HvJ EU 7 november 2024, C-289/23, ECLI:EU:C:2024:934

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

7 november 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Richtlijn (EU) 2019/1023 – Procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld – Artikel 1, lid 4 – Onderwerp en toepassingsgebied – Uitbreiding van de procedures tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn – Artikel 20 – Toegang tot kwijtschelding van schuld – Artikel 23, leden 1, 2 en 4 – Afwijkingen – Uitsluiting van specifieke categorieën van schuldvorderingen van kwijtschelding van schuld – Insolvente natuurlijke persoon – Goede trouw van de schuldenaar – Voorwaarden voor toegang tot kwijtschelding van schuld – Uitsluiting van publieke schuldvorderingen”

In de gevoegde zaken C‑289/23, [Corván] i en C‑305/23 [Bacigán] ( i ),

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante (handelsrechter Alicante, Spanje) (C‑289/23) en de Juzgado de lo Mercantil no 10 de Barcelona (handelsrechter Barcelona, Spanje) (C‑305/23) bij beslissingen van 25 april 2023 en 2 mei 2023, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 25 april 2023 en 15 mei 2023, in de procedures

Agencia Estatal de la Administración Tributaria

tegen

A (C‑289/23),

en

S.E.I.

tegen

Agencia Estatal de la Administración Tributaria (C‑305/23),

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend president van de Tweede kamer, M. L. Arastey Sahún, president van de Vijfde kamer, en J. Passer, rechter,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Ballesteros Panizo en A. Gavela Llopis als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. L. Buendía Sierra, L. Malferrari en G. von Rintelen als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 mei 2024,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 1, lid 4, en artikel 23, leden 1, 2 en 4, van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PB 2019, L 172, blz. 18).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen A (C‑289/23) en S.E.I. (C‑305/23) enerzijds, en de Agencia Estatal de Administración Tributaria (belastingdienst, Spanje) (hierna: „AEAT”) anderzijds, over verzoeken tot kwijtschelding van schuld die A en S.E.I. hebben ingediend in de loop van insolventieprocedures die respectievelijk tegen hen zijn ingeleid.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 21 en 78 tot en met 81 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie luiden: „(21) Consumenten met een overmatige schuldenlast vormen een groot economisch en sociaal probleem dat nauw samenhangt met de reductie van de schuldenberg. Het is bovendien vaak niet mogelijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen de schulden die door ondernemers bij de uitoefening van hun handels-, bedrijfs-, ambachts‑ of beroepsactiviteit zijn aangegaan en de schulden die buiten die activiteiten zijn aangegaan. Ondernemers zouden een tweede kans niet op doeltreffende wijze kunnen benutten indien zij afzonderlijke procedures moeten doorlopen, met verschillende toegangsvoorwaarden en kwijtscheldingsperioden, om hun zakelijke schulden en de overige schulden die zij zijn aangegaan buiten hun zakelijke activiteiten heen te kwijten. Om die redenen, en hoewel deze richtlijn geen bindende regels inzake overmatige schuldenlast van consumenten bevat, is het aangeraden dat de lidstaten de bepalingen van deze richtlijn inzake de kwijtschelding van schuld ook zo spoedig mogelijk op consumenten gaan toepassen. […] (78) Volledige kwijtschelding van schuld of het einde van het beroepsverbod na een periode van niet langer dan drie jaar is niet in alle omstandigheden passend, en derhalve kan het nodig zijn afwijkingen van deze regel die naar behoren zijn gemotiveerd met in de nationale wetgeving neergelegde redenen, in te stellen. Dergelijke afwijkingen moeten bijvoorbeeld worden ingesteld indien de schuldenaar oneerlijk is of te kwader trouw heeft gehandeld. Indien ondernemers krachtens nationaal recht niet het vermoeden van eerlijkheid en goede trouw genieten, mag de bewijslast voor de eerlijkheid en goede trouw het hun niet onnodig moeilijk of lastig maken om toegang tot de procedure te verkrijgen. (79) Bij het bepalen of een ondernemer oneerlijk is geweest, kunnen de rechterlijke of administratieve instanties rekening houden met omstandigheden zoals: de aard en de omvang van de schuld; het moment waarop de schuld is aangegaan; de inspanningen van de ondernemer om de schuld af te betalen en te voldoen aan de wettelijke verplichtingen, onder meer op het gebied van vergunningsvereisten en de noodzaak van een correcte boekhouding; de vraag of de ondernemer actie heeft ondernomen om verhaal van de schuldeisers te bemoeilijken; de nakoming van verplichtingen bij kans op insolventie die rusten op ondernemers die bestuurders van een onderneming zijn; en de conformiteit met mededingings‑ en arbeidsrecht van de Unie en de lidstaten. Het moet ook mogelijk zijn afwijkingen in te stellen, indien de ondernemer zich niet van bepaalde wettelijke verplichtingen heeft gekweten, zoals verplichtingen om het rendement voor de schuldeisers te maximaliseren; deze kunnen de vorm aannemen van een algehele verplichting om inkomen of activa te genereren. Bovendien zou het mogelijk moeten zijn speciale afwijkingen in te stellen indien het noodzakelijk is de rechten van de schuldenaar en de rechten van een of meer schuldeisers in evenwicht te houden, bijvoorbeeld indien de schuldeiser een natuurlijke persoon is die meer bescherming behoeft dan de schuldenaar. (80) Een afwijking kan eveneens te rechtvaardigen zijn indien de kosten van de procedure die tot een kwijtschelding van schuld leidt, met inbegrip van de vergoedingen voor de rechterlijke en de administratieve instanties en de deskundigen, niet worden gedekt. De lidstaten moeten over de mogelijkheid beschikken om in het nationaal recht te bepalen dat de voordelen van die kwijtschelding kunnen worden ingetrokken indien, bijvoorbeeld, de financiële situatie van de schuldenaar aanmerkelijk verbetert door onvoorziene omstandigheden, zoals loterijwinst of het verkrijgen van een erfenis of een schenking. De lidstaten mag niet worden belet om in welomschreven omstandigheden en op voorwaarde dat zulks naar behoren is gemotiveerd, in extra afwijkingen te voorzien. (81) Indien in het nationaal recht een naar behoren gemotiveerde grond is neergelegd, kan het passend zijn de mogelijkheid tot kwijtschelding voor bepaalde soorten schuld te beperken. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben door een zekerheid gedekte schulden uit te sluiten als voor kwijtschelding in aanmerking komende schulden voor ten hoogste de waarde van de zekerheid als vastgesteld in het nationaal recht, terwijl de rest van de schuld dient te worden behandeld als niet door een zekerheid gedekte schuld. De lidstaten moeten, indien zulks naar behoren is gemotiveerd, nog meer categorieën van schulden kunnen uitsluiten.”

4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt: „1. Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld betreffende: […] b) procedures die tot kwijtschelding van schuld voor insolvente ondernemers leiden; en […] 2. Deze richtlijn is niet van toepassing op in lid 1 van dit artikel bedoelde procedures die betrekking hebben op schuldenaren die: […] h) natuurlijke personen, maar geen ondernemers zijn. […] 4. De lidstaten kunnen de toepassing van de in lid 1, onder b), bedoelde procedures uitbreiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn. […]”

5 Titel III van deze richtlijn, met als opschrift „Kwijtschelding van schuld en beroepsverboden”, bevat de artikelen 20 tot en met 24.

6 Artikel 20 van deze richtlijn, met als opschrift „Toegang tot kwijtschelding van schuld”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat insolvente ondernemers toegang hebben tot ten minste één procedure die tot volledige kwijtschelding van schuld overeenkomstig deze richtlijn kan leiden. De lidstaten kunnen verlangen dat de handels-, bedrijfs-, ambachts‑ of beroepsactiviteit waarop de schulden van een insolvente ondernemer betrekking hebben, is stopgezet. 2. De lidstaten waar volledige kwijtschelding van schuld afhangt van gedeeltelijke terugbetaling van schuld door de ondernemer, zorgen ervoor dat de betrokken terugbetalingsverplichting gebaseerd is op de individuele situatie van de ondernemer, en met name in verhouding staat tot het voor beslag vatbare of het beschikbare inkomen en de activa van de ondernemer tijdens de kwijtscheldingsperiode, en het billijke belang van de schuldeisers in aanmerking neemt. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemers die kwijtschelding van schuld hebben verkregen toegang hebben tot toepasselijke en actuele informatie over bestaande nationale regelingen die voorzien in bedrijfssteun voor ondernemers, en dat zij van dergelijke regelingen kunnen profiteren.”

7 Artikel 23 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, met als opschrift „Afwijkingen”, luidt als volgt: „1. In afwijking van de artikelen 20, 21 en 22 handhaven of introduceren de lidstaten bepalingen tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden indien de insolvente ondernemer bij het aangaan van de schulden, tijdens de insolventieprocedure of bij het terugbetalen van de schulden naar nationaal recht oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld tegenover schuldeisers of andere belanghebbenden, onverminderd de nationale bewijslastregels. 2. In afwijking van de artikelen 20, 21 en 22 kunnen de lidstaten bepalingen handhaven of introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, zulks alleen in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld indien: a) de insolvente ondernemer zijn verplichtingen krachtens een terugbetalingsplan of een andere wettelijke verplichting ter bescherming van de belangen van schuldeisers, onder meer de verplichting om het rendement voor de schuldeisers te maximaliseren, wezenlijk heeft geschonden; b) de insolvente ondernemer zich niet houdt aan informatie‑ of samenwerkingsverplichtingen uit hoofde van Unierecht en nationaal recht; c) er te kwader trouw ingediende kwijtscheldingsaanvragen zijn; d) er een nieuwe kwijtscheldingsaanvraag is binnen een bepaalde termijn nadat aan de insolvente ondernemer volledige kwijtschelding van schuld was toegekend of nadat een volledige kwijtschelding van schuld was geweigerd vanwege een ernstige schending van de informatie‑ of samenwerkingsverplichtingen; e) de kosten van de procedure inzake kwijtschelding van schuld niet zijn gedekt; of f) een afwijking noodzakelijk is om de rechten van de schuldenaar en de rechten van een of meer schuldeisers in evenwicht te houden. […] 4. De lidstaten kunnen specifieke categorieën schulden uitsluiten van kwijtschelding van schuld, of de toegang ervan tot kwijtschelding van schuld beperken of de kwijtscheldingsperiode ervan verlengen indien die uitsluitingen, beperkingen of verlengingen naar behoren zijn gerechtvaardigd, bijvoorbeeld in het geval van: a) door een zekerheid gedekte schulden; b) schulden die ontstaan uit of verband houden met strafrechtelijke boeten; c) schulden die ontstaan uit aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad; d) schulden in verband met onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap; e) schulden die zijn ontstaan na de aanvraag tot kwijtschelding van schuld of na de opening van de procedure die tot kwijtschelding van schuld leidt; en f) schulden die ontstaan uit de verplichting tot betaling van de kosten van de procedure die tot kwijtschelding van schuld leidt. […]”

Spaans recht

TRLC

8 De wet die ratione temporis van toepassing is op de hoofdgedingen is Real Decreto Legislativo 1/2020 por el que se aprueba el texto refundido de la Ley Concursal (koninklijk wetgevend besluit 1/2020 tot vaststelling van de geconsolideerde tekst van de insolventiewet) van 5 mei 2020 (BOE nr. 127 van 7 mei 2020, blz. 31518), zoals gewijzigd bij Ley 16/2022 de reforma del texto refundido de la Ley Concursal aprobado por el Real Decreto Legislativo 1/2020, para la transposición de la Directiva 2019/1023 (wet 16/2022 tot herziening van de geconsolideerde tekst van de insolventiewet, goedgekeurd door koninklijk wetgevend besluit 1/2020, met het oog op de omzetting van [de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie]) van 5 september 2022 (BOE nr. 214 van 6 september 2022, blz. 123682) (hierna: „TRLC”).

9 De preambule van wet 16/2022 luidt: „[…] […] Wanneer de insolvente schuldenaar een natuurlijke persoon is, heeft de insolventieprocedure tot doel schuldenaren te goeder trouw te identificeren en hun een gedeeltelijke kwijtschelding van hun schulden aan te bieden, om hen zo een tweede kans te geven en te voorkomen dat ze terechtkomen in de zwarte economie of de marginaliteit. […] De [richtlijn betreffende herstructurering en insolventie] verplicht alle lidstaten een mechanisme in te voeren dat schuldenaren een tweede kans biedt om te voorkomen dat zij in de verleiding worden gebracht te verhuizen naar een ander land waar reeds een dergelijk mechanisme bestaat, met alle kosten van dien voor zowel de schuldenaar als zijn schuldeisers. Daarnaast wordt homogenisering op dit gebied essentieel geacht voor de werking van de Europese interne markt. Een van de meest radicale wijzigingen in de nieuwe regelgeving is dat, in plaats van kwijtschelding afhankelijk te maken van de voldoening van een bepaald soort schuld (zoals bepaald in artikel 487, lid 2, van de geconsolideerde tekst van de insolventiewet), een systeem van kwijtschelding op grond van verdienste wordt aangenomen waarbij elke schuldenaar, ongeacht of hij ondernemer is of niet, op voorwaarde dat hij voldoet aan het vereiste van goede trouw waarop deze instelling is gebaseerd, toegang heeft tot kwijtschelding van al zijn schulden, met uitzondering van de schulden die, bij wijze van uitzondering en wegens hun bijzondere aard, geacht worden wettelijk niet voor kwijtschelding in aanmerking te komen. De reeds in 2015 door de Spaanse wetgever aanvaarde mogelijkheid om kwijtschelding te verlenen aan iedere schuldenaar die een natuurlijke persoon te goeder trouw is, ongeacht of hij ondernemer is of niet, wordt gehandhaafd. […] De goede trouw van de schuldenaar blijft de hoeksteen van de kwijtschelding. In overeenstemming met de aanbevelingen van internationale instanties wordt een normatieve afbakening van de goede trouw vastgesteld aan de hand van bepaalde objectieve gedragingen die limitatief worden opgesomd (gesloten lijst), zonder toevlucht te nemen tot gedragsmodellen die vaag of onvoldoende specifiek zijn of waarvan het bewijs een onmogelijke last legt op de schuldenaar. […] […] Kwijtschelding van schuld wordt uitgebreid tot alle schuldvorderingen in het kader van de collectieve procedure en vorderingen op de boedel. Uitzonderingen zijn, in bepaalde gevallen, gebaseerd op het bijzondere belang van de voldoening ervan voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat (zoals onderhoudsschulden, schulden voortvloeiend uit publiekrechtelijke schuldvorderingen, schulden ontstaan uit strafbare feiten of schulden ontstaan uit aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad). Zo is de kwijtschelding van schuld met betrekking tot publiekrechtelijke schuldvorderingen aan bepaalde beperkingen onderworpen en kan zij alleen plaatsvinden bij de eerste kwijtschelding van schuld, en niet bij latere kwijtscheldingen. In andere gevallen wordt de uitzondering gerechtvaardigd door de synergieën of negatieve externe effecten die zouden kunnen voortvloeien uit de kwijtschelding van bepaalde soorten schulden: de kwijtschelding van schuld wegens gerechtskosten die voortvloeien uit de behandeling van de kwijtschelding zelf zou bepaalde derden (bijvoorbeeld advocaten) kunnen ontmoedigen om daartoe samen te werken met de schuldenaar, wat nadelig zou zijn voor de toegang van de gefailleerde tot het dossier. Evenzo zou de kwijtschelding van schuld waarvoor zakelijke zekerheden zijn gesteld, zonder enige grondslag afbreuk doen aan een van de hoekstenen van de toegang tot krediet en dus van de goede werking van moderne economieën, namelijk de onvatbaarheid van schuldeisers met een solide zakelijke zekerheid voor de wisselvalligheden die gepaard gaan met de insolventie of het in gebreke blijven van schuldenaren. Ten slotte mag de rechter bij wijze van uitzondering bepalen dat bepaalde schulden geheel of gedeeltelijk niet worden kwijtgescholden wanneer dit noodzakelijk is om de insolventie van de schuldeiser te voorkomen. […]”

10 Artikel 486 TRLC luidt als volgt: „Een natuurlijke persoon die schuldenaar is, al dan niet ondernemer, kan om kwijtschelding van onbetaalde schulden verzoeken onder de voorwaarden die in deze wet zijn vastgelegd, op voorwaarde dat hij een schuldenaar te goeder trouw is: 1.° [d]oor zich te onderwerpen aan een betalingsplan zonder voorafgaande vereffening van de boedel, in overeenstemming met de schuldkwijtscheldingsregeling waarnaar wordt verwezen in onderafdeling 1.a van afdeling 3.a hieronder; of 2.° [d]oor de vereffening van de boedel, in welk geval de kwijtschelding van schuld onderworpen zal zijn aan de regeling bedoeld in onderafdeling 2.a van afdeling 3.a hieronder, indien de oorzaak van de afsluiting van de insolventieprocedure het einde van de vereffeningsfase van de boedel of de ontoereikendheid van deze laatste is om de vorderingen van de boedel te voldoen.”

11 Artikel 487 TRLC is als volgt geformuleerd: „1. De schuldenaar komt niet in aanmerking voor kwijtschelding van niet-voldane schulden: 1.° [w]anneer hij in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij een onherroepelijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, zelfs indien deze is opgeschort of vervangen, wegens vermogensdelicten en delicten tegen de sociaaleconomische orde, vervalsing van documenten, delicten tegen de schatkist en de sociale zekerheid of tegen de rechten van werknemers, op voorwaarde dat de maximumstraf voor het delict drie jaar of meer bedraagt, tenzij op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag de strafrechtelijke aansprakelijkheid is vervallen en de uit het delict voortvloeiende financiële verplichtingen zijn nagekomen[;] 2.° [w]anneer hem in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd voor een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde periode een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij hij op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag zijn schulden volledig heeft voldaan. In geval van ernstige inbreuken kunnen schuldenaren aan wie een sanctie is opgelegd voor een bedrag van meer dan vijftig procent van het in artikel 489, lid 1, punt 5, bedoelde bedrag dat voor kwijtschelding door het [AEAT] in aanmerking komt, slechts kwijtschelding verkrijgen indien zij op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag alle onder hun verantwoordelijkheid vallende schulden hebben voldaan[;] 3.° [w]anneer de insolventie frauduleus is verklaard. Indien de insolventie echter alleen op grond van het feit dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan de verplichting om tijdig te verzoeken om een faillietverklaring, frauduleus is verklaard, kan de rechter rekening houden met de omstandigheden waarin de vertraging zich heeft voorgedaan[;] 4.° [w]anneer de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag als belanghebbende is aangemerkt in het vonnis waarbij de insolventie van een derde als frauduleus is gekwalificeerd, tenzij de schuldenaar op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag alle schulden waarvoor hij verantwoordelijk is, heeft voldaan[;] 5.° [w]anneer hij de verplichting tot samenwerking en informatieverstrekking jegens de insolventierechter en de insolventiefunctionaris niet is nagekomen[;] 6.° [w]anneer hij onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt of zich onvoorzichtig of nalatig heeft gedragen bij het aangaan van een schuld of het nakomen van zijn verplichtingen, zelfs zonder dat daarvoor een uitspraak nodig was waarbij insolventie als frauduleus is gekwalificeerd. […] […] 2. In de in de punten 3 en 4 van het vorige lid bedoelde gevallen schort de rechter, indien de kwalificatie nog niet definitief is, de beslissing tot kwijtschelding van schuld op totdat de kwalificatie definitief is. […]”

12 Artikel 489 TRLC luidt als volgt: „1. De kwijtschelding van schuld strekt zich uit tot alle uitstaande schulden, met uitzondering van de volgende: […] 2.° [s]chulden wegens uit een delict voortvloeiende civielrechtelijke aansprakelijkheid[;] […] 5.° [s]chulden die voortvloeien uit publiekrechtelijke schuldvorderingen. Schulden waarvoor het beheer van de invordering onder de bevoegdheid van het [AEAT] valt, kunnen echter worden kwijtgescholden tot een maximumbedrag van 10000 EUR per schuldenaar, waarbij de kwijtschelding voor de eerste 5000 EUR volledig is en voor het resterende bedrag vijftig procent van de schuld tot het aangegeven maximum bedraagt. Ook socialezekerheidsschulden kunnen voor hetzelfde bedrag en onder dezelfde voorwaarden worden kwijtgescholden. De kwijtschelding, tot het bedrag van het voornoemde plafond, gebeurt in omgekeerde volgorde van de bij deze wet vastgelegde volgorde van prioriteit en, binnen elke klasse, op basis van ouderdom[;] 6.° [s]chulden voor geldboeten waartoe de schuldenaar in een strafrechtelijke procedure is veroordeeld en voor zeer zware administratieve sancties[;] 7.° [s]chulden in verband met gerechtskosten en kosten in verband met de behandeling van de kwijtscheldingsaanvraag[;] […] 3. Een publiekrechtelijke schuldvordering kan worden kwijtgescholden tot het in de tweede zin van lid 1, punt 5, vastgestelde bedrag, maar alleen bij de eerste kwijtschelding; er kan geen bedrag worden kwijtgescholden bij daaropvolgende kwijtscheldingen die dezelfde schuldenaar zou kunnen verkrijgen.”

13 Artikel 493 TRLC luidt als volgt: „1. Elke schuldeiser die bij de kwijtschelding van schuld betrokken is, heeft het recht de insolventierechter om herroeping van de kwijtschelding van schuld te verzoeken in de volgende gevallen: […] 3.° Indien op het tijdstip van het verzoek een strafrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure als bedoeld in artikel 487, lid 1, punten 1 en 2, aanhangig is en indien binnen drie jaar na de kwijtschelding in het geval van het niet-bestaan of de vereffening van de actieve boedel, of na de voorlopige kwijtschelding in het geval van een aflossingsplan, een onherroepelijke veroordeling of een onherroepelijke administratieve beslissing is uitgesproken. 2. Er kan niet om herroeping worden verzocht na het verstrijken van een termijn van drie jaar vanaf de kwijtschelding met liquidatie van de actieve boedel, of de voorlopige kwijtschelding in het geval van een terugbetalingsplan.”

Algemene belastingwet

14 Artikel 43, lid 1, onder b), van Ley 58/2003 General Tributaria (algemene belastingwet 58/2003) van 17 december 2003 (BOE nr. 302 van 18 december 2003, blz. 44987), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „algemene belastingwet”), bepaalt: „De volgende personen of entiteiten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschuld: […] b) [d]e wettelijke of feitelijke bestuurders van rechtspersonen die hun activiteiten hebben gestaakt, met betrekking tot de fiscale verplichtingen van deze rechtspersonen die zijn ontstaan en die op het moment van de beëindiging van de activiteiten nog openstaan, wanneer zij niet de nodige maatregelen hebben genomen voor de betaling ervan of overeenkomsten hebben gesloten of maatregelen hebben genomen die tot niet-betaling leiden”.

15 Artikel 191 van de algemene belastingwet bepaalt: „1. Het is een fiscaal delict om de belastingschuld die zou moeten voortvloeien uit de correcte verlegging van de belasting, niet geheel of gedeeltelijk te betalen binnen de termijn die in de regelgeving voor elke belasting is vastgesteld, tenzij deze is geregulariseerd overeenkomstig artikel 27 van deze wet of artikel 161, lid 1, onder b), van deze wet van toepassing is. […] Het in dit artikel bedoelde fiscale delict is licht, ernstig of zeer ernstig overeenkomstig de bepalingen van de volgende leden. De grondslag van de sanctie is het bedrag dat niet in de verleggingsregeling is opgenomen als gevolg van het plegen van het delict. […] 4. Het delict is zeer ernstig wanneer gebruik is gemaakt van frauduleuze middelen. Het delict is ook zeer ernstig, zelfs als er geen frauduleuze middelen zijn gebruikt, als de ingehouden bedragen of de bedragen die hadden moeten worden ingehouden, niet zijn betaald, of voorschotten [niet zijn betaald], op voorwaarde dat de ingehouden en niet-betaalde bedragen alsmede de in rekening gebrachte en niet-betaalde voorschotten meer dan 50 % vertegenwoordigen van het bedrag van de grondslag van de sanctie. […]”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑289/23, Corván

16 Op 7 juli 2022 heeft A verzocht om de inleiding van een insolventieprocedure tegen hem en melding gemaakt van schulden ten belope van 537787,69 EUR. Op 26 juli 2022 heeft de verwijzende rechter deze schuldenaar failliet verklaard en die procedure beëindigd wegens ontoereikend actief. Op 28 september 2022 heeft de schuldenaar verzocht om volledige kwijtschelding van schuld. Op 19 oktober 2022 heeft de verwijzende rechter het verzet van het AEAT tegen de kwijtschelding van schuld wegens het bestaan van diverse publiekrechtelijke schuldvorderingen ontvankelijk verklaard.

17 Voor de verwijzende rechter heeft het AEAT aangevoerd dat de reden van dit verzet was gelegen in het feit dat minder dan tien jaar eerder op grond van artikel 43 van de algemene belastingwet een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid was genomen voor een totaalbedrag van 114408,09 EUR aan belastingschulden en geldboeten die verschuldigd waren door de vennootschap waarvan A bestuurder was, en dat de schuldenaar bijgevolg niet te goeder trouw was. Het AEAT heeft hieraan toegevoegd dat een deel van de betrokken schulden publiekrechtelijke schuldvorderingen waren en daarom niet in aanmerking kwamen voor kwijtschelding van schuld.

18 De verwijzende rechter merkt in het bijzonder op dat het Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij arrest nr. 381/2019 van 2 juli 2019 (ES:TS:2019:2253) heeft geoordeeld dat de Spaanse wetgever bij de omzetting van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie in Spaans recht heeft gekozen voor een normatief model van „goede trouw”, zodat kwade trouw voortvloeit uit de vaststelling van een reeks bij wet bepaalde omstandigheden. De rechters zijn dus niet bevoegd om de omstandigheden te beoordelen die de toegang tot kwijtschelding van schuld verhinderen, en hun taak beperkt zich tot het bepalen of er sprake is van de wettelijk bepaalde omstandigheden. Het begrip „goede trouw” houdt dus geen verband met het algemene begrip in het burgerlijk wetboek, maar met de naleving van bepaalde voorwaarden. In de wetgeving die onmiddellijk vóór deze omzetting van kracht was, werd een schuldenaar geacht te goeder trouw te zijn wanneer was voldaan aan twee voorwaarden, te weten dat, ten eerste, er geen sprake was van frauduleuze insolventie en, ten tweede, de schuldenaar niet bij onherroepelijk vonnis voor bepaalde strafbare feiten was veroordeeld. Bijgevolg is de paradox van de genoemde omzetting dat zij een restrictiever stelsel van toegang tot schuldkwijtschelding heeft ingevoerd dan het stelsel dat gold vóór die omzetting, wat ernstige twijfels doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met het Unierecht.

19 Bovendien is de verwijzende rechter van oordeel dat in casu de omzetting van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie kan hebben gediend om een systeem in te voeren dat de betaling moet stimuleren van schuldvorderingen die de overheid in geval van insolventie moeilijk zou kunnen innen, en dat dit systeem niet is gebaseerd op het begrip „goede trouw” van de schuldenaar. Deze rechter vraagt zich af of een dergelijke omzetting verenigbaar is met artikel 23, lid 2, van deze richtlijn en heeft ook een aantal twijfels over de uitlegging van artikel 23, lid 4, van die richtlijn.

20 Daarop heeft de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Alicante (handelsrechter Alicante, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Twijfels over de uitlegging van artikel 23, lid 2, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie]. a) Moet artikel 23, lid 2, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding belet in de in artikel 487, lid 1, punt 2, [TRLC] bedoelde zin, voor zover die beperking niet was opgenomen in de vóór de omzetting van [die] richtlijn van kracht zijnde regeling waarin het recht op kwijtschelding werd erkend, en door de wetgever ex novo is ingevoerd? Kan de nationale wetgever bij de omzetting van [die] richtlijn met name strengere beperkingen op de toegang tot kwijtschelding vaststellen dan die welke in de eerdere regeling van toepassing waren, in het bijzonder wanneer een dergelijke beperking niet overeenstemt met een van de in artikel 23, lid 2, van [die] richtlijn bedoelde omstandigheden? b) Indien het Hof de voorgaande vraag ontkennend beantwoordt, moet artikel 23, lid 2, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding belet wanneer [de schuldenaar] in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd wegens een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde termijn een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij hij op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag de betreffende schulden volledig heeft voldaan (artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC), voor zover die grond het systeem voor de rangschikking van insolventievorderingen wijzigt? c) Indien het Hof de voorgaande vraag ontkennend beantwoordt, moet artikel 23, lid 2, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding belet in de in artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC bedoelde zin wanneer […] een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij [de schuldenaar] op de datum van indiening van de kwijtscheldingsaanvraag de betreffende schulden volledig heeft voldaan, voor zover die omstandigheid niet geschikt is om de kwade trouw van de schuldenaar aan te tonen? Is het in dit verband relevant dat er bij de insolventie geen sprake was van kwaad opzet? d) Indien het Hof de voorgaande vraag ontkennend beantwoordt, moet artikel 23, lid 2, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding belet in de in artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC bedoelde zin in geval van inbreuken of van besluiten tot uitbreiding van aansprakelijkheid die in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag zijn vastgesteld, zonder rekening te houden met de datum van het feit dat de aansprakelijkheid heeft doen ontstaan en met de eventuele vertraging bij het vaststellen van het besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid? e) Indien het Hof de voorgaande vragen ontkennend beantwoordt, moet artikel 23, lid 2, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding belet in de in artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC bedoelde zin, voor zover die beperking door de nationale wetgever niet naar behoren is gerechtvaardigd? 2) Twijfels over de uitlegging van artikel 23, lid 4, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie]. a) Moet artikel 23, lid 4, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling als die van artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC, waarin gronden voor weigering van kwijtschelding worden vastgesteld die niet zijn opgenomen in de lijst van dat artikel 23, lid 4? Moet de lijst van gronden in [genoemd] artikel 23, lid 4, met name worden uitgelegd als een numerus clausus, dan wel als een numerus apertus? b) Voor zover de lijst een numerus apertus is en de nationale wetgever kan voorzien in uitzonderingen die verder gaan dan die waarin de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] voorziet, verzet artikel 23, lid 4, van [deze] richtlijn zich dan tegen een nationale regeling die een algemene regel instelt volgens welke publiekrechtelijke schuldvorderingen niet in aanmerking komen voor kwijtschelding, behoudens in een zeer beperkt aantal omstandigheden en voor geringe bedragen, ongeacht de aard en de omstandigheden van de desbetreffende publiekrechtelijke schulden? Is het in casu met name relevant dat de eerdere regeling, zoals uitgelegd in de rechtspraak van de Tribunal Supremo [hoogste rechterlijke instantie, Spanje], tot op zekere hoogte kwijtschelding van publiekrechtelijke schuldvorderingen toestond en de omzettingsbepalingen de omvang van de kwijtschelding hebben beperkt? c) Indien het Hof de voorgaande vraag ontkennend beantwoordt, moet artikel 23, lid 4, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] dan worden geacht zich te verzetten tegen een nationale regeling als die van artikel 489, lid 1, punt 5, TRLC, die een algemene regel instelt volgens welke publiekrechtelijke schuldvorderingen zijn uitgesloten van kwijtschelding (met bepaalde uitzonderingen, waarop de volgende vraag betrekking heeft), voor zover daarbij publieke schuldeisers worden bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers? d) Is het in het bijzonder, ook in verband met de vorige vraag, relevant dat de regeling kwijtschelding van publiekrechtelijke schulden tot op zekere hoogte toestaat, maar uitsluitend voor bepaalde schulden en binnen specifieke grenzen die niet in relatie staan tot het werkelijke bedrag van de schuld? e) Moet artikel 23, lid 4, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling als die van artikel 489, lid 1, punt 5, TRLC, voor zover [de uitsluiting van] de kwijtschelding [van publiekrechtelijke schuldvorderingen] wordt gerechtvaardigd door het bijzonder belang van de voldoening van bepaalde schulden voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat en die regeling in algemene zin betrekking heeft op publiekrechtelijke schuldvorderingen, zonder rekening te houden met de specifieke aard van de schuldvordering? Is het in dit verband relevant dat de generieke rechtvaardiging wordt gebruikt voor zowel schulden die zijn opgenomen in de lijst van artikel 23, lid 4, van [die] richtlijn als omstandigheden of schulden die niet in die lijst worden vermeld?”

Zaak C‑305/23, Bacigán

21 S.E.I., een natuurlijke persoon die insolvent is geworden, heeft om kwijtschelding van schuld verzocht in het kader van een insolventieprocedure tegen hem. S.E.I., die voordien een zelfstandige economische activiteit had uitgeoefend, was ten tijde van de inleiding van deze insolventieprocedure geen ondernemer meer.

22 In het kader van die insolventieprocedure en na de volledige liquidatie van zijn vermogen, met inbegrip van zijn woning, heeft S.E.I. op 18 oktober 2022 verzocht om volledige kwijtschelding van de op die datum nog openstaande schulden. Het AEAT heeft zich verzet tegen dit verzoek omdat S.E.I. niet kon worden aangemerkt als een schuldenaar „te goeder trouw”, aangezien hem in de tien jaar voorafgaand aan die aanvraag bij een definitief administratief besluit een sanctie was opgelegd (een geldboete van 504,99 EUR) voor „zeer ernstige fiscale delicten” in de zin van artikel 191 van de algemene belastingwet, en deze geldboete ten tijde van de volledige kwijtscheldingsaanvraag niet was betaald.

23 De verwijzende rechter, bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, merkt in de eerste plaats op dat de Spaanse wetgever heeft gebruikgemaakt van de door artikel 1, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie geboden mogelijkheid, en de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde procedures voor kwijtschelding van schuld in de TRLC heeft uitgebreid tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn. In de tweede plaats vraagt hij zich om te beginnen af of deze richtlijn in een dergelijk geval aldus moet worden uitgelegd dat zij de nationale wetgever verplicht een op natuurlijke personen van toepassing zijnde regeling vast te stellen die de bepalingen van de artikelen 20 tot en met 24 van deze richtlijn eerbiedigt. Deze rechter vraagt zich vervolgens af of artikel 23 van deze richtlijn, en meer bepaald lid 1 ervan, aldus kan worden uitgelegd dat het begrip „oneerlijk of te kwader trouw” ook betrekking heeft op onzorgvuldig of onvoorzichtig gedrag van een schuldenaar. Ten slotte heeft de verwijzende rechter twijfels over de juiste uitlegging van artikel 23, lid 2, van die richtlijn en dan met name over de vraag of de onder a) tot en met f), genoemde omstandigheden al dan niet uitputtend zijn.

24 Daarop heeft de Juzgado de lo Mercantil no 10 de Barcelona (handelsrechter Barcelona, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Indien de nationale wetgever ervoor kiest om de toepassing van de procedures voor de kwijtschelding van schuld van insolvente ondernemers uit te breiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn, zoals voorzien in artikel 1, lid 4, van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie], moet hij dan noodzakelijkerwijs zijn regelgeving in overeenstemming brengen met de bepalingen van titel III van [deze] richtlijn? Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: 2) Omvat het begrip „oneerlijk gedrag” zoals bedoeld in artikel 23 van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] nalatig of onvoorzichtig gedrag van de schuldenaar waardoor een schuld is ontstaan? Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: 3) Vormen de gevallen die worden opgesomd in artikel 23, lid 2, onder a) tot en met f), van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] een uitputtende lijst van welomschreven en gerechtvaardigde omstandigheden, of kunnen de [lidstaten] andere welomschreven en gerechtvaardigde omstandigheden invoeren? Indien het antwoord op de derde vraag luidt dat [lidstaten] andere welomschreven en gerechtvaardigde omstandigheden kunnen invoeren die verschillen van de gevallen die worden opgesomd in artikel 23, lid 2, onder a) tot en met f), van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie]: 4) Moeten de nieuwe welomschreven omstandigheden die de [lidstaat] invoert in ieder geval hun rechtvaardiging vinden in oneerlijk gedrag of gedrag te kwader trouw? Indien het antwoord op de [derde en de vierde] vraag luidt dat [lidstaten] geen andere omstandigheden kunnen invoeren dan die welke worden opgesomd in artikel 23, lid 2, onder a) tot en met f), van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] of dat, als zij ander welomschreven omstandigheden invoeren, deze hun rechtvaardiging moeten vinden in oneerlijk gedrag of gedrag te kwader trouw van de schuldenaar: 5) Impliceert een uitlegging in overeenstemming met artikel 23 van de richtlijn [betreffende herstructurering en insolventie] dat een bepaling als artikel 487, lid 1, punt 2, van de geconsolideerde tekst van de [TRLC] buiten toepassing moet worden gelaten indien wordt vastgesteld dat het bijzonder ernstige fiscale delict het gevolg is van een gedraging van de schuldenaar die noch als oneerlijk gedrag, noch als gedrag te kwader trouw kan worden aangemerkt?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag, onder a), in zaak C‑289/23 en derde vraag in zaak C‑305/23

25 Met de eerste vraag, onder a), in zaak C‑289/23 en de derde vraag, in zaak C‑305/23 wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de erin opgenomen lijst al dan niet uitputtend is, en indien dat niet het geval is, of de lidstaten in het kader van de omzetting van die richtlijn in nationaal recht de mogelijkheid hebben om bepalingen te introduceren die de toegang tot kwijtschelding van schuld verder beperken dan de eerdere nationale regeling deed, door weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, door intrekking van kwijtschelding van schuld, of door verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden in andere omstandigheden dan de in artikel 23, lid 2, van die richtlijn neergelegde omstandigheden.

26 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de lijst in artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie al dan niet uitputtend is, moet worden vastgesteld dat deze lijst wordt ingeleid met het woord „bijvoorbeeld” en dat in de andere taalversies van deze bepaling termen met dezelfde betekenis worden gebruikt. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dus dat de verschillende daarin opgesomde omstandigheden niet limitatief, maar ter illustratie zijn opgesomd.

27 Deze letterlijke uitlegging van artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie vindt steun in overweging 80 van deze richtlijn, waarin staat te lezen dat de wetgever van de Europese Unie heeft geoordeeld dat de lidstaten „niet [mag] worden belet om in welomschreven omstandigheden en op voorwaarde dat zulks naar behoren is gemotiveerd, in extra afwijkingen te voorzien”.

28 Hieruit volgt dat artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van omstandigheden niet uitputtend is en dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken op basis waarvan zij bepalingen kunnen introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, zulks alleen in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn, mits het gaat om – zoals blijkt uit de bewoordingen van die bepaling – welomschreven omstandigheden en mits dergelijke afwijkingen naar behoren zijn gerechtvaardigd.

29 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de lidstaten bij de omzetting van de richtlijn betreffende insolventie en herstructurering in hun nationale recht een afwijking van de kwijtschelding van schuld mogen invoeren die niet bestond in de nationale regeling vóór die omzetting, teneinde de toegang tot het recht op kwijtschelding van schuld verder te beperken, moet worden vastgesteld dat noch deze richtlijn, noch de voorbereidende werkzaamheden daarvoor, aanwijzingen bevatten dat de Uniewetgever de beoordelingsmarge waarover de lidstaten dienaangaande beschikken heeft willen beperken door hen te beletten dergelijke afwijkingen in hun nationale recht in te voeren.

30 Integendeel, door in artikel 23, lid 2, van die richtlijn te bepalen dat de lidstaten onder bepaalde voorwaarden bepalingen tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden kunnen „handhaven of introduceren”, heeft de Uniewetgever de lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om dergelijke bepalingen – die voorheen niet bestonden – vast te stellen wanneer aan die voorwaarden is voldaan.

31 Wat genoemde voorwaarden betreft, stelt artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende insolventie en herstructurering de uitoefening van de bij dat artikel 23, lid 2, aan de lidstaten verleende bevoegdheid uitdrukkelijk afhankelijk van de voorwaarden dat de afwijkingen die zij vaststellen betrekking hebben op „bepaalde welomschreven omstandigheden” die „naar behoren gerechtvaardigd” zijn. Hieruit volgt dat wanneer de nationale wetgever dergelijke afwijkingen vaststelt, de redenen voor die afwijkingen moeten voortvloeien uit het nationale recht of uit de procedure die tot deze afwijkingen heeft geleid, en dat die redenen een legitiem openbaar belang moeten nastreven [zie in die zin arrest van 11 april 2024, Agencia Estatal de la Administración Tributaria (Uitsluiting van publiekrechtelijke schuldvorderingen van de kwijtschelding van schuld), C‑687/22, EU:C:2024:287, punt 42].

32 In dit verband kan zowel op grond van overweging 78 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, waarin wordt verwezen naar de afwijkingen „die naar behoren zijn gemotiveerd met in de nationale wetgeving neergelegde redenen”, als op grond van overweging 81 van deze richtlijn, waarin sprake is van een „in het nationaal recht […] naar behoren gemotiveerde” grond, worden geoordeeld dat de Uniewetgever heeft gemeend dat het volstaat dat de daartoe in de verschillende nationale rechtsstelsels vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen.

33 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag, onder a), in zaak C‑289/23 en op de derde vraag in zaak C‑305/23 worden geantwoord dat artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de erin opgenomen lijst van omstandigheden niet uitputtend is en dat de lidstaten, in het kader van de omzetting van die richtlijn in hun nationale recht, de mogelijkheid hebben om bepalingen vast te stellen die de toegang tot kwijtschelding van schuld verder beperken dan de eerdere nationale regeling, door weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, door intrekking van kwijtschelding van schuld, of door verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden in andere omstandigheden dan de in dit artikel 23, lid 2 opgesomde omstandigheden, mits deze omstandigheden welomschreven zijn en dergelijke afwijkingen naar behoren zijn gerechtvaardigd.

Eerste vraag, onder b), c) en d), in zaak C‑289/23 en tweede en vierde vraag in zaak C‑305/23

34 Met de eerste vraag, onder b), c) en d), in zaak C‑289/23 en de tweede en de vierde vraag in zaak C‑305/23, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 23, leden 1 en 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die in het kader van de omzetting van die richtlijn de rangschikking wijzigt van de vorderingen op een insolvente boedel die van toepassing was vóór de vaststelling van die regeling voor zover die regeling verplicht dat na een insolventieprocedure niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen worden betaald om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schuld, de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in omstandigheden waarin de schuldenaar nalatig of onvoorzichtig is geweest zonder evenwel oneerlijk of te kwader trouw te hebben gehandeld, en diezelfde toegang uitsluit wanneer de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd voor een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde termijn jegens hem een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij die schuldenaar zijn fiscale en sociale schulden op de datum van indiening van die aanvraag volledig heeft voldaan.

35 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende insolventie en herstructurering aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die in het kader van de omzetting van die richtlijn de rangschikking wijzigt van de vorderingen in een insolventieprocedure die van toepassing was vóór de vaststelling van die regeling, voor zover die regeling de schuldenaar verplicht om niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen te betalen om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schuld, moet om te beginnen worden opgemerkt dat een insolventieprocedure en een procedure tot kwijtschelding van schuld twee afzonderlijke procedures zijn waarmee specifieke doelstellingen worden nagestreefd. Het feit dat de kwijtschelding afhankelijk wordt gesteld van de betaling van publiekrechtelijke schuldvorderingen doet niet af aan de kwalificatie van deze vorderingen als „bevoorrechte”, „gewone” of „achtergestelde” vorderingen na verklaring van insolventie. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de verplichting tot betaling van niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schuld leidt tot een wijziging in de rangschikking van vorderingen na een insolventieprocedure.

36 Voorts blijkt uit punt 33 van het onderhavige arrest dat de in deze bepaling opgenomen opsomming niet uitputtend is en dat de lidstaten in het kader van de omzetting van die richtlijn in hun nationaal recht bepalingen kunnen vaststellen tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, in andere bepaalde, welomschreven omstandigheden, dan die welke in die bepaling zijn genoemd, ook al beperken deze bepalingen de toegang tot kwijtschelding van schuld in ruimere mate dan de eerdere nationale regeling deed. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid kan een lidstaat bepalen dat een schuldenaar zijn niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen na een insolventieprocedure moet betalen om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schuld.

37 De Uniewetgever heeft de uitoefening van die mogelijkheid echter uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de voorwaarden dat de in deze bepaling bedoelde afwijkingen betrekking hebben op „bepaalde, welomschreven omstandigheden” en „naar behoren gerechtvaardigd” zijn. Hieruit volgt dat wanneer de nationale wetgever dergelijke afwijkingen vaststelt, de redenen voor die afwijkingen moeten blijken uit het nationale recht of uit de procedure die tot deze afwijkingen heeft geleid, en dat die redenen een legitiem openbaar belang moeten nastreven (zie naar analogie arrest van 8 mei 2024, Instituto da Segurança Social e.a., C‑20/23, EU:C:2024:389, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Het vereiste dat in casu wordt gesteld dat niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen betaald moeten zijn om een schuldenaar in aanmerking te laten komen voor kwijtschelding van schuld, heeft betrekking op welomschreven omstandigheden. Bovendien staat het feit dat de overheid op grond van deze verplichting betaling kan verkrijgen van schuldvorderingen die de overheid in geval van verklaring van insolventie moeilijk zou kunnen innen, er niet aan in de weg dat deze afwijking op de kwijtschelding van schuld naar behoren gerechtvaardigd kan zijn. Het kan namelijk zijn dat de wetgever, door te eisen dat deze niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen worden betaald, een legitiem openbaar belang nastreeft. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

39 Bijgevolg moet artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die in het kader van de omzetting van die richtlijn de schuldenaar verplicht dat de niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen na een insolventieprocedure worden betaald om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schuld, mits deze verplichting naar behoren is gerechtvaardigd.

40 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende insolventie en herstructurering zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in omstandigheden waarin de schuldenaar nalatig of onvoorzichtig is geweest, zonder evenwel oneerlijk of te kwader trouw te hebben gehandeld, moet worden vastgesteld dat artikel 23, lid 1, van die richtlijn weliswaar uitdrukkelijk is gericht tot insolvente ondernemers die „oneerlijk of te kwader trouw” hebben gehandeld, maar dat een dergelijke vermelding niet voorkomt in lid 2 van dat artikel.

41 Dat artikel 23, lid 2, bepaalt namelijk alleen maar dat de lidstaten bepalingen kunnen handhaven of introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden „in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn”, zonder evenwel te eisen dat de betrokken ondernemers „oneerlijk” of „te kwader trouw” hebben gehandeld.

42 Bovendien worden de in artikel 23, lid 2, ter illustratie genoemde omstandigheden waarin afwijkingen op de kwijtschelding van schuld kunnen worden toegestaan, niet gekenmerkt door „oneerlijk” gedrag of „kwade trouw” van de betrokken aannemers.

43 Hieraan moet worden toegevoegd dat deze omstandigheden in wezen overeenkomen met die welke in de overwegingen 79 en 80 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie worden genoemd en dat uit die overwegingen evenmin blijkt dat de Uniewetgever de in artikel 23, lid 2, van deze richtlijn bedoelde „welomschreven omstandigheden” heeft willen beperken tot gevallen waarin de betrokken ondernemers oneerlijk of te kwader trouw hebben gehandeld.

44 Hieruit volgt dat artikel 23, lid 2, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in welomschreven omstandigheden waarin de schuldenaar niet oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld.

45 Wat in de derde en laatste plaats de vraag betreft of dat artikel 23, lid 2, zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit wanneer de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd wegens een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde termijn een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij die schuldenaar op de datum van indiening van die aanvraag zijn fiscale en sociale schulden volledig heeft voldaan, zij eraan herinnerd dat deze bepaling blijkens de punten 28 tot en met 33 van het onderhavige arrest de lidstaten een beoordelingsmarge biedt, aangezien daarin uitdrukkelijk is bepaald dat zij bepalingen kunnen handhaven of introduceren „tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, zulks alleen in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn”. Zoals blijkt uit punt 29 van het onderhavige arrest, bevatten bovendien noch de richtlijn, noch de voorbereidende werkzaamheden daarvoor enig element op grond waarvan kan worden aangenomen dat de Uniewetgever deze beoordelingsmarge heeft willen beperken.

46 Wanneer de nationale wetgever dergelijke afwijkingen vaststelt, moeten de redenen daarvoor, zoals uit de punten 31 en 37 van het onderhavige arrest naar voren komt, niettemin volgen uit het nationale recht of uit de procedure die tot die afwijkingen heeft geleid, en moeten die redenen een legitiem openbaar belang nastreven.

47 Artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende insolventie en herstructurering verzet zich dus niet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in bepaalde welomschreven omstandigheden, zoals wanneer de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd wegens een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde termijn een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij die schuldenaar op de datum van indiening van die aanvraag zijn fiscale en sociale schulden volledig heeft voldaan, voor zover uit het nationale recht volgt dat deze uitsluiting gerechtvaardigd is omdat er een legitiem openbaar belang wordt nagestreefd. Het staat aan de verwijzende rechter om dat te beoordelen. Het nationale recht moet het dus mogelijk maken om de reden van legitiem openbaar belang die in die welomschreven omstandigheden de uitsluiting van kwijtschelding van schuld rechtvaardigt, te identificeren.

48 In casu heeft de Spaanse wetgever, zoals blijkt uit punt 9 van het onderhavige arrest, in de preambule van wet 16/2022, die de omzetting van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie in Spaans recht beoogt te verzekeren, de redenen uiteengezet waarom hij heeft besloten tot uitsluitingen van de kwijtschelding van schuld. Deze wetgever geeft daarin met name aan dat een schuldenaar die aan het vereiste van goede trouw voldoet, toegang heeft tot kwijtschelding van al zijn schulden, behalve voor schulden die, bij wijze van uitzondering en wegens hun bijzondere aard, worden geacht wettelijk niet voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Deze uitzonderingen zijn met name gebaseerd op het bijzondere belang van de voldoening van bepaalde vorderingen voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat. Tot die vorderingen behoren publiekrechtelijke schuldvorderingen. De kwijtschelding van schuld voor dergelijke schuldvorderingen is dus aan bepaalde beperkingen onderworpen en kan alleen plaatsvinden bij de eerste kwijtschelding van schuld, en niet bij latere kwijtscheldingen.

49 Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of deze redenen kunnen worden aangemerkt als redenen van legitiem openbaar belang en of de nationale wettelijke regeling bepaalt dat deze redenen de uitsluiting van kwijtschelding van schuld rechtvaardigen in welomschreven omstandigheden zoals gedefinieerd in artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC.

50 Wat deze beoordeling betreft, zij eraan herinnerd dat de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden het Unierecht en de algemene beginselen daarvan moeten eerbiedigen, en dus het evenredigheidsbeginsel in acht moeten nemen. Hieruit volgt dat de betrokken nationale maatregel niet verder mag gaan dan geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met die maatregel worden nagestreefd (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Agenzia delle dogane e dei monopoli en Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2022:111, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die maatregel mag dus geen afbreuk doen aan de in artikel 20, lid 1, van de richtlijn betreffende insolventie en herstructurering vastgelegde verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat insolvente ondernemers toegang hebben tot ten minste één procedure die kan leiden tot volledige kwijtschelding van schuld.

51 Voor zover de verwijzende rechter van oordeel is dat de uitsluiting in de omstandigheden zoals omschreven in artikel 487, lid 1, punt 2, TRLC door de nationale wetgever wordt gerechtvaardigd vanwege een legitiem openbaar belang, staat het aan hem om in het licht van dat beginsel te beoordelen of dat belang met name rechtvaardigt dat dit vereiste geldt voor deze schulden gedurende de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag en dat geen rekening kan worden gehouden met een eventuele vertraging bij het vaststellen van het besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid.

52 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag, onder b), c) en d), in zaak C‑289/23 en op de tweede en de vierde vraag in zaak C‑305/23 worden geantwoord dat artikel 23, leden 1 en 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die, in het kader van de omzetting van die richtlijn, verplicht dat na een insolventieprocedure niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen worden betaald om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schuld, de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in omstandigheden waarin de schuldenaar nalatig of onvoorzichtig is geweest zonder evenwel oneerlijk of te kwader trouw te hebben gehandeld, en diezelfde toegang uitsluit wanneer de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd voor een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde termijn jegens hem een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij die schuldenaar zijn fiscale en sociale schulden op de datum van indiening van die aanvraag volledig heeft voldaan, mits dergelijke afwijkingen naar behoren zijn gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

Eerste vraag, onder e), in zaak C‑289/23

53 Met zijn eerste vraag, onder e), in zaak C‑289/23 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld in een concreet geval uitsluit, zonder dat deze uitsluiting door de nationale wetgever naar behoren is gerechtvaardigd.

54 In dit verband heeft de Uniewetgever, zoals blijkt uit punt 46 van het onderhavige arrest, de uitoefening van de door deze bepaling aan de lidstaten geboden mogelijkheid uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de op basis daarvan vastgestelde afwijkingen „naar behoren gerechtvaardigd” zijn.

55 Uit de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie blijkt dat de rechtvaardiging die een lidstaat moet aanvoeren ter ondersteuning van een afwijking als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet blijken uit ofwel de procedure die tot die uitsluiting heeft geleid, ofwel het nationale recht. Zo moet deze rechtvaardiging, wat de eerste hypothese betreft, worden geacht in overeenstemming te zijn met de vereisten van artikel 23, lid 2, van deze richtlijn wanneer de voorbereidende werkzaamheden, de preambules en de motiveringen van wetgevende of bestuursrechtelijke handelingen krachtens het nationale recht integrerend deel uitmaken van die handelingen of relevant zijn voor de uitlegging ervan en zij een rechtvaardiging bevatten voor de afwijking die is gehandhaafd of vastgesteld in het kader van de uitoefening van de in die bepaling geboden mogelijkheid. Bovendien kan die rechtvaardiging, wat de tweede hypothese betreft, ook te vinden zijn in andere bepalingen van nationaal recht dan die welke deze uitsluiting bevatten, zoals een nationale grondwettelijke, wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling (zie in die zin arrest van 8 mei 2024, Instituto da Segurança Social e.a., C‑20/23, EU:C:2024:389, punt 37).

56 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag, onder e), in zaak C‑289/23 worden geantwoord dat artikel 23, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld in een concreet geval uitsluit, zonder dat deze uitsluiting door de nationale wetgever naar behoren is gerechtvaardigd.

Tweede vraag, onder a), in zaak C‑289/23

57 Met zijn tweede vraag onder a) in zaak C‑289/23, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van specifieke categorieën schuldvorderingen al dan niet uitputtend is, en of de lidstaten, indien dit niet het geval is, andere dan de in deze bepaling genoemde categorieën van schuldvorderingen kunnen uitsluiten van de kwijtschelding van schuld, mits een dergelijke uitsluiting naar nationaal recht naar behoren is gerechtvaardigd.

58 Vastgesteld moet worden dat deze vraag in wezen identiek is aan de derde vraag in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 11 april 2024, Agencia Estatal de la Administración Tributaria (Uitsluiting van publiekrechtelijke schuldvorderingen van de kwijtschelding van schuld) (C‑687/22, EU:C:2024:287, punten 25 en 36).

59 Bijgevolg moet, zoals blijkt uit punt 44 en punt 2 van het dictum van dat arrest, op de tweede vraag onder a) in de zaak C‑289/23 worden geantwoord dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van specifieke categorieën schuldvorderingen niet uitputtend is en dat de lidstaten andere dan de in deze bepaling genoemde categorieën van schuldvorderingen kunnen uitsluiten van de kwijtschelding van schuld, mits een dergelijke uitsluiting naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

Tweede vraag, onder b) en e), in zaak C‑289/23

60 Met zijn tweede vraag, onder b) en e), in zaak C‑289/23 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale omzettingsregeling die voorziet in een algemene uitsluiting van de kwijtschelding van schuld van publiekrechtelijke schuldvorderingen, op grond dat de voldoening van die schuldvorderingen van bijzonder belang is voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat, behoudens in een zeer beperkt aantal omstandigheden en voor geringe bedragen, ongeacht de aard van die schuldvorderingen en de omstandigheden waarin zij zijn ontstaan, en die bijgevolg de draagwijdte beperkt van de nationale bepalingen inzake kwijtschelding van schuld die vóór de vaststelling van die regeling op deze categorie van schuldvorderingen van toepassing waren.

61 In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 59 van het onderhavige arrest, artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van specifieke categorieën schuldvorderingen niet uitputtend is en dat de lidstaten andere dan de in deze bepaling genoemde categorieën van schuldvorderingen kunnen uitsluiten van de kwijtschelding van schuld, mits een dergelijke uitsluiting naar nationaal recht naar behoren is gerechtvaardigd.

62 Wat voorts de vraag betreft of de lidstaten de categorieën schuldvorderingen waarvan de uitsluiting niet was voorzien in de nationale regeling die dateerde van voor de omzetting van deze richtlijn in hun nationale recht, bij deze omzetting kunnen uitsluiten van de kwijtschelding van schuld, moet worden vastgesteld dat noch deze richtlijn, noch de voorbereidende werkzaamheden daarvoor gegevens bevatten op grond waarvan kan worden aangenomen dat de Uniewetgever de beoordelingsmarge van de lidstaten wilde beperken door hen te beletten bepalingen vast te stellen die de kwijtschelding uitsluiten van categorieën schuldvorderingen die vóór die omzetting niet daarvan waren uitgesloten.

63 Integendeel, door in artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie te bepalen dat de lidstaten onder bepaalde voorwaarden „specifieke categorieën schulden [kunnen] uitsluiten van kwijtschelding van schuld, of de toegang ervan tot kwijtschelding van schuld [kunnen] beperken of de kwijtscheldingsperiode ervan verlengen”, heeft de Uniewetgever de lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om, wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, bepalingen vast te stellen die de kwijtschelding uitsluiten van categorieën van schuldvorderingen die voordien niet daarvan waren uitgesloten.

64 Niettemin heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk bepaald dat van de aldus in deze bepaling aan de lidstaten geboden mogelijkheid uitsluitend gebruik kan worden gemaakt als dergelijke uitsluitingen naar behoren zijn gerechtvaardigd. Hieruit volgt dat wanneer de nationale wetgever dergelijke afwijkingen vaststelt, de redenen voor die afwijkingen moeten blijken uit het nationale recht of uit de procedure die tot deze afwijkingen heeft geleid, en dat die redenen een legitiem openbaar belang moeten nastreven [arrest van 11 april 2024, Agencia Estatal de la Administración Tributaria (Uitsluiting van publiekrechtelijke schuldvorderingen van kwijtschelding van schuld), C‑687/22, EU:C:2024:287, punt 42].

65 In dit verband kan zowel op grond van overweging 78 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, waarin wordt verwezen naar de afwijkingen „die naar behoren zijn gemotiveerd met in de nationale wetgeving neergelegde redenen”, als op grond van overweging 81 van deze richtlijn, waarin sprake is van een „in het nationaal recht […] naar behoren gemotiveerde” grond, worden geoordeeld dat de Uniewetgever heeft gemeend dat het volstaat dat de daartoe in de verschillende nationale rechtsstelsels vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen [arrest van 11 april 2024, Agencia Estatal de la Administración Tributaria (Uitsluiting van publiekrechtelijke schuldvorderingen van kwijtschelding van schuld), C‑687/22, EU:C:2024:287, punt 43].

66 In casu staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of het bijzondere belang van voldoening van publiekrechtelijke schuldvorderingen voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat, dat is opgenomen in de preambule van wet 16/2022, naar behoren rechtvaardigt dat deze schuldvorderingen op grond van artikel 489, lid 1, punt 5, van die wet algemeen worden uitgesloten van kwijtschelding van schuld, behoudens in een zeer beperkt aantal omstandigheden en voor geringe bedragen, ongeacht de aard van die schulden en de omstandigheden waarin zij zijn ontstaan. Bij deze beoordeling zal hij rekening moeten houden met de in punt 50 van het onderhavige arrest vermelde verplichting om het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen.

67 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag, onder b) en e), in zaak C‑289/23 worden geantwoord dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale omzettingsregeling die voorziet in een algemene uitsluiting van de kwijtschelding van schuld van publiekrechtelijke schuldvorderingen op grond dat de voldoening van die schuldvorderingen van bijzonder belang is voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat, behoudens in een zeer beperkt aantal omstandigheden en voor geringe bedragen, ongeacht de aard van die schuldvorderingen en de omstandigheden waarin zij zijn ontstaan, en die bijgevolg de draagwijdte beperkt van de nationale bepalingen inzake kwijtschelding van schuld die vóór de vaststelling van die regeling op deze categorie van schuldvorderingen van toepassing waren, mits een dergelijke afwijking naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

Tweede vraag, onder c), in zaak C‑289/23

68 Met zijn tweede vraag, onder c), in zaak C‑289/23 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die een algemene regel vaststelt op grond waarvan de kwijtschelding van publiekrechtelijke schuldvorderingen is uitgesloten, voor zover daarbij publieke schuldeisers worden bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers.

69 In dat verband volgt om te beginnen uit de rechtspraak die in de punten 59 en 61 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van specifieke categorieën schuldvorderingen niet uitputtend is en dat de lidstaten andere dan de in deze bepaling genoemde categorieën van schuldvorderingen kunnen uitsluiten van de kwijtschelding van schuld, mits een dergelijke uitsluiting naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

70 Voorts bevatten noch de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, noch de voorbereidende werkzaamheden ervan gegevens die de stelling kunnen staven dat de Uniewetgever – gelet op de interne samenhang van de uitdrukkelijk in artikel 23, lid 4, van deze richtlijn bedoelde categorieën schuldvorderingen – de beoordelingsmarge van de lidstaten heeft willen beperken wat betreft de mogelijkheid om bepaalde andere categorieën schuldvorderingen dan die welke zijn opgesomd in dat artikel, zoals schuldvorderingen in verband met belasting en sociale zekerheid, uit te sluiten van de kwijtschelding van schuld. Uit met name deze voorbereidende werkzaamheden blijkt integendeel meer in het bijzonder dat deze wetgever de uitdrukkelijke bedoeling had om de lidstaten een zekere beoordelingsmarge te laten om bij de omzetting van de richtlijn in hun nationale recht rekening te kunnen houden met de economische situatie en de nationale juridische structuren (arrest van 8 mei 2024, Instituto da Segurança Social e.a., C‑20/23, EU:C:2024:389, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat een uitsluiting van schuldvorderingen, zoals schuldvorderingen in verband met belasting en sociale zekerheid, van de kwijtschelding van schuld naar behoren gerechtvaardigd kan zijn. Niet alle schuldvorderingen zijn namelijk van dezelfde aard, de schuldeisers hebben niet dezelfde hoedanigheid en de inning van deze schuldvorderingen kan aan bijzondere doelstellingen beantwoorden. Gelet op de aard van de schuldvorderingen in verband met belasting en sociale zekerheid en op het doel van de inning van belastingen en sociale lasten, mogen de lidstaten er dus terecht van uitgaan dat de openbare institutionele schuldeisers zich op het gebied van de inning van schuldvorderingen niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie van schuldeisers uit de commerciële of de particuliere sector. In die omstandigheden betekent de mogelijkheid om schuldvorderingen in verband met belasting en sociale zekerheid uit te sluiten van de kwijtschelding van schuld niet dat de openbare institutionele schuldeisers ten onrechte worden bevoordeeld ten overstaan van de andere schuldeisers die geen dergelijke uitsluiting genieten (zie in die zin arrest van 8 mei 2024, Instituto da Segurança Social e.a., C‑20/23, EU:C:2024:389, punt 43).

72 Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om bepaalde specifieke categorieën schuldvorderingen, zoals schuldvorderingen in verband met belasting en sociale zekerheid, uit te sluiten van de kwijtschelding van schuld waardoor zij een bevoorrechte status krijgen, mits een dergelijke uitsluiting naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht (zie in die zin arrest van 8 mei 2024, Instituto da Segurança Social e.a., C‑20/23, EU:C:2024:389, punt 45).

73 Bijgevolg moet op de tweede vraag, onder c), in zaak C‑289/23 worden geantwoord dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die een algemene regel vaststelt op grond waarvan de kwijtschelding van publiekrechtelijke schuldvorderingen is uitgesloten voor zover daarbij publieke schuldeisers worden bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers, mits een dergelijke uitsluiting naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

Tweede vraag, onder d), in zaak C‑289/23

74 Met zijn tweede vraag, onder d), in zaak C‑289/23 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat de kwijtschelding van schuld voor een specifieke categorie schuldvorderingen wordt beperkt door de invoering van een plafond waarboven geen kwijtschelding wordt verleend, zonder dat dit plafond wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de betrokken schuld.

75 In dit verband moet worden opgemerkt dat, terwijl artikel 20, lid 2, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, de lidstaten die de volledige kwijtschelding van schuld afhankelijk stellen van gedeeltelijke terugbetaling van schuld door de ondernemer de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat de betrokken terugbetalingsverplichting „gebaseerd is op de individuele situatie van de ondernemer, en met name in verhouding staat tot het voor beslag vatbare of het beschikbare inkomen en de activa van de ondernemer tijdens de kwijtscheldingsperiode, en het billijke belang van de schuldeisers in aanmerking neemt”, artikel 23, lid 4, van deze richtlijn niet uitdrukkelijk bepaalt dat de lidstaten, wanneer zij de mogelijkheid tot kwijtschelding van schuld beperken, een plafond moeten vaststellen dat wordt bepaald aan de hand van het werkelijke bedrag van de betrokken schuld, en evenmin gegevens bevat die de stelling kunnen staven dat de Uniewetgever de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken wanneer zij dergelijke beperkingen vaststellen, heeft willen beperken.

76 Het Hof heeft dienaangaande reeds geoordeeld dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij de keuze van de andere categorieën schuldvorderingen dan die welke zijn opgesomd in die bepaling die zij van kwijtschelding van schuld willen uitsluiten, niet beperkt [arrest van 11 april 2024, Agencia Estatal de la Administración Tributaria (Uitsluiting van publiekrechtelijke schuldvorderingen van kwijtschelding van schuld), C‑687/22, EU:C:2024:287, punt 41].

77 Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou het voor de Uniewetgever paradoxaal zijn geweest om de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken wanneer zij de mogelijkheid tot kwijtschelding van schuld beperken, sterker te beperken dan die waarover zij beschikken wanneer zij een specifieke categorie van schuldvorderingen uitsluiten van de kwijtschelding van schuld.

78 Voorlopig moet derhalve worden geconcludeerd dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij de keuze van de beperkingen van de mogelijkheid tot kwijtschelding van schuld die zij voornemens zijn in te voeren, niet beperkt.

79 Niettemin heeft de Uniewetgever om te beginnen, zoals blijkt uit punt 64 van het onderhavige arrest, de uitoefening van de bij dat artikel 23, lid 4, aan de lidstaten geboden mogelijkheid uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat dergelijke beperkingen van de mogelijkheid tot kwijtschelding van schuld naar behoren worden gerechtvaardigd. Hieruit volgt dat wanneer de nationale wetgever bepalingen vaststelt die in dergelijke afwijkingen voorzien, de redenen voor die afwijkingen moeten blijken uit het nationale recht of uit de procedure die tot die uitsluitingen heeft geleid, en dat die redenen een legitiem openbaar belang moeten nastreven.

80 In dit verband blijkt uit de in punt 65 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak dat zowel op grond van overweging 78 van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie, waarin wordt verwezen naar de afwijkingen „die naar behoren zijn gemotiveerd met in de nationale wetgeving neergelegde redenen”, als op grond van overweging 81 van deze richtlijn, waarin sprake is van een „in het nationaal recht […] naar behoren gemotiveerde” grond, kan worden geoordeeld dat de Uniewetgever heeft gemeend dat het volstaat dat de daartoe in de verschillende nationale rechtsstelsels vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen.

81 Voorts moeten de lidstaten, zoals blijkt uit punt 50 van het onderhavige arrest, bij de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de afwijkingen die zij krachtens artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie kunnen vaststellen, het evenredigheidsbeginsel in acht nemen. De middelen die zij kiezen mogen dus niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het door hen nagestreefde doel, en mogen geen afbreuk doen aan de doelstellingen van deze richtlijn, te weten, in casu, te waarborgen dat insolvente ondernemers toegang hebben tot ten minste één procedure die tot volledige kwijtschelding van schuld kan leiden.

82 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag, onder d), in zaak C‑289/23 te worden geantwoord dat artikel 23, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat de kwijtschelding van schuld voor een specifieke categorie schuldvorderingen wordt beperkt door de invoering van een plafond waarboven geen kwijtschelding wordt verleend, zonder dat dit plafond wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de betrokken schuld, mits deze beperking naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

Eerste vraag in zaak C‑305/23

83 Met zijn eerste vraag in zaak C‑305/23 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een nationale wetgever besluit gebruik te maken van de in artikel 1, lid 4, van deze richtlijn geboden mogelijkheid en de toepassing van de procedures die tot kwijtschelding van schuld voor insolvente ondernemers leiden uit te breiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn, de op grond van die uitbreiding op deze natuurlijke personen toepasselijke regels in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van titel III van deze richtlijn.

84 Zowel de Spaanse regering als de Europese Commissie betwisten de ontvankelijkheid van deze vraag met het argument dat zij niet relevant is. Ter ondersteuning van deze betwisting voert de Commissie aan dat het duidelijk is dat de betrokken schuldenaar heden weliswaar geen ondernemingsactiviteit uitoefent, maar dat wel deed ten tijde van de in de nationale procedure aan de orde zijnde feiten, hetgeen doorslaggevend is voor de toepassing van die richtlijn. De Spaanse regering stelt dan weer dat de vraag niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil, aangezien de nationale bepalingen inzake de kwijtschelding van schuld van toepassing zijn op de schuldenaar, ongeacht of hij ondernemer is of niet.

85 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er op vragen betreffende het Unierecht een vermoeden van relevantie rust. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 5 september 2024, W. GmbH., C‑67/23, EU:C:2024:680, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

86 In casu is het niet zo dat de gevraagde uitlegging van artikel 1, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie kennelijk geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding in zaak C‑305/23. Anders dan de Commissie stelt, is deze vraag namelijk relevant, aangezien, zoals in punt 21 van het onderhavige arrest is uiteengezet, de insolventieprocedures en de procedures tot kwijtschelding van schuld betrekking hebben op S.E.I. als natuurlijke persoon en niet als ondernemer. Voorts doet het feit dat het Spaanse recht voorziet in kwijtschelding van schuld aan de schuldenaar, ongeacht of deze ondernemer is of niet, niet af aan het belang van deze vraag, waarmee de verwijzende rechter zich afvraagt of, wanneer regels inzake kwijtschelding van schuld van toepassing zijn op natuurlijke personen, deze regels in overeenstemming moeten zijn met titel III van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie.

87 Wat het antwoord op deze vraag betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 1, lid 4, van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten „de toepassing van de in lid 1, onder b), bedoelde procedures [kunnen] uitbreiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn”.

88 Vastgesteld moet worden dat de bewoordingen van artikel 1, lid 4, eenduidig zijn, aangezien enkel is voorzien in een loutere uitbreiding van de in artikel 1, lid 1, onder b) „bedoelde procedures”, te weten de uitbreiding van de procedures die leiden tot kwijtschelding van schuld voor insolvente ondernemers, tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn. Deze bewoordingen spreken niet van een gedeeltelijke uitbreiding van deze procedures.

89 Deze uitlegging van artikel 1, lid 4, van de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie vindt steun in overweging 21 van deze richtlijn, waarin met name staat te lezen dat, hoewel deze richtlijn geen bindende regels inzake overmatige schuldenlast van consumenten bevat, het aangeraden is dat de lidstaten „de bepalingen” van deze richtlijn inzake de kwijtschelding van schuld ook zo spoedig mogelijk op consumenten gaan toepassen.

90 Hieraan moet worden toegevoegd dat de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie overigens geen enkel element bevat dat de stelling kan staven dat de Uniewetgever de lidstaten een beoordelingsmarge heeft willen toekennen met betrekking tot de omvang van de toepassing van de in artikel 1, lid 1, onder b), van deze richtlijn genoemde procedures op insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn. Integendeel, zowel uit overweging 21 als uit artikel 1, lid 4, van die richtlijn blijkt duidelijk dat deze wetgever de lidstaten niet de keuze wilde laten om deze procedures „gedeeltelijk” of „à la carte” uit te breiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemer zijn.

91 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag in zaak C‑305/23 worden geantwoord dat de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een nationale wetgever besluit gebruik te maken van de in artikel 1, lid 4, van deze richtlijn geboden mogelijkheid en de toepassing van de procedures die tot kwijtschelding van schuld voor insolvente ondernemers leiden uit te breiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn, de op grond van die uitbreiding op deze natuurlijke personen toepasselijke regels in overeenstemming moeten zijn met titel III van deze richtlijn.

Vijfde vraag in zaak C‑305/23

92 Aangezien, zoals blijkt uit de punten 40 tot en met 44 van het onderhavige arrest, de vierde vraag in zaak C‑305/23 in wezen ontkennend moet worden beantwoord, hoeft de vijfde vraag in die zaak niet te worden beantwoord.

Kosten

93 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 23, lid 2, van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) moet aldus worden uitgelegd dat de erin opgenomen lijst van omstandigheden niet uitputtend is en dat de lidstaten, in het kader van de omzetting van die richtlijn in hun nationale recht, de mogelijkheid hebben om bepalingen vast te stellen die de toegang tot kwijtschelding van schuld verder beperken dan de eerdere nationale regeling, door weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, door intrekking van kwijtschelding van schuld, of door verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden in andere omstandigheden dan de in dit artikel 23, lid 2 opgesomde omstandigheden, mits deze omstandigheden welomschreven zijn en dergelijke afwijkingen naar behoren zijn gerechtvaardigd.

2) Artikel 23, leden 1 en 2, van richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die, in het kader van de omzetting van die richtlijn, verplicht dat na een insolventieprocedure niet-bevoorrechte publiekrechtelijke schuldvorderingen worden betaald om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van schuld, de toegang tot kwijtschelding van schuld uitsluit in omstandigheden waarin de schuldenaar nalatig of onvoorzichtig is geweest zonder evenwel oneerlijk of te kwader trouw te hebben gehandeld, en diezelfde toegang uitsluit wanneer de schuldenaar in de tien jaar voorafgaand aan de kwijtscheldingsaanvraag bij definitief administratief besluit een sanctie is opgelegd voor een bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving, of een inbreuk op de socialezekerheidswetgeving of de maatschappelijke orde, of wanneer binnen diezelfde termijn jegens hem een definitief besluit tot uitbreiding van aansprakelijkheid is vastgesteld, tenzij die schuldenaar zijn fiscale en sociale schulden op de datum van indiening van die aanvraag volledig heeft voldaan, mits dergelijke afwijkingen naar behoren zijn gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

3) Artikel 23, lid 2, van richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de toegang tot kwijtschelding van schuld in een concreet geval uitsluit, zonder dat deze uitsluiting door de nationale wetgever naar behoren is gerechtvaardigd.

4) Artikel 23, lid 4, van richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van specifieke categorieën schuldvorderingen niet uitputtend is en dat de lidstaten andere dan de in deze bepaling genoemde categorieën van schuldvorderingen kunnen uitsluiten van de kwijtschelding van schuld, mits een dergelijke uitsluiting naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

5) Artikel 23, lid 4, van richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale omzettingsregeling die voorziet in een algemene uitsluiting van de kwijtschelding van schuld van publiekrechtelijke schuldvorderingen op grond dat de voldoening van die schuldvorderingen van bijzonder belang is voor een rechtvaardige en solidaire samenleving die is gebaseerd op de rechtsstaat, behoudens in een zeer beperkt aantal omstandigheden en voor geringe bedragen, ongeacht de aard van die schuldvorderingen en de omstandigheden waarin zij zijn ontstaan, en die bijgevolg de draagwijdte beperkt van de nationale bepalingen inzake kwijtschelding van schuld die vóór de vaststelling van die regeling op deze categorie van schuldvorderingen van toepassing waren, mits een dergelijke afwijking naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

6) Artikel 23, lid 4, van richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die een algemene regel vaststelt op grond waarvan de kwijtschelding van publiekrechtelijke schuldvorderingen is uitgesloten voor zover daarbij publieke schuldeisers worden bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers, mits een dergelijke uitsluiting naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

7) Artikel 23, lid 4, van richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat de kwijtschelding van schuld voor een specifieke categorie schuldvorderingen wordt beperkt door de invoering van een plafond waarboven geen kwijtschelding wordt verleend, zonder dat dit plafond wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de betrokken schuld, mits deze beperking naar behoren is gerechtvaardigd krachtens het nationale recht.

8) Richtlijn 2019/1023 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een nationale wetgever besluit gebruik te maken van de in artikel 1, lid 4, van deze richtlijn geboden mogelijkheid en de toepassing van de procedures die tot kwijtschelding van schuld voor insolvente ondernemers leiden uit te breiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn, de op grond van die uitbreiding op deze natuurlijke personen toepasselijke regels in overeenstemming moeten zijn met titel III van deze richtlijn.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Spaans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in