Gerecht EU 8 juli 2008, T-48/05, ECLI:EU:T:2008:257
Tekst
Zaak T‑48/05
Yves Franchet en Daniel Byk
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Ambtenarenrecht – Onderzoeken van OLAF – Zaak ‚Eurostat’ – Mededeling aan nationale gerechtelijke instanties van informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten – Geen voorafgaande kennisgeving aan betrokken ambtenaren en Comité van toezicht van OLAF – Lekken in de pers – Verspreiding door OLAF en Commissie – Schending van beginsel van vermoeden van onschuld – Morele schade – Causaal verband”
Samenvatting van het arrest
1. Procedure – Maatregelen tot organisatie van procesgang – Verzoek om verwijdering van interne documenten van instelling uit dossier
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64)
2. Ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Voorwerp – Vordering tot vergoeding van schade veroorzaakt door onderzoek van Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF)
(Art. 235 EG en 236 EG)
3. Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) – Verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF – Door gemeenschapsinstellingen vastgestelde wijze van uitvoering van interne onderzoeken
(Verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad, art. 10, leden 2 en 3; besluit 1999/396 van de Commissie, art. 4)
4. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregel die particulieren rechten toekent – Schending van verplichting betrokkene in kennis te stellen van onderzoek door Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) – Schending van verplichting vooraf Comité van toezicht in te lichten
(Art. 288, tweede alinea, EG; verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad, art. 10, leden 2 en 3; besluit 1999/396 van de Commissie, art. 4; reglement van orde van het Comité van toezicht van OLAF, art. 2)
5. Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) – Verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF – Mededeling van tijdens onderzoek verkregen informatie aan nationale instanties
(Verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4, lid 5, en 10, leden 2 en 3)
6. Ambtenaren – Beroep – Beroep tot schadevergoeding – Middelen – Beroep tot vergoeding van schade veroorzaakt door onderzoek van Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF)
(Ambtenarenstatuut, art. 91; verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad, art. 10, lid 2)
7. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Causaal verband – Bewijslast rustende op verzoeker – Grenzen
(Art. 288, tweede alinea, EG)
8. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregel die particulieren rechten toekent – Perscommuniqué van administratie dat indruk kan wekken dat ambtenaar betrokken is bij onregelmatigheden, zonder dat zijn schuld bewezen is
(Art. 288, tweede alinea, EG; verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad, art. 8, lid 2)
9. Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) – Verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF – Rechten van verdediging – Omvang – Recht van toegang tot onderzoeksdossier – Geen, tenzij eindverslag is gepubliceerd
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41; verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad; besluit 1999/396 van de Commissie, art. 4)
10. Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) – Verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF – Duur van procedure
(Verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad, art. 6, lid 5, en 11, lid 7)
11. Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) – Verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF – Vertrouwelijk karakter van onderzoeken
(Verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad, art. 12)
12. Ambtenaren – Tuchtregeling – Tuchtprocedure – Gelijktijdige strafrechtelijke en tuchtprocedure met betrekking tot zelfde feiten
(Ambtenarenstatuut, art. 88, vijfde alinea; bijlage IX, art. 7, tweede alinea)
1. Een instelling heeft in beginsel goede gronden om te eisen dat een intern document uit het aan de gemeenschapsrechter voorgelegde dossier wordt verwijderd, wanneer degene die zich op het document beroept, het niet regelmatig heeft verkregen. Een intern document is immers vertrouwelijk, tenzij verspreiding ervan is toegestaan door de instelling waarvan het afkomstig is. In bepaalde situaties hoeft de verzoekende partij echter niet aan te tonen dat zij het tot staving van haar standpunt overgelegde document regelmatig heeft verkregen en moet in het kader van een afweging van de verschillende te beschermen belangen worden nagegaan of bijzondere omstandigheden, zoals het feit dat overlegging van het interne document noodzakelijk was met het oog op de beoordeling van de regelmatigheid van de procedure van vaststelling van de bestreden handeling, dan wel om misbruik van bevoegdheid te kunnen vaststellen, rechtvaardigen dat het document niet uit het dossier wordt verwijderd.
(cf. punten 77, 79)
2. Een vordering tot vergoeding van de materiële en morele schade die een ambtenaar zou hebben geleden door de wijze waarop het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) een onderzoek heeft uitgevoerd en afgesloten dat hem met name noemt en eventueel publiekelijk verantwoordelijk stelt voor een aantal ruim vóór een definitieve beslissing van de bevoegde nationale rechter geconstateerde onregelmatigheden, en door de wijze waarop de Commissie zich in het kader van dat onderzoek heeft gedragen, kan niet als prematuur worden afgewezen met als gevolg dat de ambtenaar een dergelijke vordering pas na de eventuele definitieve beslissing van de nationale gerechtelijke instanties zou kunnen instellen. De eventuele uitkomst van de nationale gerechtelijke procedure kan de procedure voor de gemeenschapsrechter immers niet beïnvloeden; bij die schadevordering gaat het namelijk niet om de vraag of de ambtenaar zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvan hij wordt beschuldigd, noch om de vraag of hij in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid al dan niet fouten heeft gemaakt, maar moet worden onderzocht hoe OLAF zijn onderzoek heeft uitgevoerd en hoe de Commissie zich in het kader van dat onderzoek heeft gedragen, daar de gestelde schade van de ambtenaar losstaat van de schade die hij zou kunnen aanvoeren ingeval hij door de nationale gerechtelijke instanties onschuldig wordt verklaard.
(cf. punten 90‑91)
3. Uit artikel 4, eerste alinea, van besluit 1999/396 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit die schadelijk is voor de belangen van de Gemeenschappen volgt dat de betrokken ambtenaar, wanneer dit het onderzoek niet dreigt te benadelen, spoedig moet worden ingelicht over de mogelijkheid van zijn persoonlijke betrokkenheid, en dat in geen geval na afloop van het onderzoek conclusies kunnen worden getrokken waarin een ambtenaar van de Commissie met name wordt genoemd, zonder dat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zich over alle hem betreffende feiten uit te spreken. Het niet in acht nemen van deze bepalingen, die de voorwaarden aangeven waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de betrokken ambtenaar kan worden verenigd met de voor dit soort onderzoeken kenmerkende vertrouwelijkheidseisen, vormt een schending van de wezenlijke vormvoorschriften van de onderzoeksprocedure.
Artikel 4 van besluit 1999/396 is niet expliciet van toepassing op de mededeling van informatie die OLAF krachtens artikel 10, leden 2 en 3, van verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) met betrekking tot externe of interne onderzoeken kan of moet meedelen aan de nationale gerechtelijke instanties en bepaalt dan ook niet dat de betrokken ambtenaar vóór een dergelijke mededeling moet worden geïnformeerd. Indien de betrokken ambtenaar in die informatie echter „met name wordt genoemd”, dan moet hij in beginsel worden ingelicht en in de gelegenheid worden gesteld zich over de hem betreffende feiten uit te spreken.
Genoemde bepaling voorziet echter in een uitzondering voor de gevallen waarin met het oog op het onderzoek absolute geheimhouding is vereist of waarin gebruik moet worden gemaakt van opsporingsmiddelen die tot de bevoegdheid van een nationale rechterlijke instantie behoren. Alsdan kan de verplichting om de ambtenaar de gelegenheid te geven zich uit te spreken, met instemming van de secretaris-generaal van de Commissie worden opgeschort. Voor deze opschorting moet dus zijn voldaan aan de dubbele voorwaarde dat het onderzoek absolute geheimhouding vereist en dat gebruik moet worden gemaakt van opsporingsmiddelen die tot de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke instantie behoren. Bovendien moet de secretaris-generaal van de Commissie met de opschorting hebben ingestemd. De verplichting zich van de instemming van de secretaris-generaal van de Commissie te verzekeren, is niet een loutere formaliteit waaraan eventueel in een later stadium zou kunnen worden voldaan. Dat vereiste zou dan namelijk zijn bestaansreden verliezen, namelijk te verzekeren dat de rechten van de verdediging van de betrokken ambtenaren worden geëerbiedigd, dat enkel in werkelijk uitzonderlijke gevallen met het inlichten van die ambtenaren wordt gewacht en dat de beoordeling van dat uitzonderlijke karakter niet uitsluitend aan OLAF wordt overgelaten, maar dat ook de secretaris-generaal van de Commissie bij die beoordeling wordt betrokken.
(cf. punten 128‑130, 133, 144-146, 151)
4. De rechtsregel volgens welke de aan een onderzoek onderworpen personen daarvan in kennis moeten worden gesteld en de gelegenheid moeten krijgen zich over alle hen betreffende feiten uit te spreken, is een rechtsregel die particulieren rechten toekent. Krachtens artikel 4 van besluit 1999/396 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit die schadelijk is voor de belangen van de Gemeenschappen beschikt OLAF stellig over een beoordelingsmarge in gevallen waarin het onderzoek absolute geheimhouding vereist dan wel de inschakeling van opsporingsmiddelen die tot de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke instantie behoren, zodat de verplichting om de ambtenaar de gelegenheid te geven zich uit te spreken, met instemming van de secretaris-generaal van de Commissie kan worden opgeschort. OLAF beschikt evenwel over geen enkele beoordelingsmarge waar het gaat om de wijze van totstandkoming van zijn besluit om met het inlichten van de betrokken ambtenaren te wachten en om het onderzoek of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 4 van besluit 1999/396 is voldaan.
OLAF maakt zich dus schuldig aan een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent, wanneer het, als het geen beroep heeft gedaan op de noodzaak dergelijke opsporingsmiddelen in te zetten, noch zich tijdig tot de secretaris-generaal van de Commissie heeft gewend met het verzoek in te stemmen met de opschorting van de verplichting de betrokken ambtenaar de gelegenheid te geven zich uit te spreken, de voorwaarden en modaliteiten voor die uitzondering niet in acht neemt.
Dat geldt ook voor de schending van de bij artikel 11, lid 7, van verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF aan OLAF opgelegde verplichting om het Comité van toezicht te raadplegen alvorens het gegevens vertrekt aan de nationale gerechtelijke autoriteiten, die een voldoende gekwalificeerde schending oplevert van een rechtsregel die ertoe strekt de betrokkenen rechten toe te kennen. Ofschoon het Comité van toezicht van OLAF zich niet in de afwikkeling van de lopende onderzoeken mengt, heeft het immers tot taak de rechten van de aan een OLAF-onderzoek onderworpen personen te beschermen, daar het ingevolge artikel 2 van zijn reglement van orde erover „waakt [...] dat de activiteiten van het OLAF met volledige eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden plaatsvinden overeenkomstig de verdragen en het afgeleide recht, met name het protocol betreffende de privileges en immuniteiten en het statuut van de ambtenaren”. Verder is de in artikel 11, lid 7, van verordening nr. 1073/1999 geformuleerde informatieplicht onvoorwaardelijk, en laat hij OLAF geen enkele beoordelingsmarge.
(cf. punten 146, 153-156, 164, 167-170)
5. Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding is niet verplicht om de instelling waarbij een intern onderzoek wordt verricht op de hoogte te brengen alvorens het ingevolge artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten meedeelt aan de gerechtelijke instanties van de betrokken lidstaat. Volgens artikel 10, lid 3, van die verordening is de mededeling van de in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie aan de betrokken instelling immers slechts facultatief, en nergens in dit artikel is bepaald dat vóór of tegelijk met de mededeling van informatie aan de nationale gerechtelijke instanties informatie moet worden verstrekt aan de betrokken instelling. Artikel 4, lid 5, van die verordening, volgens hetwelk de betrokken instelling in het kader van interne onderzoeken moet worden ingelicht indien uit de nasporingen de mogelijkheid van persoonlijke betrokkenheid van een lid, hoofd, ambtenaar of personeelslid blijkt, noemt verder geen termijn waarbinnen de kennisgeving dient te geschieden. Bovendien bevat het een uitzondering volgens welke OLAF met de kennisgeving kan wachten voor het geval dat het onderzoek absolute geheimhouding vereist. Het is aan OLAF om te besluiten of deze uitzondering moet worden toegepast.
Ten slotte bevatten die bepalingen geen rechtsregels die aan particulieren rechten toekennen waarvan de gemeenschapsrechter de eerbiediging verzekert.
(cf. punten 158‑159, 162)
6. In het kader van een beroep tot vergoeding van de materiële en morele schade die een ambtenaar zou hebben geleden door de wijze waarop het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) een onderzoek heeft uitgevoerd en afgesloten, faalt een middel dat stelt dat de nationale gerechtelijke instanties zijn beïnvloed wanneer hun ingevolge artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door OLAF informatie betreffende het onderzoek is meegedeeld, doordat OLAF die gerechtelijke instanties heeft georiënteerd door de meegedeelde feiten reeds strafrechtelijk te kwalificeren. De nationale instanties zijn immers alleen en volledig verantwoordelijk voor het aan de door OLAF verstrekte informatie te geven gevolg. Deze instanties moeten dus zelf nagaan of deze informatie een strafrechtelijke vervolging rechtvaardigt of vereist. Bijgevolg moet de rechterlijke bescherming tegen deze vervolging op nationaal niveau worden verzekerd met alle waarborgen van het interne recht, waaronder die welke voortvloeien uit de fundamentele rechten die als bestanddeel van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht door de lidstaten ook in acht moeten worden genomen bij de uitvoering van een gemeenschapsregeling.
(cf. punten 171‑173)
7. In geval van een beroep tot schadevergoeding dient de verzoekende partij het bewijs te leveren dat aan de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG is voldaan. Deze regel wordt evenwel iets afgezwakt wanneer er voor een schadebrengend feit verscheidene mogelijke oorzaken zijn en de gemeenschapsinstelling geen enkel bewijs heeft aangevoerd dat het mogelijk maakt te bepalen, aan welke van die oorzaken het schadebrengend feit is toe te schrijven. Aangezien de gemeenschapsinstelling de eerstaangewezene is om dienaangaande bewijs te leveren, moet die onzekerheid in haar nadeel uitwerken.
(cf. punten 182‑183)
8. Het vermoeden van onschuld verlangt dat een van een strafbaar feit beschuldigd persoon voor onschuldig wordt gehouden zolang zijn schuld niet tijdens een proces buiten redelijke twijfel is aangetoond. Dit neemt niet weg dat een instelling het publiek moet kunnen inlichten over lopende onderzoeken van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) naar onregelmatigheden in die instelling. Zij moet daarbij evenwel de vereiste discretie en terughoudendheid betrachten door het juiste evenwicht tussen de belangen van de betrokken ambtenaren en die van de instelling te respecteren.
De verspreiding door een instelling van een perscommuniqué waardoor het publiek, of toch op zijn minst een deel daarvan, de indruk kan krijgen dat een ambtenaar te maken heeft met onregelmatigheden bij die instelling, terwijl zijn schuld nog niet is aangetoond, blijft niet binnen de grenzen van wat uit het oogpunt van het belang van de dienst gerechtvaardigd is, en vormt een voldoende gekwalificeerde schending van het vermoeden van onschuld, aangezien de instelling met betrekking tot de verplichting om dat vermoeden te eerbiedigen, geen beoordelingsmarge heeft.
OLAF schendt ook het vermoeden van onschuld wanneer het in de loop van een onderzoek tegen een ambtenaar naar de pers informatie lekt die de opvatting van OLAF weerspiegelt dat hij schuldig is aan een strafrechtelijke inbreuk en ertoe bijdraagt dat het publiek in zijn schuld gaat geloven voordat een rechter zich daarover heeft uitgesproken. Door dat lek verzaakt OLAF ook haar verplichting tot vertrouwelijke behandeling van de onderzoeken en schaadt het, door erop aan te sturen dat gevoelig onderzoeksmateriaal in de pers wordt verspreid, de belangen van een behoorlijk bestuur, in zoverre het grote publiek dankzij die persberichten toegang krijgt tot vertrouwelijke informatie van de administratie terwijl het onderzoek nog aan de gang is. In dat geval zijn die rechtsregels op voldoende gekwalificeerde wijze geschonden. Het is immers aan OLAF om dergelijke lekken, waardoor fundamentele rechten van de betrokken personen, zoals het vermoeden van onschuld, worden miskend, te voorkomen, aangezien de administratie over geen enkele beoordelingsmarge beschikt wat de naleving van deze verplichting betreft.
(cf. punten 216‑217, 219, 309-311, 314)
9. Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) is niet verplicht om een gemeenschapsambtenaar die beweert geraakt te zijn door een intern onderzoek, vóór een voor hem bezwarende eindbeslissing van het tot aanstelling bevoegd gezag toegang te verlenen tot de documenten waarop dat onderzoek betrekking heeft of die door OLAF zijn opgesteld, omdat anders de doeltreffendheid en de vertrouwelijkheid van de aan OLAF opgedragen taak alsook de onafhankelijkheid van OLAF in gevaar zouden kunnen komen. Met name vormt het enkele feit dat een deel van een vertrouwelijk onderzoeksdossier op onrechtmatige wijze aan de pers lijkt te zijn overhandigd, op zich geen rechtvaardiging om ten gunste van de beweerdelijk geraakte ambtenaar een uitzondering te maken op de vertrouwelijke behandeling van dit dossier en het door OLAF uitgevoerde onderzoek. De eerbiediging van de rechten van de verdediging van de betrokken ambtenaar wordt afdoende gewaarborgd door artikel 4 van besluit 1999/396 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit die schadelijk is voor de belangen van de Gemeenschappen, dat OLAF niet verplicht om toegang te verlenen tot die documenten.
Deze zienswijze is niet in strijd met de eerbiediging van het recht op behoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat onder meer het recht van eenieder behelst om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps‑ en het zakengeheim. Volgens dit beginsel kan de toegang tot het dossier van het onderzoek door OLAF vóór de vaststelling van zijn eindverslag dus worden geweigerd wanneer dit ter eerbiediging van de vertrouwelijkheid noodzakelijk is.
OLAF is evenmin verplicht, inzage in het eindverslag te verlenen. Geen van de uit artikel 4 van besluit 1999/396 voortvloeiende verplichtingen heeft immers daarop betrekking en wat het beginsel van hoor en wederhoor betreft, zou onrechtmatig handelen van OLAF slechts kunnen worden vastgesteld indien het eindverslag werd gepubliceerd of indien in aansluiting daarop een bezwarende handeling werd vastgesteld. Als dat verslag aan de betrokken instelling en de betrokken nationale rechterlijke instanties is meegedeeld, zouden deze instelling en instanties de betrokken ambtenaar in voorkomend geval overeenkomstig hun eigen procedurevoorschriften inzage moeten geven in dat verslag, voor zover zij voornemens zouden zijn op basis van dat verslag een voor hem bezwarende handeling vast te stellen.
(cf. punten 255‑260)
10. Hoewel in verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) geen exacte en dwingende termijn wordt genoemd waarbinnen onderzoeken moeten worden afgerond, vormt de verplichting tot inachtneming van een redelijke termijn bij de afwikkeling van administratieve procedures een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht waarvan de gemeenschapsrechter de eerbiediging verzekert en dat in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als een onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur is opgenomen. De duur van de procedure voor OLAF mag derhalve niet een redelijke termijn overschrijden, waarbij aan de hand van de omstandigheden van het geval en de ingewikkeldheid van de zaak moet worden beoordeeld welke termijn redelijk is.
Het feit dat de administratieve organisatie van de diensten van de Commissie niet op orde is, waarvan de betrokken ambtenaren geen nadeel mogen ondervinden, kan op zichzelf geen lange termijnen voor afronding van de onderzoeken rechtvaardigen, en kan evenmin een reden zijn om de Commissie van haar verantwoordelijkheid te ontheffen.
(cf. punten 272‑274, 280-281)
11. Artikel 12, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 1073/1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) verlangt van de instellingen, dat zij erop toezien dat het vertrouwelijk karakter van de OLAF-onderzoeken en de wettelijke rechten van de betrokkenen worden geëerbiedigd. Deze bepaling kan echter niet aldus worden uitgelegd, dat zij voor de Commissie een algemene verplichting meebrengt om te verzekeren dat OLAF, dat bij zijn onderzoeken volstrekt onafhankelijk opereert, het vertrouwelijk karakter van die onderzoeken eerbiedigt. Deze bepaling moet namelijk worden gelezen in samenhang met de voorgaande alinea, die de directeur-generaal van OLAF verplicht om met eerbiediging van diezelfde beginselen op gezette tijden aan de instellingen verslag uit te brengen over de resultaten van zijn onderzoeken. Uit artikel 12 van verordening nr. 1073/1999 volgt derhalve dat wanneer de instellingen, waaronder de Commissie, door de directeur-generaal van OLAF over de onderzoeken zijn geïnformeerd, zij ervoor moeten zorgen dat bij de behandeling van die informatie het vertrouwelijk karakter ervan alsmede de wettelijke rechten van de betrokkenen worden geëerbiedigd.
(cf. punt 299)
12. Artikel 88, vijfde alinea, van het Statuut, dat bepaalt dat het tot aanstelling bevoegd gezag jegens de betrokken ambtenaar geen definitieve tuchtrechtelijke maatregel mag nemen door zich uit te spreken over feiten die tegelijkertijd het voorwerp vormen van een strafrechtelijke procedure, zolang de beslissing van de strafrechter niet onherroepelijk is geworden, verleent dat gezag geen discretionaire bevoegdheid. Deze bepaling bevestigt het beginsel „le pénal tient le disciplinaire en l’état”, hetgeen met name gerechtvaardigd is wegens het feit dat de nationale strafrechtelijke instanties grotere opsporingsbevoegdheden hebben dan het tot aanstelling bevoegd gezag. Ingeval dezelfde feiten zowel een strafrechtelijke inbreuk als een niet-nakoming van de statutaire verplichtingen van de ambtenaar kunnen opleveren, is de administratie derhalve gebonden aan de feitelijke vaststellingen van de strafrechter in de strafprocedure. Zodra deze laatste het bestaan van de feiten heeft vastgesteld, kan de administratie deze feiten vervolgens juridisch kwalificeren met betrekking tot het begrip tuchtrechtelijke fout door met name te onderzoeken of deze feiten inbreuken op de statutaire verplichtingen opleveren.
(cf. punten 341‑342)
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
8 juli 2008 (*)
„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Ambtenarenrecht – Onderzoeken van Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF ) – Zaak ‚Eurostat’ – Mededeling aan nationale gerechtelijke instanties van informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten – Geen voorafgaande kennisgeving aan betrokken ambtenaren en Comité van toezicht van OLAF – Lekken in de pers – Verspreiding door OLAF en Commissie – Schending van beginsel van vermoeden van onschuld – Morele schade – Causaal verband”
In zaak T‑48/05,
Yves Franchet, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Nice (Frankrijk),
Daniel Byk, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg (Luxemburg),
vertegenwoordigd door G. Vandersanden en L. Levi, advocaten,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.‑F. Pasquier als gemachtigde,
verweerster,
betreffende een verzoek tot vergoeding van de materiële en morele schade die verzoekers stellen te hebben geleden als gevolg van fouten van de Commissie en OLAF in het kader van de onderzoeken in de zaak „Eurostat”,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, president, V. Tiili (rapporteur) en T. Tchipev, rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 oktober 2007,
het navolgende
Arrest
Rechtskader
1 Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF), ingesteld bij besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 (PB L 136, blz. 20), is onder meer belast met het verrichten van interne administratieve onderzoeken naar ernstige feiten in verband met de uitoefening van werkzaamheden in dienstverband die kunnen worden aangemerkt als een niet-nakoming van de verplichtingen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen die tot tuchtrechtelijke en, eventueel, strafrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven.
2 Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door OLAF (PB L 136, blz. 1) regelt de controles, verificaties en andere maatregelen die de personeelsleden van OLAF bij de uitoefening van hun taken uitvoeren. OLAF verricht zowel „externe” als „interne” onderzoeken, dat wil zeggen zowel onderzoeken buiten als onderzoeken binnen de instellingen van de Gemeenschap.
3 In de tiende overweging van de considerans van verordening nr. 1073/1999 staat te lezen:
„Overwegende dat deze onderzoeken moeten worden uitgevoerd conform het Verdrag en met name het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, met inachtneming van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden [...] en onder volledige eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en met name van het billijkheidsbeginsel, van het recht van de betrokkene zich over de hem of haar betreffende feiten uit te spreken en van het recht dat de bevindingen van een onderzoek alleen mogen berusten op elementen die bewijskracht hebben; dat de instellingen, organen en instanties daartoe de voorwaarden en nadere regelingen dienen vast te stellen waaronder deze interne onderzoeken worden verricht; dat het derhalve dienstig is het Statuut te wijzigen teneinde daarin met betrekking tot interne onderzoeken de rechten en plichten van de ambtenaren en andere personeelsleden vast te leggen.”
4 De dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1073/1999 luidt:
„Overwegende dat de bevoegde nationale autoriteiten of, in voorkomend geval, de instellingen, organen of instanties, op grond van het door [OLAF] opgestelde verslag besluiten welk gevolg aan afgesloten onderzoeken wordt gegeven; dat derhalve aan de directeur van [OLAF] de verplichting moet worden opgelegd gegevens die [OLAF] bij zijn interne onderzoeken heeft verzameld met betrekking tot feiten die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging, rechtstreeks aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat door te geven.”
5 Artikel 4 van verordening nr. 1073/1999 bepaalt:
„Interne onderzoeken
1. [OLAF] verricht binnen de instellingen, organen en instanties op de in artikel 1 genoemde terreinen, administratieve onderzoeken [...]
Deze interne onderzoeken worden verricht met eerbiediging van de Verdragen, en met name het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en het Statuut en onder de voorwaarden en volgens de nadere regelingen die zijn vastgesteld in deze verordening en in het besluit dat elke instelling, orgaan en instantie aanneemt. De instellingen plegen onderling overleg over de bij dat besluit vast te stellen regeling.
[...]
5. Indien uit de nasporingen de mogelijkheid van persoonlijke betrokkenheid van een lid, hoofd, ambtenaar of personeelslid blijkt, wordt de instelling, instantie of het orgaan in kwestie daarvan in kennis gesteld.
Ingeval het onderzoek absolute geheimhouding vereist, dan wel de inschakeling van opsporingsmiddelen die onder de bevoegdheid van de nationale rechter vallen, kan met deze kennisgeving worden gewacht.
[...]”
6 Artikel 6, lid 5, van verordening nr. 1073/1999 luidt:
„De onderzoeken worden zonder onderbreking verricht gedurende een periode die in redelijke verhouding moet staan tot de omstandigheden en de complexiteit van de zaak.”
7 Artikel 8 van verordening nr. 1073/1999, „Geheimhouding en gegevensbescherming”, bepaalt:
„1. De in het kader van externe onderzoeken verkregen gegevens zijn ongeacht de vorm ervan, beschermd door de bepalingen die betrekking hebben op deze onderzoeken.
2. De in het kader van interne onderzoeken meegedeelde of verkregen gegevens vallen, ongeacht de vorm ervan, onder het beroepsgeheim en genieten de bescherming van de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van de Europese Gemeenschappen.
Deze gegevens mogen met name niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke er binnen de instellingen van de Europese Gemeenschappen of in de lidstaten ambtshalve kennis van moeten nemen, en mogen niet worden gebruikt voor enig ander doel dan de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit.
3. De directeur ziet erop toe dat de personeelsleden van [OLAF] en de overige personen die onder zijn gezag optreden, zich houden aan de communautaire en nationale bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens, met name aan die van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [PB L 281, blz. 31].
4. De directeur van [OLAF] en de leden van het Comité van toezicht bedoeld in artikel 11 zien toe op de toepassing van dit artikel en van de artikelen 286 [EG] en 287 [EG].”
8 Artikel 9 van verordening nr. 1073/1999, „Verslag en vervolg van de onderzoeken”, luidt:
„1. Na afloop van een door [OLAF] uitgevoerd onderzoek stelt [OLAF] onder het gezag van de directeur een verslag op; dit bevat met name de geconstateerde feiten, in voorkomend geval het financiële nadeel, en de conclusies van het onderzoek met inbegrip van de aanbevelingen van de directeur van [OLAF] voor het aan het onderzoek te geven gevolg.
2. Deze verslagen worden opgesteld met inachtneming van de procedurevoorschriften van de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat. De verslagen vormen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen toelaatbare bewijsmiddelen in de administratieve of gerechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt. De verslagen worden beoordeeld volgens dezelfde regels als de administratieve verslagen van de nationale administratieve controleurs, en hebben dezelfde waarde.
3. Het na afloop van een extern onderzoek opgestelde verslag en alle dienstige daarmee verband houdende documenten worden overeenkomstig de regels betreffende de externe onderzoeken aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten toegezonden.
4. Het na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslag en alle dienstige daarmee verband houdende documenten worden aan de betrokken instellingen, organen of instanties toegezonden. De instellingen, organen en instanties geven aan de interne onderzoeken het gevolg dat de resultaten ervan vragen, inzonderheid op disciplinair en gerechtelijk vlak, en stellen de directeur van [OLAF] binnen de door hem in de conclusies van zijn verslag vastgestelde termijn in kennis van het gevolg dat aan de onderzoeken is gegeven.”
9 Artikel 10 van verordening nr. 1073/1999, „Mededeling van informatie door [OLAF]”, bepaalt:
„1. Onverminderd de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening en de bepalingen van verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96, kan [OLAF] in het kader van externe onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten meedelen.
2. Onverminderd de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening deelt de directeur van [OLAF] in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten mede aan de gerechtelijke instanties van de betrokken lidstaat. Tenzij het onderzoek anders vereist, deelt hij deze informatie tegelijk mede aan de betrokken lidstaat.
3. Onverminderd de artikelen 8 en 9 van deze verordening kan [OLAF] in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de betrokken instelling, orgaan of instantie meedelen.”
10 Artikel 11 van verordening nr. 1073/1999, „Comité van toezicht”, bepaalt:
„De onafhankelijkheid van [OLAF] wordt gesterkt door de geregelde controles waaraan het Comité van toezicht de uitvoering van de onderzoekswerkzaamheden onderwerpt.
Op verzoek van de directeur of op eigen initiatief geeft het comité de directeur advies over de activiteiten van [OLAF], zonder zich evenwel in de afwikkeling van de lopende onderzoeken te mengen.
[...]
7. De directeur van [OLAF] doet jaarlijks het programma van de in artikel 1 van deze verordening bedoelde activiteiten aan het Comité van toezicht toekomen. De directeur stelt het comité op gezette tijden in kennis van de activiteiten van [OLAF], zijn onderzoeken, de resultaten ervan en het gevolg dat eraan is gegeven. Loopt een onderzoek langer dan negen maanden, dan deelt de directeur het comité mede waarom het onderzoek nog niet kon worden afgesloten en hoeveel tijd wellicht nog nodig is om het te voltooien. De directeur stelt het comité in kennis van de gevallen waarin de betrokken instelling, orgaan of instantie geen gevolg heeft gegeven aan zijn aanbevelingen. De directeur stelt het comité in kennis van de gevallen waarin gegevens aan de gerechtelijke autoriteiten van een lidstaat moeten worden verstrekt.
[...]”
11 Artikel 12, lid 3, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1073/1999 bepaalt:
„De directeur brengt op gezette tijden verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer over de resultaten van de door [OLAF] verrichte onderzoeken, met eerbiediging van het vertrouwelijk karakter van die onderzoeken, de wettelijke rechten van de betrokkenen en, in voorkomend geval, de op de gerechtelijke procedures van toepassing zijnde nationale bepalingen.
Deze instellingen zien erop toe dat het vertrouwelijk karakter van de onderzoeken van [OLAF], de wettelijke rechten van de betrokkenen en, ingeval er gerechtelijke procedures lopen, alle op deze procedures van toepassing zijnde nationale bepalingen, worden geëerbiedigd.”
12 Besluit 1999/396/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 2 juni 1999 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit die schadelijk is voor de belangen van de Gemeenschappen (PB L 149, blz. 57), zegt in artikel 4 over het inlichten van de betrokkene:
„Wanneer de mogelijkheid van persoonlijke betrokkenheid van een lid, een ambtenaar of een personeelslid van de Commissie is gebleken, moet de betrokkene, wanneer dit het onderzoek niet dreigt te benadelen, spoedig worden ingelicht. In geen geval kunnen na afloop van het onderzoek conclusies worden getrokken waarin een lid, een ambtenaar of een personeelslid van de Commissie met name wordt genoemd zonder dat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zich over alle hem betreffende feiten uit te spreken.
In gevallen waarin met het oog op het onderzoek absolute geheimhouding is vereist of waarin gebruik moet worden gemaakt van opsporingsmiddelen die tot de bevoegdheid van een nationale rechterlijke instantie behoren, kan de verplichting het lid, de ambtenaar of het personeelslid van de Commissie de gelegenheid te geven zich uit te spreken, in overeenstemming met de voorzitter of de secretaris-generaal van de Commissie worden opgeschort.”
13 Artikel 2 van het reglement van orde van het Comité van toezicht van OLAF (PB 2000, L 41, blz. 12) bepaalt onder het opschrift „Zorg voor de wettigheid”:
„Het Comité waakt erover dat de activiteiten van het OLAF met volledige eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden plaatsvinden overeenkomstig de verdragen en het afgeleide recht, met name het protocol betreffende de privileges en immuniteiten en het statuut van de ambtenaren.”
14 Artikel 14, leden 1 tot en met 3, van genoemd reglement van orde luidt:
„1. De vergaderingen van het Comité van toezicht zijn niet openbaar. Zijn beraadslagingen en de diverse stukken die tot deze beraadslagingen hebben geleid zijn vertrouwelijk, tenzij het Comité van toezicht anders besluit.
2. De door de directeur van het OLAF verstrekte stukken en inlichtingen vallen onder de bepalingen van artikel 287 [EG] in verband met de geheimhoudingsregeling.
3. Het Comité van toezicht beraadslaagt op basis van documenten en ontwerp-adviezen, -verslagen of ‑besluiten.”
15 Artikel 6, „Recht op een eerlijk proces”, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt:
„[...]
2. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
3. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
a) onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
b) te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
[...]”
16 Het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 2000, C 364, blz. 1; hierna: „Handvest”) bepaalt:
„Artikel 41
Recht op behoorlijk bestuur
1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.
2. Dit recht behelst met name:
– het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen,
– het recht van eenieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps‑ en het zakengeheim,
– de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden.
3. Eenieder heeft recht op vergoeding door de Gemeenschap van de schade die door haar instellingen of haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.
[...]
Artikel 48
Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging
1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.”
Feiten
17 Verzoekers, Y. Franchet en D. Byk, zijn respectievelijk de vroegere directeur-generaal en de vroegere directeur van Eurostat (Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen).
18 Diverse interne audits bij Eurostat hebben mogelijke onregelmatigheden in het financieel beheer aan het licht gebracht. Bijgevolg is OLAF verschillende onderzoeken gestart, onder meer naar de door Eurostat met de ondernemingen Eurocost, Eurogramme, Datashop, Planistat en CESD Communautaire gesloten overeenkomsten en de aan deze ondernemingen verleende subsidies.
19 Op 4 juli 2002 heeft OLAF de Luxemburgse gerechtelijke instanties een dossier met betrekking tot het onderzoek inzake Eurocost toegestuurd, evenals een ander dossier met betrekking tot het onderzoek inzake Eurogramme.
20 Op 13 november 2002 heeft Franchet de directeur-generaal van OLAF het volgende geschreven:
„[...]
Ik heb via de Cocobu [commissie voor de begrotingscontrole van het Europees Parlement] vernomen dat u aan hen informatie heeft verstrekt betreffende de door u aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties toegestuurde dossiers; informatie waarover ikzelf niet beschik. Ik heb in de Stern gelezen dat u bij Eurostat ‚een hele reeks gevallen’ heeft geïdentificeerd waarover uw diensten mij niets hebben meegedeeld.
[...]”
21 Op 13 maart 2003 heeft het Parlement een resolutie over de zaak Eurostat aangenomen.
22 Op 19 maart 2003 heeft de directeur-generaal van OLAF de Franse gerechtelijke instanties een brief gestuurd met als kenmerk „Mededeling van informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten CMS N° IO/2002/0510 − Eurostat/Datashop/Planistat” (hierna: „brief van 19 maart 2003”). Deze brief ging vergezeld van een op diezelfde dag door twee onderzoekers van OLAF aan de directeur-generaal van OLAF overhandigde nota „Aangifte van feiten die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging CMS N° IO/2002/0510 − Eurostat/Datashop/Planistat” (hierna: „nota van 19 maart 2003”).
23 Op 3 april 2003 heeft de directeur-generaal van OLAF de secretaris-generaal van de Commissie een samenvattende nota over de lopende onderzoeken inzake Eurostat doen toekomen.
24 Op 19 mei 2003 hebben verzoekers de Commissie verzocht om „bijstand overeenkomstig artikel 24 van het Statuut ter bescherming van [hun] reputatie en van [hun] recht zich te verweren tegen degenen die deze leugenachtige informatie hebben opgeschreven en verspreid”. Zij hebben tegelijkertijd gevraagd van hun functie te worden ontheven teneinde hun verdediging te kunnen voorbereiden.
25 Op 21 mei 2003 zijn verzoekers op eigen verzoek overgeplaatst.
26 Op 26 mei 2003 hebben verzoekers de directeur-generaal van OLAF twee brieven gestuurd waarin zij onder meer hebben verzocht „zo snel mogelijk op de hoogte te worden gebracht van de door OLAF [tegen hen] geuite grieven en aantijgingen”, zodat zij zich naar behoren zouden kunnen verdedigen tijdens de verhoren die voor eind juni 2003 gepland stonden. Zij hebben daarom verzocht om inzage in het volledige dossier. Bovendien hebben zij beklemtoond dat de dossiers aan de nationale gerechtelijke instanties waren toegezonden zonder dat zij waren ingelicht of gehoord. Ook achtten zij het „evident dat er vanuit OLAF vertrouwelijke gegevens [waren] gelekt naar de pers, wellicht doelbewust in het kader van een lastercampagne tegen Eurostat of zelfs tegen andere hooggeplaatste personen binnen de Commissie”.
27 Diezelfde dag hebben verzoekers ook twee brieven gestuurd aan het Comité van toezicht van OLAF, waarin zij meedeelden dat zij uit de pers hadden vernomen dat OLAF aan nationale gerechtelijke instanties een dossier had voorgelegd met beschuldigingen in termen van „verduistering en/of oplichting, begunstiging en oprichting van een criminele organisatie”, dat zij nooit door OLAF waren gehoord en dat er was gelekt. Zij hebben het Comité van toezicht gevraagd zich „uit te spreken over het ontoelaatbare gedrag van OLAF, dat ofwel het lekken [had] georganiseerd, ofwel niet al het nodige [had] gedaan om het lekken tegen te gaan, en daarmee zijn volledige verantwoordelijkheid jegens [hen] te nemen [...], alsook OLAF te gelasten erop toe te zien dat hun fundamentele rechten in het vervolg ten volle zouden worden gerespecteerd”.
28 Op 26 mei 2003 hebben verzoekers nog twee brieven gestuurd aan respectievelijk de secretaris-generaal en een directeur-generaal van de Commissie. Daarin hebben zij de Commissie gevraagd te preciseren waarin de door haar toegezegde bijstand zou bestaan. Ook hebben zij verzocht om inzage in de gegevens uit het OLAF‑dossier waarover de Commissie eventueel beschikte.
29 Op 5 juni 2003 hebben verzoekers zich tot de directeur-generaal van OLAF gewend met het verzoek het dossier vóór de voor het einde van die maand geplande verhoren te mogen inzien.
30 Op 11 juni 2003 heeft de Commissie de Dienst interne audit (DIA) opdracht gegeven de door Eurostat gesloten overeenkomsten en verleende subsidies te onderzoeken in de context van de follow-up van de kwijtingsprocedure. De DIA heeft drie verslagen opgesteld: het eerste op 7 juli, het tweede op 24 september en het derde op 22 oktober 2003.
31 Tijdens vergaderingen in juni en juli 2003 heeft de commissie voor de begrotingscontrole van het Parlement (Cocobu) over het Eurostat-dossier gesproken met onder meer enkele leden van de Commissie.
32 Op 18 juni 2003 hebben verzoekers zich nogmaals tot de directeur-generaal van OLAF gewend. Zij wezen erop dat „het recht te worden gehoord onderstelt dat de betrokkene van de tegen hem ingebrachte bezwaren in kennis wordt gesteld en toegang krijgt tot het dossier”. De voor het einde van de maand juni geplande verhoren zouden huns inziens dan ook niet op regelmatige wijze kunnen plaatsvinden. Verzoekers stelden vast dat „[z]odra toegang [zou] worden verleend tot het dossier en de raadslieden en hun cliënten voldoende tijd [zouden] krijgen om de stukken te bestuderen, de verhoren doorgang [zouden] kunnen vinden”.
33 Tijdens een eerste verhoor door OLAF op 23 juni 2003 heeft Franchet een voorafgaande verklaring met een juridische nota over de rechten van de verdediging overgelegd. Op 25 en 26 juni is hij door OLAF over het dossier Eurocost gehoord, op 26 en 27 juni over de dossiers Datashop en Planistat, en op 2 juli over het dossier CESD Communautaire.
34 Op 1 juli 2003 heeft de heer P., hoofd van een eenheid bij het secretariaat-generaal van de Commissie, de leden van de Commissie een nota doen toekomen inzake de op 30 juni 2003 gehouden Cocobu-vergadering en de bij die gelegenheid met de secretaris-generaal van de Commissie en de directeur-generaal van OLAF gevoerde gesprekken.
35 Op 3 en 4 juli 2003 is Byk door OLAF over de dossiers Datashop en Planistat gehoord. Ook hij heeft een voorafgaande verklaring met een juridische nota over de rechten van de verdediging overgelegd.
36 Op 9 juli 2003 heeft de Commissie besloten een tuchtprocedure in te leiden tegen verzoekers. Deze procedure werd onmiddellijk geschorst omdat het onderzoek van OLAF nog niet was afgerond. De Commissie heeft ook een multidisciplinaire taskforce (hierna: „taskforce”) opgericht.
37 Diezelfde dag heeft de Commissie een persmededeling gepubliceerd met als titel „De Commissie neemt maatregelen naar aanleiding van financiële malversaties bij Eurostat” (IP/03/979).
38 Bij brieven van 17 juli 2003 hebben verzoekers de voorzitter van de Commissie van hun situatie op de hoogte gebracht.
39 Bij brief van 22 juli 2003 aan de Commissie hebben verzoekers de fouten opgesomd die zij huns inziens had begaan, en hebben zij haar ter zake verantwoordelijk gesteld. Ook hebben zij de Commissie verzocht om overlegging van de in de besluiten tot inleiding van de tuchtprocedures genoemde documenten.
40 De processen-verbaal van de eind juni en begin juli gehouden verhoren van verzoekers zijn op 11 augustus 2003 opgemaakt.
41 Op 24 september 2003 heef de directeur-generaal van OLAF de voorzitter van de Commissie een „overzicht van de afgeronde Eurostat-zaken” overhandigd. Volgens de begeleidende nota „[kon] dit overzicht in geen enkel opzicht als eindverslag van het onderzoek in de zin van verordening nr. 1073/1999 worden beschouwd” en „[was] het enkel bedoeld om de belangrijkste conclusies van de uitgevoerde onderzoeken kenbaar te maken”.
42 Samen met het „Verslag van de Task Force Eurostat (TFES) – Samenvatting en conclusies” en een op het tweede tussentijdse verslag van de DIA gebaseerde informatienota over Eurostat is dat overzicht nog diezelfde dag aan het Parlement overhandigd.
43 Op 25 september 2003 heeft OLAF in de zaken Eurocost, Datashop, Planistat en CESD Communautaire de eindverslagen van het onderzoek in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1073/1999 opgesteld.
44 Diezelfde dag is de voorzitter van de Commissie door de Cocobu gehoord en heeft hij de conferentie van fractievoorzitters van het Parlement toegesproken.
45 Op 25 september 2003 hebben verzoekers de Commissie een brief gestuurd waarin zij verwezen naar de daags tevoren aan het Parlement overhandigde documenten. Zij lieten weten het „onacceptabel [te vinden] dat [zij] publiekelijk [werden] beschuldigd zonder toegang te hebben tot de documenten waarin de aantijgingen [waren] vervat”. Ook vroegen zij zich af of „het normaal [was] dat [zij] wederom uit de pers moesten vernemen dat zij van verschillende malversaties [werden] beschuldigd”. Verder vroegen zij de Commissie met die brief om overlegging van de betrokken verslagen en van de documenten waarom zij in hun brief van 22 juli 2003 hadden verzocht, te weten:
„– de door OLAF opgestelde nota van 3 april 2003 (004201) en de door dit bureau opgestelde nota’s van 19 maart 2003 (003441 en 003440);
– het verslag van het DG [‚]Begroting[’] van 4 juli 2003 (‚DGBUDG Report – Analysis of audit reports on Eurostat systems for grants and procurement’);
– het verslag van de [DIA] van de Commissie van 7 juli 2003 (‚First Interim Report – IAS examination of Eurostat contracts and grants: reportable events’);
– de drie verslagen die [de DIA], de taskforce en OLAF hebben opgesteld met het oog op het verhoor van de [voorzitter van de Commissie] op 25 september 2003”.
46 Op 1 oktober 2003 heeft de Commissie een besluit houdende reorganisatie van Eurostat vastgesteld, dat op 1 november 2003 van kracht is geworden. Besloten werd om één directie en één directeurspost te schrappen.
47 Op 10 oktober 2003 hebben verzoekers behalve een kopie van de op 25 september 2003 opgestelde eindverslagen in de zaken Eurocost, Datashop en CESD Communautaire ook een kopie ontvangen van de drie in punt 42 hierboven genoemde documenten die op 24 september 2003 aan het Parlement waren overhandigd. Diezelfde dag hebben zij de in de besluiten tot inleiding van de tuchtprocedures genoemde documenten ontvangen, waarom zij in hun brieven van 22 juli en 25 september 2003 hadden gevraagd, met uitzondering van de brief met bijbehorende nota van 19 maart 2003, waarvan de overlegging werd geweigerd op grond dat „het hier [ging] om informatie die door OLAF aan de Franse gerechtelijke instanties te Parijs was verstrekt en die dus een wezenlijk onderdeel vorm[de] van een lopende nationale onderzoeksprocedure”.
48 Op 23 oktober 2003 hebben verzoekers op de grondslag van de op het onderhavige geval toepasselijke versie van artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) een verzoek ingediend tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de door de Commissie gemaakte fouten, met inbegrip van die welke aan OLAF zijn toe te rekenen.
49 Bij besluit van 10 mei 2004, door verzoekers ontvangen op 17 mei daaraanvolgend, heeft het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) dat verzoek afgewezen.
50 Op 19 mei 2004 hebben verzoekers overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van 10 mei 2004. Op 5 augustus daaraanvolgend hebben zij een aanvulling op die klacht ingediend.
51 Bij besluit van 27 oktober 2004, aan verzoekers ter kennis gebracht bij brief van 3 november daaraanvolgend, heeft het TABG die klacht uitdrukkelijk afgewezen.
Procesverloop en conclusies van partijen
52 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 januari 2005, hebben verzoekers onderhavig beroep ingesteld.
53 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering, partijen verzocht een aantal documenten over te leggen en enkele schriftelijke vragen te beantwoorden. Partijen hebben hieraan voor een deel binnen de gestelde termijnen gevolg gegeven.
54 Bij beschikking van 6 juni 2007 heeft het Gerecht de Commissie op grond van de artikelen 65, sub b, 66, lid 1, en 67, lid 3, tweede alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering gelast, alle in het kader van de zaak Eurostat aan de Franse gerechtelijke instanties toegezonden documenten over te leggen, waarbij het heeft bepaald dat deze documenten vooralsnog niet aan verzoekers ter kennis worden gebracht. Aan dit verzoek is voldaan.
55 Op 11 juni 2007 heeft de Commissie haar opmerkingen ingediend over verzoekers’ antwoorden op de vragen en de verzoeken om overlegging van documenten van het Gerecht. Diezelfde dag hebben verzoekers hun opmerkingen over de desbetreffende antwoorden van de Commissie ingediend.
56 Partijen zijn ter terechtzitting van 3 oktober 2007 in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.
57 Ter terechtzitting hebben partijen bevestigd dat van de documenten die de Commissie in antwoord op de door het Gerecht gelaste maatregel van instructie had overgelegd, enkel de bijlagen bij de nota van 19 maart 2003, de klacht van 10 juli 2003 en het Planistat-eindverslag niet in handen van verzoekers waren. Verzoekers hebben ingestemd met een eventueel gebruik van de in die documenten vervatte informatie door het Gerecht, waarvan in het proces-verbaal akte is genomen. Het Gerecht heeft gemeend uitsluitend gebruik te moeten maken van de documenten waarover verzoekers beschikten.
58 Ter terechtzitting heeft de Commissie op verzoek van het Gerecht een nota van OLAF van 16 mei 2003 overgelegd. Verzoekers hebben daartegen geen bezwaar gemaakt, waarvan in het proces-verbaal akte is genomen.
59 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
– de Commissie te veroordelen tot vergoeding van hun materiële en morele schade, die zij voorlopig hebben begroot op 1 miljoen EUR;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
60 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekers te verwijzen in de kosten.
In rechte
61 Tot staving van hun beroep tot schadevergoeding voeren verzoekers aan dat zowel door de Commissie als door OLAF fouten zijn gemaakt, dat zij ernstige materiële en morele schade hebben geleden en dat er tussen de door hen gestelde fouten en de geleden schade een causaal verband bestaat.
62 De Commissie maakt om te beginnen bezwaar tegen het feit dat verzoekers bepaalde documenten van het Comité van toezicht van OLAF als bijlage bij het verzoekschrift hebben gevoegd.
63 Zij meent bovendien dat het beroep tot schadevergoeding voor een deel prematuur is.
I – Het verzoek om enkele bijlagen bij het verzoekschrift uit het dossier te verwijderen
A – Argumenten van partijen
64 De Commissie vraagt om verwijdering uit het dossier van enkele documenten van het Comité van toezicht van OLAF. Het gaat om zes bijlagen bij het verzoekschrift.
65 Volgens de Commissie zijn dit interne documenten die niet bedoeld zijn om openbaar te worden gemaakt. Bovendien zijn zij door verzoekers op ongeoorloofde wijze verkregen en moeten zij om die reden met de verwijzingen ernaar en de citaten eruit in het verzoekschrift uit het dossier worden verwijderd (arrest Hof van 17 december 1981, Ludwigshafener Walzmühle Erling e.a./Raad en Commissie, 197/80?200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Jurispr. blz. 3211, punten 13‑16).
66 De overlegging van vertrouwelijke interne documenten tot staving van een beroep is volgens de Commissie slechts toegestaan indien de verzoeker weet aan te tonen, dat hij de documenten op geoorloofde wijze heeft verkregen.
67 De stukken die de Commissie in casu uit het dossier verwijderd wenst te zien, zijn interne documenten van het Comité van toezicht van OLAF, die ingevolge artikel 14 van het reglement van orde van dit comité vertrouwelijk zijn. Het Comité van toezicht heeft nooit besloten die vertrouwelijkheid op te heffen en de stukken openbaar te maken of ze zelfs maar aan verzoekers te overhandigen in het kader van hun verdediging. Aangezien het hier zuiver interne documenten betreft, kan het ontbreken van de vermelding „vertrouwelijk” niet tot gevolg hebben dat deze documenten hun vertrouwelijk karakter verliezen.
68 Het is volgens de Commissie hoe dan ook aan verzoekers om aan te geven, op welke geoorloofde wijze zij de betrokken documenten hebben verkregen, zoals door indiening van een verzoek om toegang waarop door het Comité van toezicht van OLAF positief is beslist. De overlegging van gegevens waaruit blijkt dat verzoekers geen enkel door het secretariaat van het Comité van toezicht van OLAF opgesteld intern document hebben ontvreemd, gestolen of onderschept ? waarvan de Commissie hen overigens ook nooit heeft beschuldigd ? bewijst namelijk nog niet dat de betrokken documenten op geoorloofde wijze zijn verkregen.
69 De Commissie stelt tot slot dat geen van de betrokken documenten ook maar het minste bewijs bevat van de fouten die OLAF dan wel zijzelf zou hebben gemaakt.
70 Verzoekers betwisten dat de documenten vertrouwelijk zijn en door hen op ongeoorloofde wijze zijn verkregen.
71 Het is volgens verzoekers duidelijk dat wanneer in een dossier als dat van de onderhavige zaak, waarin vergoeding van geleden schade wordt gevorderd, geen commentaar kan worden geleverd op noch inzage kan worden verkregen in documenten die de voor aansprakelijkstelling noodzakelijke onrechtmatige handelwijze van OLAF en de Commissie bewijzen, de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming ernstig en daadwerkelijk zouden worden geschonden.
72 Verzoekers stellen dat de betrokken documenten hun kritiek op het functioneren van OLAF ondersteunen en dat dit de werkelijke reden is waarom de Commissie ze uit het dossier verwijderd wenst te zien.
B – Beoordeling door het Gerecht
73 Volgens de Commissie zijn enkele bijlagen bij het verzoekschrift vertrouwelijke interne documenten van het Comité van toezicht van OLAF, die door verzoekers niet op geoorloofde wijze zijn verkregen. Het betreft de volgende stukken:
– Het volledig verslag van hetgeen de secretaris-generaal van de Commissie op 3 september 2003 tegenover het Comité van toezicht van OLAF heeft verklaard; de secretaris-generaal zou tevoren niet hebben geweten dat zijn betoog woordelijk zou worden geregistreerd; de voorzitter van het Comité van toezicht zou hem later hebben verzekerd dat het document niet buiten het comité en het secretariaat ervan zou worden verspreid;
– de op 5 maart 2003 door het secretariaat van het Comité van toezicht opgestelde nota ter attentie van de voorzitter en een van de leden van dit comité;
– de op 27 mei 2003 door het secretariaat van het Comité van toezicht opgestelde nota ter attentie van de voorzitter van dit comité;
– de notulen van de vergadering van het Comité van toezicht op 2 en 3 september 2003;
– het verslag van het Comité van toezicht van 15 januari 2004, op verzoek van het Parlement opgesteld met betrekking tot de procedurevragen die naar aanleiding van de in de zaak Eurostat uitgevoerde onderzoeken waren gerezen;
– de informatienota van het secretariaat van het Comité van toezicht van 10 oktober 2003 over het verloop van de in de zaak Eurostat uitgevoerde OLAF-onderzoeken en de gevolgen daarvan voor de positie van OLAF.
74 Opgemerkt zij dat noch een eventueel vertrouwelijk karakter van de betrokken documenten, noch het feit dat die documenten mogelijk op ongeoorloofde wijze zijn verkregen, een beletsel vormt om ze in het dossier te laten.
75 Er is immers geen bepaling die met zoveel woorden verbiedt rekening te houden met bewijsmateriaal dat onrechtmatig, bijvoorbeeld in strijd met fundamentele rechten, is verkregen.
76 In het in punt 65 hierboven genoemde arrest Ludwigshafener Walzmühle Erling e.a./Raad en Commissie, waarop de Commissie zich beroept, heeft het Hof vastgesteld dat, aangezien twijfel bestond zowel omtrent de aard van het betwiste document als over de vraag of de interveniënten het op geoorloofde wijze hadden verkregen, het document uit het dossier moest worden verwijderd (punt 16).
77 Een instelling heeft dus in beginsel goede gronden om te eisen dat een intern document uit het dossier wordt verwijderd, wanneer degene die zich op het document beroept, het niet regelmatig heeft verkregen. Een intern document is immers vertrouwelijk, tenzij verspreiding ervan is toegestaan door de instelling waarvan het afkomstig is.
78 In zijn latere rechtspraak heeft het Hof echter erkend dat in bepaalde gevallen ook interne documenten deel mogen uitmaken van het dossier van een zaak (beschikkingen Hof van 19 maart 1985, Tordeur e.a., 232/84, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 8, en 15 oktober 1986, LAISA/Raad, 31/86, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 5). Evenzo is het Gerecht soms bereid geweest rekening te houden met stukken waarvan niet was aangetoond dat zij op geoorloofde wijze waren verkregen.
79 In bepaalde situaties heeft de verzoekende partij dus niet hoeven aantonen dat zij het tot staving van haar standpunt overgelegde document regelmatig had verkregen. In het kader van een afweging van de verschillende te beschermen belangen moest volgens het Gerecht worden nagegaan of bijzondere omstandigheden, zoals het feit dat overlegging van het document noodzakelijk was met het oog op de beoordeling van de regelmatigheid van de procedure van vaststelling van de bestreden handeling (zie in die zin arrest Gerecht van 6 maart 2001, Dunnett e.a./EIB, T‑192/99, Jurispr. blz. II‑813, punten 33 en 34), dan wel om misbruik van bevoegdheid te kunnen vaststellen (zie in die zin arrest Gerecht van 29 februari 1996, Lopes/Hof van Justitie, T‑280/94, JurAmbt. blz. I‑A‑77 en II‑239, punt 59), rechtvaardigden dat een document niet uit het dossier werd verwijderd.
80 In casu wettigt het specifieke kader van het onderhavige beroep de conclusie dat de betrokken documenten in het dossier moeten blijven. Deze documenten zijn immers van belang voor de beoordeling van de wijze waarop OLAF zich in het kader van de Eurostat‑onderzoeken heeft gedragen. Het bijzondere karakter van het onderhavige beroep, in het kader waarvan verzoekers de onrechtmatigheid van het gedrag van OLAF trachten aan te tonen, rechtvaardigt bijgevolg dat die documenten niet uit het dossier worden verwijderd (zie in die zin arrest Dunnett e.a./EIB, punt 79 hierboven, punten 33 en 34).
81 Het gaat hier immers om voorbereidende documenten van het Comité van toezicht van OLAF, dat volgens artikel 2 van zijn reglement van orde erover dient te waken „dat de activiteiten van het OLAF met volledige eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden plaatsvinden overeenkomstig de verdragen en het afgeleide recht, met name het protocol betreffende de privileges en immuniteiten en het statuut van de ambtenaren”, en om een volledig verslag van hetgeen de secretaris-generaal van de Commissie tegenover dit comité heeft verklaard. Bovendien is het voor verzoekers lastig te bewijzen dat OLAF onrechtmatig heeft gehandeld. Ten slotte kunnen die documenten relevant zijn voor de oplossing van het onderhavige geschil in zoverre aan de hand daarvan de feiten waarvan verzoekers OLAF beschuldigen, kunnen worden bewezen.
82 Gelet op de aard van de betrokken documenten en op de bijzondere omstandigheden van het geschil moet het verzoek om die documenten uit het dossier te verwijderen, bijgevolg worden afgewezen.
II – Het premature karakter van het beroep
A – Argumenten van partijen
83 De Commissie stelt dat verzoekers’ betoog betreffende de onregelmatigheden die zich tijdens de onderzoeksprocedure zouden hebben voorgedaan, grotendeels prematuur is.
84 Zij verduidelijkt dat zij geen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opwerpt, maar van mening is dat het beroep voortijdig is ingesteld, in de eerste plaats omdat enkele van de door verzoekers aangevoerde middelen, betreffende procedurefouten die zij of OLAF zou hebben gemaakt, slechts kunnen worden beoordeeld in het licht van de gevolgen die deze fouten zouden kunnen hebben voor een eventuele in de strafrechtelijke of tuchtprocedures te geven eindbeschikking (arrest Gerecht van 18 december 1992, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑10/92?T‑12/92 en T‑15/92, Jurispr. blz. II‑2667, punt 48), en in de tweede plaats omdat, ervan uitgaande dat haar dan wel OLAF bepaalde fouten kunnen worden verweten, de beoordeling van de als gevolg daarvan geleden schade verschillend zal uitvallen naargelang van de strekking van de ten aanzien van verzoekers genomen strafrechtelijke‑ en/of disciplinaire maatregelen. De Commissie meent derhalve dat de gestelde morele schade niet kan worden beoordeeld zonder de mate van „schuld” van verzoekers in aanmerking te nemen, en dat de gevolgen van de fouten die OLAF of zijzelf eventueel hebben gemaakt, niet kunnen worden beoordeeld zonder rekening te houden met eventuele fouten van verzoekers.
85 Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 28 maart 1979, Granaria/Raad en Commissie (90/78, Jurispr. blz. 1081, punt 6), wijst de Commissie op de mogelijkheid voor het Gerecht om in een eerste stadium van de procedure te beslissen over de vraag of het gedrag van OLAF of de Commissie tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden, en, afhankelijk van de aard van de vastgestelde fouten, het onderzoek van de vraag betreffende de omvang van de morele schade eventueel voor een later stadium te bewaren.
86 Verzoekers betwisten dat het beroep prematuur is en stellen vast dat de conclusies van de Commissie op dit punt niet duidelijk zijn.
87 Zij betogen dat hun beroep voldoet aan alle ontvankelijkheidsvoorwaarden en materiële voorwaarden die moeten zijn vervuld om de aansprakelijkheid van de Commissie teweeg te brengen en om het Gerecht in staat te stellen, zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.
88 Er is volgens verzoekers geen reden om aan te nemen dat een beroep tot schadevergoeding subsidiair is ten opzichte van een tuchtprocedure en/of onderzoeken door de gerechtelijke instanties van een lidstaat. Het zou met het fundamentele recht op effectieve rechterlijke bescherming en op een behoorlijke rechtsbedeling in strijd zijn, indien de mogelijkheid een beroep tot schadevergoeding in te stellen, afhankelijk werd gesteld van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, met als gevolg dat de schade almaar groter zou worden en de betrokkenen het recht op vergoeding van die schade zou worden ontnomen.
89 Volgens verzoekers is hun schade werkelijk en actueel sinds de Commissie de gestelde fouten heeft gemaakt. Naarmate de tijd verstrijkt, wordt deze schade alleen maar groter.
B – Beoordeling door het Gerecht
90 Het staat vast dat de nationale gerechtelijke procedures nog aan de gang zijn. De eventuele uitkomsten van die procedures kunnen evenwel de onderhavige procedure niet beïnvloeden. Het gaat in deze procedure immers niet om de vraag of verzoekers zich inderdaad schuldig hebben gemaakt aan de feiten waarvan zij zijn beschuldigd, waarover het Gerecht zich niet kan uitspreken. In casu moet dus niet worden nagegaan of verzoekers al dan niet in de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid fouten hebben gemaakt, maar moet de wijze worden onderzocht waarop OLAF een onderzoek heeft uitgevoerd en afgesloten dat verzoekers met name noemt en eventueel verantwoordelijk stelt voor de ruim vóór een definitieve beslissing publiekelijk geconstateerde onregelmatigheden, alsmede de wijze waarop de Commissie zich in het kader van dat onderzoek heeft gedragen. Indien verzoekers door de nationale gerechtelijke instanties niet schuldig worden bevonden, zou daarmee evenmin noodzakelijkerwijze de schade worden vergoed die zij dan eveneens zouden hebben geleden.
91 Aangezien de in het kader van het onderhavige beroep gestelde schade losstaat van de schade die verzoekers zouden kunnen aanvoeren ingeval zij door de nationale gerechtelijke instanties onschuldig worden verklaard, kan de schadevordering niet als prematuur worden afgewezen met als gevolg dat verzoekers een dergelijke vordering pas na de eventuele definitieve beslissingen van de nationale gerechtelijke instanties zouden kunnen instellen.
92 Aangezien het beroep niet prematuur is, is er bijgevolg geen reden om het onderzoek van de vraag betreffende de aard en de omvang van de schade voor een eventueel later stadium te bewaren.
III – De niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap
93 Volgens vaste rechtspraak kan er slechts sprake zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor onrechtmatige gedragingen van haar organen in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten: de onrechtmatigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (arrest Hof van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/EEG, 26/81, Jurispr. blz. 3057, punt 16; arresten Gerecht van 11 juli 1996, International Procurement Services/Commissie, T‑175/94, Jurispr. blz. II‑729, punt 44; 16 oktober 1996, Efisol/Commissie, T‑336/94, Jurispr. blz. II‑1343, punt 30, en 11 juli 1997, Oleifici Italiani/Commissie, T‑267/94, Jurispr. blz. II‑1239, punt 20).
94 Wanneer aan een van deze voorwaarden niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de andere voorwaarden (arrest Gerecht van 20 februari 2002, Förde-Reederei/Raad en Commissie, T‑170/00, Jurispr. blz. II‑515, punt 37; zie in die zin arrest Hof van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C‑146/91, Jurispr. blz. I‑4199, punt 81).
95 Wat de eerste voorwaarde betreft, stelt de rechtspraak de eis dat een voldoende gekwalificeerde schending wordt aangetoond van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (arrest Hof van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punt 42). Om te kunnen vaststellen dat is voldaan aan het vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending, is het beslissende criterium de kennelijke en ernstige miskenning, door de betrokken gemeenschapsinstelling, van de grenzen waarbinnen haar beoordelingsbevoegdheid dient te blijven. Wanneer deze instelling slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststaan (arrest Hof van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C‑312/00 P, Jurispr. blz. I‑11355, punt 54, en arrest Gerecht van 12 juli 2001, Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, T‑198/95, T‑171/96, T‑230/97, T‑174/98 en T‑225/99, Jurispr. blz. II‑1975, punt 134).
96 Verzoekers betogen dat zowel OLAF als de Commissie fouten heeft gemaakt en dat enkel de Commissie voor al deze fouten aansprakelijk moet worden gesteld. Volgens verzoekers heeft OLAF zowel jegens hen als jegens de Commissie fouten gemaakt.
97 Derhalve moet om te beginnen worden onderzocht of OLAF en/of de Commissie zich schuldig hebben gemaakt aan voldoende gekwalificeerde schendingen van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen.
A – De onrechtmatigheid van het gedrag van OLAF
1. De fouten die OLAF zou hebben gemaakt bij de toezending van de Eurostat‑dossiers aan de Franse en Luxemburgse gerechtelijke instanties
a) Argumenten van partijen
98 Aangaande de informatieverstrekking door OLAF onderstrepen verzoekers om te beginnen het duidelijke verschil tussen de externe en de interne onderzoeken van OLAF. Zij wijzen op de verwarring die heeft bestaan omtrent de aard van het onderzoek en van de brief van 19 maart 2003 aan de Franse gerechtelijke instanties. De directeur-generaal van OLAF verklaarde op 30 juni 2003 tegenover de Cocobu dat het om een „extern dossier” ging, ofschoon verzoekers’ namen daarin werden genoemd. Verzoekers menen evenwel dat het onderzoek zuiver intern was en dat het dus niet zonder voorafgaande kennisgeving aan de betrokken instelling naar buiten had mogen worden gebracht.
99 Volgens verzoekers heeft OLAF dus zijn interne onderzoeken als externe onderzoeken bestempeld ter vergoelijking van de procedurefouten die het heeft gemaakt door het Eurostat-dossier aan de Franse en Luxemburgse gerechtelijke instanties toe te sturen zonder de Commissie en zijn Comité van toezicht daarvan vooraf in kennis te stellen.
100 Verzoekers betogen voorts dat ook zij niet tevoren over de toezending van de dossiers Datashop en Planistat aan de Franse gerechtelijke instanties waren geïnformeerd, en dat Franchet niet vooraf in kennis was gesteld van het feit dat het dossier Eurocost, waarbij Byk niet betrokken was, aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties zou worden toegestuurd.
101 Verzoekers verwijten OLAF dan ook opzettelijke schending van het beginsel van goed bestuur, het beginsel van hoor en wederhoor, de rechten van de verdediging en het beginsel dat zowel belastende als ontlastende elementen moeten worden onderzocht, zoals met name neergelegd in het EVRM en het Handvest.
102 Verzoekers beroepen zich ook op artikel 4 van besluit 1999/396 en verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Europese Ombudsman van 26 april 2002 inzake klacht 781/2001/IJH, voor zover betrekking hebbend op OLAF, waarin over deze bepaling wordt gezegd dat zij „OLAF verbiedt aan zijn onderzoek voor de betrokkene nadelige conclusies te verbinden wanneer deze niet eerst van de jegens hem geuite beschuldigingen en de daaraan ten grondslag liggende feiten op de hoogte is gebracht en de gelegenheid heeft gekregen zich daarover uit te spreken”. De Europese Ombudsman heeft bovendien verklaard dat dit „een normaal element van elke doeltreffende en billijke onderzoeksprocedure is” en, met name, dat „een getuigenis die de betrokkene niet aldus heeft kunnen betwisten, doorgaans geen bewijskracht heeft”.
103 Volgens verzoekers geeft de Commissie aan de artikelen 4 en 10 van verordening nr. 1073/1999 en aan artikel 4 van besluit 1999/396 een te restrictieve uitlegging en schendt zij daarmee fundamentele rechten. Volgens deze uitlegging is het besluit van OLAF om met de voorgeschreven kennisgeving aan de instelling te wachten in beginsel niet voor toetsing vatbaar en zou OLAF zich met een dergelijk besluit dus voor onbepaalde tijd aan zijn informatieplicht kunnen onttrekken.
104 Naar het oordeel van verzoekers heeft OLAF noch de Commissie ooit duidelijk gemaakt waarom absolute geheimhouding vereist was of waarom met het verstrekken van informatie aan de Commissie moest worden gewacht, met uitzondering van de samenvattende nota over de lopende onderzoeken inzake Eurostat, die de directeur-generaal van OLAF op 3 april 2003 aan de secretaris-generaal van de Commissie heeft doen toekomen (zie punt 23 hierboven). Aangaande de noodzaak om met de kennisgeving aan de betrokken ambtenaar te wachten, merken verzoekers op dat naar hun weten de secretaris-generaal nooit de door artikel 4, tweede alinea, van besluit 1999/396 voorgeschreven instemming heeft betuigd.
105 Verzoekers beroepen zich tevens op een op 10 februari 2004 ingediend voorstel voor een verordening van het Parlement en de Raad tot wijziging van verordening nr. 1073/1999 [COM(2004) 103 def.] en op een voorstel voor een interinstitutioneel akkoord van 14 augustus 2003, waarmee de invoering van een gedragscode wordt beoogd teneinde bij interne onderzoeken een snellere informatie-uitwisseling tussen OLAF en de Commissie tot stand te brengen [SEC(2003) 871 geconsolideerde versie]. Beide voorstellen voorzien onder meer in de verplichting nadere invulling te geven aan de informatieverstrekking door OLAF. Ook moet volgens het voorstel voor een verordening tot wijziging van verordening nr. 1073/1999 de betrokken ambtenaar worden gehoord wanneer informatie wordt toegezonden aan de nationale gerechtelijke instanties. Dit houdt volgens verzoekers geen wijziging van de bestaande verordening in, maar, zoals de Commissie heeft gememoreerd, slechts een bevestiging van de fundamentele beginselen zoals die met name in het Handvest zijn geformuleerd. Verzoekers merken op dat zij door OLAF zijn gehoord omdat zij daarom hadden verzocht, en niet omdat OLAF hen daartoe had uitgenodigd.
106 Verzoekers besluiten hun betoog met de opmerking dat OLAF de Franse gerechtelijke instanties heeft „georiënteerd” door reeds strafrechtelijke kwalificaties te verbinden aan feiten die het in de zaak Eurostat meende te hebben vastgesteld, wat huns inziens in strijd is met de rol van OLAF, namelijk het uitvoeren van administratieve onderzoeken. De aan de Franse gerechtelijke instanties toegezonden nota van 19 maart 2003 bevat een op het Franse recht gebaseerde juridische analyse van de gerapporteerde feiten en geeft bovendien aan hoe die feiten naar Frans strafrecht zouden moeten worden gekwalificeerd. OLAF heeft daarmee dus meer gedaan dan waartoe het ingevolge de in verordening nr. 1073/1999 geformuleerde informatieplicht was gehouden.
107 De Commissie betoogt in de eerste plaats dat verzoekers, ongeacht de aard van het onderzoek (intern dan wel extern), niet kunnen stellen dat OLAF haar had moeten informeren en dat het hen had moeten horen of op de hoogte stellen alvorens informatie te verstrekken aan de nationale gerechtelijke instanties.
108 Zij stelt dat OLAF ingevolge artikel 10 van verordening nr. 1073/1999 verplicht is in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten mede te delen aan de gerechtelijke instanties van de betrokken lidstaat, terwijl die mededeling in geval van externe onderzoeken slechts facultatief is. Nergens in dit artikel staat te lezen dat vóór of tegelijk met die mededeling de betrokken instelling of de eventueel betrokken ambtenaren moeten worden geïnformeerd.
109 De Commissie stelt onder verwijzing naar artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1073/1999 vast dat het feit dat de instelling waartoe eventueel persoonlijk betrokken ambtenaren behoren, niet wordt geïnformeerd, zijn rechtvaardiging kan vinden in de noodzaak met deze kennisgeving te wachten. Zelfs al valt een dergelijk uitstel in het concrete geval niet te rechtvaardigen, het eventuele ontbreken van een kennisgeving aan de Commissie heeft hoe dan ook geen gevolgen kunnen hebben voor de regelmatigheid van de procedure wat verzoekers betreft, aangezien verzoekers daardoor in geen enkel opzicht zijn benadeeld.
110 Aangaande verzoekers’ recht om te worden gehoord of ingelicht merkt de Commissie op, dat de eventueel persoonlijk betrokken ambtenaar ingevolge artikel 4 van besluit 1999/396 moet worden ingelicht, tenzij dit het onderzoek dreigt te benadelen. Het is aan OLAF om te beoordelen of dit risico van benadeling van het onderzoek bestaat. De verplichting de betrokkene in de gelegenheid te stellen zich over alle hem betreffende feiten uit te spreken ? een verplichting die slechts in enkele specifieke gevallen in overeenstemming met de voorzitter of de secretaris-generaal van de Commissie kan worden opgeschort ? is relevant op het moment dat OLAF na afloop van het onderzoek conclusies trekt, maar niet op het moment dat OLAF overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 1073/1999 hangende het onderzoek informatie verstrekt aan de gerechtelijke instanties van een lidstaat.
111 Overigens hebben verzoekers overeenkomstig artikel 4 van besluit 1999/396 de gelegenheid gekregen zich over alle hen betreffende feiten uit te spreken voordat OLAF conclusies verbond aan de onderzoeken die het naar hen had gedaan.
112 Anders dan verzoekers stellen, is het volgens de Commissie onjuist om te beweren dat een besluit van OLAF om met de verplichte kennisgeving aan de lidstaat te wachten, in beginsel niet kan worden getoetst. Die toetsing kan echter pas na afloop van het onderzoek worden verricht indien het onderzoek zonder gevolg blijft, dan wel na afloop van de tucht‑ en/of strafrechtelijke procedure. Aangezien de rechtvaardiging voor het besluit tot uitstel van de kennisgeving is, dat met het oog op het onderzoek absolute geheimhouding is vereist dan wel dat gebruik moet worden gemaakt van opsporingsmiddelen die tot de bevoegdheid van een nationale rechterlijke instantie behoren, zou deze rechtvaardigingsmogelijkheid worden „ondermijnd” indien dat besluit al in een eerder stadium kon worden getoetst.
113 De Commissie beklemtoont voorts dat enkel schending van ten tijde van de feiten toepasselijke rechtsregels een onrechtmatigheid kan opleveren en dat van een onrechtmatigheid dus geen sprake kan zijn in geval van schending van een bepaling in een nadien ingediend voorstel voor een nieuw rechtskader.
114 De Commissie betoogt in de tweede plaats dat de strafrechtelijke kwalificaties die OLAF in verband met de aan een nationale gerechtelijke instantie meegedeelde strafbare feiten hanteert, niet meer dan aanwijzingen zijn waaraan die instantie op geen enkele wijze is gebonden. Zij weerspiegelen slechts de opvatting van de OLAF-personeelsleden die het betrokken dossier in behandeling hebben. Overhandiging van het dossier aan een nationale gerechtelijke instantie is immers enkel gerechtvaardigd indien OLAF van mening is dat de betrokken feiten aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging. De nationale gerechtelijke instanties waaraan OLAF een zaak heeft voorgelegd, zijn volledig vrij het dossier al dan niet ? geheel of ten dele ? in behandeling te nemen, en het is niet aan OLAF om die instanties op welke wijze ook te instrueren.
115 Volgens de Commissie geven verzoekers ook een verkeerde uitlegging aan punt 3.4.3 van haar verslag van 2 april 2003 inzake de evaluatie van de werkzaamheden van OLAF [COM(2003) 154 def.]. Zij heeft namelijk allesbehalve willen zeggen dat een nationale gerechtelijke instantie waaraan OLAF een dossier heeft overhandigd, aan de bevindingen van OLAF gebonden is.
b) Beoordeling door het Gerecht
De kwalificatie van de onderzoeken
116 Volgens verordening nr. 1073/1999 voert OLAF zowel externe als interne onderzoeken uit, dat wil zeggen onderzoeken buiten en onderzoeken binnen de instellingen van de Gemeenschap. De door OLAF te volgen procedurevoorschriften verschillen naargelang van de aard van het onderzoek.
117 Volgens verzoekers heeft OLAF zijn interne onderzoeken als externe onderzoeken bestempeld teneinde gemaakte procedurefouten te vergoelijken. Verzoekers menen dat het onderzoek zuiver intern was en dat er dus geen gegevens naar buiten mochten worden gebracht zonder voorafgaande kennisgeving aan de betrokken instelling, het Comité van toezicht van OLAF en de betrokken ambtenaren.
118 Het Gerecht merkt op dat er tijdens de verschillende uitgevoerde onderzoeken inderdaad verwarring is geweest omtrent de aard van die onderzoeken.
119 Zo blijkt uit de samenvattende nota van 3 april 2003 (zie punt 23 hierboven) dat OLAF de onderzoeken inzake de dossiers Eurocost (toegezonden aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties) en Datashop (toegezonden aan de Franse gerechtelijke instanties) als interne onderzoeken had bestempeld. In het „overzicht van de afgeronde Eurostat-zaken” was het onderzoek inzake het dossier Eurogramme als extern onderzoek gekwalificeerd en waren de onderzoeken inzake de dossiers Eurocost, CESD Communautaire en Datashop als interne onderzoeken bestempeld. In dat overzicht wordt ook geconstateerd dat het interne onderzoek naar het Datashop-netwerk de centrale rol van de vennootschap Planistat aan het licht had gebracht, wat voor OLAF aanleiding was om op 18 maart 2003 een extern onderzoek naar dat bedrijf te starten.
120 Blijkens de nota van 1 juli 2003 (zie punt 34 hierboven) betreffende de op 30 juni 2003 gehouden vergadering van de Cocobu en de bij die gelegenheid met de secretaris-generaal van de Commissie en de directeur-generaal van OLAF gevoerde gesprekken was die kwalificatie echter niet duidelijk. Volgens die nota had de directeur-generaal van OLAF namelijk opgemerkt dat in het Eurostat‑dossier het interne en het externe gedeelte door elkaar liepen, en meer bepaald dat in de dossiers Eurocost en Eurogramme het externe gedeelte nagenoeg was afgerond en aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties was toegestuurd, en dat in de dossiers Datashop en Planistat het externe en het interne gedeelte op dezelfde wijze door elkaar liepen.
121 Verder bevatte het door het Comité van toezicht van OLAF op verzoek van het Parlement opgestelde verslag van 15 januari 2004 over de naar aanleiding van de onderzoeken in de zaak Eurostat gerezen procedurevragen de volgende constatering:
„OLAF heeft ook moeilijkheden ondervonden bij de toepassing van de in de verordening opgenomen bepalingen inzake zowel de interne als de externe onderzoeken. Aanvankelijk is het externe onderzoeken gestart; pas toen duidelijk was geworden dat er mogelijk ambtenaren betrokken waren, is het interne onderzoeken begonnen. Deze louter administratieve opsplitsing van dossiers is een bron van verwarring geweest.”
122 Uit het dossier blijkt dat, in elk geval op het moment waarop de onderzoeken werden afgesloten, de dossiers Eurocost, Datashop en CESD Communautaire interne dossiers en de dossiers Eurogramme en Planistat externe dossiers waren. Uit het dossier blijkt echter tevens dat de dossiers Datashop en Planistat nauw met elkaar waren verweven.
123 Vastgesteld moet worden wat het karakter was van het schrijven van 19 maart 2003 aan de Franse gerechtelijke instanties. In dit verband is irrelevant dat in de brief met bijbehorende nota van 19 maart 2003 wordt gerefereerd aan het (daags tevoren geopende) externe dossier Planistat en niet aan het interne dossier Datashop. Een dergelijke vermelding kan namelijk niet leiden tot vrijstelling van de procedurele verplichtingen die bij interne onderzoeken gelden wanneer er ambtenaren betrokken zijn. Bovendien wordt ondanks de verwijzing naar een extern dossier in de nota van 19 maart 2003 door de onderzoekers ook gerefereerd aan de in verordening nr. 1073/1999 opgenomen bepaling inzake de mededeling van de door OLAF bij interne onderzoeken verkregen informatie. In de brief van 19 maart 2003 wordt niet expliciet gespecificeerd of het om een intern dan wel om een extern onderzoek ging. Het voorwerp van de brief werd echter omschreven als de „[m]ededeling van informatie betreffende strafrechtelijk vervolgbare feiten”, wat correspondeert met de inhoud van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1073/1999, dat betrekking heeft op de mededeling van in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten. Het weglaten van de referentie van het interne dossier levert derhalve geen vrijbrief op om de rechten van de verdediging van de in dat dossier genoemde personen te veronachtzamen. Hoe dan ook wordt de referentie van het dossier gevolgd door de vermelding „Eurostat/Datashop/Planistat”. Bovendien heeft de directeur-generaal van OLAF in zijn nota van 3 april 2003 (zie punt 23 hierboven) zelf geconstateerd dat het interne dossier Datashop, waarbij ambtenaren waren betrokken, was toegestuurd aan de openbaar aanklager te Parijs (Frankrijk).
124 Bijgevolg moet voor de onderhavige procedure worden aangenomen, dat zowel het op 4 juli 2002 aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties toegestuurde dossier Eurocost als het op 19 maart 2003 aan de Franse gerechtelijke instanties overhandigde dossier Datashop-Planistat een intern onderzoek betrof.
125 Derhalve moet worden nagegaan of OLAF in het kader van de overhandiging van die dossiers aan de nationale gerechtelijke instanties een rechtsregel heeft geschonden die particulieren rechten toekent.
Inlichting van verzoekers, de Commissie en het Comité van toezicht van OLAF
– Inlichting van verzoekers
126 Verzoekers stellen dat zij niet vooraf zijn geïnformeerd over de overhandiging van het dossier Datashop-Planistat aan de Franse gerechtelijke instanties en dat Franchet ook niet tevoren op de hoogte is gebracht van de toezending van het dossier Eurocost, waarbij Byk niet betrokken was, aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties. Zij verwijten OLAF dan ook opzettelijke schending van het beginsel van goed bestuur, het beginsel van hoor en wederhoor, de rechten van de verdediging en het beginsel dat zowel belastende als ontlastende elementen moeten worden onderzocht, zoals met name neergelegd in het EVRM en het Handvest. Zij verwijzen tevens naar artikel 4 van besluit 1999/396.
127 Het Gerecht brengt in herinnering dat enkel bij interne onderzoeken de betrokken ambtenaren moeten worden ingelicht. Deze verplichting is geformuleerd in artikel 4 van besluit 1999/396, waarbij de Commissie de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van de interne onderzoeken heeft vastgelegd.
128 Uit artikel 4, eerste alinea, van besluit 1999/396 volgt dat de betrokken ambtenaar, wanneer dit het onderzoek niet dreigt te benadelen, spoedig moet worden ingelicht over de mogelijkheid van zijn persoonlijke betrokkenheid, en dat in geen geval na afloop van het onderzoek conclusies kunnen worden getrokken waarin een ambtenaar van de Commissie met name wordt genoemd, zonder dat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zich over alle hem betreffende feiten uit te spreken [beschikking president Hof van 8 april 2003, Gómez-Reino/Commissie, C‑471/02 P(R), Jurispr. blz. I‑3207, punt 63].
129 Het niet in acht nemen van deze bepalingen, die de voorwaarden aangeven waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de betrokken ambtenaar kan worden verenigd met de voor dit soort onderzoeken kenmerkende vertrouwelijkheidseisen, zou een schending van de wezenlijke vormvoorschriften van de onderzoeksprocedure vormen (beschikking Gómez-Reino/Commissie, punt 128 hierboven, punt 64).
130 Artikel 4 van besluit 1999/396 is echter niet expliciet van toepassing op de mededeling van informatie aan de nationale gerechtelijke instanties en bepaalt dan ook niet dat de betrokken ambtenaar vóór een dergelijke mededeling moet worden geïnformeerd. Volgens artikel 10 van verordening nr. 1073/1999 kan (externe onderzoeken) of moet (interne onderzoeken) OLAF immers informatie verstrekken aan de nationale gerechtelijke instanties. Deze informatieverstrekking kan dus voorafgaan aan de „na afloop van het onderzoek getrokken conclusies”, die doorgaans in het onderzoeksverslag staan.
131 Bovendien volgt uit de in punt 128 hierboven aangehaalde beschikking Gómez-Reino/Commissie (punt 64), dat de conclusies van een OLAF‑onderzoek waarin een ambtenaar met name wordt genoemd in de zin van artikel 4 van besluit 1999/396, noodzakelijkerwijs deel moeten uitmaken van het onder het gezag van de directeur van dit bureau opgestelde verslag, zoals artikel 9 van verordening nr. 1073/1999 bepaalt, en dat de door de betrokken instelling aan het interne onderzoek gegeven gevolgen inzonderheid op disciplinair en gerechtelijk vlak kunnen liggen.
132 Derhalve kan worden aangenomen dat ten tijde van de toezending van de informatie aan de nationale gerechtelijke instanties nog geen verslag als bedoeld in artikel 9 van verordening nr. 1073/1999 voorhanden was dat door OLAF aan de Commissie was overhandigd en waarin verzoekers persoonlijk werden beschuldigd.
133 Evenwel moet nog worden nagegaan of de aan de Luxemburgse en de Franse gerechtelijke instanties toegezonden „informatie” wellicht aldus moet worden opgevat, dat daarin conclusies voorkomen waarin verzoekers „met name word[en] genoemd”.
134 Aangaande in de eerste plaats de toezending, op 4 juli 2002, van het dossier Eurocost aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties, staat in de begeleidende nota te lezen dat noch Franchet, noch de vertegenwoordigers van Eurocost door OLAF waren gehoord en dat dit opzettelijk was nagelaten teneinde de uitkomsten van het gerechtelijk onderzoek niet te ondermijnen. Er bestaat dan ook geen twijfel over dat Franchet niet in verband met het dossier Eurocost was gehoord voordat dit aan de Luxemburgse gerechtelijke instanties werd toegezonden.
135 In die nota staat ook dat Franchet medeoprichter en voormalig voorzitter, vice-voorzitter en lid van Eurocost is, dat hij de algemene vergaderingen van Eurocost geregeld heeft bijgewoond en dat hij ten tijde van zijn voorzitterschap het arbeidscontract van de directeur van Eurocost heeft ondertekend. De directeur-generaal van OLAF wijst op een potentieel belangenconflict en beklemtoont dat een interne audit aan het licht heeft gebracht dat de voor Eurocost verantwoordelijke personen Eurostat door tal van onregelmatigheden en frauduleuze handelingen hebben benadeeld. Over de „boekhoudkundige manipulaties met als doel de fraude ten nadele van Eurostat te verdoezelen” merkt de nota op dat melding is gemaakt van het bestaan van stilzwijgende afspraken met Eurostat dienaangaande. Ook wordt gesproken van „dubbele en zelfs drievoudige financiering van sommige kosten”.
136 Meergenoemde nota, waarin de naam van Franchet expliciet wordt genoemd in verband met een potentieel belangenconflict, moet naar het oordeel van het Gerecht aldus worden uitgelegd, dat daarin conclusies zijn opgenomen waarin Franchet „met name wordt genoemd”. In dit verband verdient ook vermelding dat de directeur-generaal van OLAF in de nota van 3 april 2003 (zie punt 23 hierboven) heeft verklaard dat „de Luxemburgse openbaar aanklager bij schrijven van 10 juli 2002 had laten weten er geen bezwaar tegen te hebben dat de beschuldigde ambtenaren door de onderzoekers van OLAF zouden worden verhoord”, en dat „de directeur-generaal [van Eurostat] betrokken zou kunnen zijn”.
137 Wat in de tweede plaats de toezending, op 19 maart 2003, van het dossier Datashop-Planistat aan de Franse gerechtelijke instanties betreft, staat vast dat verzoekers niet over het dossier waren geïnformeerd noch in de gelegenheid waren gesteld zich daarover uit te laten voordat het aan de Franse justitie werd overhandigd. Vervolgens moet worden herinnerd aan het voorwerp van de brief van 19 maart 2003 en van de bijbehorende nota, namelijk „[m]ededeling van informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten”, respectievelijk „[a]angifte van feiten die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging”.
138 In de brief van 19 maart 2003 verklaart de directeur-generaal van OLAF, onder voorbehoud van de beoordeling door de Franse gerechtelijke instanties, dat „er sprake lijkt te zijn geweest van frauduleuze activiteiten ten koste van de communautaire middelen, die als strafbare feiten gekwalificeerd kunnen worden”, waarbij hij nog preciseert dat „[u]it het onderzoek is gebleken dat deze feiten het werk waren van medewerkers van de in Parijs gevestigde firma Planistat Europe SA, met de actieve medeplichtigheid van Europese ambtenaren”.
139 In het kader van een „[c]hronologisch overzicht van de onderzochte feiten” wordt in punt 2.3 van de nota van 19 maart 2003 („De gedurende het onderzoek gedane vaststellingen”) opgemerkt, dat blijkens een in september 1999 opgesteld interne-auditverslag van Eurostat over de Datashops in Brussel (België), Luxemburg (Luxemburg) en Madrid (Spanje), dat aan de basis van het OLAF-onderzoek lag, „vanaf 1996 tot eind 1999 in het kader van het beheer van die drie Datashops tal van onregelmatigheden [waren] begaan”, en dat „[i]n casu een aanzienlijk deel van de door die drie Datashops ‚opgegeven’ omzet – tussen 50 en 55 % – terechtkwam op zwarte rekeningen die door een ambtenaar van [Eurostat] werden beheerd”.
140 In de nota van 19 maart 2003 staat ook dat „[e]nkel de directie van de Groep Planistat en, naar alle waarschijnlijkheid, de heer Byk, hoofd van een eenheid bij Eurostat en Frans onderdaan, een volledig overzicht over deze hele gang van zaken hadden”, dat de valse facturen „werden betaald uit de zwarte kas [...] na goedkeuring door Daniel Byk, directeur bij Eurostat, van Franse nationaliteit”, dat „[o]ngeveer een bedrag van 922 500 [euro] aldus [was] gefactureerd en betaald” en dat „Eurostat via de list met de zwarte kassen een aanzienlijk tekort van Planistat Europe SA [had] aangevuld, terwijl de contractpartner van de Commissie daar normaal gesproken zelf voor had moeten opdraaien”. Volgens de nota werden „de zwarte rekeningen ook gebruikt om door sommige Eurostat‑ambtenaren, waaronder Byk, gemaakte restaurant‑, hotel‑ en reiskosten ... te betalen”.
141 In het kader van de beschrijving van de gepleegde strafbare feiten wordt in punt 3.1 van de nota onder de kop „Verduistering” vastgesteld:
„Het feit dat enkele ambtenaren van de Gemeenschap een economisch netwerk hebben opgezet met als doel, een deel van de inkomsten uit de verkoop van statistische producten en diensten aan het zicht van de Commissie te onttrekken, zou kunnen worden beschouwd als toe-eigening van ‚gelden, van waardepapieren of van enig goed’ in de zin van artikel 314‑1 van de Code pénal, dat een omschrijving geeft van het delict verduistering. Aan alle bestanddelen van het delict is door de gemeenschapsambtenaren en door de leiding van de groep Planistat en van de betrokken Datashops gezamenlijk uitvoering geven. De gemeenschapsambtenaren konden niet onwetend zijn van het feit dat zij ingevolge het geldende financieel reglement verplicht waren alle inkomsten op te geven.
Bovendien hebben diezelfde gemeenschapsambtenaren de betrokken gelden voor andere dan communautaire doeleinden aangewend, aangezien daarmee kennelijk uitgaven zijn betaald die niet in het contract van de firma Planistat Europe SA met de Commissie waren voorzien, en zelfs persoonlijke uitgaven van die ambtenaren. Uit dit gebruik voor andere dan communautaire doeleinden kan de frauduleuze intentie worden afgeleid.”
142 Na bespreking van de kwestie van de heling door Planistat wordt in punt 3.3 van de nota, „Criminele organisatie”, gezegd:
„Volgens artikel 450‑1 van de Code pénal is ‚een criminele organisatie elke groepering of afspraak die als doel heeft de voorbereiding, in de vorm van één dan wel meerdere feitelijke handelingen, van één of meerdere misdrijven of overtredingen waarop een gevangenisstraf van vijf jaar of meer is gesteld ...’
Wij moeten ons afvragen of deze kwalificatie niet ook kan worden toegepast in het kader van het onderhavige dossier: de plundering van de communautaire middelen was immers enkel mogelijk doordat de ambtenaren en de voor Planistat en voor de Datashops verantwoordelijke personen, die zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van vertrouwen, gezamenlijk opereerden.
[...]”
143 In punt 3.5 van de nota, „Toepassing van de Franse wetgeving op strafbare feiten die door Fransen in het buitenland zijn gepleegd”, wordt ten slotte opgemerkt:
„[...]
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- HvJ EU 25 februari 2021, C-615/19, ECLI:EU:C:2021:133
- Gerecht EU 8 september 2016, T-54/14, ECLI:EU:T:2016:455
- Gerecht EU 12 mei 2015, T-562/12, ECLI:EU:T:2015:270
- Gerecht EU 26 april 2016, T-221/08, ECLI:EU:T:2016:242
- Gerecht EU 9 juni 2021, T-514/19, ECLI:EU:T:2021:332
- Gerecht EU 14 december 2018, T-298/16, ECLI:EU:T:2018:967
- Gerecht EU 3 december 2015, T-343/13, ECLI:EU:T:2015:926
- HvJ EU 12 december 2024, C-680/22, ECLI:EU:C:2024:1019
- Gerecht EU 8 november 2018, T-827/16, ECLI:EU:T:2018:756
- Gerecht EU 20 juli 2016, T-483/13, ECLI:EU:T:2016:421
- HvJ EU 13 januari 2022, C-351/20, ECLI:EU:C:2022:8
- Gerecht EU 30 november 2022, T-401/21, ECLI:EU:T:2022:736
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-523/17, ECLI:EU:T:2022:313
- Gerecht EU 11 juni 2019, T-138/18, ECLI:EU:T:2019:398
- Gerecht EU 4 april 2019, T-61/18, ECLI:EU:T:2019:217
- Gerecht EU 17 februari 2017, T-726/14, ECLI:EU:T:2017:99
- HvJ EU 10 juni 2021, C-591/19, ECLI:EU:C:2021:468