijke vermelding dat de Commissie niet bevoegd is voor inkomende vrachtdiensten aldus moet worden uitgelegd dat zij daarvoor bevoegd is. Gelet op het beginsel dat het bestaan van twijfel bij de rechter in het voordeel moet spelen van de onderneming die adressaat is van een besluit waarbij een inbreuk wordt vastgesteld, moet de toepasselijke regelgeving echter aldus worden uitgelegd dat zij niet in het nadeel is van deze onderneming. Aangezien verordening nr. 411/2004 niets bepaalt over de richting van de routes „tussen derde landen en de Unie” en deze verordening uitdrukkelijk vermeldt dat de Commissie binnen de luchtvervoerssector bevoegd is voor het verkeer „tussen de Gemeenschap en derde landen”, had het Gerecht die verordening aldus moeten uitleggen dat de Commissie niet bevoegd is voor inkomende vrachtdiensten.

54 Volgens de Commissie is het eerste onderdeel ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

55 Er zij in de eerste plaats op gewezen dat artikel 3 van verordening nr. 411/2004 bepaalt dat artikel 32, onder c), van verordening nr. 1/2003 – waarin was bepaald dat deze laatste verordening „niet van toepassing [was] op luchtvervoer tussen luchthavens van de [Unie] en derde landen” – wordt geschrapt. Volgens artikel 4 van verordening nr. 411/2004 is die schrapping ingegaan op 1 mei 2004. Bijgevolg bevat verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening nr. 411/2004, sinds die datum geen bepaling meer op grond waarvan verordening nr. 1/2003 niet van toepassing is op luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie en luchthavens in derde landen.

56 Zoals het Gerecht in punt 91 van het bestreden arrest in essentie heeft opgemerkt, blijkt bovendien noch uit de bepalingen van verordening nr. 411/2004, noch uit de considerans van deze verordening, specifiek de overwegingen 2, 3 en 7 ervan, dat de Uniewetgever met de verwijzing naar luchtvervoer „tussen” de Unie en derde landen in het opschrift van die verordening en in de overwegingen ervan enkel luchtvervoer „van” de Unie „naar” derde landen of, met andere woorden, enkel uitgaand luchtvervoer heeft bedoeld. Integendeel, volgens zijn in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, duidt de term „tussen” op de ruimte tussen twee plaatsen, twee voorwerpen of twee personen. Die term is dus neutraal wat in casu de richting van het bedoelde luchtvervoer betreft.

57 Het Gerecht heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 90 van het bestreden arrest vast te stellen dat er sinds 1 mei 2004 geen „expliciete tekstuele grondslag” meer is die kan rechtvaardigen dat inkomende vrachtdiensten uitgesloten blijven van de regeling van verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening nr. 411/2004.

58 In de tweede plaats blijkt, anders dan Air France suggereert, hoe dan ook niet uit het bestreden arrest dat het Gerecht enige twijfel had over de strekking van verordening nr. 411/2004. Zo vindt de stelling van Air France dat het Gerecht heeft erkend dat verordening nr. 411/2004 niet uitdrukkelijk bepaalt dat deze van toepassing is op inkomende vrachtdiensten geen steun in het bestreden arrest en wordt deze bovendien weerlegd door de letterlijke uitlegging van die verordening in punt 90 van het bestreden arrest. Voorts heeft het Gerecht in de punten 91 tot en met 93 van dat arrest ook opgemerkt dat niets in de bewoordingen of de algemene opzet van die verordening erop wijst dat de Uniewetgever de uitsluiting van inkomende vrachtdiensten van de werkingssfeer van verordening nr. 1/2003 heeft willen handhaven, dat het doel van verordening nr. 411/2004 er ook voor pleitte om inkomende vrachtdiensten binnen deze werkingssfeer te laten vallen, en dat uit de ontstaansgeschiedenis van laatstgenoemde verordening bleek dat de Uniewetgever geenszins een onderscheid wilde maken tussen met name inkomende routes en routes vanuit de EER naar derde landen.

59 In de derde plaats staat vast dat verordening nr. 411/2004 in de EER-Overeenkomst is opgenomen bij besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER, en verordening nr. 1/2003 zelf in die overeenkomst is opgenomen bij besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER, en dat beide besluiten op 19 mei 2005 in werking zijn getreden.

60 Uit een en ander volgt dat het Gerecht in punt 94 van het bestreden arrest terecht tot de slotsom is gekomen dat inkomende vrachtdiensten binnen de werkingssfeer van verordening nr. 411/2004 en besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER vallen, en daar terecht uit heeft afgeleid dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door in overweging 1041 van het litigieuze besluit te oordelen dat artikel 101 VWEU van toepassing is op luchtvervoer tussen de Unie en derde landen „in beide richtingen”. Dezelfde overwegingen gelden voor artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes betreft.

61 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.

Tweede onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen bij de analyse van de gekwalificeerde gevolgen en niet-nakoming van de motiveringsplicht

– Argumenten van partijen

62 Air France betoogt dat het Gerecht hoe dan ook blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door de bevoegdheid van de Commissie voor inkomende vrachtdiensten vast te stellen op grond van het criterium dat is gebaseerd op de gekwalificeerde gevolgen van de mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”), terwijl in het onderhavige geval niet aan dit criterium is voldaan.

63 Ten eerste schenden de punten 119, 123 en 124 van het bestreden arrest artikel 101 VWEU en wordt de territoriale bevoegdheid van de Commissie in deze punten verward met de kwalificatie van een praktijk als mededingingsbeperking. Door te verklaren dat aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als een mededingingsbeperking „naar gevolg”, heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat het bewijs van de gekwalificeerde gevolgen van een buiten de EER ten uitvoer gelegde gedraging achterwege kan worden gelaten wanneer deze als mededingingsbeperking naar strekking kan worden aangemerkt. Dit is echter onjuist aangezien de Commissie, om op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen vast te stellen of zij bevoegd is voor buiten de EER ten uitvoer gelegde gedragingen, moet aantonen dat de betrokken gedragingen voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen hebben binnen de EER en dat die gevolgen waarschijnlijk zijn. Geen van deze criteria stemt overeen met de criteria ter bepaling van de mogelijke gevolgen van een inbreuk naar strekking. De analyse van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kan niet worden versoepeld wanneer er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking.

64 Ten tweede heeft het Gerecht de bewijsstandaard die het Hof in het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), aangaande het bewijs van de gekwalificeerde gevolgen heeft vastgesteld, niet toegepast, en is het zijn motiveringsplicht niet nagekomen. Wat betreft buiten de EER ten uitvoer gelegde feitelijke gedragingen die betrekking hebben op diensten die zijn onderhandeld met en gefactureerd aan klanten buiten de EER, vereist de vaststelling dat de Commissie bevoegd is om daarvan kennis te nemen dat zij aantoont dat deze gedragingen „voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen hebben binnen de EER”. In de punten 132, 133 en 147 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter geoordeeld dat indirecte gevolgen, waarvan het zelf erkent dat zij onzeker zijn, volstonden om te kunnen spreken van „gekwalificeerde gevolgen” in de zin van de rechtspraak van het Hof, waarbij deze onzekerheid overigens in punt 149 van dat arrest niet meer wordt vermeld. Dergelijke gevolgen kunnen echter niet worden vastgesteld wanneer zij te ver verwijderd of louter hypothetisch zijn.

65 Ten derde heeft het Gerecht niet aangetoond dat, noch is het nagegaan of, de gestelde gekwalificeerde gevolgen „waarschijnlijk” waren. Net als de Commissie heeft het Gerecht enkel gewezen op de aard van de inbreuk, zonder het effect van de toeslagen op de totale verkoopprijs van de vrachtdiensten te onderzoeken, terwijl deze toeslagen in de jaren 2004 en 2005 gemiddeld slechts 18 % van de uiteindelijk prijs van de diensten vertegenwoordigden. Het Gerecht heeft evenmin getracht na te gaan of en in hoeverre de expediteurs deze vermeende prijsverhoging daadwerkelijk hadden meegenomen in de totale vervoerskosten en doorberekend aan de verzenders, noch of en in hoeverre deze verzenders die vermeende stijging van de vervoerskosten hadden doorberekend aan de consumenten.

66 Ten vierde heeft het Gerecht bij het onderzoek naar de voorzienbaarheid van de gevolgen een cirkelredenering gevolgd waarbij Air France werd verplicht een onmogelijk bewijs te leveren, en heeft het ten onrechte de bewijslast omgekeerd. Zo heeft het in de punten 136, 137 en 140 van het bestreden arrest aan Air France verweten dat zij niet het bestaan had aangetoond van een waterbedeffect dat zo waarschijnlijk was dat het betrokken gevolg, namelijk de prijsverhoging, niet viel te verwachten. De bewijslast rustte wat dat betreft echter op de Commissie. Air France stelt dat zij zich in het kader van de administratieve procedure op dit waterbedeffect heeft beroepen, maar dat de Commissie enkel heeft onderstreept dat het ging om een mededingingsbeperking naar strekking en in het litigieuze besluit niet op de relevantie van dat waterbedeffect is ingegaan.

67 Ten vijfde blijkt uit de punten 172 en volgende van het bestreden arrest dat het Gerecht van oordeel was dat het de bevoegdheid van de Commissie ten aanzien van inkomende routes kon vaststellen omdat het ging om één enkele voortdurende inbreuk. Dit begrip „enkele voortdurende inbreuk” kan echter niet worden gebruikt om de werkingssfeer van de in het VWEU geformuleerde verboden uit te breiden. De verwijzing die het Gerecht in dit verband maakt naar punt 57 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), is irrelevant en miskent de strekking van dit arrest. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, ging het namelijk om een praktijk die algemeen was toegepast op één enkele geografische markt van mondiale omvang en die onder meer in de EER gevolgen had, terwijl de praktijken in het onderhavige geval zijn toegepast op afzonderlijke geografische markten, waarvan sommige, zoals die van de inkomende routes, buiten de EER liggen. Daarmee heeft het Gerecht bovendien een omgekeerde redenering gevolgd. Eerst moet worden beoordeeld of elk van de wezenlijke bestanddelen van de inbreuk onder de bevoegdheid van de Commissie valt. Pas daarna kan in voorkomend geval worden beoordeeld of de verschillende praktijken die aan de orde zijn een totaalplan volgen en deel uitmaken van één enkele voortdurende inbreuk. Praktijken ten aanzien waarvan de Commissie geen bevoegdheid heeft, kunnen niet a posteriori kunstmatig worden gekoppeld aan praktijken die onder haar bevoegdheid vallen.

68 Ten zesde heeft het Gerecht in strijd met de rechtspraak zijn eigen motivering in de plaats gesteld van die van het litigieuze besluit teneinde aan te tonen dat er sprake was van gekwalificeerde gevolgen. Zo wordt het bestaan van de gekwalificeerde gevolgen enkel onderzocht in overweging 1045 van het litigieuze besluit en is de, overigens ontoereikende, analyse van het Gerecht niet in dat besluit terug te vinden. Air France verwijst in dit verband naar de analyse die het Gerecht heeft gemaakt bij zijn beoordeling van de relevantie van „het betrokken gevolg”, in de punten 115 tot en met 134 van het bestreden arrest, de voorzienbaarheid van dit gevolg, in de punten 135 tot en met 152 van dit arrest, het wezenlijke karakter daarvan, in de punten 153 tot en met 163 van dat arrest, het onmiddellijke karakter van dat gevolg, in de punten 164 tot en met 171 van het bestreden arrest en de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk, in de punten 172 tot en met 183 ervan. Bij elk van deze stappen heeft het Gerecht zich gebaseerd op elementen waar de Commissie zich in het litigieuze besluit niet op heeft gebaseerd. Het heeft dus een nieuwe motivering gegeven om de onjuiste redenering van de Commissie te onderbouwen. Gesteld dat de Commissie het bestaan van de gekwalificeerde gevolgen daadwerkelijk heeft aangetoond op basis van de door het Gerecht in het bestreden arrest genoemde overwegingen van het litigieuze besluit, is een dergelijke regularisatie achteraf hoe dan ook ontoereikend. Het ontbreken van een motivering van de bestreden handeling kan immers niet worden geregulariseerd doordat de betrokkene in de loop van de gerechtelijke procedure kennis krijgt van de motivering van deze handeling.

69 De Commissie antwoordt hierop dat het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

70 In de eerste plaats zij opgemerkt dat het Gerecht, zoals Air France aanvoert, in punt 119 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat in het geval van een gedraging waarvan de Commissie, zoals in het onderhavige geval, heeft vastgesteld dat de mededinging op de interne markt of binnen de EER daardoor zodanig nadelig wordt beïnvloed dat die gedraging als mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst kan worden aangemerkt, aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als mededingingsbeperking „naar gevolg”, in de zin van deze bepalingen.

71 Evenzo heeft het Gerecht in punt 123 van dat arrest verklaard dat een uitlegging van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen waarbij, zelfs als er sprake is van een mededingingsbeperking „naar strekking”, de concrete gevolgen van de litigieuze gedraging moeten worden bewezen – zoals Air France leek te bepleiten –, erop neer zou komen dat de bevoegdheid van de Commissie om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen, wordt onderworpen aan een voorwaarde die niet gebaseerd is op de bewoordingen van die bepalingen.

72 Het Gerecht heeft daaruit in punt 124 van dat arrest ten eerste afgeleid dat Air France de Commissie niet met recht kon verwijten dat zij een fout had begaan door te oordelen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, ook al had zij in de overwegingen 917, 1190 en 1277 van het litigieuze besluit aangegeven dat zij geen beoordeling van de mededingingsverstorende gevolgen van de litigieuze gedraging hoefde te verrichten gelet op de mededingingsverstorende strekking ervan, en ten tweede dat Air France evenmin uit die overwegingen kon afleiden dat de Commissie geen enkele analyse had verricht van de gevolgen van die gedraging op de interne markt of binnen de EER.

73 Zoals dit tweede deel van punt 124 reeds aangeeft, kan uit deze door Air France betwiste punten echter niet worden afgeleid dat het Gerecht, om aan te tonen dat in casu aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, heeft geoordeeld dat het volstond dat de litigieuze mededingingsregeling als mededingingsbeperking naar strekking kon worden aangemerkt.

74 Uit de punten 115 tot en met 133 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt namelijk dat het Gerecht in die betwiste punten enkel het betoog van Air France, dat aan het einde van punt 102 van het bestreden arrest is samengevat, van de hand heeft gewezen. Zo heeft het in die punten uiteengezet waarom Air France ten onrechte stelde dat het feit dat de Commissie in de delen van het litigieuze besluit die betrekking hadden op de kwalificatie van de betrokken mededingingsbeperking – wat overweging 917 ervan betreft –, en op de berekening van de geldboete – wat de overwegingen 1190 en 1277 ervan betreft –, had aangegeven dat zij de werkelijke mededingingsverstorende gevolgen niet hoefde te onderzoeken omdat de mededingingsverstorende strekking van de verweten gedragingen vaststond, betekende dat de Commissie wegens deze mededingingsverstorende strekking niet had beoordeeld of die gedragingen de vereiste gekwalificeerde gevolgen hadden gehad teneinde vast te stellen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.

75 Ten eerste heeft het Gerecht echter geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in essentie te antwoorden dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag dient voor de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie, verschilt van de vraag of de litigieuze mededingingsregeling kan worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het internationaal publiekrecht – voor de extraterritoriale toepassing van de mededingingsregels van de Unie en van de EER, niet samen met het materiële criterium van de mededingingsbeperking, naar strekking of naar gevolg, op de interne markt van de Unie of binnen de EER, waaraan de bevoegdheid van de Commissie – naar Unierecht – voor de vaststelling en de bestraffing van een inbreuk op deze mededingingsregels onderworpen is.

76 Ten tweede is de analyse waarbij het Gerecht heeft onderzocht of de Commissie terecht had geoordeeld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, uiteengezet in de punten 134 tot en met 171 van het bestreden arrest, wat de onderlinge afstemming op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd betreft, en in de punten 172 tot en met 182 van dit arrest, wat de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd betreft.

77 Derhalve leest Air France het bestreden arrest onjuist wanneer zij stelt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat, om op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen vast te stellen dat de Commissie bevoegd is om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op gedragingen die buiten het grondgebied van de EER hebben plaatsgevonden, het bewijs van dergelijke gevolgen achterwege kon worden gelaten wanneer die gedragingen als mededingingsbeperking naar strekking kunnen worden aangemerkt. Dientengevolge moet het in punt 63 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

78 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat met het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hetzelfde doel wordt nagestreefd als met het criterium dat gebaseerd is op de plaats waar de mededingingsverstorende praktijken ten uitvoer zijn gelegd, namelijk gedragingen aanpakken die niet op het grondgebied van de Unie of, al naargelang het geval, de EER hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie of de EER. Bijgevolg kan de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie en de EER vanuit het oogpunt van het internationaal publiekrecht op grond van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen gerechtvaardigd zijn wanneer voorzienbaar is dat de betrokken gedraging een onmiddellijk en wezenlijk gevolg zal hebben in de Unie of de EER. In dit verband wordt reeds voldaan aan het criterium van voorzienbare gevolgen indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging. Bovendien volstaat het dat de gedraging een onmiddellijk gevolg in de Unie of de EER „kan” teweegbrengen wil aan de voorwaarde inzake onmiddellijke gevolgen zijn voldaan (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 45, 49, 51 en 52).

79 Zoals Air France stelt, moet de Commissie – om aan te tonen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen is voldaan – dus bewijzen dat de betrokken praktijken voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen hebben binnen de Unie of, zoals in het onderhavige geval, de EER. Het Gerecht heeft deze criteria overigens in herinnering gebracht in de punten 113 en 134 van het bestreden arrest. Anders dan Air France stelt met haar betoog dat in punt 64 van het onderhavige arrest is uiteengezet, is het Gerecht in de punten 132, 133 en 147 van het bestreden arrest evenwel niet van dit criterium afgeweken door te oordelen dat louter indirecte en onzekere gevolgen volstaan om te kunnen spreken van gekwalificeerde gevolgen als bedoeld in de in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

80 Om te beginnen blijkt uit de punten 108, 109, 112 en 125 tot en met 134 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, dat die punten 132 en 133 deel uitmaken van de analyse van het Gerecht in verband met de beoordeling van de relevantie van de eerste grond waarop de Commissie zich in overweging 1045 van het litigieuze besluit heeft gebaseerd om vast te stellen dat in het onderhavige geval aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan. Deze grond betrof het feit dat „de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen [zouden] hebben voor de consumenten in de EER”, door het Gerecht het „betrokken gevolg” genoemd (hierna: „effect op de prijzen van de ingevoerde goederen”), waarvan Air France stelde dat het niet behoorde tot de gevolgen van de litigieuze gedraging waarmee de Commissie rekening mocht houden bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.

81 De punten 132 en 133 van het bestreden arrest hebben dus geen betrekking op de vraag of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voldeed aan het vereiste dat het voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk was. Hieruit volgt dat het in punt 64 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust voor zover het betrekking heeft op die punten 132 en 133. Het moet dus als ongegrond worden afgewezen.

82 Voor zover dit betoog betrekking heeft op punt 147 van het bestreden arrest moet vervolgens worden opgemerkt dat hoewel dit punt is opgenomen in het deel van dat arrest over de voorzienbaarheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen, het Gerecht daarin enkel heeft verklaard dat de beschuldigde vervoerders „[i]n die omstandigheden” redelijkerwijs konden voorzien dat de expediteurs dergelijke extra kosten door middel van een verhoging van de prijs voor vrachtvervoersdiensten zouden doorberekenen aan de verzenders. Vastgesteld moet dus worden dat het Gerecht in dat punt niet heeft verklaard dat louter indirecte en onzekere gevolgen of ver verwijderde of louter hypothetische gevolgen volstaan om te kunnen spreken van gekwalificeerde gevolgen in de zin van de rechtspraak van het Hof. Aangezien dat betoog dus eveneens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust, moet het als ongegrond worden afgewezen.

83 Voor zover ditzelfde betoog in wezen neerkomt op een betwisting van de beoordeling door het Gerecht of het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voorzienbaar was, verschilt het ten slotte niet van het in punt 66 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog, dat in de punten 95 tot en met 99 van het onderhavige arrest wordt onderzocht.

84 Uit het voorgaande volgt dat, onder het in het vorige punt genoemde voorbehoud, het in punt 64 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond moet worden afgewezen.

85 In de derde plaats moet allereerst worden opgemerkt dat uit de in punt 78 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak blijkt dat de voorwaarde inzake de „waarschijnlijkheid” van de gekwalificeerde gevolgen waarnaar Air France verwijst, niet verschilt van de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid van die gevolgen, aangezien volgens die rechtspraak reeds wordt voldaan aan het criterium van voorzienbare gevolgen, indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging. Bijgevolg kan Air France het Gerecht niet met succes verwijten – zoals uiteengezet in punt 65 van het onderhavige arrest – dat het niet heeft aangetoond dat, noch is nagegaan of, het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen waarschijnlijk was. Het heeft in de punten 135 tot en met 152 van het bestreden arrest immers onderzocht of dit effect voorzienbaar was.

86 Vervolgens, voor zover Air France met haar in dat punt 65 uiteengezette betoog stelt dat het Gerecht niet heeft aangetoond dat, noch is nagegaan of, het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voorzienbaar was, volstaat het vast te stellen dat dit wordt tegengesproken door de punten 135 tot en met 152 van het bestreden arrest, die zijn gewijd aan de analyse van het Gerecht betreffende de beoordeling of dit effect – dat volgens Air France niet bestaat – voorzienbaar was.

87 Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 137 tot en met 139 van het bestreden arrest vastgesteld dat de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen blijkens de overwegingen 846, 909, 1199 en 1208 van het litigieuze besluit, onderling afgestemde horizontale prijsafspraken vormden, waarvan volgens de rechtspraak van het Hof vaststaat dat zij met name leiden tot prijsverhogingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen in het bijzonder de consumenten schaadt. Het heeft derhalve geoordeeld dat het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag door de horizontale vaststelling ervan hoger zouden uitvallen, en dat de weigering om commissies te betalen die verhoging in de hand kon werken. Het Gerecht heeft namelijk vastgesteld dat het hierbij ging om een onderling afgestemde weigering om de expediteurs kortingen op de toeslagen toe te kennen teneinde zo de beschuldigde vervoerders in staat te stellen de prijsonzekerheid binnen de sector, die had kunnen ontstaan door mededinging op het punt van betaling van die commissies „zo veel mogelijk te onderdrukken” en aldus de toeslagen aan de mededinging te onttrekken, zoals de Commissie in de overwegingen 874 en 879 van het litigieuze besluit had opgemerkt.

88 Het Gerecht heeft daar in punt 140 van het bestreden arrest aan toegevoegd dat, zoals bleek uit overweging 17 van het litigieuze besluit, de prijs van vrachtdiensten bestaat uit tarieven en toeslagen, waaronder de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag, en dat het voor de hand lag dat een verhoging van deze toeslagen in beginsel een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zou hebben, tenzij ervan werd uitgegaan dat een dergelijke verhoging door het waterbedeffect waarschijnlijk zou worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van de tarieven en andere toeslagen.

89 Voorts heeft het Gerecht in de punten 144 tot en met 147 van het bestreden arrest onderzocht of het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de expediteurs die verhoging zouden doorberekenen aan hun eigen klanten, namelijk de verzenders, door de prijs voor vrachtvervoersdiensten te verhogen, en heeft het geoordeeld dat de beschuldigde vervoerders dit redelijkerwijs konden voorzien. In dit verband heeft het erop gewezen dat, zoals in wezen bleek uit de overwegingen 14 en 70 van dat besluit, de prijs van vrachtdiensten voor de expediteurs een variabele kost vormt, waarvan de stijging in beginsel hogere marginale kosten tot gevolg heeft op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepalen. In de punten 148 tot en met 150 van dat arrest heeft het Gerecht tevens vastgesteld dat, zoals bleek uit de overwegingen 70 en 1031 van het litigieuze besluit, de prijs van vervoersdiensten en met name die van vrachtdiensten deel uitmaakt van de kosten van de goederen waarvan de expediteurs doorgaans het geïntegreerde transport voor rekening van de verzenders verzorgen, zodat de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover die betrekking had op de inkomende routes, tot hogere prijzen voor de in de EER ingevoerde goederen zou leiden.

90 Gelet op de in punt 78 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, volgens welke reeds wordt voldaan aan het criterium van voorzienbare gevolgen indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in die punten van het bestreden arrest wel degelijk de vereiste verificatie heeft verricht en dat het zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting tot de slotsom is gekomen dat de Commissie aldus genoegzaam had aangetoond dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voorzienbaar was.

91 Zoals ook de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet immers alle schade met het ontstaan waarvan de karteldeelnemers naar de algemene ervaring redelijkerwijs rekening moeten houden, worden geacht voorzienbaar te zijn in de zin van deze rechtspraak, in tegenstelling tot schade die het gevolg is van een volstrekt uitzonderlijke samenloop van omstandigheden. Zoals reeds in punt 87 van het onderhavige arrest is opgemerkt en zoals het Gerecht ook in punt 137 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, staat het vast dat kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, productieverminderingen en prijsstijgingen tot gevolg hebben, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen in het bijzonder de consumenten schaadt (zie in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 51).

92 Anders dan Air France stelt, hoefde het Gerecht – om aan te tonen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voorzienbaar was – dus niet concreet het effect van de toeslagen op de totale verkoopprijs van de vrachtdiensten te onderzoeken, noch hoefde het na te gaan of en in hoeverre de expediteurs deze prijsverhoging daadwerkelijk aan de verzenders hadden doorberekend, noch of en in hoeverre de verzenders deze stijging van de vervoerskosten daadwerkelijk aan de consumenten hadden doorberekend.

93 Bovendien heeft het Gerecht wel degelijk rekening gehouden met het feit dat de toeslagen gemiddeld 18 % vertegenwoordigden van de totale prijs die Air France in de jaren 2004 en 2005 aan de expediteurs in rekening heeft gebracht. In het kader van zijn onderzoek naar het wezenlijke karakter van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen heeft het Gerecht dit gegeven namelijk vermeld in punt 160 van het bestreden arrest.

94 Dientengevolge moet het in punt 65 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

95 In de vierde plaats zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak aan de Commissie staat om de bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam aantonen dat de feiten die een inbreuk op het mededingingsrecht vormen, zijn gepleegd. Het is evenwel aan de onderneming die tegen de vaststelling van een dergelijke inbreuk een verweermiddel aanvoert, om aan te tonen dat dit verweermiddel moet worden aanvaard. Hoewel de bewijslast volgens deze beginselen op de Commissie of op de betrokken onderneming rust, kunnen de door een partij aangevoerde feiten evenwel van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij gebreke waarvan mag worden geconcludeerd dat aan de regels inzake de bewijslast is voldaan (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 Deze rechtspraak is gebaseerd op de algemene regels inzake de bewijsvoering en kan worden toegepast op de situatie waarin de Commissie moet aantonen dat zij territoriaal bevoegd is ten aanzien van gedragingen die buiten het grondgebied van de Unie of de EER zijn ontstaan.

97 Zoals reeds in punt 88 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht in het onderhavige geval, in punt 140 van het bestreden arrest, vastgesteld dat het voor de hand lag dat een verhoging van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag in beginsel een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zou hebben, tenzij ervan werd uitgegaan dat een dergelijke verhoging door het waterbedeffect waarschijnlijk zou worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van de tarieven en andere toeslagen. Het heeft daar weliswaar aan toegevoegd dat Air France niet had aangetoond dat dit waterbedeffect zo waarschijnlijk was dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen niet viel te verwachten, maar zoals blijkt uit punt 87 van het onderhavige arrest, volgt deze vaststelling op een analyse, in de punten 137 tot en met 139 en in de eerste volzin van punt 140 van het bestreden arrest, op basis waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de horizontale vaststelling van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen een verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten tot gevolg zouden hebben.

98 Het Gerecht heeft dus eerst vastgesteld dat de Commissie in het litigieuze besluit genoegzaam had aangetoond dat een dergelijke verhoging voorzienbaar was, alvorens te onderzoeken of Air France elementen had aangevoerd op grond waarvan deze vaststelling kon worden weerlegd. Nadat Air France in dit verband het bestaan van een „waterbedeffect” had aangevoerd, heeft het in punt 141 van het bestreden arrest vastgesteld dat het economisch rapport dat zij aanvoerde om dit effect aan te tonen, in feite slechts wees op een correlatie tussen de werkelijke ontwikkeling van de hoogte van de veiligheidstoeslag die Air France aanrekende en die van de kerosineprijs, zonder evenwel aan te tonen dat het zo waarschijnlijk was dat een verhoging van de brandstoftoeslag zou worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van de tarieven en andere toeslagen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen niet te verwachten viel.

99 Gelet op de in punt 95 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kon het Gerecht dan ook, zonder ten onrechte de bewijslast om te keren, oordelen dat aangezien het in de punten 137 tot en met 139 en in de eerste volzin van punt 140 van het bestreden arrest in essentie had vastgesteld dat de Commissie in het litigieuze besluit genoegzaam had aangetoond dat de verhoging van de totale prijs van inkomende vrachtdiensten als gevolg van de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag voorzienbaar was, het aan Air France stond om het tegenbewijs te leveren, en dat Air France bij gebreke van een dergelijk afdoend tegenbewijs de vaststelling die het had gedaan niet had kunnen weerleggen.

100 Met betrekking tot het argument van Air France dat het Gerecht daarmee een cirkelredenering heeft gevolgd en haar heeft verplicht om een onmogelijk bewijs te leveren omdat de Commissie zich in het litigieuze besluit heeft beroepen op de kwalificatie van de litigieuze gedragingen als mededingingsbeperking naar strekking en op die grond heeft geweigerd om met dat effect rekening te houden, volstaat het bovendien op te merken dat dit argument op dezelfde premisse berust als het in punt 63 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog, waarvan in de punten 70 tot en met 77 van het onderhavige arrest reeds is aangetoond dat het onjuist is.

101 Dientengevolge moet het in punt 66 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog eveneens als ongegrond worden afgewezen.

102 In de vijfde plaats zij in verband met het in punt 68 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog, dat als voorlaatste moet worden onderzocht, in herinnering gebracht dat – hoewel de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU zich volgens de rechtspraak uitstrekt tot alle aspecten van de in de procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, welke door het Gerecht zowel juridisch als feitelijk grondig worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door deze laatste aangedragen informatie – het Hof en het Gerecht in het kader van die toetsing in geen geval hun eigen motivering in de plaats kunnen stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (arrest van 4 juli 2024, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑70/23 P, EU:C:2024:580, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

103 Het Gerecht kan dus niet met een eigen motivering een hiaat in de motivering van de bestreden handeling wegwerken op een zodanige manier dat zijn onderzoek niet aansluit bij enig oordeel in de handeling (arrest van 18 juli 2013, UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104 Wanneer het Gerecht echter enkel antwoordt op het aangevoerde betoog en daarbij de motivering van de bestreden handeling toelicht, kan niet worden geoordeeld dat het zijn eigen motivering in de plaats stelt van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 56, en 23 november 2023, Ryanair/Commissie, C‑209/21 P, EU:C:2023:905, punt 49).

105 Zoals blijkt uit de punten 109 en 125 van het bestreden arrest, bevatte in casu de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit, zij het beknopt, de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie haar extraterritoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het zijn immers deze elementen die, gelezen in het licht van de andere relevante overwegingen van dat besluit, waarnaar in de punten 130, 137 tot en met 140, 142, 145, 148, 156 tot en met 158, 161 en 162 van het bestreden arrest wordt verwezen, het Gerecht in staat hebben gesteld na te gaan of de Commissie het bestaan van dergelijke gevolgen daadwerkelijk had aangetoond. Bovendien blijkt uit de punten 115 tot en met 171 van het bestreden arrest dat het Gerecht er in deze punten mee heeft volstaan te antwoorden op het betoog van Air France, de motivering van het litigieuze besluit toe te lichten en meer in het bijzonder bepaalde aanwijzingen af te leiden uit de in dat besluit opgenomen informatie. Gelet op de in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak is de vermeende vervanging van de motivering, wat die punten 115 tot en met 171 betreft, dus niet aangetoond.

106 Bovendien kan in die omstandigheden evenmin worden aangenomen dat het Gerecht door aldus te oordelen, het ontbreken van een motivering van het litigieuze besluit aangaande de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten heeft geregulariseerd, in strijd met de rechtspraak volgens welke het ontbreken van een motivering niet kan worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor het Hof kennis krijgt van de redenen van het besluit (arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punt 463 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals blijkt uit het vorige punt van het onderhavige arrest, is dit ontbreken van een motivering van het litigieuze besluit, dat overigens zelfs niet voor het Gerecht was aangevoerd, immers niet aangetoond.

107 Daarnaast moet, voor zover Air France met dit betoog doelt op de motivering in de punten 172 tot en met 182 van het bestreden arrest, worden vastgesteld dat deze zijn opgenomen in het deel van het bestreden arrest dat is gewijd aan het onderzoek van de in punt 110 van dat arrest genoemde derde grond die de Commissie in het litigieuze besluit in aanmerking had genomen om vast te stellen dat zij bevoegdheid had om kennis te nemen van de litigieuze gedraging, namelijk die betreffende de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd. Dat deel van het bestreden arrest komt echter specifiek aan bod in het betoog van Air France dat in punt 67 van het onderhavige arrest is uiteengezet. Voor zover de vermeende vervanging van de motivering de punten 172 tot en met 182 van het bestreden arrest betreft, zal deze dus samen met dat deel worden onderzocht, in de punten 109 en 110 van het onderhavige arrest.

108 Dientengevolge moet onder dit voorbehoud het in punt 68 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.

109 In de zesde en laatste plaats moet aangaande het in punt 67 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog en het in punt 68 daarvan uiteengezette betoog voor zover dit ziet op de punten 172 tot en met 182 van het bestreden arrest, worden opgemerkt dat Air France met haar derde middel tot nietigverklaring voor het Gerecht enkel de bevoegdheid van de Commissie betwistte om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten.

110 Aangezien het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie ten aanzien van de onderlinge afstemming op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, zodat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging, voor zover deze werd betwist, vaststond, was het voor het Gerecht dus overbodig om in de punten 172 tot en met 182 van het bestreden arrest te onderzoeken of de Commissie, teneinde vast te stellen dat zij bevoegd was om deze bepalingen op de litigieuze gedraging toe te passen, in overweging 1046 van het litigieuze besluit ook terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, gelet op de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.

111 Bovendien blijkt uit heel het voorgaande onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel dat het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest tot deze slotsom is gekomen zonder blijk te geven van de vermeende onjuiste rechtsopvattingen en zonder de vermeende vervanging van de motivering.

112 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat dit betoog betrekking heeft op ten overvloede gegeven overwegingen van het bestreden arrest. Volgens vaste rechtspraak kunnen argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen echter niet tot vernietiging van die uitspraak leiden en zijn zij dus niet ter zake dienend (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

113 Dat betoog moet derhalve als niet ter zake dienend worden afgewezen.

114 Uit een en ander volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel en bijgevolg dit eerste middel in zijn geheel als deels ongegrond en deels niet ter zake dienend moeten worden afgewezen.

Tweede middel, betreffende de inaanmerkingneming van de reguleringsstelsels

Argumenten van partijen

115 Air France voert aan dat het Gerecht bij de inaanmerkingneming van de reguleringsstelsels het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.

116 In punt 463 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich volgens haar aangesloten bij de analyse die de Commissie in het litigieuze besluit heeft gemaakt – volgens welke de in verschillende derde landen, waaronder het Koninkrijk Thailand, geldende reguleringsstelsels de vervoerders niet hadden gedwongen, maar enkel hadden aangemoedigd om te overleggen over de invoering van de brandstoftoeslag – en aldus haar betoog dat deze reguleringsstelsels de vervoerders verplichtten om daarover afspraken te maken, verworpen. In het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), is het Gerecht in verband met een Thais reguleringsstelsel echter tot een tegenovergestelde conclusie gekomen. In punt 562 van dit arrest heeft het namelijk geoordeeld dat de Thaise autoriteiten vanaf 20 juli 2005 een rechtskader hadden gecreëerd waardoor concurrerend optreden tussen de vervoerders bij de vaststelling van het bedrag van de brandstoftoeslag voor uitgaande routes uit dit derde land niet meer mogelijk was. Daarom heeft het in punt 944 van dat arrest voor de verzoekende partijen in die zaak de coëfficiënt voor de ernst verlaagd van 16 % naar 15,7 %, waardoor de aan hen opgelegde geldboete werd verlaagd. Het Gerecht is ertoe gehouden bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen.

117 In het onderhavige geval staat vast dat Air France zich in haar verzoekschrift voor het Gerecht op het bindende karakter van het in Thailand geldende reguleringsstelsel had beroepen om een verlaging van haar geldboete te verkrijgen. Bovendien heeft het Gerecht in punt 455 van het bestreden arrest erkend dat de bepalingen van de tussen de Franse Republiek en het Koninkrijk Thailand gesloten overeenkomst inzake luchtdiensten in essentie bepaalden dat de tarieven vooraf moesten worden besproken tussen de aangewezen vervoerders en dat, in geval van een overeenkomst, de bevoegde autoriteiten van de twee partijen bij deze overeenkomst hun goedkeuring moesten verlenen. Uit punt 562 van het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), volgt dat het voor alle vervoerders die vlogen op de uitgaande routes uit Thailand, waaronder Air France, onmogelijk was geworden om concurrerend op te treden. Het Gerecht kon het voordeel van een boeteverlaging dus niet op goede gronden voorbehouden aan SAS Cargo Group e.a. en had voor al deze vervoerders dezelfde conclusies moeten trekken.

118 Daarnaast is het Gerecht zijn motiveringsplicht niet nagekomen omdat het niet heeft toegelicht waarom alleen SAS Cargo Group e.a. in aanmerking kwamen voor een verlaging wegens het Thaise reguleringsstelsel, dat nochtans op alle vervoerders van toepassing was. Indien het zich onvoldoende voorgelicht achtte om zich uit te spreken over het bindende karakter van dat reguleringsstelsel voor alle andere vervoerders, had het overeenkomstig de artikelen 88 en 89 van zijn Reglement voor de procesvoering maatregelen tot organisatie van de procesgang moeten treffen en had het de andere luchtvaartmaatschappijen vragen moeten stellen over dat reguleringsstelsel en over de in het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), genoemde brief van 20 juli 2005. Door die maatregelen niet te treffen, heeft het Gerecht tevens de rechten van de verdediging van Air France geschonden.

119 De Commissie werpt tegen dat dit middel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

120 Vooraf moet worden vastgesteld dat Air France met het opschrift van haar tweede middel in hogere voorziening weliswaar suggereert dat dit middel betrekking heeft op de inaanmerkingneming door het Gerecht van de reguleringsstelsels van alle derde landen waarnaar punt 463 van het bestreden arrest verwijst, namelijk die waarvan sprake is in de overwegingen 972 tot en met 1019 van het litigieuze besluit, maar dat haar betoog ter ondersteuning van dat middel enkel over het Thaise reguleringsstelsel gaat. Bijgevolg wordt met het onderhavige middel de door het Gerecht in dat punt 463 gedane vaststelling slechts ter discussie gesteld voor zover deze betrekking heeft op dat reguleringsstelsel.

121 Na deze precisering moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt 463 heeft vastgesteld dat, anders dan Air France stelde, de elementen van de regelgeving van derde landen waarop zij zich beriep niet in tegenspraak waren met de vaststellingen in het litigieuze besluit, volgens welke de regelgeving prijsafspraken niet verplicht stelde maar enkel aanmoedigde, zodat deze er niet toe leidde dat artikel 101 VWEU niet van toepassing was, maar een verlaging van de geldboete met 15 % overeenkomstig punt 29 van de richtsnoeren van 2006 rechtvaardigde.

122 Niettemin moet worden vastgesteld, dat dit punt 463 het sluitstuk vormt van de analyse die het Gerecht heeft gemaakt in de punten 455 tot en met 462 van het bestreden arrest, waarin het heeft uiteengezet dat het betoog van Air France „in de tweede plaats hoe dan ook” gebaseerd was op een onjuiste analyse van de betrokken overeenkomsten inzake luchtdiensten.

123 Het Gerecht had er immers vooraf, in punt 453 van het bestreden arrest, „in de eerste plaats” op gewezen dat de overeenkomsten inzake luchtdiensten ofwel het litigieuze gedrag op de EER-derdelandenroutes hadden aangemoedigd, in welk geval een verlaging van de geldboete op grond van punt 29 van de richtsnoeren van 2006 gerechtvaardigd kon zijn, ofwel dit verplicht hadden gesteld, in welk geval er geen inbreuk op de mededingingsregels had kunnen worden vastgesteld en evenmin een sanctie had kunnen worden opgelegd wegens dit gedrag.

124 Gelet op deze elementen, die Air France in de onderhavige hogere voorziening niet betwist, heeft het Gerecht in punt 454 van dat arrest vastgesteld dat, aangezien Air France enkel stelde dat in tal van reguleringsstelsels onderlinge afstemming verplicht werd gesteld, haar betoog om aan te tonen dat de algemene verlaging wegens verzachtende omstandigheden ontoereikend was als niet ter zake dienend moest worden afgewezen aangezien dit, gesteld al dat het gegrond was, weliswaar de vaststelling van een inbreuk zou aantasten – die niet aan de orde was –, maar niets in zou brengen tegen de toepassing van punt 29 van de richtsnoeren van 2006, waarvan sprake was in het tweede onderdeel van het voor het Gerecht aangevoerde achtste middel, betreffende de ontoereikendheid van de toegekende algemene verlaging wegens verzachtende omstandigheden, dat in die punten van het bestreden arrest werd onderzocht.

125 Hieruit volgt dat, voor zover Air France opkomt tegen punt 463 van het bestreden arrest als zodanig, alsook in essentie tegen de punten 455 tot en met 462, die dat punt schragen, moet worden vastgesteld dat de in al die punten uiteengezette overwegingen ten overvloede zijn gegeven, aangezien het Gerecht in punt 454 van het bestreden arrest reeds genoegzaam heeft uiteengezet waarom dit tweede onderdeel niet kon worden aanvaard, en dit in de onderhavige hogere voorziening niet ter discussie wordt gesteld. Volgens de rechtspraak die in punt 112 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, kunnen argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen echter niet tot vernietiging van die uitspraak leiden en zijn zij dus niet ter zake dienend.

126 Voor zover Air France met het onderhavige middel stelt dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door ten aanzien van haar niet dezelfde conclusies te trekken uit het bestaan van het Thaise reguleringsstelsel als het heeft gedaan in het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), moet bovendien worden opgemerkt dat uit dit arrest blijkt dat de verzoekende partijen in de zaak die daartoe heeft geleid, met de tweede grief van het zesde onderdeel van hun derde middel voor het Gerecht de beoordeling hadden betwist die de Commissie had gemaakt van de overheidsdwang waaraan zij beweerden te zijn onderworpen in verschillende derde landen, waaronder het Koninkrijk Thailand, en hadden betoogd dat de Commissie artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst dus ten onrechte had toegepast op gedragingen die geen autonome gedragingen van hen waren en daarom buiten de werkingssfeer van die bepalingen moesten vallen. Na onderzoek van deze grief, die door een ter zake dienende argumentatie werd ondersteund, heeft het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig verklaard.

127 De verlaging van de aan de verzoekende partijen opgelegde geldboete die in verband met de reguleringsstelsels is toegekend in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), vloeide dus voort uit de gedeeltelijke nietigverklaring van de vaststelling van een inbreuk ten aanzien van hen, namelijk voor zover deze betrekking had op de vaststelling van het bedrag van de brandstoftoeslag voor vluchten vanuit Thailand tussen 20 juli 2005 en 14 februari 2006.

128 Het beroep dat Air France bij het Gerecht heeft ingesteld bevatte echter geen equivalent van de grief van SAS Cargo Group e.a. die ertoe heeft geleid dat het Gerecht de vaststelling van een inbreuk ten aanzien van hen gedeeltelijk nietig heeft verklaard. In het tweede onderdeel van haar achtste middel tot nietigverklaring voor het Gerecht – waarvan de inhoud door het Gerecht is weergegeven in de punten 447 en 448 van het bestreden arrest, die in de onderhavige hogere voorziening niet worden betwist – heeft Air France immers niet aangevoerd dat de vaststelling van een inbreuk ten aanzien van haar met betrekking tot de routes vanuit Thailand nietig moest worden verklaard. Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, mag een middel inzake de wettigheid ten gronde van een besluit, dat betrekking heeft op schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan in de zin van artikel 263 VWEU, slechts door de Unierechter worden onderzocht indien de verzoekende partij het heeft aangevoerd (arresten van10 december 2013, Commissie/Ierland e.a., C‑272/12 P, EU:C:2013:812, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 107). Air France stelt dan ook tevergeefs dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de gevolgen van de nietigverklaring, bij het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), van de vaststelling van een inbreuk met betrekking tot de routes vanuit Thailand niet uit te breiden tot de onderhavige zaak wat de vaststelling van het bedrag van de geldboete betreft.

129 Daarnaast is het juist dat de uitoefening van volledige rechtsmacht bij de vaststelling van het bedrag van de opgelegde geldboeten niet mag leiden tot discriminatie tussen ondernemingen die aan een inbreuk op de mededingingsregels hebben deelgenomen (arresten van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C‑291/98 P, EU:C:2000:631, punt 97, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 138).

130 Anders dan in de onderhavige zaak en zoals reeds in punt 126 van het onderhavige arrest is opgemerkt, hadden de verzoekende partijen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175), echter de gedeeltelijke nietigverklaring van de vaststelling van een inbreuk ten aanzien van hen verkregen nadat zij hadden kunnen aantonen dat de tweede grief van het zesde onderdeel van hun derde middel voor het Gerecht gegrond was voor zover deze betrekking had op het Thaise reguleringsstelsel.

131 Air France en die verzoekende partijen bevonden zich uit het oogpunt van de factoren die het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht heeft onderzocht dus in verschillende situaties. Het Gerecht heeft het beginsel van gelijke behandeling bijgevolg niet geschonden door in punt 495 van het bestreden arrest het verzoek van Air France in verband met de ontoereikende algemene verlaging wegens verzachtende omstandigheden af te wijzen.

132 Uit het voorgaande volgt dat de in punt 118 van het onderhavige arrest uiteengezette grieven dat het Gerecht van zijn motiveringsplicht niet is nagekomen en de rechten van de verdediging heeft geschonden, eveneens ongegrond zijn aangezien zij berusten op de onjuiste premisse dat het Gerecht de gevolgen die het in een andere zaak aan de gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit had verbonden, ten gunste van Air France had moeten uitbreiden, ook al bevatte het beroep van Air France bij het Gerecht geen equivalent van de grief die tot die gedeeltelijke nietigverklaring had geleid.

133 Gelet op een en ander moet het tweede middel als deels niet ter zake dienend en deels ongegrond worden afgewezen.

Derde middel, betreffende de deelname van Air France aan de enkele voortdurende inbreuk

134 Het derde middel bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel stelt Air France dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van haar deelname aan de inbreuk tussen 4 februari 2000 en 17 januari 2001. In het tweede onderdeel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van haar deelname aan de inbreuk tussen 19 oktober 2005 en 14 februari 2006.

Eerste onderdeel, betreffende de periode tussen 4 februari 2000 en 17 januari 2001

– Argumenten van partijen

135 Air France betoogt dat het Gerecht ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd en het beginsel van het vermoeden van onschuld heeft geschonden door vast te stellen dat zij tussen 4 februari 2000 en 17 januari 2001 aan de inbreuk heeft deelgenomen.

136 Zij stelt dat het Gerecht in punt 421 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Commissie voor deze periode geen enkel contact tegen haar in aanmerking had genomen, en dat het in punt 422 van dit arrest heeft geoordeeld dat dit een voldoende lange periode was om ertoe te nopen na te gaan of de deelname van Air France aan de inbreuk tijdens deze periode was onderbroken. Daarmee heeft het Gerecht erkend dat er een objectieve aanwijzing was dat Air France niet had deelgenomen aan de bijeenkomsten die tijdens deze periode hebben plaatsgevonden, waaruit bleek dat zij tussen 4 februari 2000 en 17 januari 2001 niet aan de mededingingsregeling had deelgenomen. Waar andere maatschappijen in de zomer van 2000 overleg hebben gepleegd om de brandstoftoeslag te verhogen, heeft Air France, dat begin 2000 nochtans een dergelijke toeslag had ingevoerd, immers niet aan deze contacten deelgenomen. Air France stelt dat dit door het Gerecht niet ter discussie wordt gesteld en zij verwijst dienaangaande naar de punten 427 en 428 van het bestreden arrest.

137 Desalniettemin heeft het Gerecht geoordeeld dat Air France aansprakelijk was voor deze periode, zonder dat er aanwijzingen werden verstrekt waaruit bleek dat Air France in die periode nog steeds aan de inbreuk deelnam. Daardoor heeft het niet de juiste rechtsgevolgen verbonden aan zijn eigen feitelijke vaststellingen en heeft het ten onrechte de bewijslast omgekeerd. Aangezien er in de zomer van 2000 verschillende contacten hadden plaatsgevonden waarbij Air France niet aanwezig was, had de Commissie immers objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen moeten aandragen waaruit bleek dat de deelname van Air France niet was opgeschort in de periode waarin zij de mededingingsverstorende bijeenkomsten niet bijwoonde. Niettemin heeft het Gerecht in punt 430 van het bestreden arrest geoordeeld dat het aan Air France stond om aan te tonen dat zij niet betrokken was bij de inbreuk, waarbij het haar verweet dat zij niet publiekelijk afstand had genomen van de mededingingsregeling en geen ander bewijs had aangedragen dat zij niet aan de inbreuk had deelgenomen, ook al was de betrokkenheid van Air France tijdens die periode niet bewezen.

138 Door Air France zonder bewijs van haar deelname aansprakelijk te stellen voor de inbreuk tussen 4 februari 2000 en 17 januari 2001, terwijl er een objectieve aanwijzing was dat Air France opnieuw concurrerend was gaan optreden, heeft het Gerecht tevens het vermoeden van onschuld geschonden.

139 De Commissie betoogt dat Air France met dit onderdeel beoogt een nieuwe beoordeling van de feiten te verkrijgen, en dat dit onderdeel dan ook moet worden afgewezen.

– Beoordeling door het Hof

140 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die, in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arresten van7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 57, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

141 Dergelijke aanwijzingen en samenloop van omstandigheden kunnen, wanneer zij in hun totaliteit worden beoordeeld, niet alleen uitsluitsel geven over het bestaan van de mededingingsverstorende gedragingen of overeenkomsten, maar tevens over de duur van een voortdurende de mededinging verstorende gedraging en over het tijdvak waarin een in strijd met de mededingingsvoorschriften gesloten overeenkomst werd toegepast (arresten van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 95, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 111 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

142 Wat het ontbreken van bewijs voor het bestaan van een overeenkomst gedurende bepaalde perioden betreft, of althans voor de tenuitvoerlegging ervan door een onderneming in een welbepaalde periode, staat het feit dat dit bewijs niet is geleverd voor welbepaalde tijdvakken er niet aan in de weg dat de inbreuk wordt geacht vast te staan gedurende een totale periode die langer is dan deze tijdvakken mits deze vaststelling berust op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen. In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, doet het voor het bestaan van een mededingingsregeling niet ter zake dat manifestaties van deze regeling zich met meer of minder lange tussenpozen in verschillende tijdvakken voordoen, zolang met de verschillende handelingen die deel uitmaken van deze inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele, voortdurende inbreuk (arresten van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, EU:C:2006:593, punt 169, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

143 Wat met name een inbreuk betreft die zich over verschillende jaren uitstrekt, staat het feit dat er geen rechtstreeks bewijs is dat een onderneming gedurende een bepaald tijdvak heeft deelgenomen aan deze inbreuk, er niet aan in de weg dat die deelname ook voor dit tijdvak wordt vastgesteld, mits deze vaststelling op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen berust (arrest van 17 september 2015, Total Marketing Services/Commissie, C‑634/13 P, EU:C:2015:614, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken