HvJ EU 10 juli 2025, C-365/24, ECLI:EU:C:2025:558

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

10 juli 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Merken – Richtlijn (EU) 2015/2436 – Vrij verkeer van goederen – Artikelen 34 en 36 VWEU – Handelsnaam – Bedrijfsnaam – Nationale wettelijke regeling die de houder van een bedrijfsnaam een uitsluitend recht verleent”

In zaak C‑365/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) bij beslissing van 16 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 20 mei 2024,

Purefun Group AB

tegen

Doggy AB,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, O. Spineanu‑Matei (rapporteur) en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Purefun Group AB, vertegenwoordigd door O. Lagergren, jur. kand, D. Tornberg en M. Zeitlin, advokater,

– Doggy AB, vertegenwoordigd door P. Hedberg en J. Sånglöf, advokater,

– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door C. Meyer-Seitz als gemachtigde,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková en I. Söderlund als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1 en artikel 5, lid 4, van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1) en van de artikelen 34 en 36 VWEU.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Purefun Group AB en Doggy AB over een inbreuk.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

VWEU

3 Artikel 34 VWEU bepaalt: „Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.”

4 Artikel 36 VWEU bepaalt: „De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.”

Richtlijn 2015/2436

5 Overweging 41 van richtlijn 2015/2436 luidt als volgt: „De lidstaten zijn gebonden door het [Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, ondertekend te Parijs op 20 maart 1883, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en gewijzigd op 28 september 1979 (United Nations Treaty Series, deel 828, nr. 11851, blz. 305)] (hierna: ‚het Verdrag van Parijs’) en de [Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, opgenomen in bijlage 1 C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1; hierna: ‚TRIPs-overeenkomst’)]. Deze richtlijn moet volledig stroken met dat verdrag en die overeenkomst. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de lidstaten die uit dat verdrag en die overeenkomst voortvloeien. In voorkomend geval moet artikel 351, tweede alinea, [VWEU] toepassing vinden.”

6 In artikel 1 van deze richtlijn, „Toepassing”, is bepaald: „Deze richtlijn is van toepassing op ieder merk voor waren of diensten dat in een lidstaat het voorwerp is van een inschrijving of een aanvraag om inschrijving als een individueel merk, een garantie- of certificeringsmerk of een collectief merk, dan wel het voorwerp is van een inschrijving of een aanvraag om inschrijving bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom of van een internationale inschrijving die rechtsgevolgen heeft in een lidstaat.”

7 Artikel 5 van richtlijn 2015/2436, met als opschrift „Relatieve gronden voor weigering of nietigheid”, bepaalt in lid 4: „Elke lidstaat kan bepalen dat een merk niet wordt ingeschreven of, indien ingeschreven, nietig kan worden verklaard indien en voor zover: a) rechten op een niet ingeschreven merk of een ander in het economische verkeer gebruikt teken verkregen zijn vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving van het jongere merk of in voorkomend geval vóór de datum van het ten behoeve van die merkaanvraag ingeroepen voorrangsrecht, en dat niet ingeschreven merk of dat andere teken de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een jonger merk te verbieden; b) het gebruik van het merk kan worden verboden op grond van een ander ouder recht dan de in lid 2 en de in het onderhavige lid, onder a), vermelde rechten, met name van: i) een recht op een naam; ii) recht op een portret; iii) een auteursrecht; iv) een recht van industriële eigendom; c) het merk aanleiding kan geven tot verwarring met een ouder merk dat in het buitenland wordt beschermd, op voorwaarde dat de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag te kwader trouw handelde.”

8 Artikel 10 van deze richtlijn, met als opschrift „Rechten verbonden aan het merk”, luidt: „1. De inschrijving van een merk geeft de houder daar een uitsluitend recht op. 2. Onverminderd de rechten van houders die vóór de datum van indiening of de datum van voorrang van het ingeschreven merk zijn verkregen, is de houder van een ingeschreven merk gerechtigd, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, te verhinderen in het economische verkeer met betrekking tot waren of diensten gebruik te maken van een teken wanneer dit teken: a) gelijk is aan het merk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven; b) gelijk is aan of overeenstemt met het merk en gebruikt wordt met betrekking tot gelijke of overeenstemmende waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, ook wanneer die verwarring het gevolg is van associatie met het oudere merk; c) gelijk is aan of overeenstemt met het merk ongeacht of dat wordt gebruikt voor waren of diensten die gelijk [zijn] aan, [dan wel overeenstemmen] of niet [overeenstemmen] [...] met die waarvoor het merk is ingeschreven, wanneer dit merk bekend is in de lidstaat en door het gebruik, zonder geldige reden, van het teken ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. 3. Met name kan krachtens lid 2 worden verboden: a) het aanbrengen van het teken op de waren of verpakking; b) het aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren of het aanbieden of verrichten van diensten onder het teken; c) het invoeren of uitvoeren van waren onder het teken; d) het gebruik van het teken als handels- of bedrijfsnaam of als deel van een handels- of bedrijfsnaam; e) het gebruik van het teken in stukken voor zakelijk gebruik en in advertenties; f) het gebruik van het teken in vergelijkende reclame op een wijze die in strijd is met [richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB 2006, L 376, blz. 21)]. [...]”

9 Artikel 16 van richtlijn 2015/2436, met als opschrift „Gebruik van het merk”, bepaalt in lid 1: „Een merk waarvan de houder vijf jaar nadat de inschrijvingsprocedure is voltooid, in de betrokken lidstaat geen normaal gebruik heeft gemaakt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, of waarvan gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar geen gebruik is gemaakt, is vatbaar voor de beperkingen en sancties van artikel 17, artikel 19, lid 1, artikel 44, leden 1 en 2, en artikel 46, leden 3 en 4, tenzij er een geldige reden is voor het niet-gebruik.”

Zweeds recht

De merkenwet

10 De varumärkeslag (2010:1877) [merkenwet (2010:1877); hierna: „merkenwet”] is gewijzigd om richtlijn 2015/2436 om te zetten in Zweeds recht. Artikel 8 van hoofdstuk 1 van de merkenwet bepaalt dat de houder van een bedrijfsnaam of een andere handelsnaam een uitsluitend recht heeft op dit teken als handelsteken.

11 Artikel 10 van dit hoofdstuk 1 van de merkenwet bepaalt dat uit het uitsluitende recht op een handelsteken overeenkomstig artikel 8 van dat hoofdstuk voortvloeit dat niemand anders dan de houder zonder diens toestemming een teken voor waren en diensten in het economische verkeer mag gebruiken dat gelijk is aan of overeenstemt met dat teken en wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, wanneer er gevaar voor verwarring bestaat, met name wanneer het gebruik van het teken de indruk zou kunnen wekken dat er een verband bestaat tussen de gebruiker en de houder van het handelsteken.

12 Artikel 3 van hoofdstuk 8 van de merkenwet bepaalt dat een rechter, op verzoek van de houder van een handelsteken, de inbreukmaker kan gelasten een inbreukmakende handeling te staken op straffe van een dwangsom.

Wet op de bedrijfsnaam

13 Artikel 1 van hoofdstuk 1 van lag (2018:1653) om företagsnamn [wet op de bedrijfsnaam (2018:1653); hierna: „wet op de bedrijfsnaam”] definieert een bedrijfsnaam als de naam waaronder een onderneming haar activiteiten uitoefent, waarbij onder „handelsnaam” het algemene begrip wordt verstaan dat de bedrijfsnaam en de secundaire handelsnamen omvat.

14 Volgens artikel 2 van hoofdstuk 1 van de wet op de bedrijfsnaam verwerft een onderneming uitsluitende rechten op een bedrijfsnaam door inschrijving of op grond van gebruik. Artikel 3 van hoofdstuk 1 bepaalt dat de houder van een merk of een ander handelsteken een uitsluitend recht op dat teken heeft wanneer het als handelsnaam wordt gebruikt.

15 Volgens artikel 1 van hoofdstuk 2 van de wet op de bedrijfsnaam kan een bedrijfsnaam alleen worden ingeschreven indien deze het mogelijk maakt de activiteit van de houder ervan te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Die bepaling preciseert dat bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van een bedrijfsnaam rekening moet worden gehouden met de duur en de omvang van het gebruik ervan. Voorts wordt bepaald dat indien de bedrijfsnaam uitsluitend bestaat uit de algemene benaming van de aard van de activiteiten van de onderneming of van een door haar aangeboden waar of dienst, of nog uit een gangbare naam van een plaats of een soortgelijke benaming, die naam op zich niet kan worden geacht onderscheidend vermogen te hebben. Indien de bedrijfsnaam een aanduiding als „vennootschap op aandelen”, „vennootschap onder firma” of „coöperatieve vennootschap” of de afkorting van een dergelijke aanduiding bevat, wordt daarmee bij die beoordeling geen rekening gehouden.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16 De vennootschap naar Zweeds recht Doggy produceert onder meer hondenvoer. Haar maatschappelijk doel bestaat erin dierenvoeding en andere dierenartikelen te produceren en te verhandelen alsmede daarmee aanverwante activiteiten te verrichten. Zij is houdster van de bedrijfsnaam „Doggy AB” en van het woordmerk „DOGGY”, dat in Zweden is ingeschreven voor voedingsmiddelen voor dieren van klasse 31 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.

17 Purefun Group AB (hierna: „Purefun”) is een vennootschap naar Zweeds recht die zich bezighoudt met de kleinhandel van met name hondenvoeding en -snacks. Zij verkoopt haar waren op haar website onder de domeinnaam „doggie.se” en gebruikt het teken „DOGGIE” bij de uitoefening van haar activiteiten.

18 In november 2021 heeft Doggy Purefun gedagvaard ter verkrijging van, ten eerste, een verbod voor Purefun om het teken „DOGGIE” te gebruiken en, ten tweede, betaling van 150000 Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 13000 EUR) als schadevergoeding. Doggy voerde aan dat Purefun dit teken alsook het merk en de bedrijfsnaam waarvan zij eigenaar is, zonder haar toestemming gebruikte.

19 De rechter in eerste aanleg heeft de vorderingen van Doggy toegewezen op grond dat er gevaar bestond voor verwarring tussen enerzijds het merk en de bedrijfsnaam van Doggy en anderzijds het door Purefun gebruikte teken „DOGGIE”.

20 Purefun heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden), de verwijzende rechter.

21 Die rechter wijst erop dat de wet op de bedrijfsnaam in Zweden bepaalt dat een bedrijfsnaam elke onderneming een uitsluitend recht op die benaming verleent, voor zover het teken dat die benaming vormt, het mogelijk maakt de activiteiten van de houder ervan te onderscheiden van die van andere ondernemingen. De omvang van dit recht is vergelijkbaar met die van het door een merk aan de houder ervan verleende uitsluitende recht. Voorts wordt krachtens de merkenwet aan de houder van een merk of een ander handelsteken dat als bedrijfsnaam wordt gebruikt, ook een uitsluitend recht op die bedrijfsnaam verleend. Aldus geniet de houder van een bedrijfsnaam op grond van die nationale bepalingen een „kruisbescherming” op grond waarvan hij iedere derde kan verhinderen om in het economische verkeer met betrekking tot waren of diensten gebruik te maken van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met die bedrijfsnaam en wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, wanneer er gevaar voor verwarring bestaat, met name wanneer het gebruik van het teken de indruk zou kunnen wekken dat er een verband bestaat tussen de gebruiker en de houder van die bedrijfsnaam.

22 De verwijzende rechter vraagt zich af of die uit de bepalingen van de merkenwet en de wet op de bedrijfsnaam voortvloeiende bescherming verenigbaar is met richtlijn 2015/2436 en, meer in het algemeen, met het beginsel van het vrije verkeer van goederen. Hij is in wezen van oordeel dat die „kruisbescherming” de houder van een bedrijfsnaam weliswaar een bescherming biedt die vergelijkbaar is met die van een merk, maar dat daarvoor niet even strenge voorwaarden gelden als voor merken. De verwijzende rechter wijst in dit verband op twee verschillen.

23 In de eerste plaats kan de houder van een merk het uitsluitende recht op dat merk verliezen indien hij het niet normaal heeft gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, terwijl het Zweedse recht voor bedrijfsnamen geen gelijkwaardige bepaling bevat.

24 In de tweede plaats moet, om vast te stellen of een teken wordt gebruikt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor een merk is ingeschreven, worden uitgegaan van het bij de Overeenkomst van Nice ingevoerde classificatiesysteem, terwijl bij bedrijfsnamen het verwarringsgevaar wordt beoordeeld aan de hand van de activiteiten die vallen onder het ondernemingsdoel, dat ruim kan worden omschreven.

25 Gelet op deze verschillen is de verwijzende rechter van oordeel dat het mogelijk is dat de bescherming die het Zweedse recht aan bedrijfsnamen verleent, ruimer is dan die waarin richtlijn 2015/2436 voor merken voorziet, hetgeen afbreuk zou kunnen doen aan het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten. Hij is namelijk van oordeel dat die bescherming de grensoverschrijdende verkoop van goederen of diensten zou kunnen belemmeren.

26 Daarop heeft de Svea hovrätt Patent- och marknadsöverdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is het verenigbaar met de bepalingen van [richtlijn 2015/2436], in het bijzonder artikel 1 en artikel 5, lid 4, ervan, gelezen in samenhang met het [VWEU] en het in het Unierecht neergelegde fundamentele beginsel van het vrije verkeer van goederen en diensten, dat in het nationale recht wordt voorzien in een regeling volgens welke een ouder recht op een bedrijfsnaam een grondslag kan vormen om het gebruik van een jonger handelsteken te verbieden in het gehele activiteitengebied waarvoor de bedrijfsnaam is ingeschreven en zonder dat wordt vereist dat de bedrijfsnaam is gebruikt om waren of diensten te onderscheiden? 2) Als de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is het verenigbaar met [richtlijn 2015/2436] en het Unierecht in het algemeen dat een bedrijfsnaam die als zodanig als teken wordt gebruikt om bepaalde soorten waren of diensten te onderscheiden in het activiteitengebied waarvoor de bedrijfsnaam is ingeschreven, een grondslag kan vormen om het gebruik van een jonger handelsteken te verbieden voor andere soorten waren of diensten dan die waarvoor de bedrijfsnaam als teken wordt gebruikt?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

27 Volgens vaste rechtspraak staat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arresten van 17 juli 1997, Krüger, C‑334/95, EU:C:1997:378, punten 22 en 23, en 29 april 2025, Prezydent Miasta Mielca, C‑453/23, EU:C:2025:285, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter zich afvraagt of de in het Zweedse recht gestelde voorwaarden voor de bescherming van een bedrijfsnaam, voor zover zij minder streng zijn dan die welke op het gebied van merken gelden, verenigbaar zijn met richtlijn 2015/2436 en de beginselen van het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten.

29 In dit verband blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat het gebruik door Purefun van het teken dat de houder van de geregistreerde bedrijfsnaam, te weten de onderneming Doggy, wenst te verbieden, met name betrekking heeft op de verkoop van hondenvoeding en -snacks, en dat het maatschappelijk doel van deze onderneming de verkoop van dierenvoeding en andere dierenartikelen en aanverwante activiteiten omvat. Uit deze aanwijzingen volgt dat het gebruik van het teken waartegen de houder van de geregistreerde bedrijfsnaam zich verzet, geen betrekking heeft op andere soorten waren of diensten dan die waarvoor die bedrijfsnaam is ingeschreven.

30 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of richtlijn 2015/2436 en de artikelen 34 en 36 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het door een bedrijfsnaam verleende uitsluitende recht de houder ervan toestaat een derde te verbieden een identiek of soortgelijk teken als handelsnaam of domeinnaam te gebruiken voor waren of diensten van dezelfde of soortgelijke aard als die welke vallen onder de activiteiten waarvoor de bedrijfsnaam is geregistreerd, ook al bepaalt deze regeling niet dat de omstandigheid dat de bedrijfsnaam niet wordt gebruikt, kan leiden tot het verval van dit uitsluitende recht, en vereist zij evenmin dat voor de registratie van die bedrijfsnaam de waren of diensten worden gespecificeerd die tot het maatschappelijk doel van de houder ervan behoren.

31 Voor de beantwoording van deze vraag zij eraan herinnerd dat richtlijn 2015/2436 de nationale merkenwetgevingen beoogt aan te passen, maar niet die inzake de handelsnaam, tot welke categorie een bedrijfsnaam kan behoren. Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie valt de bescherming van de handelsnaam onder het nationale recht.

32 De handelsnaam als intellectuele-eigendomsrecht is echter niet vreemd aan het Unierecht. Zo zijn een aantal bepalingen van het Verdrag van Parijs, dat door alle lidstaten maar niet door de Unie is gesloten, opgenomen in de TRIPs-overeenkomst, die door de Unie is gesloten, zodat die bepalingen in de rechtsorde van de Unie dezelfde gevolgen sorteren als de TRIPs-overeenkomst (zie in die zin arrest van 27 februari 2024, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann, C‑382/21 P, EU:C:2024:172, punten 59‑62).

33 Een van de bepalingen die aldus in de TRIPs-overeenkomst is opgenomen, is artikel 8 van het Verdrag van Parijs, dat bepaalt dat „de handelsnaam in alle landen van de Unie zonder verplichting van depot of inschrijving, [zal] beschermd worden, onverschillig of hij al dan niet deel uitmaakt van een fabrieks- of handelsmerk”.

34 Die elementen komen tot uiting in richtlijn 2015/2436, waarvan overweging 41 benadrukt dat die richtlijn „volledig moet stroken” met dat verdrag en de TRIPs-overeenkomst. Een van de aan het merk verbonden rechten is opgenomen in artikel 10, lid 3, onder d), van deze richtlijn, dat de houder van een merk toestaat zijn uitsluitende recht te gebruiken om „het gebruik van het teken als handels- of bedrijfsnaam of als deel van een handels- of bedrijfsnaam” te verbieden. Deze bepaling is namelijk een uiting van het beginsel dat de oudere titel van exclusiviteit voorrang heeft, welk beginsel een van de grondslagen van het merkenrecht en meer in het algemeen van het gehele industriële-eigendomsrecht vormt (zie in die zin arrest van 2 juni 2022, Classic Coach Company, C‑112/21, EU:C:2022:428, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Dit beginsel regelt ook bepaalde conflicten tussen een oudere handelsnaam en een jonger merk. Zo blijkt uit artikel 5, lid 4, onder a), van richtlijn 2015/2436 dat „[e]lke lidstaat kan bepalen dat een merk niet wordt ingeschreven of, indien ingeschreven, nietig kan worden verklaard indien en voor zover [...] rechten op een niet ingeschreven merk of een ander in het economische verkeer gebruikt teken verkregen zijn [...], en dat niet ingeschreven merk of dat andere teken de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een jonger merk te verbieden”.

36 In het hoofdgeding impliceert het conflict tussen het in een oudere bedrijfsnaam gebruikte teken „Doggy” en het als handelsnaam of domeinnaam gebruikte teken „DOGGIE” geen enkel merk. Voor de oplossing van een conflict tussen twee handelsnamen is richtlijn 2015/2436 niet relevant, aangezien deze enkel de aanpassing van de nationale merkenwetgevingen beoogt. De verenigbaarheid van nationale maatregelen tot regeling van dergelijke conflicten moet dan niet aan die richtlijn, maar aan het primaire recht worden getoetst.

37 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of het Zweedse stelsel van bescherming van bedrijfsnamen dat is neergelegd in de merkenwet juncto de wet op de bedrijfsnaam, verenigbaar is met de beginselen van het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten.

38 Volgens de door deze rechter verstrekte gegevens is deze regeling van toepassing op de bedrijfsnamen van alle Zweedse ondernemingen, ongeacht de goederen of diensten die onder hun activiteiten vallen.

39 Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt ook dat het hoofdgeding betrekking heeft op het recht van de houder van een bedrijfsnaam, wiens activiteit bestaat in de productie en verkoop van bepaalde dierenvoeding en dierenartikelen, om een andere vennootschap te verbieden dergelijke goederen te verkopen onder een handelsnaam die vergelijkbaar is met of identiek is aan die bedrijfsnaam. Aangezien dit geding hoofdzakelijk verband houdt met het vrije verkeer van goederen en bij gebreke van aanwijzingen van de verwijzende rechter over het vrije verkeer van diensten, hoeft de verenigbaarheid van die regeling met artikel 56 VWEU niet autonoom te worden onderzocht.

40 Het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten is een fundamenteel beginsel van het VWEU, dat tot uitdrukking komt in artikel 34 VWEU, dat de lidstaten verbiedt onderling kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking vast te stellen. Volgens vaste rechtspraak ziet die bepaling op elke nationale maatregel die de handel binnen de Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (zie in die zin arresten van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, EU:C:1974:82, punt 5, en 29 juli 2024, BP France, C‑624/22, EU:C:2024:640, punt 61). Een nationale regeling of praktijk die een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen vormt, kan evenwel worden gerechtvaardigd door een van de in artikel 36 VWEU genoemde redenen van algemeen belang, waaronder de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.

41 Bij gebreke van harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake de handelsnaam, kan het aan een onderneming opgelegde verbod om voor het in de handel brengen van bepaalde producten in een lidstaat dezelfde handelsnamen te gebruiken als die welke zij in andere lidstaten gebruikt, een met artikel 34 VWEU strijdige beperking van het vrije verkeer van goederen vormen. Een dergelijke beperking wordt evenwel gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang die verband houden met de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, te weten de bescherming van handelsnamen tegen gevaar voor verwarring (zie in die zin arrest van 11 mei 1999, Pfeiffer, C‑255/97, EU:C:1999:240, punten 26‑29).

42 Een dergelijke beperking mag echter niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken.

43 Zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar het evenredigheidsbeginsel, is de verwijzende rechter in wezen van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling ten nadele van de houders van handelsnamen uit andere lidstaten werkt. Zij biedt de houder van een bedrijfsnaam van een naar Zweeds recht gevestigde onderneming namelijk een niveau van bescherming dat vergelijkbaar is met dat van een merk, zonder voorwaarden te stellen die gelijkwaardig zijn aan die van richtlijn 2015/2436 inzake het normale gebruik van het merk en de beschrijving van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven.

44 Zoals in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beoogt richtlijn 2015/2436 niet de onderlinge aanpassing van de wetgevingen inzake de handelsnaam. Bij gebreke van een dergelijke harmonisatie en gelet op de verschillende functies van het merk en de handelsnaam, kunnen de artikelen 34 en 36 VWEU niet aldus worden uitgelegd dat zij bepalen dat voor de bescherming van de handelsnaam dezelfde vereisten gelden als voor merken.

45 Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat het feit dat een bedrijfsnaam niet normaal is gebruikt, in de merkenwet niet aan dezelfde beperkingen of sancties is onderworpen als die van artikel 16 van richtlijn 2015/2436. Bovendien blijkt uit de door de Zweedse regering en de Europese Commissie bij het Hof ingediende opmerkingen dat het feit dat een bedrijfsnaam niet wordt gebruikt, op grond van de wet op de bedrijfsnaam onder bepaalde voorwaarden kan leiden tot verval van het uitsluitende recht dat die naam verleent, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

46 Met betrekking tot het door de verwijzende rechter genoemde gevaar dat bedrijfsnamen een ruimere bescherming tegen verwarringsgevaar genieten dan de bescherming die voor merken geldt omdat er minder strenge regels gelden voor de omschrijving van de activiteiten die tot het maatschappelijk doel van een onderneming behoren dan voor de afbakening van de klassen van waren of diensten waarvoor een merk overeenkomstig richtlijn 2015/2436 wordt ingeschreven, dient in de eerste plaats te worden benadrukt dat het maatschappelijk doel van een onderneming niet beoogt alle waren of diensten die onder de activiteiten van deze onderneming kunnen vallen, nauwkeurig of uitputtend te beschrijven. In het geval van een merk is een dergelijke verduidelijking daarentegen noodzakelijk voor de beoordeling van eventuele absolute of relatieve nietigheidsgronden en voor de uitoefening van het door dit merk verleende uitsluitende recht, dat de houder ervan in staat stelt het als merk ingeschreven teken voor bepaalde waren of diensten te monopoliseren.

47 In de tweede plaats blijkt uit de toelichting van de verwijzende rechter dat het uitsluitende recht van de houder van een geregistreerde bedrijfsnaam naar Zweeds recht weliswaar geldig is op de gebieden die onder zijn maatschappelijk doel vallen, maar dat dit recht de houder verplicht om de aard van die activiteiten dermate nauwkeurig te beschrijven en af te bakenen dat derden er doeltreffend over kunnen worden geïnformeerd.

48 In die omstandigheden moet, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, worden vastgesteld dat niet blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, waarbij aan de houder van een bedrijfsnaam een uitsluitend recht wordt verleend, verder gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doelstelling van algemeen belang die verband houdt met de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.

49 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat richtlijn 2015/2436 en de artikelen 34 en 36 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die ten eerste bepaalt dat het door een bedrijfsnaam verleende uitsluitende recht de houder ervan toestaat een derde te verbieden een identiek of soortgelijk teken als handelsnaam of domeinnaam te gebruiken voor waren of diensten van dezelfde of soortgelijke aard als die welke vallen onder de activiteiten waarvoor zijn bedrijfsnaam is geregistreerd, en ten tweede dat het feit dat die bedrijfsnaam niet wordt gebruikt, onder bepaalde voorwaarden kan leiden tot het verval van dit uitsluitende recht en dat die houder verplicht is de aard van de onder zijn maatschappelijk doel vallende activiteiten dermate nauwkeurig te beschrijven en af te bakenen dat derden er doeltreffend over kunnen worden geïnformeerd.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten en de artikelen 34 en 36 VWEU

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die ten eerste bepaalt dat het door een bedrijfsnaam verleende uitsluitende recht de houder ervan toestaat een derde te verbieden een identiek of soortgelijk teken als handelsnaam of domeinnaam te gebruiken voor waren of diensten van dezelfde of soortgelijke aard als die welke vallen onder de activiteiten waarvoor zijn bedrijfsnaam is geregistreerd, en ten tweede dat het feit dat die bedrijfsnaam niet wordt gebruikt, onder bepaalde voorwaarden kan leiden tot het verval van dit uitsluitende recht en dat die houder verplicht is de aard van de onder zijn maatschappelijk doel vallende activiteiten dermate nauwkeurig te beschrijven en af te bakenen dat derden er doeltreffend over kunnen worden geïnformeerd.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Zweeds

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in