HvJ EU 30 oktober 2025, C-348/24, ECLI:EU:C:2025:845

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

30 oktober 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Communautair douanewetboek – Douane‑entrepotregeling – In het vrije verkeer brengen – Artikel 29 – Douanewaarde van de goederen – Goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Europese Unie – Artikel 112, lid 3 – Vaststelling van de douanewaarde – Artikel 214, lid 1 – Tijdstip dat relevant is voor de vaststelling van de douanewaarde – Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Artikel 97 quindecies, lid 2 – Bewijs van de oorsprong van de goederen – Artikel 118, leden 1 en 3 – Termijn waarbinnen het bewijs inzake de oorsprong moet worden overgelegd – Verlies van het voordeel van de preferentiële behandeling – Geldigheid van de documenten die de oorsprong van de goederen bewijzen – Artikel 147 – Opeenvolgende verkopen”

In zaak C‑348/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (Hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 12 april 2024, ingekomen bij het Hof op 9 mei 2024, in de procedure

Compañía de Distribución Integral Logista, SA

tegen

Administración General del Estado,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin, waarnemend voor de kamerpresident, N. Piçarra en N. Fenger (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Compañía de Distribución Integral Logista, SA, vertegenwoordigd door M. Flores Navarro, J. I. Guerra García en M. Muñoz Domínguez, abogados,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 29, artikel 112, lid 3, en artikel 214 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 17, blz. 1) (hierna: „communautair douanewetboek”), alsook van de artikelen 97 duodecies, 118 en 147 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010 (PB 2010, L 307, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 2454/93”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Compañía de Distribución Integral Logista SA en de Agencia Estatal de la Administración Tributaria (belastingdienst, Spanje) over de vaststelling van de douanewaarde van bepaalde goederen en de geldigheid van het bewijs van de oorsprong van deze goederen in het kader van de toepassing van een preferentiële regeling.

Toepasselijke bepalingen

Communautair douanewetboek

3 Artikel 29 van het communautair douanewetboek, dat deel uitmaakte van hoofdstuk 3 („Douanewaarde van goederen”) van titel II („Elementen welke ten grondslag liggen aan de toepassing van de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer en de andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen”), bepaalde in lid 1: „De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de [Europese Unie] worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing [...]”.

4 Artikel 76, lid 1, onder c), van dat wetboek bepaalde: „Teneinde, met inachtneming van de regelmatigheid van de verrichtingen, het vervullen van de formaliteiten en de procedures zoveel mogelijk te versoepelen, staan de douaneautoriteiten onder de volgens de procedure van het Comité vastgestelde voorwaarden toe dat: [...] c) de aangifte van de goederen voor de betrokken regeling door inschrijving van de goederen in de administratie geschiedt; in dat geval kunnen de douaneautoriteiten de aangever ontheffen van de verplichting de goederen bij de douane aan te brengen.”

5 Artikel 112, lid 3, eerste en tweede alinea, van die verordening was in de volgende bewoordingen gesteld: „Worden de invoergoederen overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder c), in het vrije verkeer gebracht, dan zijn de overeenkomstig artikel 214 in aanmerking te nemen soort, douanewaarde en hoeveelheid, die welke bij de plaatsing onder de douane-entrepotregeling op deze goederen van toepassing waren. De eerste alinea is van toepassing mits deze heffingsgrondslagen bij de plaatsing van de goederen onder de regeling zijn erkend of toegestaan, tenzij de belanghebbende verzoekt om toepassing van die grondslagen bij het ontstaan van de douaneschuld.”

6 Artikel 201, leden 1 en 2, van het communautair douanewetboek bepaalde: „1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat: a) wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht [...] [...] 2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.”

7 Artikel 214, lid 1, van dit wetboek luidde: „Behoudens andersluidende specifieke bepalingen die in dit wetboek zijn vastgesteld en onverminderd lid 2, wordt het bedrag van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer waaraan goederen zijn onderworpen, vastgesteld op grond van de voor deze goederen geldende heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld ontstaat.”

Verordening nr. 2454/93

8 Titel IV van verordening nr. 2454/93, met als opschrift „Oorsprong van goederen”, bevatte een hoofdstuk 2, met als opschrift „Preferentiële oorsprong”. In afdeling 1 bis van dit hoofdstuk, met als opschrift „Procedures en methoden van administratieve samenwerking die gelden tot de toepassing van het systeem van geregistreerde exporteurs”, bepaalde artikel 97 duodecies van deze verordening in lid 5: „Een bewijs van oorsprong is tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het moet binnen deze termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend.”

9 Diezelfde afdeling 1 bis bevatte artikel 97 quindecies, lid 2, van die verordening, dat luidde als volgt: „De bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in artikel 97 duodecies, lid 5, genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële tarieven worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden. In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van de termijn bij hen zijn aangebracht.”

10 Datzelfde hoofdstuk 2 bevatte een afdeling 2, met als opschrift „Landen en gebieden die in aanmerking komen voor de eenzijdig door de [Unie] vastgestelde preferentiële tariefmaatregelen ten gunste van bepaalde landen en gebieden”. In onderafdeling 2 van deze afdeling, met als opschrift „Bewijs van oorsprong”, bepaalde artikel 118, leden 1 tot en met 3, van deze verordening: „1. Een bewijs van oorsprong is vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer vier maanden geldig. Het moet binnen deze periode bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend. 2. Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties worden aanvaard wanneer de niet-inachtneming van de termijn het gevolg van buitengewone omstandigheden is. 3. In andere dan de in lid 2 genoemde gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn bij hen zijn aangebracht.”

11 Artikel 147, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 2454/93 luidde: „Voor de toepassing van artikel 29 van het [communautair douanewetboek] is het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de [Unie] aan te merken. In het geval van opeenvolgende verkopen voordat de waarde wordt bepaald, is een dergelijke aanduiding van toepassing op de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de [Unie] zijn binnengebracht of op een verkoop binnen het douanegebied van de [Unie] voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Wanneer de prijs wordt aangegeven die betrekking heeft op een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de [Unie] zijn binnengebracht, dient ten genoegen van de douaneautoriteiten te worden aangetoond dat deze verkoop met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied is afgesloten.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 Corporación Habanos heeft sigaren verkocht aan Altadis (hierna: „eerste verkoop”) en gezorgd voor het vervoer van deze sigaren van Cuba naar het douane-entrepot van Angocillo – La Rioja (Spanje), waar Compañía de Distribución Integral Logista die sigaren als consignatiehouder opsloeg.

13 Deze sigaren, die in dat douane-entrepot waren opgeslagen en vielen onder de douane-entrepotregeling, hadden verschillende bestemmingen. Meer bepaald werd een deel van die sigaren verkocht, zonder in het vrije verkeer te zijn gebracht, om ze later te verkopen in „duty free”‑winkels op luchthavens. Een ander deel van die sigaren werd door Altadis verkocht aan Compañía de Distribución Integral Logista (hierna: „tweede verkoop”) om vervolgens deels buiten het douanegebied van de Unie te worden verkocht, namelijk in Ceuta (Spanje) en Melilla (Spanje), en deels te worden verkocht aan tabakswinkels.

14 Dat laatste deel van de sigaren, het enige deel dat in het hoofdgeding aan de orde is, bleef eigendom van Altadis totdat Compañía de Distribución Integral Logista overeenkwam om de sigaren aan de tabakswinkels te verkopen. Op dat moment droeg Altadis de eigendom van deze sigaren over aan Compañía de Distribución Integral Logista. Laatstgenoemde bracht deze vervolgens in het vrije verkeer met het oog op de verkoop en levering ervan aan de tabakswinkels.

15 Bij het in het vrije verkeer brengen werd de douanewaarde van de betrokken sigaren vastgesteld en aangegeven op basis van de eerste verkoop.

16 De belastingdienst was evenwel van mening dat deze eerste verkoop, die had plaatsgevonden voordat de goederen in het douane-entrepot waren geplaatst, niet kon worden geacht te zijn gesloten met het oog op uitvoer naar het douanegebied van de Unie. Deze verkoop kon dus niet in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in het kader van de regeling van opeenvolgende verkopen die is neergelegd in artikel 147 van verordening nr. 2454/93. De belastingdienst was derhalve van mening dat deze douanewaarde moest worden vastgesteld op basis van de tweede verkoop.

17 De belastingdienst heeft voorts opgemerkt dat de ingevoerde goederen, die afkomstig zijn uit Cuba, de Dominicaanse Republiek, Panama, Honduras, Mexico, Peru en Egypte, niet in aanmerking kwamen voor de preferentiële tarieven die Compañía de Distribución Integral Logista bij het in het vrije verkeer brengen ervan heeft toegepast, aangezien er twee jaren waren verstreken sinds de afgifte van de bewijzen van oorsprong op basis waarvan deze preferentiële tarieven konden worden toegepast.

18 Tussen januari 2015 en januari 2018 heeft de belastingdienst belastingaanslagen vastgesteld voor de jaren 2012 tot en met 2015, waarbij om de twee in de punten 16 en 17 van het onderhavige arrest genoemde redenen een regularisatie werd opgelegd, met name met betrekking tot douanerechten.

19 Compañía de Distribución Integral Logista heeft deze belastingaanslagen betwist voor de Tribunal Económico-Administrativo Central (centrale rechter in economische en bestuurszaken, Spanje), die bij beslissing van 25 oktober 2018 het bezwaar tegen de regularisatie van de douanerechten heeft afgewezen.

20 Compañía de Distribución Integral Logista heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Audiencia Nacional (nationaal hof, Spanje), die dit beroep bij vonnis van 9 juli 2021 heeft verworpen.

21 De Audiencia Nacional heeft in de eerste plaats geoordeeld dat artikel 112, lid 3, van het communautair douanewetboek de toepassing van artikel 29, lid 1, van dit wetboek niet uitsluit. Aangezien niet was aangetoond dat bij de eerste verkoop alle door Corporación Habanos aan Altadis verkochte goederen bestemd waren voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, noch dat zij zonder uitzondering naar dat douanegebied waren verzonden, moest de douanewaarde derhalve worden vastgesteld op basis van de tweede verkoop, die was gesloten met het oog op de uitvoer van de desbetreffende goederen naar dat gebied.

22 In de tweede plaats heeft de Audiencia Nacional geoordeeld dat de relevante bewijzen van oorsprong niet in aanmerking konden worden genomen voor de toepassing op de betrokken goederen van de gevraagde preferentiële regeling, aangezien deze bewijzen waren verzonden na het verstrijken van de termijn van twee jaar die is vastgesteld in de door het Comité douanewetboek opgestelde richtsnoeren op het gebied van oorsprong.

23 Compañía de Distribución Integral Logista heeft cassatieberoep ingesteld bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), de verwijzende rechter.

24 Deze rechter is van oordeel dat moet worden gepreciseerd hoe de douanewaarde moet worden vastgesteld voor invoergoederen die onder de douane-entrepotregeling zijn geplaatst en vervolgens in het vrije verkeer zijn gebracht overeenkomstig de procedure van artikel 76, lid 1, onder c), van het communautair douanewetboek, en voorts de regels moeten worden verduidelijkt inzake de geldigheid van de bewijzen van oorsprong van goederen nadat de termijn van twee jaar vanaf de datum van afgifte of vaststelling van die bewijzen is verstreken, wanneer goederen die deel uitmaken van hetzelfde contingent binnen die termijn in het vrije verkeer zijn gebracht.

25 In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan, wat de douanewaarde van goederen betreft, artikel 29 [van het communautair douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat het enkel de methode regelt voor de vaststelling van de douanewaarde – dat wil zeggen de transactiewaarde, onverminderd eventueel toe te passen bijtellingen of aftrekkingen – en niet het tijdstip bepaalt waarop die vaststelling moet plaatsvinden? 2) Moet, overwegende dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende artikel 29 [van het communautair douanewetboek] de methode voor de vaststelling van de douanewaarde op basis van de transactiewaarde van toepassing is wanneer goederen zijn verkocht voor uitvoer naar de Europese Unie, dat artikel, in samenhang met artikel 112, lid 3, van [dat wetboek] en artikel 214 [daarvan], aldus worden uitgelegd dat de plaatsing van goederen onder de regeling douane-entrepot volgens de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, onder c), [van het communautair douanewetboek] met zich meebrengt dat de goederen zijn verkocht, of kunnen worden geacht te zijn verkocht, voor uitvoer naar de Europese Unie? Is het voor het antwoord op deze vraag relevant dat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht nadat zij zijn overgedragen terwijl zij zich in een douane-entrepot bevonden? 3) Voor het geval dat de vragen in het vorige punt ontkennend worden beantwoord, en in aanmerking nemend dat de regeling douane-entrepot, als schorsingsregeling, niet bepalend is voor het ontstaan van de douaneschuld, die ontstaat op het tijdstip waarop de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, kunnen artikel 29, artikel 112, lid 3, en artikel 214 [van het communautair douanewetboek] dan niettemin aldus worden uitgelegd dat het temporele referentiepunt voor de vaststelling van de douanewaarde het tijdstip is waarop de goederen onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst? Of moeten voornoemde bepalingen aldus worden uitgelegd dat die waarde moet worden berekend op basis van het tijdstip waarop de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, dat wil zeggen wanneer de douaneschuld ontstaat, ook indien de goederen vóór dat tijdstip waren opgeslagen in een douane-entrepot? 4) Kan, in geval van opeenvolgende verkopen, artikel 147 [van verordening nr. 2454/93] aldus worden uitgelegd dat op grond van het enkele feit dat goederen onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, de verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, worden geacht te hebben plaatsgevonden voor uitvoer naar de Europese Unie? 5) Moeten, wat de certificaten van oorsprong betreft, de artikelen 118 en 97 duodecies [van verordening nr. 2454/93] aldus worden uitgelegd dat indien het bewijs van het in het vrije verkeer brengen van de goederen wordt ingediend na het verstrijken van de termijn van twee jaar, het recht op toepassing van de tariefvoordelen wegens preferentiële oorsprong vervalt, ook al is het certificaat van oorsprong op basis waarvan aanspraak op de tariefpreferentie wordt gemaakt, gebruikt bij het binnen die termijn van twee jaar gedeeltelijk in het vrije verkeer brengen van de invoergoederen?”

Eerste tot en met vierde prejudiciële vraag

26 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie arresten van 17 juli 1997, Krüger,C‑334/95, EU:C:1997:378, punten 22 en 23, en 25 februari 2025, Alphabet e.a., C‑233/23, EU:C:2025:110, punt 33).

27 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de belastingdienst douaneaangiften heeft betwist omdat de douanewaarde van de betrokken goederen was vastgesteld op basis van de transactiewaarde ervan ten tijde van de verkoop die voorafging aan de plaatsing van deze goederen in een douane-entrepot in het douanegebied van de Unie. De belastingdienst is van mening dat moet worden uitgegaan van de transactiewaarde van die goederen ten tijde van de verkoop die heeft plaatsgevonden terwijl zij in dat entrepot waren opgeslagen en voordat zij overeenkomstig de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, onder c), van het communautair douanewetboek in het vrije verkeer werden gebracht.

28 In deze context blijkt uit de gegevens in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de eerste tot en met vierde prejudiciële vraag ertoe strekken de verwijzende rechter in staat te stellen te bepalen op welk tijdstip de douanewaarde van de betrokken goederen moet worden vastgesteld en welke verkoop in dit verband in aanmerking kan worden genomen wanneer de belanghebbende zich op artikel 112, lid 3, van dat wetboek beroept.

29 Gelet op deze factoren moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste tot en met vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 29, lid 1, en artikel 112, lid 3, van het communautair douanewetboek, en artikel 147 van verordening nr. 2454/93 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer goederen het voorwerp zijn geweest van een eerste verkoop als gevolg waarvan zij het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen om onder de douane-entrepotregeling te worden geplaatst, en vervolgens het voorwerp zijn geweest van een tweede verkoop als gevolg waarvan zij in het vrije verkeer zijn gebracht overeenkomstig de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, onder c), van dat wetboek, het relevante tijdstip voor de vaststelling van de douanewaarde, het tijdstip is waarop zij onder die regeling worden binnengebracht, en de douanewaarde van deze goederen kan worden vastgesteld op basis van hun transactiewaarde ten tijde van de eerste verkoop.

Tijdstip dat relevant is voor de vaststelling van de douanewaarde

30 Volgens vaste rechtspraak beoogt het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet dus de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven, waarbij deze waarde bij voorrang moet worden vastgesteld volgens de methode van de „transactiewaarde” van de ingevoerde goederen (zie in die zin arresten van 19 november 2020, 5th AVENUE Products Trading, C‑775/19, EU:C:2020:948, punten 22 en 24, en 15 mei 2025, Tauritus, C‑782/23, EU:C:2025:353, punten 51 en 54).

31 Deze methode is omschreven in artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek, waarin is bepaald dat de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde van die goederen is, dat wil zeggen de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing.

32 Uit de bewoordingen van deze bepaling en met name uit de woorden „voor uitvoer naar het douanegebied van de [Unie] worden verkocht”, blijkt dat de transactiewaarde moet overeenstemmen met een prijs voor uitvoer naar de Unie. Op het moment van de verkoop moet dus vaststaan dat de goederen van oorsprong uit een derde land naar het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht (zie arresten van 6 juni 1990, Unifert, C‑11/89, EU:C:1990:237, punt 11, en 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 27).

33 Deze bepaling zelf geeft echter niet aan welk tijdstip relevant is voor de vaststelling van de douanewaarde.

34 Uit artikel 214, lid 1, van het communautair douanewetboek volgt echter dat behoudens andersluidende specifieke bepalingen in dat wetboek en onverminderd lid 2 van dat artikel 214, het bedrag van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer waaraan goederen zijn onderworpen, wordt vastgesteld op grond van de voor deze goederen geldende heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld ontstaat.

35 Deze bepaling bevat de principiële regel dat douanerechten worden berekend op basis van de toestand op het moment van het ontstaan van de douaneschuld (zie in die zin arrest van 8 oktober 2020, Exter, C‑330/19, EU:C:2020:809, punt 33).

36 Wanneer het aan de douaneschuld ten grondslag liggende belastbare feit bestaat in het in het vrije verkeer brengen van de betrokken goederen, ontstaat in dit verband de douaneschuld bij invoer krachtens artikel 201, lid 1, onder a), en lid 2, van het communautair douanewetboek op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard (zie in die zin arrest van 1 februari 2001, D. Wandel, C‑66/99, EU:C:2001:69, punt 41).

37 Hieruit volgt dat wanneer de douaneschuld ontstaat doordat de betrokken goederen in het vrije verkeer worden gebracht, het bedrag van de daarop toepasselijke invoerrechten wordt vastgesteld op basis van de heffingsgrondslagen die voor deze goederen gelden op het tijdstip waarop de douaneaangifte voor die goederen wordt aanvaard.

38 Wat invoergoederen betreft die overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder c), van het communautair douanewetboek in het vrije verkeer zijn gebracht, bepaalt artikel 112, lid 3, eerste en tweede alinea, van dat wetboek echter dat de overeenkomstig artikel 214 van dat wetboek in aanmerking te nemen soort, douanewaarde en hoeveelheid, die zijn welke van toepassing waren ten tijde van de plaatsing onder de douane-entrepotregeling, mits deze heffingsgrondslagen bij de plaatsing van de goederen onder de regeling zijn erkend of toegestaan en de belanghebbende niet verzoekt om toepassing van die grondslagen bij het ontstaan van de douaneschuld.

39 Hieruit volgt dat wanneer de douaneschuld ontstaat doordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht en aan de voorwaarden van artikel 112, lid 3, is voldaan, de belanghebbende de douanewaarde ervan kan aangeven zoals deze zich voordeed op het tijdstip waarop de goederen onder de douane-entrepotregeling zijn geplaatst, in plaats van op het tijdstip van de aangifte voor het vrije verkeer.

40 Derhalve moet artikel 112, lid 3, van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat wanneer de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht om onder de douane-entrepotregeling te worden geplaatst, en zij vervolgens in het vrije verkeer zijn gebracht volgens de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, onder c), van dat wetboek, de belanghebbende de douanewaarde van deze goederen kan aangeven zoals deze zich voordeed op het tijdstip waarop zij onder die regeling werden geplaatst.

Bewijs dat de goederen zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie

41 In verband met de toepassing van artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek bevat artikel 147, lid 1, van verordening nr. 2454/93 drie regels inzake het bewijs dat moet worden geleverd om rechtens genoegzaam aan te tonen dat de goederen zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie in de zin van artikel 29 van dat wetboek.

42 Artikel 147, lid 1, eerste alinea, van deze verordening bepaalt in de eerste volzin dat het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding is om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie aan te merken. In de tweede volzin van deze bepaling wordt gepreciseerd dat in het geval van opeenvolgende verkopen voordat de waarde wordt bepaald, een dergelijke aanduiding van toepassing is op de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen dat douanegebied zijn binnengebracht of op een verkoop binnen dat gebied voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Artikel 147, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bepaalt daarentegen dat wanneer de prijs wordt aangegeven die betrekking heeft op een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, ten genoegen van de douaneautoriteiten dient te worden aangetoond dat deze verkoop met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied is afgesloten.

43 Anders dan in de in artikel 147, lid 1, eerste alinea, van die verordening bedoelde gevallen, waarvoor niet nader hoeft te worden aangetoond dat de betrokken verkoop is gesloten voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, moet de belanghebbende, wanneer de aangegeven douanewaarde de prijs is van een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen in dat gebied zijn binnengebracht, aantonen dat een dergelijke verkoop is gesloten met het oog op uitvoer naar dat gebied.

44 Een van de in artikel 147, lid 1, eerste alinea, van deze verordening bedoelde gevallen staat in de eerste volzin daarvan, namelijk het geval van een verkoop van goederen die voor het in het vrije verkeer brengen worden aangegeven.

45 In dit verband blijkt uit de bewoordingen van deze zin niet dat deze verkoop onmiddellijk moet voorafgaan aan het in het vrije verkeer brengen van de betrokken goederen. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat deze goederen tussen de verkoop en het in het vrije verkeer brengen ervan onder de douane-entrepotregeling zijn geplaatst.

46 Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 147, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van verordening nr. 2454/93 toestaat dat in geval van opeenvolgende verkopen voorafgaand aan het bepalen van de waarde, de prijs van de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, als douanewaarde wordt aangegeven.

47 Aangezien de prijs van een dergelijke verkoop in geval van opeenvolgende verkopen als douanewaarde in aanmerking kan worden genomen, moet een dergelijke prijs dus a fortiori als douanewaarde in aanmerking kunnen worden genomen wanneer op het tijdstip van de vaststelling slechts één enkele verkoop bestond op basis waarvan de goederen in het douanegebied van de Unie waren binnengebracht, en vervolgens in het douane-entrepot zijn ondergebracht voordat zij in het vrije verkeer werden gebracht.

48 Een dergelijke inaanmerkingneming strookt immers met het doel van artikel 147 van verordening nr. 2454/93 om de vaststelling van de transactiewaarde van goederen die het voorwerp zijn van een of meer verkopen te vergemakkelijken en tegelijkertijd te waarborgen dat deze waarde de werkelijke economische waarde van een invoergoed weergeeft.

49 Hieruit volgt dat wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 112, lid 3, van het communautair douanewetboek en de goederen op het tijdstip van plaatsing onder de douane-entrepotregeling het voorwerp waren van een verkoop als gevolg waarvan die goederen in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht, de douanewaarde van deze goederen krachtens artikel 147, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93 kan worden vastgesteld aan de hand van de transactiewaarde van die verkoop, zonder dat nader hoeft te worden aangetoond dat het doel ervan de uitvoer naar het douanegebied van de Unie was.

50 Aangezien de plaatsing van goederen onder de douane-entrepotregeling impliceert dat deze goederen verschillende toekomstige douanebestemmingen kunnen hebben, is de omstandigheid dat andere goederen van hetzelfde contingent die onder die regeling zijn geplaatst, vervolgens zijn verkocht zonder in het vrije verkeer te zijn gebracht, irrelevant voor de toepassing van artikel 147, lid 1, eerste alinea, van deze verordening.

51 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de eerste tot en met de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 29, lid 1, en artikel 112, lid 3, van het communautair douanewetboek, alsook artikel 147 van verordening nr. 2454/93 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer goederen het voorwerp zijn geweest van een eerste verkoop als gevolg waarvan zij het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen om onder de douane-entrepotregeling te worden geplaatst, en vervolgens van een tweede verkoop als gevolg waarvan zij in het vrije verkeer zijn gebracht overeenkomstig de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, onder c), van dat wetboek, het tijdstip waarop de douanewaarde van deze goederen moet worden vastgesteld, het tijdstip is waarop zij onder die regeling worden binnengebracht, en de douanewaarde van deze goederen kan worden vastgesteld op basis van hun transactiewaarde ten tijde van de eerste verkoop.

Vijfde prejudiciële vraag

52 Met zijn vijfde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 97 duodecies, lid 5, artikel 97 quindecies, lid 2, en artikel 118, leden 1 en 3, van verordening nr. 2454/93 aldus moeten worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van het land van invoer niet verplicht zijn om voor de toepassing van tariefpreferenties voor bepaalde goederen een bewijs van oorsprong te aanvaarden dat hen na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan werd overgelegd, ook al werd datzelfde bewijs van oorsprong reeds vóór het verstrijken van deze geldigheidsduur aan die autoriteiten overgelegd voor de toepassing van tariefpreferenties op andere goederen van hetzelfde contingent.

53 Vooraf moet worden verduidelijkt dat, hoewel de deelnemers aan de terechtzitting twijfels hebben geuit over de toepasselijkheid van artikel 118 van verordening nr. 2454/93 op het hoofdgeding, het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of naast artikel 97 duodecies, lid 5, en artikel 97 quindecies, lid 2, van deze verordening, ook artikel 118 ervan van toepassing is op bepaalde landen van uitvoer van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen.

54 In de eerste plaats bepaalt artikel 97 duodecies, lid 5, van verordening nr. 2454/93 dat een bewijs van oorsprong tien maanden geldig is vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer en het binnen deze termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer moet worden ingediend. Volgens de bewoordingen van artikel 97 quindecies, lid 2, van deze verordening worden bewijzen van oorsprong die na het verstrijken deze termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, met het oog op de toepassing van de preferentiële tarieven aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden. Deze bepaling preciseert dat in andere gevallen van verlate indiening de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong kunnen aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van de termijn bij hen zijn aangebracht.

55 In de tweede plaats bepaalt artikel 118, lid 1, van verordening nr. 2454/93 dat een bewijs van oorsprong vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer vier maanden geldig is en binnen deze periode moet worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer, terwijl in artikel 118, lid 2, ervan te lezen staat dat de bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, met het oog op de toepassing van de in artikel 98 van die verordening bedoelde tariefpreferenties, kunnen worden aanvaard wanneer de niet-inachtneming van de termijn het gevolg van buitengewone omstandigheden is. Voor andere gevallen van verlate indiening bepaalt artikel 118, lid 3, van deze verordening dat die douaneautoriteiten de bewijzen van oorsprong kunnen aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

56 Deze twee reeksen bepalingen regelen de termijnen voor de geldigheid en overlegging van bewijzen van de oorsprong van ingevoerde goederen met het oog op de toepassing van de tariefpreferenties waarop zij betrekking hebben. Deze termijnen stellen de douaneautoriteiten van de landen van invoer met name in staat om, teneinde zich ervan te vergewissen dat een dergelijke toepassing gerechtvaardigd is, de daartoe noodzakelijke materiële en documentcontroles te verrichten.

57 Bovendien hebben artikel 97 quindecies, lid 2, tweede volzin, en artikel 118, lid 3, van verordening nr. 2454/93 betrekking op de gevallen waarin het bewijs van de oorsprong van de goederen niet binnen de gestelde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer is ingediend om redenen die niets van doen hebben met buitengewone omstandigheden. In die gevallen kunnen de douaneautoriteiten dat bewijs aanvaarden mits de goederen vóór het verstrijken van die termijnen bij deze douaneautoriteiten zijn aangebracht.

58 Deze mogelijkheid wordt niet nader geregeld door deze bepalingen. Het staat dus aan de douaneautoriteiten van het land van invoer om per geval vast te stellen of een bepaald goed op basis van het te laat overgelegde bewijs in aanmerking komt voor een preferentiële tariefregeling, waarbij zij met name rekening houden met het doel van deze bepalingen, namelijk die autoriteiten in staat stellen de werkelijke oorsprong van de betrokken goederen na te gaan.

59 Hieruit volgt dat die autoriteiten niet verplicht zijn om een bewijs van oorsprong te aanvaarden na het verstrijken van de daartoe gestelde termijnen, zelfs niet wanneer dit bewijs van oorsprong is overgelegd bij het in het vrije verkeer brengen, binnen deze termijnen, van goederen die deel uitmaken van hetzelfde contingent als die waarvoor dat bewijs van oorsprong te laat is overgelegd. Een dergelijke omstandigheid volstaat immers op zich niet om uit te sluiten dat het voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling noodzakelijk is om bij het in het vrije verkeer brengen van dergelijke goederen op basis van het bewijs van de oorsprong van die goederen materiële en schriftelijke controles te verrichten.

60 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 97 duodecies, lid 5, artikel 97 quindecies, lid 2, en artikel 118, leden 1 en 3, van verordening nr. 2454/93 aldus moeten worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van het land van invoer niet verplicht zijn om voor de toepassing van tariefpreferenties voor bepaalde goederen een bewijs van oorsprong te aanvaarden dat hen na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan werd overgelegd, ook al werd datzelfde bewijs van oorsprong reeds vóór het verstrijken van deze geldigheidsduur aan die autoriteiten overgelegd voor de toepassing van tariefpreferenties op andere goederen van hetzelfde contingent.

Kosten

61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 29, lid 1, en artikel 112, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, en artikel 147 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer goederen het voorwerp zijn geweest van een eerste verkoop als gevolg waarvan zij het douanegebied van de Europese Unie zijn binnengebracht om onder de douane-entrepotregeling te worden geplaatst, en vervolgens van een tweede verkoop als gevolg waarvan zij in het vrije verkeer zijn gebracht overeenkomstig de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, onder c), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 82/97, het tijdstip waarop de douanewaarde van deze goederen moet worden vastgesteld, het tijdstip is waarop zij onder die regeling worden binnengebracht, en de douanewaarde van deze goederen kan worden vastgesteld op basis van hun transactiewaarde ten tijde van de eerste verkoop.

2) Artikel 97 duodecies, lid 5, artikel 97 quindecies, lid 2, en artikel 118, leden 1 en 3, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1063/2010, moeten aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van het land van invoer niet verplicht zijn om voor de toepassing van tariefpreferenties voor bepaalde goederen een bewijs van oorsprong te aanvaarden dat hen na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan werd overgelegd, ook al werd datzelfde bewijs van oorsprong reeds vóór het verstrijken van deze geldigheidsduur aan die autoriteiten overgelegd voor de toepassing van tariefpreferenties op andere goederen van hetzelfde contingent.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Spaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken