HvJ EU 27 november 2025, C-509/24, ECLI:EU:C:2025:924
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
27 november 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 6, lid 1 – Artikel 7, lid 1 – Overeenkomst betreffende een bankrekening – Betalingsbevelprocedure – Ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen – Voorstel van de rechter om de schuldvordering te verminderen met het bedrag dat overeenkomt met de toepassing van een als oneerlijk aangemerkt beding – Aanvaarding door de verkoper en mogelijkheid om dat bedrag in een latere procedure te vorderen – Doeltreffendheidsbeginsel – Deelname van de consument aan de toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding”
In zaak C‑509/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n.o 3 de Arucas (rechtbank in eerste aanleg en instructie nr. 3 Arucas, Spanje) bij beslissing van 30 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 22 juli 2024, in de procedure
Investcapital Ltd
tegen
M.H.S.,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Torró Molés als gemachtigde,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door M. Cherubini, avvocato dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín en P. Kienapfel als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die is ingeleid door Investcapital Ltd, de cessionaris van een schuldvordering met betrekking tot een op naam van M.H.S., de consument, geopende betaalrekening, strekkende tot de uitvaardiging van een betalingsbevel voor een uit die overeenkomst voortvloeiende geldsom.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 luidt als volgt: „Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.
4 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
5 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Spaans recht
LEC
6 Artikel 815, lid 3, van Ley 1/2000 de Enjuiciamiento Civil (wet 1/2000 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 7 januari 2000 (BOE nr. 7 van 8 januari 2000, blz. 575), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „LEC”), bepaalt: „Indien uit de bij het verzoek gevoegde documenten blijkt dat het geëiste bedrag niet juist is, zal de griffier een afschrift verstrekken aan de rechter, die de verzoeker in voorkomend geval bij beschikking de keus zal geven om een voorstel van betalingsbevel voor een door die rechter bepaald bedrag dat lager is dan het aanvankelijk geëiste bedrag, te aanvaarden of af te wijzen. Evenzo moet de griffier, indien wordt geoordeeld dat de schuldvordering voortvloeit uit een overeenkomst die is gesloten tussen een vennootschap of verkoper en een consument of gebruiker, voordat hij een betalingsbevel uitvaardigt, de rechter daarvan in kennis stellen. Indien de rechter van oordeel is dat een van de bedingen waarop het verzoek berust of die het verschuldigde bedrag bepalen, als een oneerlijk beding kan worden aangemerkt, kan hij bij beschikking een betalingsbevel voorstellen voor het bedrag dat voortvloeit uit de uitsluiting, uit de gevorderde som, van het bedrag dat overeenkomt met de toepassing van dat beding. In beide gevallen moet de verzoeker het voorstel binnen tien dagen aanvaarden of afwijzen. Het voorstel wordt geacht te zijn aanvaard indien hij de termijn laat verstrijken zonder een keuze te maken. In geen geval wordt de aanvaarding door de verzoeker opgevat als een gedeeltelijk afstand van zijn vordering en op het niet-voldane deel van de vordering kan alleen aanspraak worden gemaakt in de daartoe geëigende declaratoire procedure. Indien het voorstel wordt aanvaard, wordt de partij waartegen het betalingsbevel is gericht gesommeerd tot betaling van dat bedrag. In het andere geval wordt de verzoeker geacht afstand van zijn vordering te hebben gedaan en kan hij zijn vordering alleen in de daartoe geëigende declaratoire procedure doen gelden. Tegen de in dit laatste geval gegeven beschikking kan rechtstreeks beroep worden ingesteld door de partij die in de procedure verschijnt.”
7 Artikel 818, lid 1, eerste alinea, LEC luidt als volgt: „Indien de schuldenaar tijdig verzet aantekent, wordt onherroepelijk beslist op het geschil in de daartoe bestemde procedure. De uitspraak die daaruit voortvloeit, heeft gezag van gewijsde.”
Algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers
8 Artikel 83 van de geconsolideerde tekst van de algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers, zoals goedgekeurd bij Real Decreto Legislativo 1/2007 por el que se aprueba el texto refundido de la Ley General para la Defensa de los Consumidores y Usuarios y otras leyes complementarias (koninklijk wetgevend besluit 1/2007 tot herziening van de algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers en andere aanvullende wetten) van 16 november 2007 (BOE nr. 287 van 30 november 2007, blz. 49181), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt het volgende: „Oneerlijke bedingen zijn van rechtswege nietig en worden als niet geschreven beschouwd. Daartoe stelt de rechter, na partijen te hebben gehoord, de nietigheid van de in de overeenkomst opgenomen oneerlijke bedingen vast, met dien verstande dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft onder dezelfde voorwaarden indien deze zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan. Voorwaarden die op niet-transparante wijze ten nadele van de consument in overeenkomsten zijn opgenomen, zijn van rechtswege nietig.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 Op 16 april 2024 heeft Investcapital bij de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n.o 3 de Arucas (rechtbank in eerste aanleg en instructie nr. 3 Arucas, Spanje), de verwijzende rechter, een verzoek tot uitvaardiging van een betalingsbevel tegen M.H.S. aanhangig gemaakt, waarbij zij betaling heeft gevorderd van een bedrag van 1234,01 EUR – bestaande uit een hoofdsom van 229,17 EUR en 38,73 EUR aan gewone rente, 39,68 EUR aan vertragingsrente en 921,15 EUR aan kosten of commissievergoedingen – voor een door de bank B.S.A. overgedragen schuldvordering. Deze schuldvordering betreft een op 16 maart 2018 tussen M.H.S. en de bank B.S.A. gesloten overeenkomst tot opening van een bankrekening.
10 Aangezien het gaat om een overeenkomst die is gesloten tussen een verkoper en een consument, is de verwijzende rechter daarvan overeenkomstig artikel 815, lid 3, LEC door de griffier in kennis gesteld, opdat hij toetst of de bedingen waarop het verzoek om een betalingsbevel is gebaseerd, oneerlijk zijn.
11 In het kader van de toetsing of die bedingen oneerlijk zijn vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 815, lid 3, LEC verenigbaar is met het Unierecht, meer bepaald met richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de rechtspraak van het Hof.
12 De verwijzende rechter merkt op dat, wanneer een contractueel beding als oneerlijk wordt aangemerkt, de rechter bij wie het verzoek om een betalingsbevel aanhangig is, zich overeenkomstig artikel 815, lid 3, LEC ertoe moet beperken een verlaging van het bedrag van de schuldvordering voor te stellen, waarbij het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van een dergelijk beding wordt uitgesloten. Volgens deze bepaling houdt de aanvaarding van het voorstel van het betalingsbevel door de verzoeker geen afstand in van het door die rechter afgewezen bedrag, aangezien die verzoeker in het kader van een declaratoire procedure nog steeds de betaling ervan kan vorderen.
13 De verwijzende rechter wijst er derhalve op dat artikel 815 LEC niet toestaat dat uitspraak wordt gedaan over de nietigheid van bedingen die als oneerlijk worden aangemerkt, terwijl dergelijke bedingen volgens artikel 83 van de algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers van rechtswege nietig zijn en als niet geschreven worden beschouwd. Hij is van oordeel dat de consument daardoor gebonden blijft aan contractuele bedingen die, na toetsing door de rechter bij wie het verzoek om een betalingsbevel aanhangig is gemaakt, evenwel als oneerlijk zijn aangemerkt.
14 In die omstandigheden heeft de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n.o 3 de Arucas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat een mechanisme van rechterlijke toetsing dat enkel tot gevolg heeft dat de bedragen die voortvloeien uit oneerlijke bedingen worden uitgesloten van de vordering van de ondernemer of verkoper, terwijl deze die bedragen wel kan vorderen in een andere procedure, kan worden beschouwd als een ‚passend en doeltreffend middel’ om te voorkomen dat de consument of gebruiker door die oneerlijke bedingen wordt gebonden? 2) Moeten de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regel als die welke is vervat in artikel 815, lid 3, [LEC], op grond waarvan de gevolgen van de toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen in het kader van de betalingsbevelprocedure worden beperkt tot het feit dat de bedragen die voortvloeien uit oneerlijke bedingen worden uitgesloten van de door een ondernemer of beroepsbeoefenaar ingestelde vordering, zonder aan die toetsing alle gevolgen te verbinden die naar nationaal recht voortvloeien uit de vaststelling van dat oneerlijke karakter, zoals nietigverklaring? 3) Moeten de artikelen 6 en 7 van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regel als die welke is vervat in artikel 815, lid 3, [LEC], die niet voorziet in de deelname van de consument of gebruiker aan de door de rechter uitgevoerde toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
Ontvankelijkheid
15 De Spaanse regering betwijfelt of de eerste en de tweede vraag ontvankelijk zijn, omdat zij haars inziens hypothetisch van aard zijn voor zover zij betrekking hebben op een andere procedure dan die van het betalingsbevel, te weten een eventuele declaratoire procedure die de behandeling van andere verzoeken dan die welke in het kader van de betalingsbevelprocedure zijn ingediend, naar nationaal recht mogelijk maakt.
16 Er zij aan herinnerd dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het hoofdgeding, de relevantie te beoordelen van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel, is het Hof in beginsel verplicht om daarop te antwoorden. Op prejudiciële vragen over het Unierecht rust derhalve een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een dergelijke vraag wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 2 februari 2023, Towarzystwo Ubezpieczeń Ż (Misleidende modelverzekeringsovereenkomsten),C‑208/21, EU:C:2023:64, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
17 Dat is in casu echter niet het geval.
18 De verwijzingsbeslissing beschrijft namelijk voldoende nauwkeurig het juridische en feitelijke kader van het hoofdgeding, dat betrekking heeft op een verzoek om een betalingsbevel over een geldvordering die voortvloeit uit een overeenkomst betreffende de opening van een bankrekening. Aan de hand van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens kan zowel de draagwijdte van de gestelde vragen als hun verband met het voorwerp van die procedure worden bepaald. De verwijzende rechter wenst met zijn eerste en tweede vraag met name te vernemen of een nationale regeling volgens welke de rechter bij wie een verzoek om een betalingsbevel aanhangig is gemaakt, een betalingsbevel kan voorstellen voor een bedrag dat wordt verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de toepassing van een contractueel beding dat door die rechter als oneerlijk is aangemerkt, zonder dit beding te kunnen nietig verklaren, waarbij de schuldeiser in het kader van een declaratoire procedure later aanspraak kan maken op het afgewezen gedeelte van de schuldvordering, verenigbaar is met de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13.
19 In die omstandigheden blijkt niet dat de in de eerste en de tweede vraag gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13 kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is.
20 Bijgevolg zijn deze vragen ontvankelijk.
Ten gronde
21 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan, ten eerste, de rechter bij wie een verkoper een verzoek om een betalingsbevel tegen een consument indient, kan voorstellen om het bedrag van de schuldvordering te verlagen teneinde de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van een contractueel beding dat door die rechter als oneerlijk is aangemerkt, uit te sluiten, zonder dat deze rechter op die grond de nietigheid ervan kan vaststellen en, ten tweede, die verkoper na aanvaarding van dat voorstel een andere gerechtelijke procedure kan inleiden om het door deze rechter afgewezen bedrag van de schuldvordering bij die consument te innen.
22 Meteen zij eraan herinnerd dat het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de kredietverstrekker in een zwakkere onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco,C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Artikel 6, lid 1, van die richtlijn verplicht de lidstaten erop toe te zien dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, zonder dat deze consument een vordering hoeft in te stellen en een vonnis moet verkrijgen waarin het oneerlijke karakter van die bedingen wordt bevestigd [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst),C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 37].
24 Deze bepaling moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden. Bovendien gaat het hier om een dwingende bepaling die beoogt het door de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt (arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a.,C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punten 54 en 55).
25 Hieruit volgt in de eerste plaats dat het aan de nationale rechter staat om onder de in zijn nationale recht gestelde voorwaarden ambtshalve te beoordelen of een beding dat binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt, oneerlijk is, en dat beding buiten toepassing te laten opdat het geen dwingende gevolgen heeft voor de betrokken consument, tenzij die consument zich daartegen verzet [arrest van 30 juni 2022, Profi Credit Bulgaria (Ambtshalve verrekening bij oneerlijke bedingen),C‑170/21, EU:C:2022:518, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26 In de tweede plaats vereist artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 volgens vaste rechtspraak niet dat de nationale rechter naast het oneerlijk verklaarde beding ook de bedingen buiten toepassing laat die niet als oneerlijk zijn aangemerkt. Deze bepaling, met name het tweede deel van de volzin, heeft namelijk niet tot doel om alle overeenkomsten met oneerlijke bepalingen te ontbinden maar om het evenwicht tussen de partijen te herstellen door de als oneerlijk aangemerkte bedingen buiten toepassing te laten en tegelijkertijd de geldigheid van de overige bedingen van de betrokken overeenkomst in beginsel te behouden. Deze overeenkomst moet in beginsel voortbestaan zonder andere wijzigingen dan die welke voortvloeien uit de schrapping van de oneerlijke bedingen. De overeenkomst kan dus worden gehandhaafd voor zover volgens de regels van het nationale recht dit voortbestaan zonder de oneerlijke bedingen juridisch mogelijk is [arrest van 30 juni 2022, Profi Credit Bulgaria (Ambtshalve verrekening bij oneerlijke bedingen),C‑170/21, EU:C:2022:518, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
27 Voorts verplicht artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang van consumentenbescherming, de lidstaten te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (zie in die zin arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito,C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 68, en 17 mei 2022, Ibercaja Banco,C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Het Hof heeft zich weliswaar reeds meermaals uitgesproken over de manier waarop de nationale rechter de bescherming van de door consumenten aan deze richtlijn ontleende rechten dient te waarborgen, maar dit neemt niet weg dat het Unierecht de procedures die van toepassing zijn op het onderzoek naar het vermeend oneerlijke karakter van een contractueel beding in beginsel, en zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, niet harmoniseert en dat deze procedures krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten bijgevolg een zaak van de interne rechtsorde van die staten zijn, op voorwaarde evenwel dat zij niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties naar nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Investcapital, C‑724/22, EU:C:2024:182, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Wat ten eerste het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof geen aanwijzingen heeft om te betwijfelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dit beginsel eerbiedigt.
30 Wat ten tweede het doeltreffendheidsbeginsel betreft, moet erop worden gewezen dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die regel in de gehele procedure, van het verloop en de bijzonderheden ervan, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. Niettemin mogen de specifieke kenmerken van procedures geen factor vormen die de rechtsbescherming die op grond van richtlijn 93/13 dient toe te komen aan consumenten, kan doorkruisen (arrest van 17 mei 2022, Impuls Leasing România, C‑725/19, EU:C:2022:396, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name voor de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is vastgelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dat vereiste is onder meer van toepassing op de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (arrest van 24 juni 2025, GR REAL, C‑351/23, EU:C:2025:474, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten alleen effectief kunnen worden beschermd indien de nationale procedurele regeling bepaalt dat in de procedure tot afgifte van het betalingsbevel of de procedure tot executie van een dergelijk bevel ambtshalve door een rechter wordt getoetst of er sprake is van oneerlijke bedingen in de betrokken overeenkomst (arrest van 20 september 2018, EOS KSI Slovensko, C‑448/17, EU:C:2018:745 punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de betalingsbevelprocedure naar Spaans procesrecht een niet-contradictoire procedure is, die beperkt is tot de inning van geldvorderingen en een snelle en doeltreffende inning van vervallen, vaststaande en opeisbare schuldvorderingen beoogt te verzekeren.
34 Aldus wordt een verzoek om een betalingsbevel betreffende een schuldvordering die is gebaseerd op een overeenkomst tussen een verkoper en een consument, overeenkomstig artikel 815, lid 3, LEC door de griffier ter kennis gebracht van de rechter met het oog op de ambtshalve toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van de contractuele bedingen waarop het verzoek berust of op grond waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld. Indien de rechter van oordeel is dat een van de betrokken bedingen als oneerlijk zou kunnen worden aangemerkt, kan hij bij beschikking voorstellen om het bedrag van de schuldvordering te verlagen teneinde de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van dat beding, uit te sluiten.
35 Volgens de informatie waarover het Hof beschikt sorteren oneerlijke contractuele bedingen waarop het verzoek om een betalingsbevel is gebaseerd of die het opeisbare bedrag van de ingestelde vordering bepalen, geen gevolgen in het kader van de betalingsbevelprocedure, aangezien zij door de rechter terzijde zullen worden geschoven nog voordat de consument in voorkomend geval zijn schuld moet betalen. De verkoper kan eventueel naderhand een declaratoire procedure inleiden om zijn schuldvordering volledig te innen.
36 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties moet in dit verband worden opgemerkt dat, zoals de Spaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt, de aangezochte rechter in het kader van deze laatste procedure ambtshalve kan toetsen of de bedingen van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn en, in voorkomend geval, de oneerlijke contractuele bedingen nietig kan verklaren.
37 Daarenboven moet volledigheidshalve worden opgemerkt dat de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof heeft aangegeven dat, wanneer een consument tijdig verzet aantekent tegen het betalingsbevel, de betalingsbevelprocedure overeenkomstig artikel 818 LEC door de griffier wordt afgesloten en vervangen door een procedure waarin zowel de consument als de verkoper het recht heeft om te worden gehoord en de aangezochte rechter ambtshalve of op verzoek van de consument kan overgaan tot een toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen, die niet alleen kan leiden tot de uitsluiting van het bedrag dat is gebaseerd op een als oneerlijk aangemerkt beding, maar ook tot de nietigverklaring ervan. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om de precieze inhoud van die nationale bepaling na te gaan.
38 Aldus blijkt ten eerste dat artikel 815, lid 3, LEC voorziet in een ambtshalve toetsing door de rechter van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen waarvan de gevolgen zich beperken tot het precieze voorwerp van het verzoek om een betalingsbevel, in overeenstemming met de aard en het doel van die procedure, omdat deze ertoe leidt dat het bedrag van de opgeëiste schuldvordering eventueel wordt verlaagd, zonder dat de als oneerlijk aangemerkte bedingen nietig worden verklaard. Ten tweede kan zowel de procedure die is ingeleid naar aanleiding van het verzet dat de consument krachtens artikel 818 LEC tegen het betalingsbevel heeft ingesteld, als de declaratoire procedure die de verzoekende verkoper eventueel heeft ingesteld krachtens artikel 815, lid 3, LEC leiden tot een toetsing van het oneerlijke karakter van het betrokken beding in het kader van een procedure op tegenspraak tussen de partijen en, in voorkomend geval, tot nietigverklaring van dat beding of zelfs van die overeenkomst door de aangezochte rechter.
39 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan, ten eerste, de rechter bij wie een verkoper een verzoek om een betalingsbevel tegen een consument indient, kan voorstellen om het bedrag van de schuldvordering te verlagen, waardoor de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van een contractueel beding dat door die rechter als oneerlijk is aangemerkt, worden uitgesloten, zonder dat die rechter op die grond de nietigheid ervan kan vaststellen en, ten tweede, die verkoper na aanvaarding van dat voorstel een andere gerechtelijke procedure kan inleiden om het door deze rechter afgewezen bedrag van de schuldvordering bij die consument te innen, voor zover deze consument in het kader van andere gerechtelijke procedures de nietigverklaring van het als oneerlijk aangemerkte contractuele beding kan verkrijgen.
Derde vraag
40 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich verzetten tegen een nationale regeling die niet voorziet in de deelname van de consument aan de toetsing – door de rechter bij wie een door een verkoper tegen die consument ingediend verzoek om een betalingsbevel aanhangig is gemaakt – van het mogelijk oneerlijke karakter van de contractuele bedingen waarop dat verzoek is gebaseerd of die het bedrag van de schuldvordering bepalen.
41 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat in de regel het beginsel van hoor en wederhoor niet alleen elke procespartij het recht verleent om kennis te nemen van de stukken en de opmerkingen die door de tegenpartij aan de rechter zijn voorgelegd en om hierover haar standpunt kenbaar te maken, maar eveneens tot gevolg heeft dat de partijen het recht hebben om kennis te nemen van de middelen die de rechter ambtshalve in aanmerking wil nemen en om hierover een standpunt kenbaar te maken. Het Hof heeft benadrukt dat het, om aan de vereisten van het recht op een eerlijk proces te voldoen, namelijk van belang is dat de partijen kennis hebben van en op tegenspraak hun standpunt kenbaar kunnen maken over de feitelijke en juridische gegevens die beslissend zijn voor de uitkomst van de procedure (arrest van 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Daaruit volgt dat een nationale rechter die – nadat hij op grond van de feitelijke en juridische gegevens waarover hij beschikt of die hem na hiertoe genomen ambtshalve maatregelen van instructie zijn meegedeeld, vaststelt dat een beding binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt – na een ambtshalve beoordeling constateert dat dit beding oneerlijk is, in de regel de procespartijen daarvan in kennis dient te stellen en hun de mogelijkheid dient te bieden hierover op tegenspraak hun standpunt kenbaar te maken overeenkomstig de naar nationaal recht geldende procesregels (arrest van 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punten 31 en 36).
43 Voorts heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie een verzoek tot uitvaardiging van een betalingsbevel aanhangig is gemaakt in een procedure waaraan de debiteur-consument niet deelneemt totdat het bevel is uitgevaardigd, gehouden is om een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen die consument en de betrokken verkoper, waarop de schuldvordering deels is gebaseerd, ambtshalve buiten toepassing te laten. In dat geval kan deze rechter het verzoek deels afwijzen, mits die overeenkomst zonder wijziging, herziening of aanvulling kan voortbestaan, hetgeen aan die rechter staat om na te gaan [zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Profi Credit Bulgaria (Ambtshalve verrekening bij oneerlijke bedingen), C‑170/21, EU:C:2022:518, punt 38].
44 Gelet op de nationale procedureregels die het verloop van de in de punten 34 tot en met 38 van het onderhavige arrest beschreven betalingsbevelprocedure regelen, doet in casu het feit dat artikel 815, lid 3, LEC niet voorziet in de deelname van de consument aan de toetsing van het oneerlijke karakter van een contractueel beding waarop het verzoek om een betalingsbevel kan worden gebaseerd, maar de aangezochte rechter de bevoegdheid verleent om een betalingsbevel voor te stellen dat betrekking heeft op een bedrag dat wordt verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de toepassing van een contractueel beding dat als oneerlijk is aangemerkt, geen afbreuk aan de rechten ter bescherming van de consument en met name niet aan het beginsel van hoor en wederhoor.
45 Ten eerste lijkt in dit verband, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, de beschikking die de aangezochte rechter heeft gegeven nadat de verzoekende verkoper dit voorstel had aanvaard, aan elk van de partijen kennis te verschaffen over zowel de feitelijke als de juridische gegevens die beslissend zijn geweest voor de uitkomst van die beschikking en de mogelijkheid te bieden om op tegenspraak hun standpunt daarover kenbaar te maken, zonder de bindende werking van het gezag van gewijsde of andere uitsluitingsgevolgen teweeg te brengen. Ten tweede maakt artikel 815, lid 3, LEC deel uit van een summiere betalingsbevelprocedure, die is ontworpen als een instrument ter versnelling van de procedure, waarmee vervallen, vaststaande en opeisbare schuldvorderingen snel kunnen worden geïnd. De deelname van de consument aan de toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen blijft verzekerd, aangezien het Spaanse procesrecht in een latere procedure op tegenspraak lijkt te voorzien in de mogelijkheid voor de consument om zijn rechten en verweermiddelen ten volle te doen gelden.
46 Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt namelijk dat die beschikking opnieuw kan worden onderzocht in het kader van gewone bodemprocedures die het beginsel van hoor en wederhoor tussen de partijen ten volle eerbiedigen, aangezien de consument de mogelijkheid heeft om zich overeenkomstig de voorschriften van artikel 818 LEC tegen genoemde beschikking te verzetten. Daarnaast kan deze consument, aangezien krachtens artikel 815, lid 3, LEC het feit dat de verzoekende verkoper het voorstel aanvaardt in geen geval kan worden gelijkgesteld met een gedeeltelijke afstand van zijn rechten, het deel van de schuldvordering waarvoor hij geen genoegdoening heeft verkregen, naar voren brengen in het kader van een declaratoire procedure waaraan de consument met volledige inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor deelneemt.
47 Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die niet voorziet in de deelname van de consument aan de toetsing – door de rechter bij wie een door een verkoper tegen deze consument ingediend verzoek om een betalingsbevel aanhangig is gemaakt – van het mogelijk oneerlijke karakter van de contractuele bedingen waarop die vordering is gebaseerd of die het bedrag van de schuldvordering bepalen, voor zover, ten eerste, de betalingsbevelprocedure niet leidt tot een handeling die gezag van gewijsde heeft en, ten tweede, het beginsel van hoor en wederhoor wordt gewaarborgd in eventuele latere procedures tussen die consument en die verkoper over dezelfde door laatstgenoemde ingestelde vorderingen.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan, ten eerste, de rechter bij wie een verkoper een verzoek om een betalingsbevel tegen een consument indient, kan voorstellen om het bedrag van de schuldvordering te verlagen, waardoor de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van een contractueel beding dat door die rechter als oneerlijk is aangemerkt, worden uitgesloten, zonder dat die rechter op die grond de nietigheid ervan kan vaststellen en, ten tweede, die verkoper na aanvaarding van dat voorstel een andere gerechtelijke procedure kan inleiden om het door die rechter afgewezen bedrag van de schuldvordering bij die consument te innen, voor zover deze consument in het kader van andere gerechtelijke procedures de nietigverklaring van het als oneerlijk aangemerkte contractuele beding kan verkrijgen.
2) Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die niet voorziet in de deelname van de consument aan de toetsing – door de rechter bij wie een door een verkoper tegen deze consument ingediend verzoek om een betalingsbevel aanhangig is gemaakt – van het mogelijk oneerlijke karakter van de contractuele bedingen waarop die vordering is gebaseerd of die het bedrag van de schuldvordering bepalen, voor zover, ten eerste, de betalingsbevelprocedure niet leidt tot een handeling die gezag van gewijsde heeft en, ten tweede, het beginsel van hoor en wederhoor wordt gewaarborgd in eventuele latere procedures tussen die consument en die verkoper over dezelfde door laatstgenoemde ingestelde vorderingen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 24 juni 2025, C-351/23, ECLI:EU:C:2025:474
- HvJ EU 29 februari 2024, C-724/22, ECLI:EU:C:2024:182
- HvJ EU 15 juni 2023, C-287/22, ECLI:EU:C:2023:491
- HvJ EU 2 februari 2023, C-208/21, ECLI:EU:C:2023:64
- HvJ EU 30 juni 2022, C-170/21, ECLI:EU:C:2022:518
- HvJ EU 17 mei 2022, C-600/19, ECLI:EU:C:2022:394
- HvJ EU 17 mei 2022, C-725/19, ECLI:EU:C:2022:396
- HvJ EU 20 september 2018, C-448/17, ECLI:EU:C:2018:745
- HvJ EU 21 december 2016, C-154/15, ECLI:EU:C:2016:980
- HvJ EU 21 februari 2013, C-472/11, ECLI:EU:C:2013:88
- HvJ EU 14 juni 2012, C-618/10, ECLI:EU:C:2012:349