HvJ EU 4 juni 2026, C-820/24, ECLI:EU:C:2026:452

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

4 juni 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten – Beginselen van gelijke behandeling en transparantie – Richtlijn 2014/24/EU – Artikel 72 – Wijziging van opdrachten gedurende de looptijd – Begrip ‚opdrachten gedurende de looptijd’ – Oplevering van de uitgevoerde werkzaamheden – Uitreiking van de eindfactuur – Geen betaling door de aanbestedende dienst ”

In zaak C‑820/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) bij beslissing van 25 november 2024, ingekomen bij het Hof op 28 november 2024, in de procedure

Strominator Elektro GmbH

tegen

Bundesimmobiliengesellschaft mbH,

in tegenwoordigheid van:

Fiegl & Spielberger GmbH,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias (rapporteur) en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: F. Cathagne, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 oktober 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Bundesimmobiliengesellschaft mbH, vertegenwoordigd door A. M. Juen en C. Weingrill,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll, M. Fruhmann en M. Kopetzki als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en O. Duprat-Mazaré als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan en G. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 december 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 72 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65, met rectificaties in PB 2015, L 184, blz. 31, en PB 2021, L 410, blz. 200), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2021/1952 van de Commissie van 10 november 2021 (PB 2021, L 395, blz. 23; hierna: „richtlijn 2014/24”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Strominator Elektro GmbH (hierna: „Strominator”) en Bundesimmobiliengesellschaft mbH (hierna: „BIG”) over een aan Fiegl & Spielberger GmbH (hierna: „Fiegl”) gegunde overheidsopdracht.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2014/24

3 Overweging 107 van richtlijn 2014/24 luidt als volgt:

„Rekening houdend met de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet duidelijkheid worden verschaft over de vraag onder welke voorwaarden wijzigingen van een opdracht tijdens de uitvoering ervan een nieuwe aanbestedingsprocedure vereisen. Een nieuwe aanbestedingsprocedure is vereist in geval van materiële wijzigingen van de aanvankelijke opdracht, in het bijzonder van de reikwijdte en de inhoud van de wederzijdse rechten en verplichtingen, waaronder de verdeling van intellectuele-eigendomsrechten. Deze wijzigingen tonen aan dat de partijen de intentie hebben opnieuw te onderhandelen over de wezenlijke voorwaarden van de opdracht. Dat doet zich met name voor indien de gewijzigde voorwaarden, hadden zij deel uitgemaakt van de aanvankelijke procedure, invloed zouden hebben gehad op het resultaat van de procedure.

[...]”

4 Artikel 2 van deze richtlijn, met het opschrift „Definities”, bepaalt in lid 1:

„Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

[...]

5. ‚overheidsopdrachten’: schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel die tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten zijn gesloten en betrekking hebben op de uitvoering van werken, de levering van producten of de verlening van diensten;

6. ‚overheidsopdrachten voor werken’: overheidsopdrachten die betrekking hebben op een van de volgende:

a) de uitvoering, of het ontwerp en de uitvoering, van werken die betrekking hebben op een van de in bijlage II bedoelde activiteiten;

b) de uitvoering, of het ontwerp en de uitvoering, van een werk;

c) het laten uitvoeren met welke middelen dan ook van een werk dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende dienst die een beslissende invloed uitoefent op het soort werk en het ontwerp van het werk;

[...]”

5 Artikel 4 van die richtlijn draagt het opschrift „Drempelbedragen” en bepaalt het volgende:

„Deze richtlijn is van toepassing op opdrachten waarvan de geraamde waarde exclusief belasting over de toegevoegde waarde (btw) gelijk is aan of groter dan de volgende drempelbedragen:

a) 5 382 000 EUR voor overheidsopdrachten voor werken;

[...]”

6 Artikel 58 van die richtlijn heeft als opschrift „Selectiecriteria” en bepaalt in lid 4, eerste alinea:

„Met betrekking tot de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kunnen aanbestedende diensten eisen opleggen opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passende kwaliteitsnorm uit te voeren.”

7 Artikel 67 van richtlijn 2014/24, met als opschrift „Gunningcriteria”, bepaalt in lid 3 het volgende:

„Gunningscriteria worden geacht verband te houden met het voorwerp van de overheidsopdracht wanneer zij betrekking hebben op de in het kader van die opdracht te verrichten werken, leveringen of diensten, in alle opzichten en in elk stadium van hun levenscyclus”.

8 Artikel 70 van deze richtlijn heeft als opschrift „Voorwaarden waaronder de opdracht wordt uitgevoerd” en luidt:

„Aanbestedende diensten kunnen speciale voorwaarden verbinden aan de uitvoering van een opdracht, mits zij verband houden met het voorwerp van de opdracht in de zin van artikel 67, lid 3, en vermeld zijn in de oproep tot mededinging of in de aanbestedingsstukken. [...]”

9 Artikel 72 van die richtlijn, met als opschrift „Wijziging van opdrachten gedurende de looptijd”, bepaalt:

„1. Opdrachten en raamovereenkomsten kunnen in overeenstemming met deze richtlijn zonder nieuwe aanbestedingsprocedure worden gewijzigd in de volgende gevallen:

a) wanneer de wijzigingen, ongeacht de geldelijke waarde ervan, in de oorspronkelijke aanbestedingsstukken zijn aangebracht in duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige herzieningsclausules, waaronder eventueel prijsherzieningsclausules of opties. Deze clausules omschrijven de omvang en de aard van mogelijke wijzigingen of opties alsmede de voorwaarden waaronder deze kunnen worden gebruikt. Zij voorzien niet in wijzigingen of opties die de algemene aard van de opdracht of raamovereenkomst kunnen veranderen;

b) voor door de oorspronkelijke aannemer te verrichten aanvullende werken, diensten of leveringen die noodzakelijk zijn geworden en die niet in de oorspronkelijke aanbesteding waren opgenomen, indien een verandering van aannemer:

i) niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn verworven, en

ii) tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke kostenstijgingen zou leiden voor de aanbestedende dienst.

Prijsverhogingen mogen evenwel niet hoger zijn dan 50 % van de waarde van de oorspronkelijke opdracht. Indien er verscheidene opeenvolgende wijzigingen worden doorgevoerd, geldt deze beperking voor de waarde van elke wijziging. Dergelijke opeenvolgende wijzigingen mogen niet worden gebruikt om deze richtlijn te omzeilen;

c) indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

i) de behoefte aan wijziging is het gevolg van omstandigheden die een zorgvuldige aanbestedende dienst niet kon voorzien;

ii) de wijziging brengt geen verandering in de algemene aard van de opdracht;

iii) de prijsverhogingen zijn niet hoger dan 50 % van de waarde van de oorspronkelijke opdracht of raamovereenkomst. Indien er verscheidene opeenvolgende wijzigingen worden doorgevoerd, geldt deze beperking voor de waarde van elke wijziging. Dergelijke opeenvolgende wijzigingen mogen niet worden gebruikt om deze richtlijn te omzeilen;

d) wanneer een nieuwe aannemer de aannemer aan wie de aanbestedende dienst de opdracht aanvankelijk had gegund, vervangt ten gevolge van:

i) een ondubbelzinnige herzieningsclausule of optie overeenkomstig punt a);

ii) rechtsopvolging onder algemene of gedeeltelijke titel in de positie van de aanvankelijke aannemer, ten gevolge van herstructurering van de onderneming, onder meer door overname, fusie, acquisitie of insolventie, door een andere ondernemer die voldoet aan de aanvankelijk vastgestelde criteria voor kwalitatieve selectie, mits dit geen andere wezenlijke wijzigingen in de opdracht meebrengt en niet is bedoeld om de toepassing van deze richtlijn te omzeilen, of

iii) het feit dat de aanbestedende dienst zelf de verplichtingen van de hoofdaannemer ten aanzien van zijn onderaannemers opneemt, indien overeenkomstig artikel 71 in nationale wetgeving in deze mogelijkheid is voorzien;

e) indien de wijzigingen, ongeacht de waarde ervan, niet wezenlijk zijn in de zin van lid 4.

[...]

2. Voorts, en zonder dat onderzocht moet worden of de in lid 4, onder a) tot en met d), genoemde voorwaarden vervuld zijn, kunnen opdrachten ook zonder een nieuwe aanbestedingsprocedure in overeenstemming met deze richtlijn worden gewijzigd indien het bedrag waarmee de wijziging gepaard gaat lager is dan elk van de volgende bedragen:

i) de in artikel 4 genoemde drempels, en

ii) 10 % van de waarde van de aanvankelijke opdracht voor leveringen en diensten en minder dan 15 % van de waarde van de aanvankelijke opdracht voor werken.

De wijziging mag de algemene aard van de opdracht of raamovereenkomst evenwel niet veranderen. Wanneer een aantal opeenvolgende wijzigingen plaatsvinden, wordt de waarde beoordeeld op basis van de netto-cumulatieve waarde van de opeenvolgende wijzigingen.

3. Voor de berekening van de in lid 2 en lid 1, onder b) en c), vermelde prijs wordt – voor zover de opdracht in een indexeringsclausule voorziet – de geactualiseerde prijs als referentiewaarde gehanteerd.

4. Een wijziging van een opdracht of een raamovereenkomst tijdens de looptijd wordt als wezenlijk beschouwd in de zin van lid 1, onder e), wanneer de opdracht of raamovereenkomst hierdoor materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht of raamovereenkomst. Onverminderd de leden 1 en 2 wordt een wijziging geacht wezenlijk te zijn wanneer aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de aanvankelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt, de toelating van andere dan de aanvankelijk geselecteerde gegadigden en de gunning van de opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zouden hebben gemaakt dan wel bijkomende deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken;

b) de wijziging verandert het economische evenwicht van de opdracht of de raamovereenkomst ten gunste van de opdrachtnemer op een wijze die niet is voorzien in de oorspronkelijke opdracht of raamovereenkomst;

c) de wijziging leidt tot een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de opdracht of raamovereenkomst;

d) een nieuwe aannemer in de plaats is gekomen van de aannemer aan wie de aanbestedende dienst de opdracht aanvankelijk had gegund in andere dan de in lid 1, onder d), genoemde gevallen.

5. Voor andere wijzigingen dan de in de leden 1 en 2 genoemde wijzigingen die tijdens de looptijd van een overheidsopdracht of een raamovereenkomst dienen te worden aangebracht, is een nieuwe aanbestedingsprocedure overeenkomstig deze richtlijn nodig.”

Richtlijn 2011/7

10 In artikel 2, punten 1 en 2, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1) worden voor de toepassing van deze richtlijn de begrippen „handelstransacties” en „overheidsinstantie” gedefinieerd.

11 In artikel 4 van deze richtlijn is bepaald:

„1. De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeisers bij handelstransacties waarbij de schuldenaar een overheidsinstantie is, na afloop van de in de leden 3, 4 of 6 vastgestelde termijn zonder aanmaning aanspraak kunnen maken op wettelijke interest voor betalingsachterstand, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de schuldeiser heeft zijn contractuele en wettelijke verplichtingen vervuld, alsmede

b) de schuldeiser heeft het verschuldigde bedrag niet op tijd ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging.

[...]

3. Bij handelstransacties waarbij de schuldenaar een overheidsinstantie is, zorgen de lidstaten ervoor dat:

a) de betalingstermijn niet langer is dan een van de volgende termijnen:

i) 30 kalenderdagen na de datum van ontvangst door de schuldenaar van de factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling;

[...]

iv) indien de wet of de overeenkomst voorziet in een procedure voor aanvaarding of verificatie, waarbij de conformiteit van de goederen of de diensten met de overeenkomst moet worden vastgesteld, en indien de schuldenaar de factuur of het gelijkwaardige verzoek tot betaling ontvangt vóór of op de datum waarop de aanvaarding of verificatie plaatsvindt, 30 kalenderdagen na die datum;

[...]”

Oostenrijks recht

12 § 365 van het Bundesvergabegesetz 2018 (federale wet inzake het plaatsen van overheidsopdrachten) van 20 augustus 2018 (BGBl. I, 65/2018; hierna: „BVergG 2018”), met als opschrift „Wijziging van opdrachten gedurende de looptijd”, bepaalt:

„(1) Wezenlijke wijzigingen van opdrachten en raamovereenkomsten gedurende de looptijd ervan zijn alleen toegestaan na het opnieuw uitvoeren van een aanbestedingsprocedure. Een wijziging van een opdracht of een raamovereenkomst is wezenlijk wanneer de opdracht of raamovereenkomst hierdoor materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht of raamovereenkomst.

(2) Onverminderd lid 3 wordt een wijziging geacht wezenlijk te zijn wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

1. de wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de aanvankelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt,

a) de toelating van andere dan de aanvankelijk geselecteerde gegadigden of

b) gunning van de opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zouden hebben gemaakt of

c) bijkomende deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken, of

2. de wijziging verandert het economische evenwicht van de overeenkomst of de raamovereenkomst ten gunste van de opdrachtnemer op een wijze waarin niet was voorzien in de oorspronkelijke opdracht of raamovereenkomst;

3. de wijziging leidt tot een aanzienlijke verruiming van de werkingssfeer van de overeenkomst of raamovereenkomst, [...]

[...]

(3) De volgende wijzigingen van overeenkomsten en raamovereenkomsten worden als niet-wezenlijk beschouwd:

1. Wijzigingen van het bedrag van de opdracht, voor zover het bedrag van de wijziging lager is dan de volgende waarden:

a) de relevante in artikel 12, lid 1, respectievelijk artikel 185, lid 1, genoemde drempelwaarden, en

b) 10 % van de waarde van de aanvankelijke opdracht voor leveringen en diensten en minder dan 15 % van de waarde van de aanvankelijke opdracht voor werken. De wijziging mag de algemene aard van de overeenkomst of raamovereenkomst niet veranderen. Wanneer er meerdere opeenvolgende wijzigingen plaatsvinden, wordt de waarde beoordeeld op basis van de cumulatieve nettowaarde van de opeenvolgende wijzigingen.

2. Wijzigingen, ongeacht de waarde ervan, die in de oorspronkelijke aanbestedingsstukken zijn opgenomen in duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige herzieningsbepalingen. Deze clausules moeten de omvang en de aard van mogelijke wijzigingen of opties omschrijven, alsmede de voorwaarden waaronder deze kunnen worden toegepast. Zij mogen niet voorzien in wijzigingen of opties die de algemene aard van de overeenkomst of raamovereenkomst kunnen veranderen.

[...]

4. Wijzigingen die niet wezenlijk zijn in de zin van de leden 1 en 2, ongeacht de waarde ervan.

5. Door de oorspronkelijke aannemer te verrichten aanvullende werkzaamheden die noodzakelijk zijn geworden en die niet in de oorspronkelijke aanbesteding waren opgenomen, indien een verandering van aannemer:

a) niet mogelijk is om economische of technische redenen en

b) tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke kostenstijgingen zou leiden voor de aanbestedende dienst.

6. Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de behoefte aan wijziging is het gevolg van omstandigheden die een zorgvuldige aanbestedende dienst niet kon voorzien, en

b) de wijziging brengt geen verandering in de algemene aard van de opdracht.

Indien het gaat om overeenkomsten en raamovereenkomsten die zijn gesloten na een procedure overeenkomstig de bepalingen van deel II van deze federale wet, mag in de in de punten 5 of 6 bedoelde gevallen de totale waarde van de aanvullende prestaties niet hoger zijn dan 50 % van de oorspronkelijke waarde van de opdracht. Indien er verscheidene opeenvolgende wijzigingen worden doorgevoerd, geldt deze beperking voor de waarde van elke wijziging. Dergelijke opeenvolgende wijzigingen mogen niet worden gebruikt om deze federale wet te omzeilen;

[...]

(5) Indien de overeenkomst een indexeringsclausule bevat, wordt voor de berekening van het in lid 3, punten 1, 5 en 6, vermelde bedrag van de opdracht of van de waarde ervan het geactualiseerde bedrag of de geactualiseerde waarde als referentiewaarde gehanteerd. Indien de overeenkomst geen indexeringsclausule bevat, wordt voor de berekening van het geactualiseerde bedrag of de geactualiseerde waarde van de opdracht het gemiddelde inflatiepercentage in Oostenrijk als referentiewaarde gehanteerd.

13 In § 382 BVergG 2018 is bepaald׃

„Bij deze federale wet worden de volgende rechtshandelingen van de [Europese] Unie omgezet, respectievelijk in acht genomen:

[...]

16. Richtlijn [2014/24] [...].

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14 In de stad Salzburg (Oostenrijk) bevindt zich een schoolcampus waarop een gebouw staat dat bestaat uit twee met elkaar verbonden delen (hierna: „gebouw”). Op deze campus zijn meerdere onderwijsinstellingen gevestigd, waaronder Handelsakademie I (handelsschool I) en Handelsakademie II (handelsschool II). Deze zijn ondergebracht in verschillende delen van het gebouw, waarnaar in de verwijzingsbeslissing wordt verwezen als deel I en deel II van het gebouw.

15 In het kader van verschillende renovatiemaatregelen op die campus heeft BIG, een aanbestedende dienst in de zin van het BVergG 2018, een openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor de uitvoering van elektrotechnische installatiewerkzaamheden in hoofdzakelijk deel II van het gebouw. Na afloop van deze procedure werd op 3 augustus 2022 een opdracht voor elektrotechnische installatiewerkzaamheden met een geraamde waarde van 675 107,03 EUR voor deel II van het gebouw (hierna: „oorspronkelijke opdracht”) gegund aan Fiegl. Er was overeengekomen dat de toevertrouwde werkzaamheden tussen 3 augustus 2022 en 31 augustus 2023 zouden worden uitgevoerd.

16 Op 11 juli 2022 (minder dan een maand voor het gunnen van de opdracht) was er echter brand ontstaan in deel I van het gebouw, hetgeen aanzienlijke schade heeft veroorzaakt. Vanwege de schade als gevolg van de brand bleek het in het schooljaar 2022/2023 noodzakelijk om de schoolcampus ruimtelijk en functioneel anders in te delen. Als gevolg van deze herindeling werden de aan Fiegl toevertrouwde werkzaamheden niet uitgevoerd zoals in de oorspronkelijke opdracht was voorzien.

17 Met name werden er weliswaar conform de oorspronkelijke opdracht elektrotechnische installatiewerkzaamheden uitgevoerd op de tweede en de derde verdieping van deel II van het gebouw, maar werden er geen elektrotechnische installatiewerkzaamheden uitgevoerd op de kelderverdieping, op de begane grond, op de eerste verdieping en in de verbindingsvleugel tussen deel I en deel II van het gebouw. In mei 2023 zag BIG af van deze werkzaamheden, waardoor de omvang van de opdracht met ongeveer twee derde van de waarde ervan werd verminderd.

18 Nadat die werkzaamheden waren geannuleerd, heeft Fiegl verzocht om vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van de vermindering van de omvang van de opdracht. BIG heeft geen gevolg gegeven aan dat verzoek.

19 Na de tijdige voltooiing van de niet-geannuleerde werkzaamheden in deel II van het gebouw hebben BIG en Fiegl op 7 september 2023 overlegd en zijn zij overeengekomen dat Fiegl zou afzien van haar vordering tot schadevergoeding. In plaats daarvan zou in 2024 in deel I van het gebouw een deel van de niet-uitgevoerde, geannuleerde werkzaamheden worden uitgevoerd.

20 Bijgevolg heeft Fiegl op 13 december 2023 een offerte uitgebracht voor de in deel I van het gebouw uit te voeren werkzaamheden.

21 Op 15 december 2023 heeft Fiegl de eindfactuur uitgereikt voor de in het kader van de oorspronkelijke opdracht uitgevoerde, niet-geannuleerde werken, namelijk de werken die zijn uitgevoerd op de tweede en de derde verdieping van deel II van het gebouw.

22 Naar aanleiding van de in punt 20 van dit arrest genoemde offerte heeft BIG op 22 december 2023 aan Fiegl een opdracht gegund voor twee prestaties, respectievelijk aangeduid als „renovatie van de verlichting” en „verlichting” in deel I van het gebouw, met een uitvoeringstermijn van 15 januari 2024 tot en met 30 september 2024 (hierna: „nieuwe opdracht”). De waarde van deze opdracht bedroeg 264 355,80 EUR.

23 Verder heeft BIG met het oog op het herstel van de door de brand van 11 juli 2022 in deel I van het gebouw veroorzaakte schade een openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor de uitvoering van elektrotechnische installatiewerkzaamheden. Na afloop van deze aanbestedingsprocedure is de opdracht, waarvan het voorwerp verschilt van dat van de nieuwe opdracht, op 6 december 2023 aan Strominator gegund.

24 Op 9 juli 2024 heeft Strominator het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk), de verwijzende rechter, verzocht om een verklaring voor recht dat het plaatsen van de nieuwe opdracht zonder bekendmaking van een aanbestedingsprocedure, met als doel om de in punt 22 van dit arrest genoemde werkzaamheden aan Fiegl toe te vertrouwen, onrechtmatig was wegens schending van de Oostenrijkse regelgeving of het Unierecht. Deze onrechtmatigheid heeft met name afbreuk gedaan aan het recht van Strominator om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure voor deze werkzaamheden.

25 BIG heeft als verweer in essentie aangevoerd dat de gunning van de nieuwe opdracht aan Fiegl een rechtmatige wijziging van de oorspronkelijke opdracht vormde.

26 In het kader van het bij hem aanhangige geding stelt de verwijzende rechter vast dat de nieuwe opdracht werd gegund op een moment waarop de in het kader van de oorspronkelijke opdracht overeengekomen uitvoeringstermijn reeds was verstreken, en de op grond van die opdracht overeengekomen, niet-geannuleerde prestaties waren verricht, en de eindfactuur was uitgereikt maar nog niet door BIG was betaald.

27 De verwijzende rechter verduidelijkt dat het BVergG 2018 van toepassing is op elke plaatsing van een overheidsopdracht, ongeacht de waarde van de opdracht, ook indien deze op één cent wordt geraamd. Zo is § 365 BVergG 2018, waarbij artikel 72 van richtlijn 2014/24 in Oostenrijks recht is omgezet, van toepassing op de wijziging van elke lopende overheidsopdracht, ongeacht of de geraamde waarde van de betrokken opdracht de in artikel 4 van die richtlijn vastgestelde drempels overschrijdt.

28 Tegen deze achtergrond merkt die rechter op dat richtlijn 2014/24 niet specificeert op welk moment de „looptijd” van een opdracht in de zin van artikel 72 van die richtlijn eindigt, en dus evenmin tot wanneer een dergelijke opdracht overeenkomstig deze bepaling zonder nieuwe aanbestedingsprocedure kan worden gewijzigd.

29 Om te bepalen of een nieuwe opdracht de oorspronkelijke opdracht rechtmatig kan wijzigen in de zin van artikel 72 van richtlijn 2014/24, zonder dat er een aanbestedingsprocedure hoeft te worden doorlopen, is het noodzakelijk om de periode vast te stellen die moet worden beschouwd als de „looptijd” van een overheidsopdracht in de zin van artikel 72, lid 5, van deze richtlijn.

30 Indien, in de eerste plaats, zou worden aangenomen dat de nieuwe opdracht aan Fiegl is gegund „gedurende de looptijd” van de oorspronkelijke opdracht in de zin artikel 72 van richtlijn 2014/24, rijst in de tweede plaats de vraag of een gebeurtenis zoals een brand kan worden aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldige aanbestedende dienst niet kon voorzien in de zin van artikel 72, lid 1, onder c), i). Zo ja, moet in de derde plaats worden onderzocht onder welke voorwaarden een wijziging van een overheidsopdracht als gevolg van onvoorziene omstandigheden als „noodzakelijk” moet worden beschouwd.

31 In die omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Moet artikel 72, lid 5, van richtlijn [2014/24] aldus worden uitgelegd dat een wijziging van een overheidsopdracht na het verstrijken van de overeengekomen uitvoeringstermijn, en na de uitvoering van niet-geannuleerde prestaties alsmede het indienen van de eindafrekening door de opdrachtnemer, maar vóór de betaling van de beloning door de aanbestedende dienst, moet worden gekwalificeerd als wijziging van een overheidsopdracht ‚tijdens de looptijd’?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2) Moet artikel 72, lid 1, onder c), i), van richtlijn [2014/24] aldus worden uitgelegd dat omstandigheden die een zorgvuldige aanbestedende dienst ‚niet kon voorzien’ ook externe omstandigheden omvatten die zich weliswaar vóór het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan maar waarvan de gevolgen voor de overheidsopdracht pas na het sluiten van de overeenkomst aan het licht komen?

Indien naast de eerste ook de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

3) Moet artikel 72, lid 1, onder c), i), juncto deze bepaling onder ii), van richtlijn [2014/24] aldus worden uitgelegd dat ook kan worden gesproken van een ‚behoefte aan wijziging’ van een overheidsopdracht op grond van omstandigheden die een zorgvuldige aanbestedende dienst niet kon voorzien, indien de wijziging weliswaar ‚wenselijk’ maar niet ‚absoluut noodzakelijk’ is, zolang deze wijziging niet de algemene aard van de opdracht verandert?”

Bevoegdheid van het Hof

32 Volgens vaste rechtspraak dient het Hof, ter toetsing van zijn bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is aangezocht (arrest van 4 september 2025, AW „T”, C‑225/22, EU:C:2025:649, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de waarde van de nieuwe opdracht onder de drempelwaarde voor toepasselijkheid van richtlijn 2014/24 ligt, die in artikel 4, onder a), voor overheidsopdrachten voor werken is vastgesteld op 5 382 000 EUR.

34 Zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven, blijkt uit vaste rechtspraak evenwel dat wanneer een nationale regeling zich voor oplossingen voor situaties waarop een handeling van de Unie niet van toepassing is, rechtstreeks en onvoorwaardelijk conformeert aan de in deze handeling gekozen oplossingen, de Unie er stellig belang bij heeft dat de overgenomen bepalingen van die handeling op eenvormige wijze worden uitgelegd. Daardoor kunnen immers uiteenlopende uitleggingen in de toekomst worden vermeden en kunnen deze situaties op dezelfde wijze worden behandeld als situaties die wel binnen de werkingssfeer van deze bepalingen vallen (zie arresten van 18 oktober 1990, Dzodzi, C‑297/88 en C‑197/89, EU:C:1990:360, punten 36 en 37, en 24 oktober 2024, Obshtina Pleven, C‑513/23, EU:C:2024:917, punt 27).

35 Zoals de verwijzende rechter opmerkt, is in casu § 365 BVergG 2018, waarbij artikel 72 van richtlijn 2014/24 – waarover deze rechter vragen heeft gesteld – in nationaal recht is omgezet, van toepassing op elke overheidsopdracht, ongeacht de waarde ervan.

36 In die omstandigheden staat de waarde van de nieuwe opdracht er niet aan in de weg dat het Hof de prejudiciële vragen beantwoordt.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

37 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Met het oog hierop staat het aan het Hof om de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren (zie arresten van 17 juli 1997, Krüger, C‑334/95, EU:C:1997:378, punten 22 en 23, en 18 december 2025, Lukoil Bulgaria en Lukoil Neftohim Burgas, C‑245/24, EU:C:2025:987, punt 26).

38 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van artikel 72, lid 5, van richtlijn 2014/24 teneinde vast te stellen of de „looptijd” van een overheidsopdracht voortduurt nadat de in deze opdracht gestelde uitvoeringstermijn voor de werkzaamheden is verstreken, de prestatie volledig door de aannemer is verricht en deze de eindfactuur heeft uitgereikt, maar de aanbestedende dienst die nog niet heeft betaald. Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in punt 41 van zijn conclusie, wordt het begrip „looptijd” echter ook gebruikt in andere leden van artikel 72, waarvan het opschrift („Wijziging van opdrachten gedurende de looptijd”) overigens aangeeft dat alle bepalingen van dit artikel alleen van toepassing zijn tijdens de „looptijd” van de opdracht.

39 Zo staat in artikel 72, lid 4, van richtlijn 2014/24 te lezen dat de wijziging van een opdracht „tijdens de looptijd” als wezenlijk wordt beschouwd in de zin van artikel 72, lid 1, onder e), van deze richtlijn wanneer de opdracht hierdoor materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht.

40 Bovendien verwijzen de leden 1 tot en met 3 van artikel 72 van die richtlijn weliswaar niet uitdrukkelijk naar de periode „gedurende de looptijd van een opdracht”, maar zijn zij niettemin niet los te zien van deze formulering. Artikel 72, lid 5, van die richtlijn bepaalt namelijk dat er voor andere wijzigingen van een overheidsopdracht „tijdens de looptijd” ervan dan de in artikel 72, leden 1 en 2, van die richtlijn bedoelde wijzigingen, een nieuwe aanbestedingsprocedure nodig is. Aangezien lid 3 van artikel 72 van richtlijn 2014/24 verwijst naar lid 2 en lid 1, onder b) en c), van artikel 72, heeft ook lid 3 betrekking op dergelijke opdrachten.

41 In de tweede plaats blijkt uit de door BIG ter pleitzitting gegeven toelichting dat in het hoofdgeding de werkzaamheden die Fiegl op grond van de oorspronkelijke opdracht heeft uitgevoerd, definitief door de aanbestedende dienst zijn aanvaard alvorens Fiegl op 15 december 2023 de eindfactuur uitreikte.

42 In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 72 van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de „looptijd” van een overheidsopdracht in de zin van deze bepaling voortduurt wanneer de aannemer de op grond van de betrokken opdracht te leveren prestaties volledig heeft verricht, de aanbestedende dienst deze prestaties definitief heeft aanvaard en de aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt, maar de aanbestedende dienst de daarop vermelde prijs nog niet heeft betaald.

43 Om de draagwijdte van het begrip „gedurende de looptijd [van een opdracht]” in de zin van artikel 72 van richtlijn 2014/24 te bepalen, moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 16 oktober 2025, Polismyndigheten, C‑282/24, EU:C:2025:790, punt 18).

44 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 72 van richtlijn 2014/24 betreft, moet worden vastgesteld dat noch deze bepaling noch enige andere bepaling van die richtlijn een definitie van het begrip „gedurende de looptijd [van een opdracht]” bevat. Uit de bewoordingen van artikel 72 kunnen evenmin andere aanwijzingen worden afgeleid die een antwoord kunnen bieden op de vraag of de „looptijd” van een opdracht voortduurt zolang de aanbestedende dienst nog niet heeft betaald voor de prestatie die de aannemer op grond van deze opdracht volledig heeft verricht en die deze aanbestedende dienst definitief in ontvangst heeft genomen, dan wel de „looptijd” van een dergelijke opdracht eindigt nadat de aanbestedende dienst de werkzaamheden definitief heeft aanvaard en de aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt, waarbij het uitblijven van betaling door die aanbestedende dienst in dit geval geen invloed heeft.

45 Wat in de tweede plaats de context van artikel 72 van richtlijn 2014/24 betreft, kan op basis van het eerste zinsdeel van artikel 2, lid 1, punt 5 van die richtlijn – volgens hetwelk overheidsopdrachten „schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel” zijn – inderdaad worden aangenomen dat de „looptijd” van een dergelijke opdracht voortduurt zolang de daaruit voortvloeiende wederzijdse verplichtingen niet zijn nagekomen. Die verplichtingen omvatten niet alleen de verrichting van de op de aannemer rustende prestaties, maar ook de betaling van de prijs die voor die prestaties moet worden betaald.

46 Zoals de verwijzende rechter opmerkt, moet artikel 72 van richtlijn 2014/24 – gelezen in samenhang met overweging 107 ervan, die ziet op opdrachten „tijdens de uitvoering ervan” – echter aldus worden begrepen dat het alleen mogelijk is om een opdracht zonder nieuwe aanbestedingsprocedure te wijzigen indien dit gebeurt „tijdens de uitvoering ervan”.

47 Zoals blijkt uit andere bepalingen van deze richtlijn, heeft de term „uitvoering” betrekking op de verrichting van de op de aannemer rustende prestaties, en niet op de betalingsverplichting die rust op de aanbestedende dienst. Het tweede zinsdeel van artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24 verwijst naar de „uitvoering van werken”. Voorts bepaalt artikel 70 van deze richtlijn dat aanbestedende diensten speciale voorwaarden kunnen verbinden aan de uitvoering van een opdracht, mits zij overeenkomstig artikel 67, lid 3, van deze richtlijn verband houden met werken, leveringen of te verrichten diensten. Vanuit datzelfde oogpunt bepaalt artikel 58, lid 4, eerste alinea, van die richtlijn dat aanbestedende diensten eisen kunnen opleggen opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passende kwaliteitsnorm „uit te voeren”.

48 Uit deze lezing vloeit voort dat de „looptijd” van een opdracht in de zin van artikel 72 van richtlijn 2014/24 enkel voortduurt zolang de krachtens deze opdracht op de aannemer rustende prestaties niet volledig zijn uitgevoerd. Bijgevolg is een wijziging van die opdracht onder de in die bepaling gestelde voorwaarden alleen mogelijk totdat deze aannemer de prestaties volledig heeft uitgevoerd, waarbij het uitblijven van betaling door de aanbestedende dienst niet relevant is.

49 In de derde plaats vindt een dergelijke uitlegging bevestiging in de doelstellingen die met die bepaling worden nagestreefd. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat artikel 72 van deze richtlijn, door de voorwaarden vast te stellen waaronder lopende opdrachten zonder nieuwe aanbestedingsprocedure kunnen worden gewijzigd, beoogt de eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie te verzekeren en tegelijkertijd een zekere soepelheid in te voeren bij de toepassing van de regels betreffende overheidsopdrachten, zodat aanbestedende diensten pragmatisch kunnen reageren op situaties waarmee zij bij de uitvoering van opdrachten worden geconfronteerd (zie in die zin arrest van 16 oktober 2025, Polismyndigheten, C‑282/24, EU:C:2025:790, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Niettemin zij eraan herinnerd dat artikel 72 strikt moet worden uitgelegd aangezien het voorziet in afwijkingen van deze beginselen (zie in die zin arrest van 16 oktober 2025, Polismyndigheten, C‑282/24, EU:C:2025:790, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Wanneer de prestaties van de aannemer definitief door de aanbestedende dienst zijn aanvaard en de eindfactuur is uitgereikt, hoeft die dienst geen manoeuvreerruimte meer te worden gelaten bij de toepassing van de regels inzake overheidsopdrachten, aangezien het uitgesloten is dat hij bij de uitvoering van de betrokken opdracht kan worden geconfronteerd met situaties die aanleiding geven tot een wijziging van de opdracht.

52 Dit is dus precies de premisse waarop de verschillende bepalingen van artikel 72 zijn gebaseerd.

53 Indien zou worden aanvaard dat de aanbestedende dienst een overheidsopdracht kan wijzigen zonder een nieuwe aanbestedingsprocedure in te leiden zolang hij de voor de door de aannemer verrichte prestaties verschuldigde prijs niet betaalt, terwijl deze prestaties definitief zijn aanvaard en de eindfactuur is uitgereikt, zou dit er bovendien op neerkomen dat de aanbestedende dienst naar eigen goeddunken de periode kan verlengen waarin een afwijkende bepaling – namelijk artikel 72 van richtlijn 2014/24 – van toepassing kan zijn. Een dergelijke uitlegging zou evenwel indruisen tegen de strikte uitlegging die aan deze bepaling moet worden gegeven, zoals in punt 50 van dit arrest in herinnering is gebracht.

54 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het betoog van de Oostenrijkse en de Franse regering dat artikel 4, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/7, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 1 en 2, van die richtlijn, zich ertegen verzet dat aanbestedende diensten te laat betalen. Voor die betalingen geldt een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst van een factuur, op straffe van betaling van wettelijke interest krachtens artikel 4, lid 1, van die richtlijn na afloop van deze termijn.

55 Zoals de advocaat-generaal in de punten 83 en 84 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, is een dergelijke betalingstermijn immers noodzakelijk omdat de „looptijd” van een opdracht eindigt zodra de door de aannemer te verrichten prestaties definitief door de aanbestedende dienst zijn aanvaard en deze aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt.

56 Gelet op voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 72 van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de „looptijd” van een overheidsopdracht in de zin van deze bepaling niet voortduurt wanneer de aannemer de op grond van de betrokken opdracht te leveren prestaties volledig heeft verricht, de aanbestedende dienst deze prestaties definitief heeft aanvaard en de aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt, ook niet wanneer de aanbestedende dienst de daarop vermelde prijs nog niet heeft betaald.

Tweede en derde vraag

57 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede en de derde vraag, die waren gesteld voor het geval dat het Hof de eerste vraag bevestigend zou beantwoorden, niet te worden beantwoord.

Kosten

58 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 72 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2021/1952 van de Commissie van 10 november 2021,

moet aldus worden uitgelegd dat

de „looptijd” van een overheidsopdracht in de zin van deze bepaling niet voortduurt wanneer de aannemer de op grond van de betrokken opdracht te leveren prestaties volledig heeft verricht, de aanbestedende dienst deze prestaties definitief heeft aanvaard en de aannemer de eindfactuur heeft uitgereikt, ook niet wanneer de aanbestedende dienst de daarop vermelde prijs nog niet heeft betaald.

ondertekeningen

* Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken