HvJ EU 30 oktober 2025, C-500/24, ECLI:EU:C:2025:846

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

30 oktober 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Communautair douanewetboek – Artikel 29 – Douanewaarde van goederen – Vaststelling – Goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Europese Unie – Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Artikel 147 – Opeenvolgende verkopen”

In zaak C‑500/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (Hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 16 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 18 juli 2024, in de procedure

Grupo Massimo Dutti SA

tegen

Administración General del Estado,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin, waarnemend voor de kamerpresident, N. Piçarra en N. Fenger (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Grupo Massimo Dutti SA, vertegenwoordigd door I. Linares Gil, J. A. Sánchez Iglesias en A. Vázquez Guillén, abogados,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”), van artikel 147 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1762/95 van de Commissie van 19 juli 1995 (PB 1995, L 171, blz. 8) (hierna: „verordening nr. 2454/93”), en van artikel 70, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek van de Unie”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Grupo Massimo Dutti SA (hierna: „Massimo Dutti”) en de Agencia Estatal de la Administración Tributaria (belastingdienst, Spanje) over de vaststelling van de douanewaarde van bepaalde goederen.

Toepasselijke bepalingen

Communautair douanewetboek

3 Artikel 29 van het communautair douanewetboek, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 3 („Douanewaarde van goederen”), van titel II („Elementen welke ten grondslag liggen aan de toepassing van de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer en de andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen”), bepaalde in lid 1: „De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de [Europese Unie] worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing [...]”.

Verordening nr. 2454/93

4 Artikel 147, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 2454/93 luidde: „Voor de toepassing van artikel 29 van het [communautair douanewetboek] is het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de [Unie] aan te merken. In het geval van opeenvolgende verkopen voordat de waarde wordt bepaald, is een dergelijke aanduiding van toepassing op de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de [Unie] zijn binnengebracht of op een verkoop binnen het douanegebied van de [Unie] voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Wanneer de prijs wordt aangegeven die betrekking heeft op een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de [Unie] zijn binnengebracht, dient ten genoegen van de douaneautoriteiten te worden aangetoond dat deze verkoop met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied is afgesloten.”

Douanewetboek van de Unie

5 Artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie bepaalt: „De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast.”

6 Ingevolge artikel 288, lid 2, van dit wetboek is artikel 70 met ingang van 1 mei 2016 van toepassing geworden.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7 Massimo Dutti is een vennootschap die zich hoofdzakelijk bezighoudt met de distributie van modeartikelen. Deze goederen worden in Aziatische landen vervaardigd en door de fabrikanten verkocht aan ITX TRADING SA (hierna: „ITX”), een in Zwitserland gevestigde vennootschap (hierna: „eerste verkoop”), en vervolgens door ITX doorverkocht aan Massimo Dutti (hierna: „tweede verkoop”).

8 Na deze twee verkoop worden de goederen rechtstreeks vanuit het land van vervaardiging naar Spanje vervoerd. De meeste goederen worden in het vrije verkeer gebracht terwijl de rest onder de douane-entrepotregeling wordt geplaatst. De in het vrije verkeer gebrachte goederen worden ofwel verhandeld in de Unie, ofwel uitgevoerd naar derde landen. De etiketten maken het immers mogelijk om de goederen in verschillende landen in de handel te brengen.

9 Voor de jaren 2014 en 2015 heeft Massimo Dutti als douanewaarde de waarde opgegeven die de Aziatische fabrikanten aan ITX in rekening hadden gebracht, dus de prijs waartegen de eerste verkoop werd afgesloten.

10 De belastingdienst was van mening dat de eerste verkoop niet was gesloten met het oog op uitvoer naar het douanegebied van de Unie. Bijgevolg heeft hij vastgesteld dat de douanewaarde in aanmerking moest worden genomen die daadwerkelijk heeft geresulteerd in de invoer van de goederen in de Unie, namelijk die van de tweede verkoop.

11 De belastingdienst heeft in het kader van een belastingregulatie ten aanzien van Massimo Dutti belastingaanslagen voor douanerechten vastgesteld voor de jaren 2014 en 2015.

