HvJ EU 18 december 2025, C-366/24, ECLI:EU:C:2025:990
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
18 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Interne markt – Vrij verrichten van diensten – Vrij verkeer van goederen – Bescherming of bevordering van de culturele verscheidenheid – Thuisbezorging van boeken – Nationale maatregel die voorziet in minimumtarieven voor een dergelijke levering – Richtlijn 2006/123/EG – Toepasselijkheid – Verhouding tot de artikelen 34 VWEU en 56 VWEU ”
In zaak C‑366/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) bij beslissing van 17 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 21 mei 2024, in de procedure
Amazon EU Sàrl
tegen
Ministre de la Culture,
Ministre de l’Économie, des Finances et de la Souveraineté industrielle et numérique,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 april 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– Amazon EU Sàrl, vertegenwoordigd door A. Komninos, dikigoros, L. Nouari, M. Petite, M. Pezzetta, M. Rivollier, K. Schallenberg, A. Tombiński en Y. Utzschneider, avocats,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe, B. Fodda en M. Guiresse als gemachtigden,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Jacob en L. Van den Broeck als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Torró Molés als gemachtigde,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo en M. Pere als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Malferrari, M. Mataija, B. Stromsky en J. Szczodrowski als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 34 en 56 VWEU en van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Amazon EU Sàrl, enerzijds, en de ministre de la Culture (minister van Cultuur, Frankrijk) en de ministre de l’Économie, des Finances et de la Souverainetté industrielle et numérique (minister van Economische Zaken, Financiën en Industriële en Digitale Soevereiniteit, Frankrijk), anderzijds, over de rechtmatigheid van nationale bepalingen tot vaststelling van minimumtarieven die door detailhandelaren moeten worden gehanteerd voor de levering van boeken die niet in een boekdetailhandel zijn opgehaald.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2000/31
3 Artikel 1 („Doel en toepassingsgebied”) van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1, met rectificatie in PB L, 2025/90940), bepaalt in lid 6:
„Deze richtlijn doet geen afbreuk aan maatregelen die op communautair of nationaal niveau met inachtneming van het Gemeenschapsrecht genomen zijn ter bevordering van de cultuur- en taalverscheidenheid en ter bescherming van het pluralisme.”
4 Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:
„Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
h) ,gecoördineerd gebied’: de in de nationale rechtsstelsels vastgelegde vereisten voor dienstverleners van de informatiemaatschappij en diensten van de informatiemaatschappij, ongeacht of die vereisten van algemene aard zijn dan wel specifiek daarop zijn toegesneden:
[…]
ii) Het gecoördineerde gebied omvat geen vereisten zoals:
– vereisten die van toepassing zijn op goederen als zodanig,
– vereisten die van toepassing zijn op de levering van goederen,
– vereisten die van toepassing zijn op diensten die niet langs elektronische weg verleend worden.”
Richtlijn 2006/123
5 De overwegingen 11 en 40 van richtlijn 2006/123 luiden:
„(11) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de maatregelen van de lidstaten om, in overeenstemming met de Gemeenschapswetgeving, de culturele en linguïstische verscheidenheid en de pluriformiteit van de media te beschermen of te bevorderen, alsmede de financiering ervan. […]
[…]
(40) Het begrip dwingende redenen van algemeen belang, waarnaar in een aantal bepalingen van deze richtlijn wordt verwezen, […] omvat ten minste de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, […] culturele beleidsdoelen, met inbegrip van het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder ten aanzien van de sociale, culturele, religieuze en filosofische waarden van de maatschappij; de noodzaak om een hoog niveau van onderwijs te waarborgen, behoud van de diversiteit van de pers en bevordering van de nationale taal; behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed […]”.
6 Artikel 1 („Onderwerp”) van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 tot en met 6:
„1. Deze richtlijn stelt algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten vast, met waarborging van een hoge kwaliteit van de diensten.
2. Deze richtlijn heeft geen betrekking op de liberalisering van diensten van algemeen economisch belang die voorbehouden zijn aan openbare of particuliere entiteiten, noch op de privatisering van openbare dienstverrichtende entiteiten.
3. Deze richtlijn heeft geen betrekking op de afschaffing van dienstverrichtende monopolies, noch op steunmaatregelen van de lidstaten die onder de communautaire mededingingsvoorschriften vallen.
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vrijheid van de lidstaten om in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vast te stellen wat zij als diensten van algemeen economisch belang beschouwen, hoe deze diensten moeten worden georganiseerd en gefinancierd, in overeenstemming met de regels inzake staatssteun, en aan welke bijzondere verplichtingen zij onderworpen zijn.
4. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de maatregelen die op communautair of nationaal niveau en in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht zijn genomen ter bescherming of bevordering van culturele of linguïstische verscheidenheid of de pluriformiteit van de media.
5. Deze richtlijn laat het strafrecht van de lidstaten onverlet. De lidstaten mogen echter niet het vrij verrichten van diensten beperken door strafrechtelijke bepalingen toe te passen die meer bepaald de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit regelen of hierop van invloed zijn, en aldus de in deze richtlijn neergelegde regels omzeilen.
6. Deze richtlijn laat het arbeidsrecht onverlet [dat] de lidstaten toepassen overeenkomstig nationale wettelijke bepalingen die in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht. Evenmin is deze richtlijn van invloed op de socialezekerheidswetgeving van de lidstaten.”
7 Artikel 2 („Werkingssfeer”) van die richtlijn luidt als volgt:
„1. Deze richtlijn is van toepassing op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op de volgende activiteiten:
[…]
d) diensten op het gebied van vervoer, met inbegrip van havendiensten, die onder de werkingssfeer van titel V van het EG-Verdrag vallen;
[…]”
8 In artikel 4 („Definities”) van die richtlijn is bepaald:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
l) ‚dienst’: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het [EG-Verdrag];
[…] ”
9 Hoofdstuk IV („Vrij verkeer van diensten”) van die richtlijn bevat artikel 16, lid 1, onder b), waarin is bepaald:
„1. De lidstaten eerbiedigen het recht van dienstverrichters om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn.
De lidstaat waar de dienst wordt verricht, zorgt voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit op zijn grondgebied.
De lidstaten maken de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de naleving van eisen die niet aan de volgende beginselen voldoen:
[…]
b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu”.
Frans recht
Wet van 10 augustus 1981
10 Artikel 1, vierde alinea, van loi no 81‑766, relative au prix du livre (wet nr. 81‑766 betreffende de boekenprijs) van 10 augustus 1981 (JORF van 11 augustus 1981, blz. 2198), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet van 10 augustus 1981”), bepaalt:
„De detailhandelaren moeten een daadwerkelijke detailhandelsprijs toepassen die ligt tussen 95 % en 100 % van de door de uitgever of de importeur vastgestelde prijs. Wanneer het boek naar de koper wordt verzonden en niet in de boekdetailhandel is opgehaald, wordt de verkoopprijs door de uitgever of importeur vastgesteld. De levering van boeken mag in geen geval direct of indirect door de detailhandelaar om niet worden aangeboden, tenzij het boek in een boekdetailhandel is opgehaald. De levering moet worden gefactureerd met inachtneming van een minimumtarief dat is vastgesteld bij besluit van de ministers van Cultuur en van Economie op voorstel van de toezichthouder voor elektronische communicatie, post en persdistributie. In dit besluit wordt rekening gehouden met de tarieven die de aanbieders van postdiensten aanbieden op de markt van de boekdetailhandel en met de noodzaak om op het grondgebied een dicht netwerk van detailhandelaren in stand te houden.”
Besluit van 4 april 2023
11 Artikel 1 van het arrêté relatif au montant minimal de tarification du service de livraison du livre du 4 avril 2023 (besluit van 4 april 2023 betreffende het minimumtarief voor de levering van boeken) (JORF van 7 april 2023, tekst nr. 22; hierna: „besluit van 4 april 2023”) bepaalt:
„Het minimumtarief voor de levering van boeken, dat is vermeld in de vierde alinea van artikel 1 van de wet van 1981 […], is vastgesteld op:
– 3 [EUR], inclusief alle belastingen voor elke bestelling die bestaat uit een of meer boeken met een aankoopwaarde in nieuwe boeken onder 35 [EUR] inclusief alle belastingen;
– meer dan 0 [EUR] inclusief alle belastingen voor elke bestelling die bestaat uit een of meer nieuwe boeken met een aankoopwaarde in nieuwe boeken van minstens 35 [EUR] inclusief alle belastingen.
Het aldus vastgestelde minimumtarief is van toepassing op de levering van een bestelling, ongeacht het aantal pakketten waaruit deze bestelling bestaat.
Betaling door de koper voor de levering dient gelijktijdig met de betaling voor de bestelling te geschieden.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 Amazon EU – een vennootschap naar Luxemburgs recht – heeft bij de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 4 april 2023.
13 Ter ondersteuning van haar beroep merkt Amazon EU op dat een aanzienlijk deel van de boeken die zij in Frankrijk verkoopt, wordt geleverd vanuit opslagplaatsen die in een andere lidstaat zijn gelegen en voert zij aan dat de bij het besluit van 4 april 2023 ingevoerde verplichting voor detailhandelaren om minimumtarieven te hanteren voor de levering van boeken die niet in een boekdetailhandel worden opgehaald, primair in strijd is met richtlijn 2000/31 en subsidiair met richtlijn 2006/123, alsook met het vrije verkeer van goederen.
14 Wat de schending van richtlijn 2000/31 betreft, betoogt Amazon EU dat artikel 1, vierde alinea, van de wet van 10 augustus 1981, waaraan dit besluit uitvoering geeft, in strijd is met deze richtlijn doordat die bepaling het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij vanuit een andere lidstaat beperkt onder voorwaarden die in strijd zijn met die van artikel 3, lid 4, van die richtlijn. De minister van Cultuur betwist dit betoog.
15 Wat de schending van richtlijn 2006/123 betreft, voert Amazon EU aan dat artikel 1, vierde alinea, van de wet van 10 augustus 1981 in strijd is met de doelstellingen van deze richtlijn, aangezien het de vrije uitoefening van een dienstenactiviteit afhankelijk stelt van een vereiste dat onverenigbaar is met de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van die richtlijn.
16 De minister van Cultuur betoogt daarentegen primair dat deze nationale regeling is vastgesteld om de verscheidenheid in uitgevers en dus de culturele verscheidenheid te behouden, zodat die regeling krachtens artikel 1, lid 4, van richtlijn 2006/123 buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt. Subsidiair betoogt deze minister dat het behoud van de culturele verscheidenheid een rechtvaardigingsgrond kan vormen voor de invoering van die regeling.
17 In de eerste plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat artikel 1, vierde alinea, van de wet van 10 augustus 1981 uitsluitend de levering van boeken regelt, zodat het een vereiste invoert dat, gelet op artikel 2, onder h), ii), van richtlijn 2000/31, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 2 december 2010, Ker-Optika (C‑108/09, EU:C:2010:725), niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.
18 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 1, lid 4, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat daarbij een nationale maatregel die de verrichting, op het grondgebied van de betrokken lidstaat, van een dienstenactiviteit ter bescherming of bevordering van de culturele verscheidenheid regelt, wordt uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn, dan wel of dat artikel 1, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 16, lid 1, onder b), van die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het behoud of de bevordering van de culturele verscheidenheid kan rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het verbod om in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichters te onderwerpen aan een vereiste dat is ingevoerd bij een dergelijke nationale regeling.
19 De verwijzende rechter vraagt zich ook af of de toetsing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling aan richtlijn 2006/123 uitsluit dat deze regeling ook aan het primaire recht wordt getoetst.
20 Indien een dergelijke toetsing aan het primaire recht moet worden verricht, wenst de verwijzende rechter in de derde plaats te vernemen of een nationale maatregel waarbij minimumtarieven voor de thuisbezorging van een goed worden vastgesteld, moet worden geacht betrekking te hebben op een verkoopmodaliteit van dat goed en bijgevolg moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 34 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van goederen, dan wel of deze maatregel moet worden beoordeeld in het licht van de door artikel 56 VWEU gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting, met name gelet op de impact op de onlineverkoop van dat goed of het feit dat de leveringsdienst losstaat van de verkooptransactie.
21 Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende prejudiciële vragen:
„1) Moet artikel 1, lid 4, van richtlijn [2006/123] aldus worden uitgelegd dat daarbij een nationale maatregel die de verrichting op het grondgebied van een lidstaat van een dienstenactiviteit ter bescherming of bevordering van de culturele verscheidenheid regelt, wordt uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn, of moet die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 16, lid 1, onder b), van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het behoud of de bevordering van de culturele verscheidenheid kan rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het verbod om in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichters te onderwerpen aan een vereiste dat is ingevoerd bij een dergelijke nationale regeling?
2) Verzet de beoordeling van de verenigbaarheid van een dergelijke nationale regeling met de doelstellingen van richtlijn [2006/123] zich tegen een dergelijke toetsing aan het primaire [Unierecht]?
3) Ingeval moet worden beoordeeld of een nationale maatregel die is vastgesteld om de culturele verscheidenheid te beschermen of te bevorderen, verenigbaar is met de door de artikelen 34 en 56 VWEU gewaarborgde vrijheden, moet een nationale maatregel tot vaststelling van een minimumtarief voor de thuisbezorging van een goed dan worden geacht betrekking te hebben op een verkoopmodaliteit van dat goed en moet die maatregel dus worden beoordeeld uit het oogpunt van het vrije verkeer van goederen, of moet die regeling enkel worden beoordeeld uit het oogpunt van het vrij verrichten van diensten, met name gelet op de impact van zo’n tarief op de onlineverkoop van dat goed of op het feit dat de leveringsdienst losstaat van de verkooptransactie?”
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
22 Nadat de advocaat-generaal zijn conclusie had genomen, heeft Amazon EU bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 1 augustus 2025, verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
23 Ter ondersteuning van haar verzoek voert Amazon EU aan dat de conclusie van de advocaat-generaal betrekking heeft op argumenten betreffende richtlijn 2000/31 en richtlijn 2006/123 waarover standpunten tussen partijen niet voldoende zijn uitgewisseld. Wat richtlijn 2000/31 betreft, bekritiseert Amazon EU deze conclusie, ten eerste omdat daarin niet is aangegeven op welke feiten zij is gebaseerd en ten tweede omdat het arrest van 2 december 2010, Ker-Optika (C‑108/09, EU:C:2010:725), onvoldoende is geanalyseerd. Wat richtlijn 2006/123 betreft, betwist Amazon EU in verschillende opzichten de uitlegging die de advocaat-generaal in zijn conclusie daaraan heeft gegeven.
24 Volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
25 De advocaat-generaal heeft krachtens artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin hij overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet optreden. Het Hof is noch door deze conclusie, noch door de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal tot die conclusie komt, gebonden (arresten van 11 november 2010, Hogan Lovells International, C‑229/09, EU:C:2010:673, punt 26, en 4 september 2025, Nissan Iberia, C‑21/24, EU:C:2025:659, punt 30).
26 Het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering voorzien niet in de mogelijkheid voor de partijen of de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Het feit dat een partij of een dergelijke belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, kan als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (zie in die zin beschikking van 4 februari 2000, Emesa Sugar, C‑17/98, EU:C:2000:69, punten 17 en 18, en arrest van 4 september 2025, Nissan Iberia, C‑21/24, EU:C:2025:659, punt 31).
27 In casu hebben Amazon EU en de belanghebbenden die aan de onderhavige procedure hebben deelgenomen, anders dan Amazon EU betoogt, tijdens zowel de schriftelijke als de mondelinge behandeling in deze procedure de juridische elementen met betrekking tot richtlijn 2000/31 en richtlijn 2006/123 kunnen uiteenzetten die zij relevant achtten om het Hof in staat te stellen de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden. Geen van de door Amazon EU tot staving van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling aangevoerde elementen kan deze heropening dus rechtvaardigen overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering.
28 Het Hof ziet bijgevolg, de advocaat-generaal gehoord, geen aanleiding om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
29 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 4, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat daarbij een door een lidstaat genomen maatregel waarbij ter bescherming of bevordering van de culturele verscheidenheid minimumtarieven worden vastgesteld voor de levering, op het grondgebied van die lidstaat, van boeken die niet door de koper in een boekdetailhandel worden opgehaald, wordt uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn.
30 Artikel 2 van richtlijn 2006/123, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1 dat deze richtlijn van toepassing is op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd. Het begrip „dienst” omvat overeenkomstig artikel 4, punt 1, van deze richtlijn elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 EG, thans artikel 57 VWEU.
31 Het Hof heeft verduidelijkt dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen voor de toepassing van richtlijn 2006/123 een „dienst” vormt (arrest van 30 januari 2018, X en Visser, C‑360/15 en C‑31/16, EU:C:2018:44, punt 97).
32 In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel betrekking op de detailhandel in boeken, zodat richtlijn 2006/123 in beginsel van toepassing is op het hoofdgeding. Het hoofddoel van de dienst waarop deze nationale maatregel betrekking heeft, is niet het vervoeren van deze goederen, zodat een dergelijke dienst, anders dan de Franse regering stelt, geen dienst op het gebied van vervoer is die krachtens artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123 buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt (zie in die zin arrest van 19 januari 2023, CNAE e.a., C‑292/21, EU:C:2023:32, punten 34 en 35).
33 Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt in lid 4 dat deze richtlijn „geen afbreuk” doet aan de maatregelen die op nationaal niveau en in overeenstemming met het Unierecht zijn genomen ter bescherming of bevordering van culturele of linguïstische verscheidenheid of de pluriformiteit van de media.
34 Om vast te stellen of deze bepaling de werkingssfeer van richtlijn 2006/123 afbakent, moet de draagwijdte van de uitdrukking „doet geen afbreuk” in de zin van die bepaling worden vastgesteld in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin deze uitdrukking wordt gebruikt en de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen. Ook de ontstaansgeschiedenis van artikel 1, lid 4, van deze richtlijn kan relevante gegevens bevatten voor de uitlegging ervan [zie in die zin arrest van 7 september 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Aard van het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU), C‑624/20, EU:C:2022:639, punt 28].
35 De woorden „doet geen afbreuk” in hun gebruikelijke betekenis lijken erop te wijzen dat de Uniewetgever heeft willen uitsluiten dat richtlijn 2006/123 van invloed kan zijn op de maatregelen die de lidstaten nemen om de culturele en linguïstische verscheidenheid alsook de pluriformiteit van de media te beschermen of te bevorderen. Deze uitlegging vindt steun in overweging 11 van deze richtlijn, waarin staat te lezen dat deze richtlijn „geen afbreuk” doet aan dergelijke maatregelen (of zoals in andere taalversies: „dergelijke maatregelen onverlet laat”).
36 Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van zijn conclusie heeft opgemerkt, lijkt artikel 1, leden 3, 4 en 6, van richtlijn 2006/123 in de Franse taalversie weliswaar een onderscheid te maken tussen de gevallen waarin deze richtlijn niet van toepassing is op bepaalde gebieden en de gevallen waarin deze richtlijn geen afbreuk doet aan bepaalde op nationaal niveau genomen maatregelen, maar moet worden vastgesteld dat een dergelijke nuancering niet voorkomt in andere taalversies van dat artikel 1, zoals de Deense, de Duitse, de Griekse, de Engelse, de Italiaanse, de Poolse en de Roemeense taalversie. Alle officiële talen van de Europese Unie vormen de authentieke talen van de handelingen waarin zij zijn opgesteld, zodat alle taalversies van een handeling van de Unie in beginsel dezelfde waarde hebben [arrest van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 39].
37 Wat de context van artikel 1, lid 4, van richtlijn 2006/123 betreft, moet ook worden opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de leden 2, 3 en 6 van dat artikel 1 bepalingen bevatten die de werkingssfeer van deze richtlijn afbakenen (zie in dit verband arresten van 13 november 2018, Čepelnik, C‑33/17, EU:C:2018:896, punt 36, en 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C‑254/23, EU:C:2025:569, punten 90 en 91).
38 Anders dan Amazon EU, de Nederlandse regering en de Europese Commissie betogen, kan uit de enkele omstandigheid dat dit lid 4 is opgenomen in artikel 1 („Onderwerp”) van deze richtlijn, en niet in artikel 2 („Werkingssfeer”) ervan, dus niet worden afgeleid dat het geen betrekking heeft op de toepasselijkheid van die richtlijn.
39 Bovendien moet worden opgemerkt dat het Hof in het arrest van 7 september 2022, Cilevičs e.a. (C‑391/20, EU:C:2022:638), inzake een nationale regeling die hogeronderwijsinstellingen verplichtte om tegen vergoeding verstrekt onderwijs uitsluitend in de officiële taal van de betrokken lidstaat aan te bieden, de zaak die tot dat arrest heeft geleid uitsluitend heeft onderzocht in het licht van de in artikel 49 VWEU verankerde vrijheid van vestiging, ook al vormt het aanbieden van opleidingen tegen vergoeding een „economische activiteit” in de zin van artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 [arrest van 6 oktober 2020, Commissie/Hongarije (Hoger onderwijs), C‑66/18, EU:C:2020:792, punt 195].
40 Uit het arrest van 7 september 2022, Cilevičs e.a. (C‑391/20, EU:C:2022:638), blijkt impliciet dat het Hof heeft geoordeeld dat een dergelijke regeling onder artikel 1, lid 4, van die richtlijn kan vallen en bijgevolg van de werkingssfeer ervan kan worden uitgesloten, en dat de toetsing van de verenigbaarheid ervan met het Unierecht uitsluitend op basis van het primaire recht moet plaatsvinden.
41 Wat de bedoeling van de Uniewetgever betreft, blijkt uit het verslag van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (A6‑0409/2005) dat de invoering van wat overweging 11 van richtlijn 2006/123 is geworden, betreffende het huidige artikel 1, lid 4, van deze richtlijn, bedoeld was om „het toepassingsterrein van [deze] richtlijn” te verduidelijken.
42 Uit een en ander volgt dat de Uniewetgever, teneinde de doelstelling van bescherming of bevordering van de culturele of linguïstische verscheidenheid te waarborgen, het passend heeft geacht om de maatregelen die dit doel nastreven, niet onder richtlijn 2006/123 te laten vallen, met dien verstande evenwel dat deze keuze volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 4, ervan niet wegneemt dat moet worden nagegaan of deze maatregelen in overeenstemming zijn met het Unierecht, in het bijzonder met de artikelen 34 en 56 VWEU, waarop de derde vraag van de verwijzende rechter betrekking heeft.
43 Gelet op de opmerkingen van Amazon EU en de Commissie over de toepasselijkheid van richtlijn 2000/31, moet hieraan worden toegevoegd dat artikel 1, lid 6, van deze richtlijn dezelfde juridische strekking heeft als artikel 1, lid 4, van richtlijn 2006/123, dat in essentie in identieke bewoordingen is geformuleerd. Zonder dat hoeft te worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel onder artikel 2, onder h), ii), tweede streepje, van richtlijn 2000/31 valt dan wel binnen het bij deze richtlijn vastgestelde „gecoördineerde gebied”, volstaat het dus op te merken dat deze richtlijn hoe dan ook niet van toepassing is op een nationale maatregel die ertoe strekt de culturele of linguïstische verscheidenheid te behouden, zoals in het vorige punt met betrekking tot richtlijn 2006/123 is opgemerkt.
44 Voor zover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel kan worden beschouwd als een maatregel die ertoe strekt de culturele verscheidenheid te behouden, zoals de verwijzende rechter meent, kan de verenigbaarheid van deze maatregel met het Unierecht bijgevolg niet in het licht van een van deze twee richtlijnen worden getoetst.
45 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 4, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat daarbij een door een lidstaat genomen maatregel waarbij ter bescherming of bevordering van de culturele verscheidenheid minimumtarieven worden vastgesteld voor de levering op het grondgebied van die lidstaat van boeken die niet door de koper in een boekdetailhandel worden opgehaald, wordt uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn.
Tweede vraag
46 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
47 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 34 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een door een lidstaat genomen maatregel tot vaststelling van minimumtarieven voor de levering op het grondgebied van die lidstaat van boeken die niet door de koper in een boekdetailhandel worden opgehaald, uitsluitend in het licht van het door artikel 34 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van goederen moet worden onderzocht dan wel uitsluitend in het licht van de door artikel 56 VWEU gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting, en in het eerste geval moet worden beschouwd als een „verkoopmodaliteit” in de zin van het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905).
48 Om te bepalen welke fundamentele vrijheid op het hoofdgeding van toepassing is, moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel (zie in die zin arresten van 14 oktober 2004, Omega, C‑36/02, EU:C:2004:614, punten 24 en 25, en 19 december 2024, Halmer Rechtsanwaltsgesellschaft, C‑295/23, EU:C:2024:1037, punt 50).
49 Wanneer een nationale maatregel zowel de vrijheid van dienstverrichting als het vrije verkeer van goederen beperkt, moet deze maatregel namelijk in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee fundamentele vrijheden worden onderzocht indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie in die zin arresten van 24 maart 1994, Schindler, C‑275/92, EU:C:1994:119, punt 22, en 11 februari 2021, Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp, C‑407/19 en C‑471/19, EU:C:2021:107, punt 84).
50 In casu regelt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel – door voor de levering van boeken die niet in een boekdetailhandel worden opgehaald, minimumtarieven vast te stellen die boekdetailhandelaren aan kopers moeten aanrekenen – noch de tussen deze detailhandelaren en de verrichters van de leveringsdiensten gesloten overeenkomsten, noch de prijzen of voorwaarden die deze dienstverrichters in acht moeten nemen.
51 Zoals de advocaat-generaal in de punten 76 en 77 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, heeft deze maatregel daarentegen uiteindelijk gevolgen voor de totale prijs die de koper betaalt om een boek te verkrijgen. Deze totale prijs wordt namelijk op grond van die maatregel verhoogd wanneer het boek niet in een boekdetailhandel wordt opgehaald, terwijl de detailhandelaren slechts een zeer beperkte beoordelingsmarge hebben om de prijs van dit boek als zodanig vast te stellen.
52 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel in het bijzonder betrekking heeft op boekendetailhandelaren, daar deze maatregel van invloed is op de totale verkoopprijs van boeken, dat wil zeggen van goederen, moet die maatregel dus uitsluitend worden getoetst in het licht van het vrije verkeer van goederen.
53 Voor zover de verwijzende rechter wenst te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel betrekking heeft op een „verkoopmodaliteit” in de zin van het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905), zij er in de tweede plaats aan herinnerd dat het vrije goederenverkeer een fundamenteel beginsel van het VWEU is, dat tot uitdrukking komt in het in artikel 34 VWEU geformuleerde verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen tussen de lidstaten en alle maatregelen van gelijke werking (arrest van 18 juni 2019, Oostenrijk/Duitsland, C‑591/17, EU:C:2019:504, punt 119).
54 Volgens vaste rechtspraak ziet het in artikel 34 VWEU vervatte verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen op elke maatregel van de lidstaten die de handel binnen de Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (zie in die zin arresten van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, EU:C:1974:82, punt 5, en 10 juli 2025, Purefun Group, C‑365/24, EU:C:2025:558, punt 40).
55 Uit de punten 16 en 17 van het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905), blijkt dat de toepassing van nationale bepalingen die bepaalde „verkoopmodaliteiten” aan banden leggen of verbieden, op producten uit andere lidstaten, de handel tussen de lidstaten niet rechtstreeks of indirect, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, mits zij van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lidstaten. Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van producten uit een andere lidstaat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, namelijk niet tot gevolg dat voor die producten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale producten het geval is.
56 Voorts blijkt uit de rechtspraak dat een door een lidstaat vastgestelde maatregel, ook al heeft deze noch tot doel noch tot gevolg producten uit andere lidstaten minder gunstig te behandelen, onder het begrip „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen” in de zin van artikel 34 VWEU valt indien hij de toegang tot de markt van een lidstaat belemmert voor producten die afkomstig zijn uit andere lidstaten (zie in die zin arrest van 10 februari 2009, Commissie/Italië, C‑110/05, EU:C:2009:66, punt 37).
57 Uit deze rechtspraak volgt ten eerste dat het begrip „verkoopmodaliteiten” alleen betrekking heeft op nationale bepalingen die regelen hoe producten in de handel mogen worden gebracht, zodat de regels betreffende de wijze waarop goederen aan de kopers kunnen worden geleverd niet onder dit begrip vallen (zie naar analogie arrest van 18 juni 2019, Oostenrijk/Duitsland, C‑591/17, EU:C:2019:504, punten 128 en 129).
58 Hoewel, ten tweede, de nationale maatregel waarbij minimumtarieven worden vastgelegd voor de levering van boeken die niet in een boekdetailhandel worden opgehaald, op alle boekdetailhandelaren van toepassing is, heeft deze maatregel een bijzonder negatief effect op de verkoop op afstand, aangezien die maatregel een verhoging van de totale prijs van het boek inhoudt die de koper moet betalen om het boek buiten deze winkels om te verkrijgen. Wanneer in de regeling van een lidstaat dergelijke tarieven worden vastgelegd, kan dit dus een grotere invloed hebben op marktdeelnemers uit andere lidstaten, die minder goed in staat zijn om op afstand bestelde boeken in die winkels af te leveren, dan op marktdeelnemers uit eerstbedoelde lidstaat. De vastlegging van dergelijke tarieven kan dus de toegang tot de markt voor boeken afkomstig uit andere lidstaten sterker belemmeren en vormt dus een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 34 VWEU (zie naar analogie arrest van 19 oktober 2016, Deutsche Parkinson Vereinigung, C‑148/15, EU:C:2016:776, punt 23).
59 Derhalve moet worden geoordeeld dat het begrip „verkoopmodaliteit” in de zin van het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905), niet ziet op een nationale maatregel als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
60 Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 34 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een door een lidstaat genomen maatregel tot vaststelling van minimumtarieven voor de levering, op het grondgebied van die lidstaat, van boeken die niet door de koper in een boekdetailhandel worden opgehaald, uitsluitend moet worden onderzocht in het licht van het door artikel 34 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van goederen en niet kan worden geacht betrekking te hebben op een „verkoopmodaliteit” in de zin van het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905).
Kosten
61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 1, lid 4, van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt
moet aldus worden uitgelegd dat
daarbij een door een lidstaat genomen maatregel waarbij ter bescherming of bevordering van de culturele verscheidenheid minimumtarieven worden vastgesteld voor de levering, op het grondgebied van die lidstaat, van boeken die niet door de koper in een boekdetailhandel worden opgehaald, wordt uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn.
2) De artikelen 34 en 56 VWEU
moeten aldus worden uitgelegd dat
een door een lidstaat genomen maatregel tot vaststelling van minimumtarieven voor de levering op het grondgebied van die lidstaat van boeken die niet door de koper in een boekdetailhandel worden opgehaald, uitsluitend moet worden onderzocht in het licht van het door artikel 34 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van goederen en niet kan worden geacht betrekking te hebben op een „verkoopmodaliteit” in de zin van het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905).
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 4 september 2025, C-21/24, ECLI:EU:C:2025:659
- HvJ EU 10 juli 2025, C-365/24, ECLI:EU:C:2025:558
- HvJ EU 10 juli 2025, C-254/23, ECLI:EU:C:2025:569
- HvJ EU 19 december 2024, C-295/23, ECLI:EU:C:2024:1037
- HvJ EU 19 januari 2023, C-292/21, ECLI:EU:C:2023:32
- HvJ EU 7 september 2022, C-391/20, ECLI:EU:C:2022:638
- HvJ EU 7 september 2022, C-624/20, ECLI:EU:C:2022:639
- HvJ EU 11 februari 2021, C-407/19, ECLI:EU:C:2021:107
- HvJ EU 6 oktober 2020, C-66/18, ECLI:EU:C:2020:792
- HvJ EU 25 juni 2020, C-24/19, ECLI:EU:C:2020:503
- HvJ EU 18 juni 2019, C-591/17, ECLI:EU:C:2019:504
- HvJ EU 13 november 2018, C-33/17, ECLI:EU:C:2018:896
- HvJ EU 30 januari 2018, C-360/15, ECLI:EU:C:2018:44
- HvJ EU 19 oktober 2016, C-148/15, ECLI:EU:C:2016:776
- HvJ EU 2 december 2010, C-108/09, ECLI:EU:C:2010:725
- HvJ EU 11 november 2010, C-229/09, ECLI:EU:C:2010:673
- HvJ EU 10 februari 2009, C-110/05, ECLI:EU:C:2009:66
- HvJ EU 14 oktober 2004, C-36/02, ECLI:EU:C:2004:614
- HvJ EU 24 maart 1994, C-275/92, ECLI:EU:C:1994:119