HvJ EU 15 mei 2025, C-782/23, ECLI:EU:C:2025:353
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
15 mei 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Douanewetboek van de Unie – Methode voor de vaststelling van de douanewaarde – Artikel 70 – Transactiewaarde – Goederen die zijn ingevoerd op basis van een voorlopige aankoopprijs – Definitieve prijs die afhangt van verschillende factoren die op de datum van aanvaarding van de douaneaangifte niet bekend zijn”
In zaak C‑782/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 13 december 2023, ingekomen bij het Hof op 19 december 2023, in de procedure
„Tauritus” UAB
tegen
Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos,
in tegenwoordigheid van:
Kauno teritorinė muitinė,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei (rapporteur) en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 november 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis, V. Kazlauskaitė-Švenčionienė en E. Kurelaitytė als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez en A. Torró Molés als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door M. de Lisi en B. Travard als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė en F. Moro als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 70 en artikel 173, lid 3, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90; hierna: „douanewetboek van de Unie”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Tauritus” UAB en de Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (douanedienst van het ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen; hierna: „douanedienst”) over de vertragingsrente die deze laatste van Tauritus vordert over een bedrag aan aanvullende belasting over de toegevoegde waarde (btw) bij invoer.
Toepasselijke bepalingen
3 De douanewetgeving van de Unie omvat onder meer het douanewetboek van de Unie, gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1), en uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558).
Douanewetboek van de Unie
4 Volgens artikel 15, lid 2, onder a), van het douanewetboek van de Unie wordt eenieder die een douaneaangifte indient verantwoordelijk voor de juistheid en de volledigheid van de daarin verstrekte inlichtingen.
5 Artikel 48 van dit wetboek, met het opschrift „Controle na vrijgave”, bepaalt dat de douaneautoriteiten de juistheid en de volledigheid van de informatie die onder meer in een douaneaangifte is verstrekt en de bedrijfsboekhouding van de aangever en andere bescheiden betreffende de transacties met de betrokken goederen na de vrijgave daarvan, kunnen controleren.
6 In artikel 70 van dat wetboek, met het opschrift „Op de transactiewaarde gebaseerde methode voor de vaststelling van de douanewaarde”, is bepaald: „1. De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast. 2. De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht. 3. De transactiewaarde is van toepassing mits aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan: […] b) de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, niet kan worden vastgesteld; […]”
7 De artikelen 71 en 72 van het douanewetboek van de Unie regelen de in artikel 70, lid 1, ervan bedoelde aanpassingen die eventueel moeten worden aangebracht om de op de transactiewaarde gebaseerde douanewaarde vast te stellen. Zij bepalen met welke elementen de werkelijk betaalde of te betalen prijs in voorkomend geval moet worden verhoogd of welke elementen daarentegen niet in de douanewaarde moeten worden opgenomen.
8 Artikel 73 van het douanewetboek van de Unie draagt het opschrift „Vereenvoudiging” en bepaalt het volgende: „De douaneautoriteiten kunnen desgevraagd toestaan dat de volgende bedragen bepaald worden op basis van specifieke criteria wanneer die bedragen niet meetbaar zijn op de datum waarop de douaneaangifte is aanvaard: a) bedragen die in de douanewaarde moeten worden begrepen overeenkomstig artikel 70, lid 2; en b) de in de artikelen 71 en 72 bedoelde bedragen.”
9 Artikel 74 („Bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde”) van dit wetboek bepaalt: „1. Indien de douanewaarde van de goederen niet met toepassing van artikel 70 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welk van de punten a) tot en met d) van lid 2 [van onderhavig artikel] van toepassing is en dient de douanewaarde van de goederen te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt. […] 2. De douanewaarde overeenkomstig lid 1 is: a) de transactiewaarde van identieke goederen […]; b) de transactiewaarde van soortgelijke goederen […]; c) de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid […]; of d) de berekende waarde, […] […] 3. Indien de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van al het volgende: a) de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel; b) artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel; c) dit hoofdstuk.”
10 Artikel 101 van het douanewetboek van de Unie, met het opschrift „Vaststelling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt vastgesteld door de douaneautoriteiten […], zodra zij over de nodige gegevens beschikken. 2. Onverminderd artikel 48 kunnen de douaneautoriteiten het door de aangever vastgestelde verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten aanvaarden.”
11 Hoofdstuk 2 van titel V van dit wetboek bevat afdeling 3, met het opschrift „Vereenvoudigde douaneaangiften”, die onder meer de artikelen 166 en 167 van dit wetboek bevat. Artikel 166 („Vereenvoudigde aangifte”) bepaalt in lid 1: „De douaneautoriteiten kunnen aanvaarden dat een persoon goederen onder een douaneregeling laat plaatsen op basis van een vereenvoudigde aangifte waaruit bepaalde […] informatie [die nodig is voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven] of de […] bewijsstukken [die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor die douaneregeling] kunnen worden weggelaten.”
12 Artikel 167 van het douanewetboek van de Unie, met het opschrift „Aanvullende aangifte”, luidt als volgt: „1. Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 […] dient de aangever binnen een specifieke termijn bij het bevoegde douanekantoor een aanvullende aangifte in met de gegevens die vereist zijn voor de betrokken douaneregeling. Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 moeten de nodige bewijsstukken binnen een specifieke termijn in het bezit zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douaneautoriteiten. […] 4. De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangifte […] wordt geacht samen met de aanvullende aangifte een enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is […] vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 172 […]. […]”
13 Artikel 172, lid 2, van dit wetboek luidt als volgt: „De datum van aanvaarding van de douaneaangifte door de douaneautoriteiten is, tenzij anderszins is bepaald, de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven en voor alle andere invoer- of uitvoerformaliteiten.”
14 Artikel 173 van het douanewetboek van de Unie, met het opschrift „Wijziging van een douaneaangifte”, bepaalt: „1. De aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer gegevens in de douaneaangifte te wijzigen nadat deze door de douane is aanvaard. […] […] 3. Op verzoek van de aangever kan, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte, worden toegestaan dat de douaneaangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen.”
15 Overeenkomstig artikel 286, leden 1 en 3, van het douanewetboek van de Unie is verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB 2008, L 145, blz. 1) door dit douanewetboek van de Unie ingetrokken en vervangen.
16 Krachtens artikel 288, lid 2, van het douanewetboek van de Unie zijn alle in de punten 4 tot en met 14 van het onderhavige arrest vermelde bepalingen van dit wetboek op 1 mei 2016 van toepassing geworden.
Gedelegeerde verordening 2015/2446
17 Artikel 71 van gedelegeerde verordening 2015/2446, met het opschrift „Vereenvoudiging”, dat betrekking heeft op artikel 73 van het douanewetboek van de Unie, bepaalt in lid 1: „De in artikel 73 van het [douanewetboek van de Unie] bedoelde toestemming kan worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de aanvraag voor de in artikel 166 van [dat] wetboek bedoelde regeling brengt, in de gegeven omstandigheden, onevenredige administratieve kosten met zich mee; b) de vastgestelde douanewaarde zal niet sterk afwijken van de waarde die wordt vastgesteld indien die toestemming niet was verleend.”
Uitvoeringsverordening 2015/2447
18 Artikel 128 van uitvoeringsverordening 2015/2447, met het opschrift „Transactiewaarde”, dat betrekking heeft op artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, bepaalt in lid 1: „De transactiewaarde van de goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, wordt bepaald op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte op basis van de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, heeft plaatsgevonden.”
19 Artikel 130 („Kortingen”) van deze uitvoeringsverordening, dat betrekking heeft op artikel 70, leden 1 en 2, van het douanewetboek van de Unie, bepaalt: „1. Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 70, lid 1, van het [douanewetboek van de Unie] worden kortingen in aanmerking genomen wanneer op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte de kortingen en het bedrag ervan in de verkoopovereenkomst waren opgenomen. […] 3. Kortingen die voortvloeien uit wijzigingen van het contract na het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte, worden niet in aanmerking genomen.”
20 Artikel 133 van die uitvoeringsverordening, met het opschrift „Beoordeling van de voorwaarden en prestaties”, dat betrekking heeft op artikel 70, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie, is als volgt verwoord: „Wanneer de verkoop of de prijs van ingevoerde goederen is onderworpen aan een voorwaarde of prestatie waarvan de waarde kan worden bepaald in verband met de te waarderen goederen, wordt deze waarde beschouwd als een deel van de werkelijk betaalde of te bepalen prijs, […]: […]”
21 Artikel 144 („Fall-backmethode”) van deze uitvoeringsverordening, dat betrekking heeft op artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, bepaalt in lid 1: „Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, van het [douanewetboek van de Unie] kan bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, van [dit] wetboek vastgestelde methoden een redelijke soepelheid worden betracht. De aldus vastgestelde douanewaarde dient zo veel mogelijk op eerder vastgestelde douanewaarden te worden gebaseerd.”
Richtlijn 2006/112
22 Artikel 85 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) bepaalt: „Voor de invoer van goederen is de maatstaf van heffing de waarde die in de geldende […] bepalingen [van het recht van de Unie] als de douanewaarde wordt omschreven.”
23 In artikel 273, eerste alinea, van deze richtlijn staat te lezen: „De lidstaten kunnen[…] andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, […].”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
24 Tauritus heeft in de periode van 1 oktober 2015 tot 30 april 2017 diesel en vliegtuigbrandstof ingevoerd in Litouwen.
25 De met de leveranciers gesloten overeenkomsten en de door hen uitgereikte pro-formafacturen vermeldden een voorlopige prijs voor de aankoop van deze goederen.
26 Volgens die overeenkomsten zou die voorlopige prijs later worden aangepast aan de hand van de gemiddelde marktprijs van de betrokken brandstof in een bepaalde periode en de gemiddelde wisselkoers in die periode. De definitieve prijs kon hoger of lager zijn dan de voorlopige prijs. Deze werd vastgesteld in de bijlagen bij de aankoopovereenkomsten en naar aanleiding daarvan werden definitieve facturen uitgereikt.
27 In de douaneaangiften betreffende de ingevoerde goederen heeft Tauritus de voorlopige prijs daarvan als douanewaarde opgegeven en code 6 vermeld aangaande de methode die was gebruikt om die waarde vast te stellen, wat overeenkwam met een douanewaarde die aan de hand van in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens is vastgesteld met gebruikmaking van de zogenoemde fall-backmethode waarin artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie voorziet.
28 Zodra die onderneming in het bezit was van de definitieve facturen diende zij doorgaans aanvragen in tot wijziging van de in haar douaneaangiften vermelde waarde van de goederen.
29 Bij een controle achteraf die op 26 mei 2017 door de Kauno teritorinė muitinė (douanekantoor Kaunas, Litouwen) (hierna: „douanekantoor”) is verricht, is evenwel gebleken dat Tauritus in de periode van 29 september 2016 tot 1 februari 2017 dertien douaneaangiften had ingediend waarvoor zij achteraf geen wijziging van de douanewaarde van de goederen had aangevraagd hoewel zij in de periode van 6 februari tot 15 maart 2017 voor de betrokken goederen definitieve facturen had ontvangen die een definitieve prijs vermeldden die hoger dan de voorlopige prijs en dus ook hoger dan de in die aangiften vermelde douanewaarde was. Bijgevolg had die onderneming voor die goederen geen aanvullende btw bij invoer betaald. De verwijzende rechter verduidelijkt evenwel dat uit niets in het dossier van het hoofdgeding blijkt dat deze feiten door frauduleuze bedoelingen zijn ingegeven.
30 Naar aanleiding van die controle heeft het douanekantoor een besluit vastgesteld waarin het de op de transactiewaarde gebaseerde methode voor de vaststelling van de douanewaarde van artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie (hierna: „transactiewaardemethode”) heeft toegepast, en bijgevolg de in de definitieve facturen vermelde definitieve prijs als douanewaarde van de betrokken goederen in aanmerking heeft genomen. Op die grond heeft het douanekantoor van Tauritus onder meer betaling van aanvullende bedragen aan btw bij invoer geëist, vermeerderd met vertragingsrente voor de periode van de datum van aanvaarding van de betrokken douaneaangiften tot 14 september 2017, datum van het controleverslag.
31 Tauritus heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij de douanedienst en heeft vervolgens administratief beroep ingesteld bij de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor belastinggeschillen van de regering van de Republiek Litouwen). Beide beroepen zijn verworpen, evenals het beroep dat vervolgens is ingesteld bij de bevoegde bestuursrechter in eerste aanleg.
32 Tegen de beslissing van die bestuursrechter is hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen). Deze rechter heeft bij beslissing van 17 juni 2020 geoordeeld dat het douanekantoor de douanewaarde van de goederen ten onrechte volgens de transactiewaardemethode had berekend, op grond dat de douaneaangifte niet op de definitieve prijs kon worden gebaseerd aangezien deze op de datum van indiening van die aangifte niet bekend was. De zaak is voor heronderzoek terugverwezen naar de douanedienst.
33 Bij besluit van 31 december 2020 heeft de douanedienst het besluit van het douanekantoor bevestigd en geoordeeld dat Tauritus gehouden was tot betaling van de vertragingsrente over de aanvullende btw bij invoer met betrekking tot de betrokken goederen. De douanedienst heeft zich met name op het standpunt gesteld dat Tauritus had moeten verzoeken om aanpassing van de in de douaneaangiften vermelde douanewaarde aan de definitieve prijs van de goederen maar dat deze onderneming niet voor aanvang van de controle achteraf aan deze verplichting had voldaan, zodat het douanekantoor terecht de betrokken douaneaangiften heeft gewijzigd en vertragingsrente heeft gevorderd vanaf de datum van indiening van die aangiften.
34 Nadat het beroep van Tauritus tegen dit besluit door de bevoegde bestuursrechter in eerste aanleg was verworpen, heeft deze onderneming een nieuw hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas, de verwijzende rechter.
35 Deze laatste is van oordeel dat de praktijk van de Litouwse douanedienst van dien aard is dat een uitlegging van artikel 70 en artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie nodig is om hem in staat te stellen het bedrag van de verschuldigde btw bij invoer te bepalen alsook de datum waarop deze btw-schuld opeisbaar is. Deze gegevens moet hij bepalen teneinde te kunnen beslissen of er een verplichting is tot betaling van vertragingsrente, wat in het hoofdgeding de enige litigieuze kwestie is.
36 In de eerste plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat uit artikel 70 van het douanewetboek van de Unie en artikel 128, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/2447 blijkt dat toepassing van de transactiewaardemethode vereist dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs bekend of bepaalbaar is op het tijdstip van indiening van de douaneaangifte. Hij wijst er in het bijzonder op dat deze methode volgens artikel 70, lid 3, onder b), van dit wetboek niet van toepassing is wanneer de verkoop of de prijs afhankelijk is van enige voorwaarde of prestatie waarvoor geen waarde kan worden vastgesteld met betrekking tot de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Deze rechter neigt in casu tot de opvatting dat de latere aanpassing van de voorlopige prijs een voorwaarde voor de verkoop is waarvan het effect op de definitieve prijs niet bekend noch bepaalbaar is. Hij leidt daaruit af dat die methode niet kon worden toegepast.
37 Bovendien is toepassing van de transactiewaardemethode in omstandigheden als die van het hoofdgeding volgens hem onverenigbaar met het in artikel 15, lid 2, onder a), van het douanewetboek van de Unie gestelde vereiste van juistheid. In een douaneaangifte een prijs vermelden die nadien zal worden gewijzigd, komt er immers op neer dat een willekeurige of fictieve douanewaarde in aanmerking wordt genomen.
38 In de tweede plaats betwijfelt de verwijzende rechter of artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie de verplichting oplegt om met betrekking tot goederen waarvan de waarde overeenkomstig artikel 74 van dit wetboek is bepaald op basis van een voorlopige verkoopfactuur, een aanvraag tot wijziging van de douaneaangifte in te dienen zodra de definitieve prijs van die goederen bekend is.
39 In dat verband wijst hij erop dat het de invoerder volgens artikel 173, lid 2, van het douanewetboek van de Unie niet meer is toegestaan de douaneaangifte te wijzigen nadat de goederen zijn vrijgegeven, behoudens de uitzondering van artikel 173, lid 3, van dit wetboek in verband met een wijziging die kan worden toegestaan zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen.
40 Deze in artikel 173, lid 3, vermelde uitzondering is echter van strikte uitlegging en het valt te betwijfelen of zij van toepassing is in omstandigheden als die van het hoofdgeding. Het feit dat er geen gebruik is gemaakt van een methode voor de vaststelling van de douanewaarde die op het tijdstip van indiening van de douaneaangifte onmogelijk kon worden toegepast, is immers geen vergissing of onjuistheid die moet worden rechtgezet. De verwijzende rechter is in dit verband van oordeel dat uitvoeringsverordening 2015/2447 niet voorziet in de mogelijkheid om de douaneaangifte te wijzigen in een geval waarin de daadwerkelijk voor de betrokken goederen verschuldigde prijs voortvloeit uit wijzigingen die na de indiening van de douaneaangifte aan de verkoopovereenkomst zijn aangebracht. Hij merkt op dat artikel 130, lid 3, van deze uitvoeringsverordening juist verbiedt kortingen die voortvloeien uit wijzigingen van het contract na het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte, in aanmerking te nemen.
41 In die omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 70 van [het douanewetboek van de Unie] aldus worden uitgelegd dat lid 1 van dat artikel niet van toepassing is op een situatie […] waarin op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte en op basis van de verkoop die plaatsvond onmiddellijk voorafgaand aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied [van de Unie], alleen de voorlopig te betalen prijs bekend is, die daarna (dat wil zeggen nadat de aangifte is ingediend en de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht) met het oog op omstandigheden waarover de partijen bij de [verkoop] geen controle hebben en die op het tijdstip van indiening van de aangifte onbekend zijn, naar boven of naar beneden wordt aangepast? 2) Moet artikel 173, lid 3, van [het douanewetboek van de Unie] aldus worden uitgelegd dat de aangever niet verplicht is de douaneautoriteiten te verzoeken om wijziging van de overeenkomstig artikel 74 van dat wetboek vastgestelde en aangegeven douanewaarde, wanneer de werkelijk voor de goederen te betalen prijs, zoals bedoeld in artikel 70, lid 1, van [dat wetboek], die op het tijdstip van indiening van die aangifte niet bekend was en niet bekend kon zijn[…] bekend wordt nadat die goederen in het vrije verkeer zijn gebracht?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
42 Het Hof stelt allereerst vast dat het hoofdgeding niet gaat over het door de het douanekantoor gevorderde bedrag aan aanvullende btw, maar over de vertragingsrente over dat bedrag. Tauritus lijkt alleen deze rente te betwisten. De vragen van de verwijzende rechter gaan echter uitsluitend over de bepaling van de douanewaarde van ingevoerde goederen in omstandigheden als in het hoofdgeding en, bijgevolg, over de rechtmatigheid van een vordering tot betaling van aanvullende btw in die omstandigheden.
43 In dit verband zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dus in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 21 april 1988, Pardini, 338/85, EU:C:1988:194, punt 8, en 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret, C‑652/22, EU:C:2024:910, punt 36).
44 Het Hof kan evenwel geen uitspraak doen op een prejudiciële vraag wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk hypothetisch van aard is of voorts wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C‑36/99, EU:C:2000:405, punt 20, en 4 oktober 2024, Biohemp Concept, C‑793/22, EU:C:2024:837, punt 27).
45 Dat is in casu echter niet het geval. De verwijzende rechter heeft met name voldoende duidelijk aangegeven waarom hij vragen heeft bij de uitlegging van een aantal bepalingen van het Unierecht die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen, en het blijkt niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging geen verband houdt met het hoofdgeding of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is.
46 De omstandigheid dat het hoofdgeding enkel betrekking lijkt te hebben op de vertragingsrente die de douanedienst vordert en het bedrag van de btw op zich niet lijkt te worden betwist, doet aan deze vaststelling niet af.
47 Hoewel krachtens artikel 273 van richtlijn 2006/112 en artikel 325, lid 1, VWEU op de lidstaten de verplichting rust om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die geschikt zijn om te garanderen dat de op hun grondgebied verschuldigde btw volledig wordt geïnd, met inbegrip van de vertragingsrente aangezien de inning daarvan bijdraagt tot het bestrijden van niet-betaling binnen de gestelde termijn van deze belasting (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika, C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 92), blijkt namelijk uit de bewoordingen van dit artikel 273 dat die maatregelen moeten bijdragen tot de juiste inning van de btw.
48 Met zijn vragen over de methode die in omstandigheden als die van het hoofdgeding moet worden toegepast om de maatstaf van heffing te bepalen, beoogt de verwijzende rechter juist om onder meer het bedrag van de daadwerkelijk verschuldigde btw en de datum van opeisbaarheid daarvan vast te stellen, gegevens waarvan, zoals hij toelicht, afhangt of de door Tauritus betwiste vordering tot betaling van vertragingsrente rechtmatig is.
49 De prejudiciële vragen zijn bijgevolg ontvankelijk.
Eerste vraag
50 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 70 van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat de douanewaarde van goederen waarvan op het ogenblik dat zij in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd enkel de in een pro-formafactuur vermelde voorlopige prijs bekend is – waarbij in de verkoopovereenkomst is bedongen dat de definitieve prijs later in een definitieve factuur zal worden vastgelegd op basis van een aantal vooraf bepaalde objectieve factoren waarvan de partijen de waarde, die losstaat van hun wil, niet kennen, zoals de gemiddelde wisselkoers van bepaalde deviezen of de gemiddelde prijs van bepaalde producten in een bepaalde periode –, moet worden bepaald volgens de transactiewaardemethode waarin dit artikel voorziet.
51 Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem beoogt in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet bijgevolg de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en derhalve rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen (arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Voorts blijkt uit de bewoordingen van de artikelen 70 en 74 van het douanewetboek van de Unie dat de transactiewaarde van de goederen de „primaire basis voor de douanewaarde” is, en dat het gebruik van andere berekeningsgrondslagen voor de vaststelling van deze waarde een van de „bijkomende methoden” is, die slechts dienen te worden toegepast „[indien] de douanewaarde van de goederen niet met toepassing van [dat] artikel 70 kan worden vastgesteld”.
53 Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, leggen de artikelen 70 tot en met 74 van het douanewetboek van de Unie uitdrukkelijk een hiërarchie vast tussen de verschillende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde waarin het voorziet, zodat het een invoerder niet vrijstaat om te kiezen welke methode hij toepast.
54 Bijgevolg moet de douanewaarde van de ingevoerde goederen primair volgens de transactiewaardemethode worden bepaald aangezien deze als de meest geschikte geldt (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en moeten de in artikel 74 van het douanewetboek van de Unie vermelde methoden als bijkomende methoden worden beschouwd (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Hamamatsu Photonics Deutschland, C‑529/16, EU:C:2017:984, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat geldt in het bijzonder voor de in artikel 74, lid 3, van dit wetboek vermelde fall-backmethode, die enkel van toepassing is wanneer de douanewaarde niet volgens de transactiewaardemethode noch volgens een van de in lid 2 van dat artikel vermelde bijkomende methoden kan worden vastgesteld.
55 In het onderhavige geval vraagt de verwijzende rechter zich af wat ten aanzien van de methode voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen de mogelijke gevolgen zijn van de omstandigheid dat op het tijdstip van indiening van de douaneaangifte enkel een voorlopige prijs bekend is en de definitieve prijs pas later moet worden vastgesteld, wanneer de waarde is bepaald van verschillende factoren waarvan de partijen bij de verkoop hebben afgesproken dat deze definitieve prijs daarvan zou afhangen.
56 Volgens artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie is de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde ervan, dat wil zeggen de voor deze goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht, in voorkomend geval evenwel na de aanpassingen die overeenkomstig de artikelen 71 en 72 van dit wetboek moeten worden aangebracht. Uit lid 2 van dit artikel 70 blijkt dat deze prijs alle betalingen omvat die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht.
57 Uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat de herziening van de in de pro-formafacturen vermelde voorlopige prijs, zoals in de overeenkomsten in het hoofdgeding is bedongen, ertoe strekte de definitieve prijs van de ingevoerde goederen te bepalen. Er moet dus van worden uitgegaan dat de transactiewaarde van deze goederen die definitieve prijs is. De verwijzende rechter betwijfelt evenwel of die transactiewaarde kan worden gebruikt om de douanewaarde van die goederen te bepalen omdat de definitieve prijs daarvan niet bekend was op de datum waarop die goederen in het douanegebied van de Unie zijn ingevoerd.
58 Wat dit betreft moet worden onderstreept dat artikel 70, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat de transactiewaardemethode slechts kan worden gebruikt indien de verkoop of de prijs niet afhankelijk is van enige voorwaarde of prestatie waarvoor geen waarde kan worden vastgesteld met betrekking tot de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.
59 Blijkens de verwijzingsbeslissing, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, was de definitieve verkoopprijs van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen gelet op de contractuele bedingen betreffende de berekening daarvan echter – zoals de advocaat-generaal in de punten 43 en 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt – vaststelbaar vanaf de ondertekening van de verkoopovereenkomsten voor die goederen.
60 De herziening van de voorlopige prijs van de ingevoerde goederen, zoals in de overeenkomsten in het hoofdgeding was bedongen, hing immers af van objectieve en vooraf bepaalde factoren buiten de wil van de contractspartijen. Bovendien waren de partijen er blijkens het dossier waarover het Hof beschikt schijnbaar toe gehouden tot die herziening over te gaan.
61 Aangezien de definitieve prijs van de goederen bepaalbaar lijkt te zijn geweest op de datum waarop die goederen in het douanegebied van de Unie zijn ingevoerd, volstaat het loutere feit dat die prijs op dat tijdstip niet was bepaald niet om uit te sluiten dat de douanewaarde van die goederen werd bepaald op basis van de transactiewaarde ervan. Uit de bewoordingen van artikel 70 van het douanewetboek van de Unie blijkt immers dat die transactiewaarde behalve de „werkelijk [voor de betrokken goederen] betaalde […] prijs” ook de voor de goederen „te betalen prijs” kan zijn.
62 Overigens volgt uit het arrest van 19 november 2020, 5th AVENUE Products Trading (C‑775/19, EU:C:2020:948, punten 8, 9, 43 en 47), dat een bedrag ten belope van een percentage van de jaaromzet die de invoerder van de goederen op een bepaald grondgebied heeft behaald, welk bedrag hij, bovenop de oorspronkelijk gefactureerde prijs, aan de verkoper verschuldigd is als tegenprestatie voor de toekenning van een exclusief distributierecht, in de douanewaarde van die goederen moet worden opgenomen, ook al wordt dat bedrag pas achteraf vastgesteld.
63 Voorts moet worden opgemerkt dat de artikelen 166 en 167 van het douanewetboek van de Unie voorzien in een vereenvoudigde douaneaangifteprocedure die de mogelijkheid biedt om rekening te houden met contractuele herzieningen van de transactiewaarde van de goederen die, zoals de herziening waarin de overeenkomsten in het hoofdgeding voorzien, plaatsvinden na de aanvaarding van de douaneaangifte betreffende die goederen.
64 Volgens artikel 166, lid 1, van dit wetboek kunnen de douaneautoriteiten namelijk aanvaarden dat goederen onder een douaneregeling worden geplaatst op basis van een vereenvoudigde aangifte, waaruit een deel van de gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven of de daarvoor vereiste bewijsstukken kunnen worden weggelaten. Artikel 167 van dat wetboek bepaalt dat de aangever binnen een specifieke termijn een aanvullende aangifte met de voor de betrokken douaneregeling vereiste gegevens moet indienen en de nodige bewijsstukken ter beschikking van de douaneautoriteiten moet stellen.
65 In het kader van die procedure kan een vereenvoudigde aangifte worden ingediend die een douanewaarde vermeldt die overeenkomt met de op de pro-formafactuur vermelde voorlopige prijs, en vervolgens een aanvullende aangifte die een douanewaarde vermeldt die overeenkomt met de op de definitieve factuur vermelde definitieve prijs.
66 Zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 65 tot en met 67 van zijn conclusie in wezen heeft onderstreept, biedt de vereenvoudigde douaneaangifteprocedure waarin de artikelen 166 en 167 van het douanewetboek van de Unie voorzien in omstandigheden zoals in het hoofdgeding de mogelijkheid om ten eerste een douanewaarde aan te geven die overeenkomstig de primaire transactiewaardemethode de werkelijke economische waarde van de ingevoerde goederen weergeeft, dat wil zeggen de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de aankoop ervan, en ten tweede te voldoen aan het in artikel 15, lid 2, onder a), van dit wetboek gestelde vereiste van juistheid en volledigheid, met name door de douaneautoriteiten meteen te laten weten dat de ingevoerde goederen voorlopig worden aangegeven voor een waarde die overeenkomt met hun transactiewaarde.
67 Hieraan moet worden toegevoegd dat de vereenvoudiging van de vaststelling van de douanewaarde waarin artikel 73 van het douanewetboek van de Unie voorziet niet van toepassing lijkt te zijn in omstandigheden als in het hoofdgeding, wat evenwel aan de verwijzende rechter staat om vast te stellen.
68 Het is juist dat de douaneautoriteiten krachtens dit artikel kunnen toestaan dat de bedragen die overeenkomstig artikel 70, lid 2, van dit wetboek in de douanewaarde moeten worden begrepen, bepaald worden op basis van specifieke criteria wanneer die bedragen niet meetbaar zijn op de datum waarop de douaneaangifte is aanvaard.
69 Volgens artikel 71, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/2446 kan die toestemming echter slechts worden verleend als aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk ten eerste dat toepassing van de vereenvoudigde douaneaangifteprocedure waarin de artikelen 166 en 167 van het douanewetboek van de Unie voorzien onevenredige administratieve kosten met zich meebrengt, en ten tweede dat de op basis van die specifieke criteria vastgestelde douanewaarde niet sterk zal afwijken van de waarde die zou worden vastgesteld indien die toestemming niet was verleend.
70 Los van het feit dat voor het gebruik van die vereenvoudigde procedure voorafgaande toestemming vereist is, die naar de omstandigheden van het hoofdgeding te oordelen in casu niet is aangevraagd, blijkt echter uit niets dat toepassing van de vereenvoudigde douaneaangifteprocedure voor de invoerder in het hoofdgeding onevenredige administratieve kosten met zich zou hebben meegebracht.
71 Uit het voorgaande volgt dan ook dat de waarde van de ingevoerde goederen in dergelijke omstandigheden moet worden bepaald volgens de transactiewaardemethode, gebruikmakend van de vereenvoudigde douaneaangifteprocedure waarin de artikelen 166 en 167 van het douanewetboek van de Unie voorzien.
72 Het arrest van 20 december 2017, Hamamatsu Photonics Deutschland (C‑529/16, EU:C:2017:984), doet aan deze conclusie niet af. Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft aangegeven, kunnen de overwegingen op grond waarvan het Hof tot dat arrest is gekomen namelijk niet naar de omstandigheden van het hoofdgeding worden geëxtrapoleerd.
73 In dat verband moet om te beginnen worden vastgesteld dat de zaak die tot dat arrest heeft geleid betrekking had op de bijstelling van de tussen ondernemingen van eenzelfde groep overeengekomen verrekenprijzen naargelang van een restwinsttoerekening achteraf aan de verschillende entiteiten van die groep op basis van door de moedermaatschappij vastgelegde criteria.
74 De werkelijke economische waarde van een goed, die de douanewaarde moet weergeven (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak), kan in beginsel echter niet voortvloeien uit een winstverdeling achteraf tussen de partijen bij een verkoop op basis van een beslissing van een van die partijen.
75 Daarnaast is de juridische context van het arrest van 20 december 2017, Hamamatsu Photonics Deutschland (C‑529/16, EU:C:2017:984), anders dan die van het hoofdgeding aangezien het daarin specifiek gaat over de toepassing van een bepaling, namelijk artikel 78, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), die betrekking heeft op een procedure tot herziening van de douaneaangifte die in het douanewetboek van de Unie niet meer is opgenomen.
76 Ten slotte moet worden opgemerkt dat het door de verwijzende rechter vermelde feit dat de aangever zonder frauduleuze bedoelingen heeft gehandeld, niet relevant is. Artikel 15 van het douanewetboek van de Unie verplicht eenieder die bij het vervullen van douaneformaliteiten betrokken is immers om juiste en volledige inlichtingen te verstrekken in de douaneaangifte, waarbij de niet-nakoming van deze verplichting een „niet naleven van de douanewetgeving” in de zin van artikel 42, lid 1, van dit wetboek vormt. Dit begrip betreft namelijk niet alleen frauduleuze activiteiten, maar omvat elke niet-nakoming van de Unierechtelijke douanewetgeving, ongeacht of deze opzettelijk of uit nalatigheid is begaan dan wel of er al dan niet sprake is van enig onrechtmatig gedrag van de betrokken marktdeelnemer (zie in die zin arrest van 23 november 2023, J. P. Mali, C‑653/22, EU:C:2023:912, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 70 van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat de douanewaarde van goederen waarvan op het ogenblik dat zij in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd enkel de in een pro-formafactuur vermelde voorlopige prijs bekend is – waarbij in de verkoopovereenkomst is bedongen dat de definitieve prijs later in een definitieve factuur zal worden vastgelegd op basis van een aantal vooraf bepaalde objectieve factoren waarvan de partijen de waarde, die losstaat van hun wil, niet kennen, zoals de gemiddelde wisselkoers van bepaalde deviezen of de gemiddelde prijs van bepaalde producten in een bepaalde periode –, moet worden bepaald volgens de transactiewaardemethode waarin dit artikel voorziet, waarbij in beginsel moet worden gebruikgemaakt van de in de artikelen 166 en 167 van dit wetboek bedoelde vereenvoudigde douaneaangifteprocedure.
Tweede vraag
78 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 173, lid 3, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat de aangever, wanneer de aangegeven douanewaarde van goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een verkoopovereenkomst als die in het hoofdgeding krachtens artikel 74, lid 3, van dit wetboek is gebaseerd op in een aanvankelijke factuur vermelde voorlopige prijzen, toestemming moet vragen om de douaneaangifte te wijzigen zodra de definitieve prijs van die goederen bekend is.
79 Aangezien uit het antwoord op de eerste vraag volgt dat de douanewaarde van de goederen in omstandigheden als in het hoofdgeding moet worden aangegeven overeenkomstig artikel 70 van het douanewetboek van de Unie, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
80 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 70, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
de douanewaarde van goederen waarvan op het ogenblik dat zij in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd enkel de in een pro-formafactuur vermelde voorlopige prijs bekend is – waarbij in de verkoopovereenkomst is bedongen dat de definitieve prijs later in een definitieve factuur zal worden vastgelegd op basis van een aantal vooraf bepaalde objectieve factoren waarvan de partijen de waarde, die losstaat van hun wil, niet kennen, zoals de gemiddelde wisselkoers van bepaalde deviezen of de gemiddelde prijs van bepaalde producten in een bepaalde periode –, moet worden bepaald volgens de transactiewaardemethode waarin dit artikel voorziet, waarbij in beginsel moet worden gebruikgemaakt van de in de artikelen 166 en 167 van die verordening bedoelde vereenvoudigde douaneaangifteprocedure.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Litouws.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 oktober 2024, C-652/22, ECLI:EU:C:2024:910
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-793/22, ECLI:EU:C:2024:837
- HvJ EU 23 november 2023, C-653/22, ECLI:EU:C:2023:912
- HvJ EU 13 oktober 2022, C-1/21, ECLI:EU:C:2022:788
- HvJ EU 9 juni 2022, C-599/20, ECLI:EU:C:2022:457
- HvJ EU 19 november 2020, C-775/19, ECLI:EU:C:2020:948
- HvJ EU 20 december 2017, C-529/16, ECLI:EU:C:2017:984
- HvJ EU 13 juli 2000, C-36/99, ECLI:EU:C:2000:405