12 Massimo Dutti heeft deze belastingaanslagen betwist voor de Tribunal Económico-Administrativo Central (centrale rechter in economische en bestuurszaken, Spanje), die bij beslissing van 3 juni 2020 het bezwaar tegen de regularisatie heeft afgewezen.

13 Massimo Dutti heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Audiencia Nacional (nationaal hof, Spanje), die dit beroep bij vonnis van 24 mei 2022 heeft verworpen.

14 De Audiencia Nacional heeft geoordeeld dat het feit dat de goederen bij de eerste verkoop voor de Unie waren bestemd, niet volstond, aangezien zij, gelet op de etikettering ervan, ook konden worden wederuitgevoerd naar derde landen.

15 Massimo Dutti heeft cassatieberoep ingesteld bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), de verwijzende rechter.

16 Deze rechter merkt op dat de omstandigheden van de bij hem aanhangige zaak erdoor worden gekenmerkt dat een deel van de betrokken goederen in het vrije verkeer is gebracht en een deel onder de douane-entrepotregeling is geplaatst, waarbij deze laatste goederen later in het vrije verkeer kunnen worden gebracht of kunnen worden wederuitgevoerd. De keuze tussen het in het vrije verkeer brengen en de douane-entrepotregeling hing af van de tariefpreferenties die van toepassing waren op het tijdstip waarop de goederen in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht.

17 De verwijzende rechter vraagt zich daarom in het bijzonder af of de uitdrukking „uitvoer naar het douanegebied van de [Unie]” in artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek en in artikel 147 van verordening nr. 2454/93 moet worden uitgelegd in de zin van het fysiek en geografisch binnenbrengen van de goederen op dat grondgebied, dan wel eerder als het introduceren van de goederen op de markt van de Unie in economische en commerciële zin. In het bijzonder wenst hij te vernemen of het, om aan te tonen dat een verkoop is gesloten met het oog op uitvoer naar dat grondgebied, volstaat dat ten tijde van de verkoop vaststaat dat de goederen dat grondgebied zullen binnenkomen, ongeacht de douaneregeling waaronder zij vervolgens zullen worden geplaatst en ongeacht het doel waarvoor de goederen zijn bestemd, dan wel of het noodzakelijk is dat de goederen worden uitgevoerd met het oog op verhandeling op de markt van de Unie.

18 In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet de uitdrukking ‚verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap’ in artikel 29 van het [communautair douanewetboek] en artikel 70, lid 1, van het [douanewetboek van de Unie], of de uitdrukking ‚met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied’ in artikel 147 [van verordening nr. 2454/93], in verband met de vaststelling van de douanewaarde van goederen – als transactiewaarde – in het kader van de regeling voor opeenvolgende verkopen, aldus worden uitgelegd dat deze enkel vereisen dat de goederen op grond van een verkoopovereenkomst worden binnengebracht op het grondgebied van de Gemeenschap, opgevat in geografische zin, ongeacht de douaneregeling waaronder zij vervolgens worden geplaatst en ongeacht het doel waarvoor zij zijn bestemd, zonder dat wordt vereist dat de goederen op het grondgebied van de Europese Unie op de markt worden gebracht? 2) Of moet, opdat de verkoop kan worden geacht te hebben plaatsgevonden ‚met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied’, worden aangetoond dat de uitvoer bestemd is voor de markt van de Europese Unie?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

19 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechterlijke instantie verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie arresten van 17 juli 1997, Krüger, C‑334/95, EU:C:1997:378, punten 22 en 23, en 25 februari 2025, Alphabet e.a., C‑233/23, EU:C:2025:110, punt 33).

20 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en de bij het Hof ingediende opmerkingen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen het douanegebied van de Unie fysiek zijn binnengekomen na de tweede verkoop, die de laatste verkoop is als gevolg waarvan de goederen dat douanegebied zijn binnengebracht, hetzij onder het de douane-entrepotregeling, hetzij onder de regeling voor het in het vrije verkeer brengen, en dat de prijs op basis waarvan de douanewaarde van deze goederen is aangegeven, de prijs van de eerste verkoop is, dus de verkoop die voorafging aan de tweede verkoop. Tevens staat vast dat de belastingdienst met zijn belastingaanslagen voor de jaren 2014 en 2015 betwist dat deze prijs in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de douanewaarde van die goederen en dat hij van mening is dat de transactiewaarde van de tweede verkoop moet worden gehanteerd.

21 In deze context moet worden opgemerkt dat artikel 70 van het douanewetboek van de Unie krachtens artikel 288 ervan van toepassing is met ingang van 1 mei 2016, terwijl de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingaanslagen betrekking hebben op 2014 en 2015. Bijgevolg heeft dit verzoek betrekking op transacties die hebben plaatsgevonden voordat dit artikel van toepassing werd. Hoewel dit artikel deel uitmaakt van de bepalingen waarvan de verwijzende rechter formeel om uitlegging verzoekt, strekken de gestelde vragen er dus uitsluitend toe deze rechter in staat te stellen te bepalen onder welke voorwaarden artikel 29 van het communautair douanewetboek en artikel 147 van verordening nr. 2454/93 toestaan dat de transactiewaarde in aanmerking wordt genomen die de betrokken goederen hadden bij de verkoop die voorafging aan de laatste verkoop op basis waarvan deze goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht.

22 Gelet op deze factoren moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 29 van het communautair douanewetboek en artikel 147 van verordening nr. 2454/93 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer goederen twee keer zijn verkocht voordat zij het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht om daar ofwel onder de douane-entrepotregeling te worden geplaatst, ofwel in het vrije verkeer te worden gebracht, de eerste verkoop niet kan worden geacht te zijn gesloten met het oog op de uitvoer van die goederen naar het douanegebied van de Unie, wanneer ten tijde van die eerste verkoop enkel vaststond dat de goederen bestemd waren om dat gebied binnen te komen maar nog niet was bepaald waar zij uiteindelijk zouden worden verhandeld.

23 Volgens vaste rechtspraak beoogt het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet dus de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven, waarbij deze waarde bij voorrang moet worden vastgesteld volgens de methode van de „transactiewaarde” van de ingevoerde goederen (zie in die zin arresten van 19 november 2020, 5th AVENUE Products Trading, C‑775/19, EU:C:2020:948, punten 22 en 24, en 15 mei 2025, Tauritus, C‑782/23, EU:C:2025:353, punten 51 en 54).

24 Deze methode is omschreven in artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek, waarin is bepaald dat de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde van die goederen is, dat wil zeggen de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing.

25 Uit de bewoordingen van deze bepaling en met name uit de woorden „voor uitvoer naar het douanegebied van de [Unie] worden verkocht”, blijkt dat de transactiewaarde moet overeenstemmen met een prijs voor uitvoer naar de Unie. Op het moment van de verkoop moet dus vaststaan dat de goederen van oorsprong uit een derde land naar het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht (zie arresten van 6 juni 1990, Unifert, C‑11/89, EU:C:1990:237, punt 11, en 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 27).

26 Met het oog op de toepassing van deze bepaling bepaalt artikel 147, lid 1, eerste alinea, eerste volzin, van verordening nr. 2454/93 dat het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding is om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie aan te merken. In de tweede volzin van deze bepaling wordt gepreciseerd dat in het geval van opeenvolgende verkopen voordat de waarde wordt bepaald, een dergelijke aanduiding van toepassing is op de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen dat douanegebied zijn binnengebracht of op een verkoop binnen dat gebied voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Artikel 147, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bepaalt daarentegen dat wanneer de prijs wordt aangegeven die betrekking heeft op een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, ten genoegen van de douaneautoriteiten dient te worden aangetoond dat deze verkoop met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied is afgesloten.

27 Wanneer deze tweede alinea van toepassing is, moet dus worden bewezen dat de betrokken verkoop is gesloten voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie.

28 In tegenstelling tot de eerste alinea van artikel 147, lid 1, van verordening nr. 2454/93, is het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie volgens de tweede alinea van deze bepaling immers geen toereikende aanwijzing dat de betrokken verkoop is gesloten met het oog op uitvoer naar dat gebied. Om aan te tonen dat de verkoop voorafgaand aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, is gesloten met het oog op uitvoer naar dat gebied, moeten bewijselementen worden aangevoerd die verder gaan dan de enkele aanwijzing dat deze goederen dat grondgebied – in de zin van een geografisch gebied – zijn binnengebracht.

29 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Hof heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 29 van het communautair douanewetboek ten tijde van de verkoop moet vaststaan dat de goederen van oorsprong uit een derde land naar het douanegebied van de Unie zullen worden vervoerd, maar daarbij heeft gepreciseerd dat wanneer de prijs van een goed in een bepaalde douanezone overeenstemt met de marktsituatie in die zone, een prijs voor uitvoer van een goed naar een derde land niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de prijs die zou zijn vastgesteld voor de uitvoer van hetzelfde goed naar het douanegebied van de Unie (zie in die zin arrest van 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punten 27 en 31).

30 Zelfs indien ten tijde van de verkoop voorafgaand aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, zou vaststaan dat deze goederen bestemd waren om naar de Unie te worden vervoerd en in dat gebied te worden binnengebracht, kunnen deze elementen dus niet worden geacht te volstaan om de prijs waartegen de eerste verkoop is gesloten, als douanewaarde in aanmerking te nemen. Die elementen kunnen deel uitmaken van het bewijs dat die verkoop is gesloten met het oog op de uitvoer van de goederen naar dat gebied, maar zij moeten worden onderbouwd om zonder redelijke twijfel te kunnen bevestigen dat de goederen bestemd waren om binnen dat grondgebied in de handel te worden gebracht.

31 Het bewijs dat een dergelijke verkoop is gesloten met het oog op de uitvoer van de goederen naar het grondgebied van het douanegebied van de Unie, kan evenwel niet worden geacht te zijn geleverd indien ten tijde van die verkoop de commerciële bestemming van de betrokken goederen nog niet bekend was en het geplande binnenbrengen van deze goederen op dat grondgebied slechts werd overwogen in afwachting van een beslissing over de definitieve bestemming ervan.

32 Aangezien het door artikel 147, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2454/93 vereiste bewijs betrekking heeft op de situatie ten tijde van de verkoop, zijn de gegevens die verband houden met omstandigheden die zich na de sluiting van de verkoop hebben voorgedaan, in beginsel niet relevant, ook al kunnen, naargelang van het geval, daaruit conclusies over die situatie worden getrokken. Dit is met name het geval bij het daadwerkelijk binnenbrengen van de betrokken goederen in het douanegebied van de Unie, bij het in het vrije verkeer brengen ervan of bij de wederuitvoer ervan naar een derde land. Op basis van deze gegevens kan in de in die bepaling bedoelde gevallen immers niet worden geconcludeerd, of omgekeerd, worden uitgesloten, dat de in die bepaling bedoelde verkoop is gesloten met het oog op de uitvoer van die goederen naar dat grondgebied.

33 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 29 van het communautair douanewetboek en artikel 147 van verordening nr. 2454/93 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer goederen twee keer zijn verkocht voordat zij het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht om daar ofwel onder de douane-entrepotregeling te worden geplaatst, ofwel in het vrije verkeer te worden gebracht, de eerste verkoop niet kan worden geacht te zijn gesloten met het oog op de uitvoer van die goederen naar het douanegebied van de Unie, wanneer ten tijde van die eerste verkoop enkel vaststond dat de goederen bestemd waren om dat gebied binnen te komen maar nog niet was bepaald waar zij uiteindelijk zouden worden verhandeld.

Kosten

34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, en artikel 147 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1762/95 van de Commissie van 19 juli 1995,

moeten aldus worden uitgelegd dat

wanneer goederen twee keer zijn verkocht voordat zij het douanegebied van de Europese Unie zijn binnengebracht om daar ofwel onder de douane-entrepotregeling te worden geplaatst, ofwel in het vrije verkeer te worden gebracht, de eerste verkoop niet kan worden geacht te zijn gesloten met het oog op de uitvoer van die goederen naar het douanegebied van de Unie, wanneer ten tijde van die eerste verkoop enkel vaststond dat de goederen bestemd waren om dat gebied binnen te komen maar nog niet was bepaald waar zij uiteindelijk zouden worden verhandeld.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Spaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken