HvJ EU 23 april 2026, C-882/24, ECLI:EU:C:2026:329
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
23 april 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Ambtenarenrecht – Bezoldiging – Kindertoelagen – Artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie – Toekenningsvoorwaarden – Intrekking van de toelage – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde krachtens artikel 85 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie – Onjuiste opvatting – Beoordeling van de rechtmatigheid van een handeling op de datum van vaststelling ervan – Terugwerkende kracht van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie – Kracht van gewijsde”
In zaak C‑882/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 19 december 2024,
AL, vertegenwoordigd door R. Crăciun, avocate,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. S. Bohr en L. Hohenecker als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni (rapporteur) en M. Bošnjak, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 november 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt AL om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 april 2024, AL/Commissie (T‑50/22, EU:T:2024:220; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 22 oktober 2021 voor zover daarbij terugvordering is gelast van bepaalde bedragen die zijn uitgekeerd in het kader van toelagen voor zijn moeder en drie kinderen ten laste (hierna: „litigieus besluit”).
Feiten
2 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 2 tot en met 13 van het bestreden arrest als volgt uiteengezet: „2 Verzoeker [was] sinds 1 december 2007 ambtenaar bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie. 3 Nadat verzoeker daarom had verzocht, werden hem tussen 2009 en 2019 verschillende toelagen toegekend, op grond van het feit dat zijn moeder en drie andere personen werden gelijkgesteld met te zijnen laste komende kinderen in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: ‚Statuut’). 4 Op 13 mei 2019 heeft de Raad, krachtens artikel 2, lid 2, van het Statuut, besluit (EU) 2019/792 waarbij de Europese Commissie – het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) – wordt belast met de uitoefening van bepaalde bevoegdheden die aan het tot aanstelling bevoegde gezag en aan het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag toekomen (PB 2019, L 129, blz. 3) vastgesteld. 5 Op 22 juli 2020 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) verzoeker meegedeeld dat er eind 2016 een onderzoek naar hem was ingesteld over mogelijke fraude in verband met zijn verklaring over de samenstelling van zijn gezin en met de omstandigheden waaronder hij de overeenkomstige gezinstoelagen had ontvangen en de vereisten voor het verkrijgen ervan. 6 In december 2020 heeft OLAF verzoeker meegedeeld dat dit onderzoek was afgesloten en verzoeker en het secretariaat-generaal van de Raad het eindverslag ervan alsmede twee aanbevelingen toegezonden. De eerste betrof de terugvordering van bedragen die volgens OLAF ten onrechte aan verzoeker waren betaald uit hoofde van de betrokken toelagen, en de tweede betrof de inleiding van een tuchtprocedure. 7 Op 10 februari 2021 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: ‚TABG’) van de Raad overeenkomstig artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut besloten om tegen verzoeker een tuchtprocedure in te leiden. 8 Bij een nota van 3 maart 2021 heeft het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van de Commissie verzoeker meegedeeld dat, naar aanleiding van de aanbevelingen van OLAF, de ten onrechte ontvangen bedragen, met een totaalbedrag van 142824,71 EUR exclusief rente, zouden worden teruggevorderd en dat hij de mogelijkheid had om binnen vijftien dagen na kennisgeving van dit besluit zijn opmerkingen daarover in te dienen. Op 19 maart 2021 heeft verzoeker opmerkingen ingediend bij het PMO. 9 Bij besluit van 22 maart 2021 heeft het PMO verzoeker meegedeeld dat, gelet op het eindverslag van OLAF en na zijn opmerkingen te hebben beoordeeld, er was besloten om uitvoering te geven aan de nota van 3 maart 2021 en de desbetreffende invorderingsopdracht uit te vaardigen op basis van artikel 85 van het Statuut, dat betrekking heeft op de terugvordering van het onverschuldigd betaalde. In het bijzonder werd de terugvordering gelast van uitgekeerde toelagen: – voor verzoekers moeder, wat de periode van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2015 betreft, zoals was besloten in het besluit van 22 maart 2021, aangezien deze niet met een ten laste komend kind kon worden gelijkgesteld in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut en verzoeker de administratie opzettelijk had misleid in de zin van artikel 85, tweede alinea, van het Statuut door bij de aanvraag voor de betrokken toelage geen aangifte te doen van het militair pensioen dat hem was toegekend; – voor de twee kinderen ten laste van verzoeker (hierna: ‚A en B’), van wie hij een aangetrouwde oom was en die bij hem in een pleeggezin waren geplaatst voor respectievelijk de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 juli 2013 en de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 maart 2013, zoals was besloten in het besluit van 22 maart 2021, omdat de pleeggezinrelatie juridisch niet meer bestond, gelet op het besluit van de Roemeense kinderbeschermingsautoriteiten van 30 januari 2013 waarbij de maatregelen tot plaatsing in het pleeggezin werden beëindigd [(hierna: ‚nationaal besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin’)]. Bovendien heeft verzoeker de administratie opzettelijk misleid in de zin van artikel 85, tweede alinea, van het Statuut met betrekking tot het einde van de pleegzorgperiode voor de twee kinderen; – voor de geadopteerde dochter van verzoeker (hierna: ‚C’), waarvoor hij op 16 april 2019 een adoptiebeslissing van een Roemeense rechter had verkregen, met betrekking tot de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 januari 2021 en de beëindiging van de uitkering van de toelagen met ingang van 1 februari 2021, zoals was besloten in het besluit van 22 maart 2021, omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk voor het levensonderhoud van C is opgekomen. 10 Op 22 juni 2021 heeft verzoeker op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van 22 maart 2021. 11 Op 27 september 2021 heeft het TABG van de Raad na afloop van de tuchtprocedure besloten om verzoeker de tuchtmaatregel van ontslag op te leggen overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder h), van bijlage IX bij het Statuut. 12 Op 22 oktober 2021 heeft de directeur-generaal Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie het [litigieuze besluit] vastgesteld. 13 Daarbij heeft de directeur-generaal Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie verzoekers klacht tegen het besluit van 22 maart 2021 gedeeltelijk afgewezen, overwegende dat de betaling van de gezinstoelagen die hij voor C ontving, moest worden stopgezet en de terugvordering moest worden gelast van verschillende door hem ontvangen gezinstoelagen. De klacht werd echter toegewezen met betrekking tot de door verzoeker in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 29 januari 2013 voor A en B ontvangen toelagen.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
3 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 januari 2022, heeft rekwirant het in punt 1 van dit arrest bedoelde beroep ingesteld.
4 Rekwirant heeft ter ondersteuning van dit beroep vijf middelen aangevoerd. Het eerste middel is ontleend aan schending van de artikelen 4, 5, 9 en 10 van het besluit van de Raad van 29 april 2004 tot vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen betreffende met een ten laste komend kind gelijkgestelde personen (hierna: „AUB”). Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 85 van het Statuut en aan een beoordelingsfout met betrekking tot de toelage die is betaald voor zijn moeder, die met een ten laste komend kind is gelijkgesteld. Het derde middel is ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en het beginsel van behoorlijk bestuur. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 85 van het Statuut en aan een beoordelingsfout met betrekking tot de voor A en B uitgekeerde toelage voor een kind ten laste. Het vijfde middel is ontleend aan schending van artikel 85 van het Statuut en aan een beoordelingsfout met betrekking tot de voor C uitgekeerde toelage voor een kind ten laste.
5 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht dit beroep in zijn geheel verworpen.
Conclusies van partijen
6 Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover daarbij de klacht van rekwirant tegen het besluit van 22 maart 2021 gedeeltelijk is afgewezen, en – de Commissie te veroordelen in haar eigen kosten en in die van rekwirant.
7 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirant te verwijzen in alle kosten.
Hogere voorziening
8 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste toepassing van de AUB. Het tweede middel is ontleend aan een onjuiste opvatting van de feiten en een schending van het beginsel van parallellisme van vormen. Het derde middel is ontleend aan het ontbreken van rechterlijke toetsing.
Eerste middel
Argumenten van partijen
9 Rekwirant betoogt dat het Gerecht in de punten 50 en 51 van het bestreden arrest in zijn antwoord op het eerste middel van het verzoekschrift in eerste aanleg de AUB onjuist heeft toegepast door te oordelen dat bij de berekening van de last die rekwirant voor het onderhoud van zijn moeder droeg, niet alleen de inkomsten van laatstgenoemde en de huurwaarde van het aan haar toebehorende gebouw moesten worden afgetrokken, maar ook de bijdrage aan het levensonderhoud van zijn moeder door een andere persoon en de inkomsten die rekwirant uit zijn militaire pensioen ontving. Deze laatste twee aftrekken moeten namelijk niet worden toegepast uit hoofde van artikel 5, lid 1, AUB, dat strikt betrekking heeft op de aftrek van de inkomsten van de ten laste komende persoon, maar uit hoofde van artikel 9 AUB. Deze fout heeft het Gerecht ertoe gebracht de onjuiste berekening door de administratie te bevestigen.
10 Die berekening moest ook worden gecorrigeerd teneinde rekening te houden met de beslissing van 29 mei 2024 waarbij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) de moeder van rekwirant heeft veroordeeld tot terugbetaling van haar ouderdomspensioen voor de periode van 1 november 2007 tot en met 1 mei 2023. Gelet op deze beslissing had het bedrag van dit pensioen niet mogen worden afgetrokken van de last die rekwirant droeg voor het levensonderhoud van zijn moeder.
11 Volgens de Commissie moet dit middel worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
12 In de eerste plaats verwijt rekwirant het Gerecht te hebben geoordeeld dat de Commissie artikel 5, lid 1, AUB correct heeft toegepast door de bijdrage door een andere persoon aan het levensonderhoud van zijn moeder en het militaire pensioen dat hij ontving af te trekken van de onderhoudslast die hij ten aanzien van zijn moeder droeg, terwijl die bedragen hadden moeten worden afgetrokken uit hoofde van artikel 9 AUB.
13 Uit punt 50 van het bestreden arrest blijkt evenwel dat deze grief ongegrond is. Het Gerecht heeft namelijk in dat punt uitdrukkelijk aangegeven dat de Commissie de bijdrage van een andere persoon aan het levensonderhoud van de moeder van rekwirant had afgetrokken op grond van artikel 6 AUB en dat de overige netto-inkomsten van rekwirant uit hoofde van zijn militair pensioen waren afgetrokken krachtens artikel 9 AUB.
14 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen, met uitsluiting van elke feitelijke beoordeling, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van de feiten, en dat de vaststelling van een onjuiste opvatting uitsluit dat gebruik wordt gemaakt van nieuwe bewijzen die niet zijn aangedragen voor het Gerecht (zie in die zin arresten van 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie,C‑326/05 P, EU:C:2007:443, punt 60, en 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad,C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 76).
15 Hieruit volgt dat rekwirant zich ter ondersteuning van zijn hogere voorziening niet kan beroepen op het vonnis van de Tribunal București van 29 mei 2024, dat na de uitspraak van het bestreden arrest is gewezen.
16 Echter, indien dit vonnis – waarbij volgens rekwirant zijn moeder is veroordeeld tot terugbetaling van haar ouderdomspensioen over de periode van 1 november 2007 tot 1 mei 2023 – het inkomen van deze persoon ten laste met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, kan het een nieuw element vormen dat de berekening van de aan rekwirant verschuldigde toelagen voor de kosten van levensonderhoud van zijn moeder in bovengenoemde periode kan wijzigen. Het staat aan rekwirant om – indien hij daartoe goede gronden meent te hebben – zich daarop te beroepen ter ondersteuning van een verzoek om herziening van het litigieuze besluit.
17 Uit een en ander volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
18 Rekwirant betoogt dat het Gerecht in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van drie onjuiste rechtsopvattingen in zijn antwoord op het vierde middel van zijn beroep in eerste aanleg. Dit middel bestaat uit drie onderdelen.
19 Met het eerste onderdeel van zijn tweede middel voert rekwirant aan dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022 (hierna: „vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022”), waarvan nochtans een kopie als bijlage bij zijn repliek was gevoegd. Het Gerecht heeft de feiten onjuist opgevat door in punt 100 van het bestreden arrest te verklaren dat „bij de Roemeense rechterlijke instanties beroep is ingesteld tegen het besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin”, aangezien het niet onkundig kon zijn van het feit dat de Tribunal București met voornoemd vonnis een einde had gemaakt aan het geding en de „absolute nietigheid” van het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin heeft uitgesproken.
20 Met het tweede onderdeel van dit middel betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin sinds januari 2013 rechtsgevolgen sorteerde. Het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022 heeft immers de absolute nietigheid ex tunc van dit besluit vastgesteld. Bovendien heeft die rechter geoordeeld dat de maatregel tot plaatsing in een pleeggezin voor A was beëindigd op 13 mei 2014 en voor B op 28 juli 2013, met alle daaraan verbonden rechtsgevolgen.
21 Met het derde onderdeel van dit middel voert rekwirant aan dat het Gerecht het beginsel van parallellisme van vormen heeft geschonden door in punt 101 van het bestreden arrest te oordelen dat het niet van belang was om te weten of de toelage voor het levensonderhoud van A en B was toegekend op basis van consulaire documenten dan wel op basis van het plaatsingsbesluit van 28 juli 2010. Rekwirant betoogt dat aangezien deze toelage was toegekend en verlengd op basis van consulaire verklaringen, die toekenning alleen had kunnen worden ingetrokken op basis van consulaire documenten en niet op basis van het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin.
22 De Commissie merkt in de eerste plaats op dat de rechtmatigheid van de bestreden handeling volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Daartoe mag alleen rekening mogen worden gehouden met de feiten waarvan de Commissie kennis kon hebben in het kader van de administratieve procedure. Bijgevolg heeft het Gerecht terecht geen rekening gehouden met het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022, aangezien dit vonnis dateert van na het litigieuze besluit. Door zich, zoals vereist, voor zijn beoordeling te plaatsen op de datum van het litigieuze besluit, namelijk 22 oktober 2021, heeft het Gerecht de feiten niet onjuist opgevat door in punt 100 van het bestreden arrest te verklaren dat bij de Roemeense rechterlijke instanties beroep was ingesteld tegen het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin.
23 In de tweede plaats is de Commissie van mening dat het Gerecht evenmin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin sinds januari 2013 rechtsgevolgen had gesorteerd, aangezien dit besluit op de datum van het litigieuze besluit, namelijk 22 oktober 2021, nog niet nietig was verklaard.
24 In de derde plaats geeft punt 101 van het bestreden arrest geen blijk van enige onjuiste rechtsopvatting. Rekwirant biedt geen enkele onderbouwing voor zijn verwijzing naar het beginsel van parallellisme van vormen. Hoe dan ook rechtvaardigt het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin dat de na dat besluit onverschuldigd betaalde toelagen voor de zorg voor de twee kinderen worden teruggevorderd, ongeacht welke documenten met het oog op die terugvordering zijn gebruikt.
Beoordeling door het Hof
25 Met het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel, die samen moeten worden onderzocht, betoogt rekwirant dat het Gerecht de feiten van het geding onjuist heeft opgevat door in punt 100 van het bestreden arrest geen rekening te houden met het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022, waarvan hij het Gerecht een kopie had overgelegd als bijlage bij zijn repliek.
26 Er moet aan worden herinnerd dat de hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen rechtsvragen kan betreffen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om het overgelegde bewijs te beoordelen. De beoordeling van die feiten en van dat bewijs levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst (arrest van 1 augustus 2025, Frankrijk en Commissie/CWS Powder Coatings e.a., C‑71/23 P en C‑82/23 P, EU:C:2025:601, punt 66). De onjuiste opvatting moet duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en het bewijs opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 1 augustus 2025, Frankrijk en Commissie/CWS Powder Coatings e.a., C‑71/23 P en C‑82/23 P, EU:C:2025:601, punt 67).
27 Bij het vonnis van 16 mei 2022, dat rekwirant als bijlage bij zijn repliek voor het Gerecht heeft overgelegd, heeft de Tribunal București het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin definitief nietig verklaard.
28 Het Gerecht heeft in de eerste plaats in punt 100 van het bestreden arrest verklaard dat „bij de Roemeense rechterlijke instanties beroep [was] ingesteld tegen het [nationale] besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin”, terwijl het kennelijk niet onkundig kon zijn van de nietigverklaring van dat besluit, aangezien het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022 aan het Gerecht was overgelegd.
29 In de tweede plaats heeft het Gerecht in hetzelfde punt van het bestreden arrest geoordeeld dat voornoemd besluit „daadwerkelijk rechtsgevolgen [had] gesorteerd vanaf januari 2013”, terwijl het kennelijk na het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022 moest worden geacht nooit rechtsgevolgen te hebben gesorteerd.
30 Uit het voorgaande volgt dat punt 100 van het bestreden arrest blijk geeft van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten.
31 De Commissie betoogt evenwel dat het Gerecht bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit terecht is uitgegaan van de datum van dat besluit en dus geen rekening hoefde te houden met een later gewezen vonnis.
32 Het klopt dat volgens vaste rechtspraak de wettigheid van de bestreden handeling moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand die bestonden op de datum waarop de handeling is vastgesteld (arresten van 7 februari 1979, Frankrijk/Commissie,15/76 en 16/76, EU:C:1979:29, punt 7; 15 april 2010, Gualtieri/Commissie,C‑485/08 P, EU:C:2010:188, punt 26, en 4 oktober 2024, García Fernández e.a./Commissie en GAR, C‑541/22 P, EU:C:2024:820, punt 327).
33 Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft uiteengezet in de punten 50 tot en met 55 van zijn conclusie, kan echter niet op goede gronden worden gesteld dat het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022 niet bestond op de datum van het litigieuze besluit, zonder voorbij te gaan aan de terugwerkende kracht van dat vonnis.
34 Door het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin ex tunc nietig te verklaren, heeft dat vonnis dit besluit namelijk ab initio uit de rechtsorde doen verdwijnen en de vroegere rechtssituatie hersteld zoals die bestond vóór de vaststelling ervan, te weten de situatie dat A en B in een pleeggezin bij rekwirant waren geplaatst.
35 Bijgevolg heeft het Gerecht de rechtspositie van de kinderen A en B ten aanzien van AL op de datum van het litigieuze besluit onjuist opgevat door te oordelen dat het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin rechtsgevolgen had gesorteerd door een einde te maken aan de pleegzorg van A en B, terwijl dat besluit bij het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022 nietig was verklaard.
36 Hoewel de Commissie ook aanvoert dat het Gerecht alleen rekening mocht houden met de feiten waarvan zij in het kader van de administratieve procedure kennis kon hebben, moet worden benadrukt dat een dergelijke principiële beperking van de rechtmatigheidstoetsing door de Unierechter niet volgt uit de rechtspraak van het Hof.
37 Het Hof heeft integendeel verduidelijkt dat de in artikel 263 VWEU bedoelde rechtmatigheidstoetsing in bepaalde gevallen betrekking kan hebben op alle door rekwiranten aangevoerde gegevens, ongeacht of het gaat om informatie van vóór of na het vastgestelde besluit en of die informatie reeds in de administratieve procedure dan wel pas in het bij het Gerecht ingestelde beroep wordt overgelegd, voor zover sprake is van informatie die relevant is voor de toetsing van de wettigheid van het bestreden besluit op de datum waarop het is vastgesteld (zie naar analogie arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie,C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Deze bepaling is in casu van toepassing. Zoals ten eerste volgt uit de rechtspraak van het Hof heeft de in artikel 91 van het Statuut vastgestelde precontentieuze procedure in beginsel tot doel om een minnelijke schikking van geschillen tussen ambtenaren en de administratie mogelijk te maken en te bevorderen, en niet om de eventuele contentieuze fase nauwkeurig en definitief af te bakenen, mits het beroep in rechte noch de grond noch het voorwerp van de klacht wijzigt [zie in die zin arresten van 7 mei 1986, Rihoux e.a./Commissie,52/85, EU:C:1986:199, punt 12, en 29 januari 2026, PB/GAR (Besluit tot niet-herindeling),C‑727/23 P, EU:C:2026:58, punt 50].
39 Ten tweede, zoals de advocaat-generaal in de punten 70 en 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt, stelt de klacht in de context van artikel 85 van het Statuut met name de administratie in staat om duidelijkheid te verkrijgen over de voorwaarden voor de toepassing van dat artikel en aldus te vermijden dat er een gerechtelijke procedure wordt ingeleid. Het zou echter in strijd zijn met dit doel om van rekwirant te verlangen dat hij zich opnieuw tot de administratie wendt om zich voor het Gerecht te kunnen beroepen op een uitspraak waarbij feiten worden vastgesteld die op de datum van het litigieuze besluit bestonden.
40 Uit het voorgaande volgt dat het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening moeten worden toegewezen.
41 Met het derde onderdeel van het tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het in punt 101 van het bestreden arrest het beginsel van parallellisme van vormen heeft geschonden door te oordelen dat het TABG zich rechtmatig kon baseren op het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin ter onderbouwing van het besluit om de toelage voor het levensonderhoud van A en B in te trekken, terwijl het de toekenning en verlenging van deze toelage had gebaseerd op consulaire documenten.
42 Artikel 2, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut stelt de toelage voor een kind ten laste echter enkel afhankelijk van een materiële voorwaarde, namelijk het daadwerkelijke onderhoud van een of meer kinderen, en vereist niet dat het besluit om deze toelage toe te kennen wordt genomen op basis van bepaalde documenten. Bijgevolg geldt voor de vaststelling van het besluit tot intrekking van deze toelage evenmin een dergelijk vereiste.
43 Tegen deze achtergrond heeft het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat het voor de rechtmatigheid van de terugvordering van de voor het levensonderhoud van A en B betaalde toelagen irrelevant was om te weten op basis van welke documenten die toelagen waren toegekend.
44 Hieruit volgt dat het derde onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.
Derde middel
Argumenten van partijen
45 Rekwirant betoogt dat uit punt 120 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht geen onpartijdige en effectieve rechterlijke toetsing heeft verricht van het bewijs dat rekwirant heeft overgelegd om aan te tonen dat hij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor het levensonderhoud van C.
46 Om dit levensonderhoud aan te tonen heeft rekwirant het TABG in de loop van de administratieve procedure als bewijs van de betrokken overschrijvingen alle afschriften van zijn bankrekening bezorgd, met inbegrip van de afschriften van de bankrekening van C waarop de overschrijvingen vermeld staan die C van rekwirant heeft ontvangen. In de loop van deze procedure heeft het TABG evenwel verzocht om volledige openbaarmaking van de bankrekening van C, teneinde vast te stellen of de kindertoelage uitsluitend en daadwerkelijk was gebruikt voor het levensonderhoud van dat kind. Rekwirant heeft echter geen gevolg gegeven aan dit verzoek omdat C – die inmiddels meerderjarig was geworden – niet had ingestemd met de openbaarmaking van die informatie.
47 Om de twijfels van het TABG weg te nemen over het feit dat C haar eigen rekening niet zou hebben gebruikt of over de eventuele terugstorting door C van de toelagen op de rekening van rekwirant, heeft rekwirant – na de toestemming van C te hebben verkregen – de gevraagde bankafschriften bij zijn verzoekschrift in eerste aanleg gevoegd. Daaruit blijkt duidelijk dat C de toelagen voor zichzelf had gebruikt en dat er geen enkele betaling van haar rekening naar die van rekwirant is verricht.
48 Het Gerecht heeft in punt 120 van het bestreden arrest echter geoordeeld dat „de uittreksels van de bankrekening van C onvoldoende bewijs vormen om aan te tonen dat [rekwirant] daadwerkelijk voor het levensonderhoud van C is opgekomen”, zonder deze vaststelling te onderbouwen of aan te geven wat wel een toereikend bewijs van de realiteit van dat levensonderhoud zou vormen.
49 Rekwirant herinnert eraan dat bij de rechterlijke toetsing door het Gerecht van onder het Statuut vallende administratieve handelingen, de discretionaire bevoegdheid van de instellingen van de Europese Unie moet worden verzoend met de bescherming van de rechten van personeelsleden door ervoor te zorgen dat besluiten die individuen raken naar behoren worden gemotiveerd en evenredig zijn.
50 De Commissie is van mening dat dit middel moet worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
51 Met het derde middel van de hogere voorziening komt rekwirant op tegen de beoordeling door het Gerecht, in punt 120 van het bestreden arrest, van het aanvullende bewijs dat hij in de bijlage bij zijn verzoekschrift in eerste aanleg had overgelegd om aan te tonen dat hij daadwerkelijk voorzag in het levensonderhoud van C. Uit de ontoereikende motivering van deze beoordeling blijkt dat het Gerecht geen onpartijdige en effectieve rechterlijke toetsing van dit bewijsmateriaal heeft verricht.
52 Het Gerecht heeft in dat punt geoordeeld dat „in het licht van de twijfels die de Commissie in het bestreden besluit heeft geuit, de uittreksels van de bankrekening van C geen voldoende bewijs vormen om aan te tonen dat rekwirant daadwerkelijk voor het levensonderhoud van C is opgekomen”.
53 Vastgesteld moet worden dat op basis van deze motivering moeilijk valt in te zien hoe de twijfels die de Commissie in het litigieuze besluit heeft geuit, terwijl zij nog geen kennis had van de betrokken bankafschriften, kunnen afdoen aan de bewijskracht van deze stukken.
54 Opgemerkt zij evenwel dat het Gerecht, in punt 120 van het bestreden arrest, de bewijswaarde van de uittreksels van de bankrekening van C slechts ten overvloede heeft beoordeeld, zoals uitdrukkelijk blijkt uit het gebruik van de uitdrukking „hoe dan ook” aan het begin van dit punt. Dit wordt bevestigd door het feit dat het Gerecht in punt 119 van het bestreden arrest reeds een standpunt had ingenomen over de litigieuze uittreksels van de bankrekening van C.
55 Het Gerecht heeft in dat punt van het bestreden arrest zijn weigering om rekening te houden met de in de loop van het geding overgelegde uittreksels van de bankrekening van C gerechtvaardigd op andere gronden dan die welke in punt 120 van dat arrest zijn uiteengezet.
56 In dit verband heeft het Gerecht eraan herinnerd dat rekwirant tijdens de administratieve procedure had geweigerd de rekeningafschriften over te leggen die hij als bijlage bij zijn verzoekschrift had gevoegd. Het was van oordeel dat de administratie zich voor de beoordeling of daadwerkelijk was opgekomen voor het levensonderhoud van C moest baseren op de feitelijke gegevens waarover zij beschikte, en dat zij aanvullende informatie kon aanvragen bij rekwirant, die dit feit moest aantonen.
57 Wat voorts het punt betreft dat met het derde middel van de hogere voorziening wordt bekritiseerd, zij eraan herinnerd dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid, duidelijk moet aangegeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht (arrest van 18 december 2025, Hamoudi/Frontex,C‑136/24 P, EU:C:2025:977, punt 54).
58 Het derde middel van de hogere voorziening bevat echter noch kritiek op de beoordelingen in punt 119 van het bestreden arrest, noch op de motivering ervan. Bijgevolg moet dit middel worden beoordeeld als zijnde enkel gericht op punt 120 van het bestreden arrest.
59 Om die reden volstaat het betoog van rekwirant niet om aan te tonen dat het Gerecht geen onpartijdige en effectieve rechterlijke toetsing heeft verricht van het bij het verzoekschrift gevoegde aanvullende bewijs van het daadwerkelijke levensonderhoud van C, noch dat rekwirant de afwijzing van die bewijzen ontoereikend heeft gemotiveerd.
60 Hieruit volgt dat dit betoog niet ter zake dienend is en dat het derde middel van de hogere voorziening derhalve moet worden afgewezen.
61 Uit een en ander volgt dat alleen het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening moeten worden aanvaard. Aangezien deze twee onderdelen zijn gericht tegen het antwoord van het Gerecht op het vierde middel van het beroep moet het bestreden arrest dus worden vernietigd voor zover daarbij dit vierde middel is afgewezen en moet de hogere voorziening worden afgewezen voor het overige.
Beroep bij het Gerecht
62 Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, ingeval het de beslissing van het Gerecht vernietigt, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel deze voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.
63 In casu dient het Hof de zaak, die in staat van wijzen is, zelf af te doen.
64 Zoals blijkt uit punt 61 van het onderhavige arrest stelt de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest door het Hof dit laatste arrest enkel ter discussie voor zover hierbij het vierde middel van het beroep in eerste aanleg is afgewezen. Het voorwerp van het geding waarover het Hof nog uitspraak dient te doen na de vernietiging is dus beperkt tot de in dat vierde middel geformuleerde betwisting van het litigieuze besluit (zie naar analogie arrest van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punten 138 en 139).
65 Met het vierde middel van zijn beroep, zoals aangevuld in repliek, betoogt rekwirant met name dat – gelet op het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022 houdende nietigverklaring van het nationale besluit tot beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin, waarbij de Roemeense kinderbeschermingsautoriteiten een einde hadden gemaakt aan de maatregel waarbij de kinderen A en B bij rekwirant in een pleeggezin waren geplaatst – de Commissie van hem geen terugbetaling kon vorderen van de toelagen die hij had ontvangen voor het onderhoud van A gedurende de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 juli 2013 en voor het onderhoud van B voor de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 maart 2013.
66 In de eerste plaats is in punt 34 van het onderhavige arrest aangegeven dat, op grond van het vonnis van de Tribunal București van 16 mei 2022, de kinderen A en B moeten worden geacht na 30 januari 2013 in het pleeggezin van rekwirant te zijn gebleven.
67 In de tweede plaats blijkt uit dit definitieve vonnis dat de plaatsing in het pleeggezin van rekwirant voor A eindigde op 13 mei 2014 en voor B op 28 juli 2013.
68 Bijgevolg was de Commissie niet gerechtigd om de terugvordering te gelasten van de aan rekwirant betaalde gezinstoelagen voor het onderhoud van A van 1 februari 2013 tot en met 31 juli 2013 en voor het onderhoud van B van 1 februari 2013 tot en met 31 maart 2013.
69 Derhalve moet het litigieuze besluit in zoverre nietig worden verklaard.
Kosten
70 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het de zaak zelf afdoet.
71 Artikel 138 van dit Reglement, dat krachtens artikel 84, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, luidt als volgt: „1. Voor zover dit is gevorderd, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. 2. Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Hof het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten. 3. Indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, draagt elke partij haar eigen kosten. Indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, kan het Hof beslissen dat een partij naast in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.”
72 Aangezien de Commissie gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van AL niet alleen in haar eigen kosten te worden verwezen maar ook in de helft van de kosten van AL in verband met zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 april 2024, AL/Commissie (T‑50/22, EU:T:2024:220), wordt vernietigd voor zover daarbij het vierde middel in eerste aanleg is verworpen.
2) De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.
3) Het besluit van de Europese Commissie van 22 oktober 2021 wordt nietig verklaard voor zover daarbij terugvordering is gelast van de gezinstoelagen die aan AL zijn betaald voor het onderhoud van A van 1 februari 2013 tot en met 31 juli 2013 en voor het onderhoud van B van 1 februari 2013 tot en met 31 maart 2013.
4) De Europese Commissie draagt, naast haar eigen kosten, de helft van de kosten van AL in verband met zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 29 januari 2026, C-727/23, ECLI:EU:C:2026:58
- HvJ EU 18 december 2025, C-136/24, ECLI:EU:C:2025:977
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-71/23, ECLI:EU:C:2025:601
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-541/22, ECLI:EU:C:2024:820
- HvJ EU 30 mei 2017, C-45/15, ECLI:EU:C:2017:402
- HvJ EU 21 januari 2016, C-603/13, ECLI:EU:C:2016:38
- HvJ EU 15 april 2010, C-485/08, ECLI:EU:C:2010:188
- HvJ EU 1 juli 2008, C-341/06, ECLI:EU:C:2008:375
- HvJ EU 18 juli 2007, C-326/05, ECLI:EU:C:2007:443
- HvJ EU 7 februari 1979, 15/76, ECLI:EU:C:1979:29