HvJ EU 3 april 2025, C-701/23, ECLI:EU:C:2025:237
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
3 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ne‑bis‑in‑idembeginsel – Schengenuitvoeringsovereenkomst – Artikel 54 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 50 – Beslissing tot voorlopige buitenvervolgingstelling in een lidstaat ten aanzien van overleden natuurlijke personen die voorheen in dienst waren van een rechtspersoon – Strafvervolging tegen deze rechtspersoon in een andere lidstaat – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak C‑701/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) bij beslissing van 4 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 14 november 2023, in de strafprocedure tegen
Swiftair SA,
in tegenwoordigheid van:
Syndicat ALTER,
Association AH5017-Ensemble e.a.,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Kumin, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, en S. Gervasoni, rechter,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Swiftair SA, vertegenwoordigd door R. Lindon en P. Spinosi, avocats,
– Syndicat ALTER, vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, avocat,
– Association AH5017-Ensemble, vertegenwoordigd door E. Piwnica, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, B. Dourthe en B. Fodda als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Blanc en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19), die op 19 juni 1990 te Schengen (Luxemburg) is ondertekend en op 26 maart 1995 in werking is getreden (Schengenuitvoeringsovereenkomst; hierna: „SUO”), gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen de vennootschap Swiftair SA, die wordt vervolgd wegens dood door schuld in Mali op 24 juli 2014.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen van de SUO luiden: „VOORTBOUWENDE op het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, BESLOTEN HEBBENDE gestalte te geven aan het in dit akkoord verankerde streven om de controles aan de gemeenschappelijke grenzen op het verkeer van personen af te schaffen, alsmede het vervoer en het goederenverkeer aan hun gemeenschappelijke grenzen te vereenvoudigen, OVERWEGENDE dat in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, zoals aangevuld door de Europese Akte, is bepaald dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat, [...]”
4 Artikel 54 SUO bepaalt: „Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.”
Spaans recht
5 Artikel 637 van de Ley de Enjuiciamiento Criminal (wetboek van strafvordering) is als volgt verwoord: „Er kan worden overgegaan tot zuivere buitenvervolgingstelling: 1°) wanneer er geen redelijke verdenking is dat het feit waarvoor vervolging is ingesteld, is gepleegd; 2°) wanneer het feit geen strafbaar feit is; 3°) wanneer uit de procedure blijkt dat de verdachten niet strafrechtelijk aansprakelijk zijn als dader, medeplichtige of persoon die het onderzoek naar de dader of het strafbare feit opzettelijk heeft bemoeilijkt”.
6 Artikel 641 van dat wetboek luidt als volgt: „Er kan worden overgegaan tot voorlopige buitenvervolgingstelling: 1°) wanneer niet naar behoren is vastgesteld dat het strafbare feit waarvoor vervolging is ingesteld, is gepleegd; 2°) wanneer uit het onderzoek blijkt dat er wel degelijk een strafbaar feit is gepleegd, maar er onvoldoende gronden zijn om een of meer specifieke personen te beschuldigen als dader, medeplichtige of persoon die het onderzoek naar de dader of het strafbare feit opzettelijk heeft bemoeilijkt.”
Frans recht
7 In artikel 113‑9 van de code pénal (wetboek van strafrecht) wordt bepaald: „In de gevallen bedoeld in de artikelen 113‑6 en 113‑7 kan geen vervolging worden ingesteld tegen een persoon die kan aantonen dat hij in het buitenland voor dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis is berecht, en indien hij is veroordeeld, dat hij de straf heeft ondergaan of dat de straf is verjaard.”
8 Artikel 692 van de code de procédure pénale (wetboek van strafvordering) bepaalt: „In de in het vorige hoofdstuk bedoelde gevallen kan geen vervolging worden ingesteld tegen een persoon die kan aantonen dat hij in het buitenland voor dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis is berecht, en indien hij is veroordeeld, dat hij de straf heeft ondergaan of dat de straf is verjaard.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 Op 24 juli 2014 is vanaf de luchthaven van Ouagadougou (Burkina Faso) een in Spanje geregistreerd vliegtuig van Swiftair gecharterd voor een vlucht naar Algiers (Algerije). Dit vliegtuig is neergestort in een woestijnachtig gebied in het noorden van Mali. Alle inzittenden, onder wie 54 Franse staatsburgers, zijn bij dit ongeval overleden.
10 Naar aanleiding van dat ongeval heeft de Juzgado Central de Instrucción no 6 (nationale onderzoeksrechtbank nr. 6, Spanje) bij beschikking van 24 juli 2014 een onderzoek geopend. Bij een latere beschikking van 23 september 2014, en na de mogelijkheid van een terroristische aanslag te hebben uitgesloten, heeft deze rechtbank geoordeeld dat het passend was om te onderzoeken of de feiten zich konden hebben voorgedaan wegens de onervarenheid of onvoorzichtigheid van de natuurlijke personen die het vliegtuig bestuurden.
11 Tegelijkertijd is in Frankrijk de gendarmerie des transports aériens (luchtvaartpolitie, Frankrijk) verzocht om een onderzoek naar de feiten in te stellen. Bij een inleidend verzoekschrift van 29 juli 2014 is een gerechtelijk onderzoek ingesteld wegens dood door schuld.
12 Tussen 2014 en 2016 hebben de Spaanse en de Franse rechterlijke autoriteiten samengewerkt via met name verzoeken om internationale wederzijdse bijstand in strafzaken. De uitwisselingen tussen deze autoriteiten hebben het echter niet mogelijk gemaakt om de kwestie van mogelijk tegenstrijdige beslissingen na afloop van de door die autoriteiten parallel uitgevoerde onderzoeken vooraf te regelen.
13 Op 18 juli 2016 heeft de Spaanse onderzoeksrechter op grond van artikel 641 van het Spaanse wetboek van strafvordering een beslissing tot voorlopige buitenvervolgingstelling uitgesproken, omdat hij „met betrekking tot het menselijke en professionele aspect van de bemanning” en de staat van het luchtvaartuig „geen aanwijzingen voor onregelmatigheden, van de kant van [Swiftair], die met het ongeval in verband konden worden gebracht” had gevonden. Volgens deze beslissing is in het bijzonder „geen enkele schending [vastgesteld] van de objectieve oplettendheids‑ of zorgvuldigheidsplicht waaraan vliegtuigpiloten moeten voldoen”.
14 In Frankrijk was het technisch onderzoek toevertrouwd aan een panel van drie deskundigen, dat in zijn op 23 december 2016 overgelegde eindverslag concludeerde dat er factoren waren die tot het ongeval hadden bijgedragen, zoals de seizoensgebonden activiteit van de piloten die ertoe zou hebben bijgedragen dat zij slechter presteerden in ongebruikelijke situaties, en hun onvoldoende en inhoudelijk ontoereikende grond‑ en vluchtsimulatortraining, die met name zou hebben bijgedragen tot een gebrekkige reactie op de betrokken situatie.
15 Op 29 juni 2017 heeft de Franse onderzoeksrechter Swiftair dood door schuld ten laste gelegd omdat zij niet in een „toereikende opleiding” van de bemanning had voorzien en daardoor onopzettelijk de dood van alle personen aan boord, waaronder Franse slachtoffers, had veroorzaakt. Bij verzoekschrift van 24 november 2017 heeft Swiftair verzocht om nietigverklaring van haar tenlastelegging omdat zij in Spanje buiten vervolging was gesteld, welke beslissing onherroepelijk was en in Frankrijk moest worden uitgevoerd op grond van artikel 54 SUO en het in dat artikel verankerde ne‑bis-in‑idembeginsel. Op 16 november 2018 heeft de onderzoekskamer dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
16 Bij beschikking van 18 mei 2021 heeft de Franse onderzoeksrechter Swiftair verwezen naar de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk), de verwijzende rechter, waarbij hij de door deze vennootschap aangevoerde argumenten inzake schending van het ne‑bis‑in‑idembeginsel verwierp, omdat de Spaanse beslissing tot buitenvervolgingstelling geen gezag van gewijsde had en niet onherroepelijk was. In het bijzonder beëindigt die beslissing, die geen equivalent heeft in het Franse recht, de strafvervolging niet definitief en staat deze er dus niet aan in de weg dat voor dezelfde feiten nieuwe strafprocedures worden ingeleid.
17 De verwijzende rechter merkt met name op dat een rechtspersoon zoals Swiftair op grond van de toepasselijke Spaanse wetgeving niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, en dat in Spanje om die reden formeel geen vervolging of dwangmaatregel tegen haar is ingesteld. Deze verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de Spaanse beslissing tot buitenvervolgingstelling, voor zover deze onherroepelijk kan zijn, voor de toepassing van artikel 54 SUO niet alleen geldt voor de natuurlijke personen op wie deze direct betrekking heeft maar ook voor de indirect verdachte rechtspersoon, zodat die laatstgenoemde moet worden geacht „bij onherroepelijk vonnis [te zijn] berecht” in de zin van dat artikel 54.
18 In die omstandigheden heeft de tribunal judiciaire de Paris de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat een voor hoger beroep vatbare beslissing tot buitenvervolgingstelling die in een overeenkomstsluitende staat door een rechterlijke instantie is gegeven na een grondig onderzoek van de zaak en die voortzetting van de procedure uitsluit behalve in geval van nieuwe tenlasteleggingen, moet worden aangemerkt als een onherroepelijk vonnis in de zin van dit artikel, ook al heeft deze beslissing tot buitenvervolgingstelling in de overeenkomstsluitende staat waar zij is gegeven niet alle gevolgen van een beslissing met volledig gezag van gewijsde? 2) Moet artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat in het geval van een beslissing tot buitenvervolgingstelling die als een onherroepelijk vonnis geldt, waardoor zij de in deze tekst bedoelde ne‑bis‑in‑idembescherming kan bieden, de ‚persoon die bij onherroepelijk vonnis [...] is berecht’ moet worden begrepen als elke persoon die tijdens het onderzoek is beschuldigd en naar wiens handelen of nalaten een onderzoek is ingesteld, ook al was deze persoon in de onderzoeksfase formeel niet het voorwerp van enige vervolging of dwangmaatregel? 3) Moet artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat natuurlijke personen wier handelingen zijn verricht bij de uitoefening van hun vennootschappelijke functies, ten gunste en voor rekening van de rechtspersoon die zij vertegenwoordigen, moeten worden beschouwd als dezelfde persoon als de rechtspersoon zelf, waardoor het verboden is om een rechtspersoon in een overeenkomstsluitende staat te vervolgen wanneer de wettelijke vertegenwoordigers ervan reeds in een andere overeenkomstsluitende staat ‚bij onherroepelijk vonnis [zijn] berecht’ in de zin van het Unierecht, ook al is de rechtspersoon zelf in laatstgenoemde staat nooit op persoonlijke titel vervolgd? 4) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, dan in een dergelijk geval aldus worden uitgelegd dat de rechtspersoon ne-bis-in-idembescherming moet genieten, zelfs indien de rechtspersoon hoe dan ook niet strafrechtelijk kon worden vervolgd in de overeenkomstsluitende staat waar het onherroepelijke vonnis is gegeven, hetzij omdat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen in die staat niet rechtstreeks bestaat, hetzij omdat de rechtspersoon alleen strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor strafbare feiten aan de omschrijving waarvan de feiten die het voorwerp vormen van de procedure, niet beantwoorden?”
Ontvankelijkheid
19 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dus in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret,C‑652/22, EU:C:2024:910, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Niettemin dient het Hof ter toetsing van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is aangezocht (arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret,C‑652/22, EU:C:2024:910, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In deze context moet eraan worden herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak kan weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat),C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
22 In dat verband zijn de inhoudelijke eisen waaraan het verzoek om een prejudiciële beslissing moet voldoen uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. De verwijzende rechter wordt in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking geacht die vereisten te kennen en nauwgezet na te leven. Volgens deze eisen, die ook zijn vermeld in punt 15 van de Aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1), bevat ieder verzoek om een prejudiciële beslissing „een summier overzicht van het voorwerp van het geschil en de relevante feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn vastgesteld, althans, ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten”, „de strekking van de nationale bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn en, in voorkomend geval, de relevante nationale rechtspraak”, en „de uiteenzetting van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling”.
23 Wat de onderhavige zaak betreft, moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 54 SUO een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, door een andere overeenkomstsluitende partij niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.
24 Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 54 SUO tot doel om te waarborgen dat een persoon die is veroordeeld en zijn straf heeft ondergaan of in voorkomend geval onherroepelijk is vrijgesproken in een lidstaat, zich binnen de Schengenruimte kan verplaatsen zonder te hoeven vrezen dat hij wegens dezelfde feiten wordt vervolgd in een andere lidstaat (zie arrest van 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Dit artikel moet immers worden uitgelegd in het licht van ten eerste artikel 3, lid 2, VEU, waarin is bepaald dat de Unie haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen biedt, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is (zie in die zin arrest van 29 juni 2016, Kossowski,C‑486/14, EU:C:2016:483, punt 46), en ten tweede de overwegingen van de SUO, waaruit blijkt dat deze overeenkomst tot doel heeft om, in het kader van een ruimte zonder binnengrenzen, de controles aan de gemeenschappelijke grenzen op het verkeer van personen af te schaffen en het vervoer en het goederenverkeer aan de gemeenschappelijke grenzen te vereenvoudigen.
26 Artikel 54 SUO is derhalve irrelevant wanneer de mogelijkheid om zich vrij in die ruimte te verplaatsen niet aan de orde is, en in het bijzonder wanneer het geding enkel rechtspersonen betreft (zie in die zin arrest van 14 september 2023, Volkswagen Group Italia en Volkswagen Aktiengesellschaft, C‑27/22, EU:C:2023:663, punt 82).
27 In het onderhavige geval staat vast dat de in Frankrijk ingeleide strafprocedure waarop het hoofdgeding betrekking heeft, uitsluitend is gericht tegen een rechtspersoon, te weten Swiftair. De natuurlijke personen van wie de strafrechtelijke aansprakelijkheid in Spanje is onderzocht, zijn overleden bij het in het hoofdgeding aan de orde zijnde ongeval. Aangezien de mogelijkheid voor natuurlijke personen om zich vrij te verplaatsen kennelijk niet aan de orde is in het hoofdgeding, is artikel 54 SUO daar dus niet op van toepassing.
28 Wanneer de Unierechtelijke bepalingen waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben niet van toepassing zijn op het hoofdgeding en dus irrelevant zijn voor de beslechting daarvan, moet volgens de rechtspraak worden vastgesteld dat de gevraagde prejudiciële beslissing niet noodzakelijk is om de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen uitspraak te doen, en dat die vragen dus niet-ontvankelijk zijn (zie in die zin arrest van 22 oktober 2024, Kolin Inşaat Turizm Sanayi ve Ticaret,C‑652/22, EU:C:2024:910, punten 38 en 68). Hieruit volgt dat de in het onderhavige geval door de verwijzende rechter gestelde vragen om die reden niet-ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op artikel 54 SUO.
29 Hoewel de verwijzende rechter ook verwijst naar artikel 50 van het Handvest, moet eraan worden herinnerd dat de bepalingen van het Handvest volgens artikel 51, lid 1, ervan uitsluitend tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Het begrip „het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in de zin van deze laatste bepaling veronderstelt dat er tussen de Unierechtelijke handeling en de nationale maatregel in kwestie een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betreffende materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere [zie in die zin arrest van 28 november 2024, PT (Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit), C‑432/22, EU:C:2024:987, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Aangezien de verwijzende rechter in het onderhavige geval in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing niet heeft uiteengezet welk verband hij legt tussen de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling en de relevante Unierechtelijke bepalingen, blijkt uit dit verzoek als zodanig niet dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder het ten uitvoer brengen van het Unierecht valt. Volgens de rechtspraak van het Hof is het Hof in een dergelijk geval niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zichzelf niet de grondslag vormen voor de bevoegdheid van het Hof (beschikking van 17 mei 2024, VGG e.a.,C‑190/23, EU:C:2024:420, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Wat de gevraagde uitlegging van artikel 50 van het Handvest betreft, moet derhalve worden vastgesteld dat het Hof in het onderhavige geval niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen, in de zin van de in punt 21 hierboven bedoelde vaste rechtspraak van het Hof. Het verzoek om een prejudiciële beslissing voldoet niet aan de in punt 22 hierboven in herinnering gebrachte eisen en in het bijzonder aan die van artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering, doordat in het verzoek niet is uiteengezet welk verband de verwijzende rechter legt tussen de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling en de relevante Unierechtelijke bepalingen.
32 Hieruit volgt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet‑ontvankelijk is.
33 De verwijzende rechter behoudt echter de mogelijkheid om een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen dat alle gegevens bevat die het Hof nodig heeft om uitspraak te doen (zie in die zin beschikking van 20 mei 2021, ENR Grenelle Habitat e.a.,C‑88/20, EU:C:2021:407, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Kosten
34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Het bij beslissing van 4 juli 2023 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing van de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) is niet-ontvankelijk.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.