HvJ EU 15 maart 2018, C-431/16, ECLI:EU:C:2018:189

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

15 maart 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikelen 12 en 46 bis tot en met 46 quater – Uitkeringen van dezelfde aard – Begrip – Anticumulatieregel – Begrip – Voorwaarden – Nationale regel die voorziet in een aanvulling op het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid voor werknemers van 55 jaar en ouder – Schorsing van de aanvulling bij indienstneming of ontvangst van een ouderdomspensioen”

In zaak C‑431/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León (hoogste rechter van Castilië en Leon, Spanje) bij beslissing van 11 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 2 augustus 2016, in de procedure

Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS),

Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS)

tegen

José Blanco Marqués,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: E. Levits, kamerpresident, M. Berger en F. Biltgen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 september 2017,

gelet op de opmerkingen van:

– het Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) en de Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS), vertegenwoordigd door A. Trillo García en M. Baró Pazos, letrados,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door V. Ester Casas als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Lozano Palacios en D. Martin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4, 12 en 46 bis tot en met 46 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie ervan die is gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PB 2008, L 177, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”), alsook van artikelen 3, 10 en 53 tot en met 55 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds het Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) (Spaans nationaal instituut voor sociale zekerheid; hierna: „INSS”) en de Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS) (Spaanse algemene socialezekerheidskas; hierna: „TGSS”) en anderzijds José Blanco Marqués betreffende de beslissing van het INSS om de betaling van de aanvulling op het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid te schorsen wegens de ontvangst van een Zwitsers ouderdomspensioen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Volgens de eenentwintigste overweging van verordening nr. 1408/71 is het noodzakelijk, „ter bescherming van de migrerende werknemers en hun nabestaanden tegen een te strikte toepassing van de nationale clausules inzake vermindering, schorsing of intrekking, [...] in de verordening bepalingen op te nemen op grond waarvan de toepassing van deze nationale clausules aan strenge voorwaarden wordt onderworpen”.

4 In artikel 1, onder j), van deze verordening worden ten aanzien van elke lidstaat onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” verstaan „de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de [...] takken en stelsels van sociale zekerheid, [...]”.

5 Artikel 4 van deze verordening heeft als opschrift „Materiële werkingssfeer”, en bepaalt in lid 1 ervan: „Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: a) prestaties bij ziekte en moederschap; b) prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit; c) uitkeringen bij ouderdom; d) uitkeringen aan nagelaten betrekkingen; e) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten; f) uitkeringen bij overlijden; g) werkloosheidsuitkeringen; h) gezinsbijslagen.”

6 Artikel 12 van deze verordening heeft als opschrift „Non-cumulatie van uitkeringen” en luidt als volgt: „1. Krachtens deze verordening kan geen recht worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) en bij beroepsziekten, welke door de organen van twee of meer lidstaten overeenkomstig artikel 41, artikel 43, leden 2 en 3, de artikelen 46, 50 en 51 of artikel 60, lid 1, onder b), worden vastgesteld. 2. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten van welke aard ook, op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verworven. 3. Ingeval de rechthebbende op uitkeringen bij invaliditeit of vervroegde uitkeringen bij ouderdom beroepswerkzaamheden uitoefent, zijn op hem de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, van toepassing, zelfs indien hij zijn werkzaamheden op het grondgebied van een andere lidstaat uitoefent. [...]”

7 Artikel 46 van verordening nr. 1408/71 bepaalt: „1. Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden is voldaan, zonder dat noch artikel 45 noch artikel 40, lid 3, behoeft te worden toegepast, gelden de volgende regels: a) het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de uitkering dat verschuldigd zou zijn: i) enerzijds, uitsluitend op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving; ii) anderzijds, op grond van lid 2; [...]”

8 Artikel 46 bis van deze verordening heeft als opschrift „Algemene bepalingen betreffende de voorschriften inzake vermindering, schorsing of intrekking geldende voor invaliditeits-, ouderdoms- of overlevingspensioenen op grond van de wetgevingen der lidstaten” en luidt: „1. Onder samenloop van uitkeringen van dezelfde aard wordt in de zin van dit hoofdstuk verstaan de samenloop van invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingspensioenen, berekend of toegekend op basis van door een zelfde persoon vervulde tijdvakken van verzekering en/of van wonen. 2. Onder samenloop van uitkeringen van verschillende aard wordt in de zin van dit hoofdstuk verstaan de samenloop van uitkeringen die in de zin van lid 1 niet als uitkeringen van dezelfde aard kunnen worden aangemerkt. 3. Voor de toepassing van de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet in geval van samenloop van een invaliditeits-, ouderdoms- of overlevingsuitkering met een uitkering van dezelfde aard of een uitkering van verschillende aard of met andere inkomsten, gelden de volgende regels: a) er wordt alleen rekening gehouden met uitkeringen welke krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of met andere inkomsten welke in een andere lidstaat zijn verworven, indien de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat voorziet in de inaanmerkingneming van in het buitenland verkregen uitkeringen of verworven inkomsten; b) er wordt rekening gehouden met het bedrag van de door een andere lidstaat te betalen uitkeringen vóór aftrek van belastingen, socialezekerheidspremies en andere inhoudingen; c) er wordt geen rekening gehouden met het bedrag van de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat verkregen uitkeringen die worden toegekend op basis van een vrijwillige voortgezette verzekering; d) wanneer bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking worden toegepast krachtens de wetgeving van één enkele lidstaat op grond van het feit dat de betrokkene uitkeringen van dezelfde of van verschillende aard ontvangt welke krachtens de wetgeving van andere lidstaten zijn verschuldigd, of andere inkomsten ontvangt welke op het grondgebied van andere lidstaten zijn verworven, mag de uitkering die krachtens de wetgeving van de eerste lidstaat verschuldigd is, slechts worden verminderd ten belope van het bedrag van de uitkeringen die krachtens de wetgevingen van andere lidstaten verschuldigd zijn, of ten belope van het bedrag van de inkomsten welke op het grondgebied van andere lidstaten zijn verworven.”

9 Artikel 46 ter van deze verordening heeft als opschrift „Bijzondere bepalingen van toepassing in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard, verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten” en bepaalt: „1. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn niet van toepassing op uitkeringen berekend overeenkomstig artikel 46, lid 2. 2. De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, zijn alleen op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a), i), berekende uitkering van toepassing, indien het een uitkering betreft: a) als bedoeld in bijlage IV, deel D, waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, of [...] De onder a) en b) bedoelde uitkeringen en de onder b) bedoelde overeenkomsten zijn vermeld in bijlage IV, deel D.”

10 Verordening nr. 1408/71 is per 1 mei 2010 ingetrokken en vervangen door verordening nr. 883/2004. Overeenkomstig artikel 90, lid 1, van laatstgenoemde verordening is verordening nr. 1408/71 evenwel van kracht gebleven en zijn de rechtsgevolgen ervan gehandhaafd voor „de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte [van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3)], de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen [ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1; hierna: ,overeenkomst EG-Zwitserland’)] alsmede andere overeenkomsten die een verwijzing bevatten naar verordening (EEG) nr. 1408/71, zulks zolang genoemde overeenkomsten niet [zijn] gewijzigd als gevolg van deze verordening”.

11 Artikel 8 van de overeenkomst EG-Zwitserland bepaalt: „De overeenkomstsluitende partijen coördineren overeenkomstig bijlage II hun stelsels voor sociale zekerheid, met name met het oog op: a) gelijke behandeling; b) vaststelling van de toepasselijke wetgeving; c) cumulatie van de perioden die volgens de verschillende nationale wetgevingen bepalend zijn voor het verkrijgen en behouden van het recht op uitkeringen en voor het berekenen van deze uitkeringen; d) betaling van uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven; e) wederzijdse administratieve bijstand en samenwerking tussen de autoriteiten en de instellingen.”

12 Artikel 20 van de overeenkomst EG-Zwitserland luidt als volgt: „Behoudens uit bijlage II voortvloeiende andersluidende bepalingen, worden bilaterale overeenkomsten tussen Zwitserland en de lidstaten van de Europese gemeenschap inzake sociale zekerheid met ingang van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst opgeschort, voor zover dezelfde materie bij de onderhavige Overeenkomst wordt geregeld.”

13 Bijlage II bij de overeenkomst EG-Zwitserland ziet op de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en bepaalt in artikel 1: „1. De overeenkomstsluitende partijen komen overeen ten aanzien van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels onderling de communautaire besluiten toe te passen zoals vermeld in en gewijzigd bij sectie A van deze bijlage, of daarmee gelijkwaardige regels. 2. In de in deze bijlage genoemde besluiten omvat de uitdrukking ‚lidstaat/lidstaten’ niet alleen de staten die vallen onder de desbetreffende communautaire besluiten, maar tevens Zwitserland.”

14 Sectie A van die bijlage verwijst onder meer naar verordening nr. 1408/71.

15 Bijlage II bij de overeenkomst EG-Zwitserland is bijgewerkt bij besluit nr. 1/2012 van het Gemengd Comité ingesteld krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen van 31 maart 2012 (PB 2012, L 103, blz. 51).

16 In de gewijzigde bijlage II, die op 1 april 2012 in werking is getreden, wordt verwezen naar verordening nr. 883/2004, maar ook naar verordening nr. 1408/71 „wanneer ernaar wordt verwezen door verordening [nr. 883/2004] of indien het gevallen uit het verleden betreft”.

Spaans recht

17 De artikelen 136 en 137 van de Ley General de la Seguridad Social (algemene wet op de sociale zekerheid), in de geconsolideerde versie ervan die is goedgekeurd bij Real Decreto Legislativo 1/1994 (koninklijk wetsbesluit 1/1994) van 20 juni 1994 (BOE nr. 154 van 29 juni 1994, blz. 20658), zoals van toepassing op het hoofdgeding (hierna: „LGSS”), voorzien, met het oog op de sociale bescherming in geval van volledige en blijvende ongeschiktheid om het gewoonlijke beroep uit te oefenen, in een levenslang pensioen om te voorkomen dat werknemers die niet langer hun gewoonlijke beroep kunnen uitoefenen wegens ziekte of ongeval, – ongeacht of het een beroepsziekte respectievelijk arbeidsongeval is of niet – maar die nog in staat zijn andere beroepen uit te oefenen, behoeftig worden.

18 Artikel 139, lid 2, van de LGSS luidt als volgt: „De financiële uitkering voor een volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid bestaat in een levenslang pensioen, dat in uitzonderingsgevallen kan worden vervangen door een forfaitaire vergoeding wanneer de betrokkene jonger is dan 60 jaar. De werknemer die blijvend en volledig arbeidsongeschikt is verklaard om zijn gewoonlijke beroep uit te oefenen, ontvangt het in de vorige alinea bedoelde pensioen, vermeerderd met het bij de toepasselijke regeling vastgestelde percentage, wanneer hij door zijn leeftijd, het ontbreken van algemene of gespecialiseerde vaardigheden en de sociale en arbeidsomstandigheden van zijn woonplaats waarschijnlijk moeilijk een baan zal vinden op een ander gebied dan dat van zijn voorheen gewoonlijk uitgeoefende beroep. [...]”

19 Blijkens artikel 6, leden 1 tot en met 3, van Decreto 1646/1972 para la aplicación de la ley 24/1972, de 21 de junio, en materia de prestaciones del Régimen General de la Seguridad Social (besluit 1646/1972 tot uitvoering van wet 24/1972 van 21 juni 1972 inzake uitkeringen in het kader van het algemene socialezekerheidsstelsel), van 23 juni 1972 (hierna: „besluit 1646/1972”), wordt het pensioen wegens volledige en blijvende ongeschiktheid om het gewoonlijke beroep uit te oefenen, verhoogd met een aanvulling die gelijk is aan 20 % van de bij de bepaling van het pensioenbedrag in aanmerking genomen berekeningsgrondslag (hierna: „aanvulling van 20 %”) wanneer de werknemer 55 jaar of ouder is.

20 Aangezien deze aanvulling echter gebaseerd is op het vermoeden dat het voor personen van 55 jaar of ouder bijzonder moeilijk is om een baan te vinden in een ander beroep dan hun voorheen uitgeoefende beroep en waarvoor zij als volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn erkend, wordt deze aanvulling overeenkomstig artikel 6, lid 4, van besluit 1646/1972 „geschorst gedurende de periode waarin de werknemer in dienst is”.

21 Daarentegen is het ontvangen van het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid als zodanig verenigbaar met de uitoefening van een ander beroep.

22 Volgens artikel 143, lid 4, van de LGSS wordt dit pensioen een ouderdomspensioen wanneer de rechthebbende op een pensioen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid de leeftijd van 65 jaar bereikt. Deze naamswijziging heeft echter geen invloed op de voorwaarden voor de toekenning van deze uitkering.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

23 Blanco Marqués, geboren op 3 februari 1943, ontvangt een Spaans pensioen wegens volledige en blijvende ongeschiktheid om het beroep van gekwalificeerde elektricien in de mijnbouw uit te oefenen als gevolg van een ziekte die geen beroepsziekte is, een status die bij gerechtelijke beslissing van 3 juni 1998 met ingang van 13 januari 1998 is erkend. Voor de vaststelling van het recht op dit pensioen en de berekening van het bedrag ervan is alleen rekening gehouden met de bijdragen die aan het Spaanse socialezekerheidsstelsel zijn betaald. Aangezien de betrokkene op de datum van inwerkingtreding van deze beslissing ouder was dan 55 jaar, werd hem overeenkomstig artikel 6, leden 1 tot en met 3, van besluit 1646/1972 de aanvulling van 20 % toegekend.

24 Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd heeft Blanco Marqués met ingang van 1 maart 2008 een ouderdomspensioen van de Zwitserse sociale zekerheid ontvangen. Dit ouderdomspensioen werd hem toegekend uitsluitend op basis van de socialezekerheidsbijdragen die hij in het kader van het Zwitserse verplichte stelsel had betaald.

25 Bij beslissing van 24 februari 2015 heeft het INSS de door Blanco Marqués ontvangen aanvulling van 20 % afgeschaft met ingang van 1 februari 2015, op grond dat deze aanvulling onverenigbaar was met een ouderdomspensioen, en heeft het verzocht om terugbetaling van het bedrag van 17340,95 EUR, dat overeenkomt met de tussen 1 februari 2011 en 31 januari 2015 uit hoofde van deze aanvulling betaalde, niet-verjaarde, bedragen.

26 Blanco Marqués heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Juzgado de lo Social n.o 1 de Ponferrada (arbeidsrechter nr. 1 Ponferrada, Spanje). Bij vonnis van 28 september 2015 heeft deze rechter dit besluit nietig verklaard en geoordeeld dat de aanvulling van 20 % niet onverenigbaar was met de ontvangst van een Zwitsers ouderdomspensioen, aangezien overeenkomstig artikel 46 bis, lid 3, onder a), van verordening nr. 1408/71 of artikel 53, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 slechts sprake kan zijn van onverenigbaarheid indien de nationale wetgeving voorziet in de inaanmerkingneming van in het buitenland verkregen uitkeringen en verworven inkomsten. Een dergelijke bepaling zou echter niet bestaan in het Spaanse recht.

27 Het INSS heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León (hoogste rechter van Castilië en Leon, Spanje) en uiteengezet dat volgens de rechtspraak van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) de aanvulling van 20 % niet alleen geschorst is in het uitdrukkelijk in artikel 6, lid 4, van besluit 1646/1972 genoemde geval, namelijk wanneer de rechthebbende in dienst is, maar ook in het geval dat de rechthebbende in een andere lidstaat of in Zwitserland een ouderdomspensioen ontvangt, aangezien dit ouderdomspensioen een vervanginkomen vormt voor inkomsten uit arbeid.

28 In die omstandigheden heeft de Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet worden aangenomen dat een nationale regeling als die van artikel 6, lid 4, van [besluit 1646/1972], die bepaalt dat de aanvulling van 20 % van de pensioengrondslag voor personen ouder dan 55 jaar die blijvend en volledig ongeschikt zijn verklaard voor de uitoefening van hun gewoonlijke beroep ‚wordt geschorst gedurende de periode dat de werknemer arbeid verricht’, een anticumulatiebepaling is in de zin van de artikelen 12 en 46 bis tot en met 46 quater van verordening [nr. 1408/71] en de artikelen 5 en 53 tot en met 55 van verordening [nr. 883/2004], rekening houdend met het feit dat de Tribunal Supremo heeft geoordeeld dat de in die nationale regeling vastgestelde onverenigbaarheid niet alleen van toepassing is op het verrichten van werk maar ook op de ontvangst van een ouderdomspensioen? 2) Als de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten dan artikel 46 bis, lid 3, onder a), van verordening [nr. 1408/71] en artikel 53, lid 3, onder a), van verordening [nr. 883/2004] in die zin worden uitgelegd dat een anticumulatiebepaling enkel kan worden toegepast met betrekking tot de aan de orde zijnde uitkering en een uitkering van een andere lidstaat van de Europese Unie of Zwitserland, wanneer er een [Spaanse] nationale wettelijke bepaling bestaat die uitdrukkelijk de onverenigbaarheid vaststelt van de betrokken uitkeringen met de uitkeringen of inkomsten die door de rechthebbende in het buitenland zijn verkregen? Of kan de anticumulatiebepaling worden toegepast op pensioenen van een andere lidstaat van de Europese Unie of Zwitserland, conform artikel 12 van verordening [nr. 1408/71] en artikel 5 van verordening [nr. 883/2004], ondanks het feit dat er geen uitdrukkelijke bepaling in de wet is opgenomen, maar de nationale rechtspraak een uitlegging hanteert die uitgaat van onverenigbaarheid van de aan de orde zijnde uitkering met een Spaans nationaal ouderdomspensioen? 3) Als het antwoord op de vorige vraag luidt dat de Spaanse anticumulatiebepaling (met de uitbreiding daarvan via de rechtspraak) kan worden toegepast op de onderhavige zaak, ondanks het feit dat er geen uitdrukkelijke wettelijke bepaling bestaat die uitkeringen of inkomsten in het buitenland in aanmerking neemt, moet dan de aanvulling van 20 % die werknemers krachtens de Spaanse wetgeving inzake de sociale zekerheid ontvangen die volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn verklaard voor de uitoefening van hun gewoonlijke beroep en ouder zijn dan 55 jaar, zoals hierboven beschreven, worden beschouwd als een uitkering van dezelfde aard als of van andere aard dan een ouderdomspensioen van het Zwitserse socialezekerheidsstelsel? Heeft de definitie van de verschillende takken van de sociale zekerheid in artikel 4, lid 1, van verordening [nr. 1408/71] en artikel 3, lid 1, van verordening [nr. 883/2004] communautaire strekking, of moet de definitie worden gevolgd die in de nationale wetgeving aan elke concrete uitkering is gegeven? Indien de definitie communautaire strekking heeft, moet dan de aanvulling van 20 % van de berekeningsgrondslag van de uitkering voor volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid, welke aanvulling onderwerp is van deze procedure, worden beschouwd als een invaliditeitsuitkering of als een werkloosheidsuitkering? Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de aanvulling op de uitkering wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid voor het gewoonlijke beroep is gebaseerd op de moeilijkheid voor mensen ouder dan 55 jaar om ander werk te vinden, en dat daarom de uitbetaling van deze aanvulling wordt stopgezet wanneer de rechthebbende arbeid verricht. 4) Als beide uitkeringen worden beschouwd als van dezelfde aard en daarbij wordt overwogen dat noch voor de bepaling van het bedrag van de Spaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering, noch voor dat van de aanvulling daarop, tijdvakken van pensioenafdracht in een andere lidstaat in aanmerking zijn genomen, moet dan worden aangenomen dat de aanvulling van 20 % van de berekeningsgrondslag van de Spaanse uitkering wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid een uitkering is waarop de anticumulatiebepalingen van toepassing zijn, omdat het bedrag ervan moet worden geacht onafhankelijk te zijn van de duur van de tijdvakken van verzekering of wonen, in de zin van artikel 46 ter, lid 2, onder a), van verordening [nr. 1408/71] en artikel 54, lid 2, onder a), van verordening [nr. 883/2004]? Kan de anticumulatiebepaling worden toegepast hoewel deze uitkering niet genoemd wordt in deel D van bijlage IV bij verordening [nr. 1408/71], noch in bijlage IX bij verordening [nr. 883/2004]? 5) Als de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan de regel van toepassing van artikel 46 bis, lid 3, onder d), van verordening [nr. 1408/71] en artikel 53, lid 3, onder d), van verordening [nr. 883/2004], die bepaalt dat de Spaanse socialezekerheidsuitkering slechts kan worden verminderd ‚ten belope van het bedrag van de uitkeringen die verschuldigd zijn krachtens de wetgeving’ van de andere staat, in dit geval Zwitserland? 6) Als beide uitkeringen worden beschouwd als van verschillende aard, en wanneer in aanmerking wordt genomen dat niet vaststaat dat Zwitserland een anticumulatiebepaling toepast, kan dan krachtens artikel 46 quater van verordening [nr. 1408/71] en artikel 55 van verordening [nr. 883/2004] de vermindering in haar geheel worden toegepast op de aanvulling van 20 % van de Spaanse uitkering wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid, of moet de vermindering worden gesplitst of naar verhouding in aanmerking worden genomen? Moet in beide gevallen de maximale vermindering worden toegepast van artikel 46 bis, lid 3, onder d), van verordening [nr. 1408/71] en artikel 53, lid 3, onder d), van verordening [nr. 883/2004], volgens welke de Spaanse socialezekerheidsuitkering slechts kan worden verminderd ‚ten belope van het bedrag van de uitkeringen die verschuldigd zijn krachtens de wetgeving’ van de andere staat, in dit geval Zwitserland?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Inleidende opmerkingen

29 Aangezien de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vragen zowel naar verordening nr. 1408/71 als naar verordening nr. 883/2004 verwijst, moet vooraf worden vastgesteld welke verordening rationae temporis op het hoofdgeding van toepassing is.

30 In dit verband blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, dat de beslissing tot toekenning van het Spaanse pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid en de beslissing tot toekenning van het Zwitserse ouderdomspensioen respectievelijk in 1998 en 2008 zijn vastgesteld. Aangezien deze twee beslissingen, die aan de basis liggen van de betrokken pensioenen, zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 883/2004, zijn in het hoofdgeding alleen de bepalingen van verordening nr. 1408/71 relevant.

Eerste vraag

31 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Spaanse regel in artikel 6, lid 4, van besluit 1646/1972, zoals uitgelegd door de Tribunal Supremo, volgens welke de aanvulling van 20 % wordt geschorst gedurende de periode waarin de werknemer in dienst is of een ouderdomspensioen ontvangt, een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1408/71 vormt.

32 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat een nationale wettelijke regeling die voorziet in een aanvulling op een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid, zoals de aanvulling van 20 %, binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt.

33 Volgens artikel 4, lid 1, onder b), is die verordening immers van toepassing op alle „prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit”.

34 Bovendien moeten volgens artikel 1, onder t), van die verordening de begrippen „prestaties”, „pensioenen” en „renten” in de ruimst mogelijke zin worden opgevat als verwijzingen naar alle uitkeringen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of aanvullende uitkeringen.

35 Met betrekking tot het begrip „bepaling inzake vermindering” in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een nationale regel als dusdanig moet worden aangemerkt, indien de daarbij voorgeschreven berekening tot gevolg heeft dat het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene aanspraak heeft, wordt verminderd omdat hij een uitkering ontvangt in een andere lidstaat (zie in dit verband arresten van 7 maart 2002, Insalaca, C‑107/00, EU:C:2002:147, punt 16en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 maart 2013, van den Booren, C‑127/11, EU:C:2013:140, punt 28).

36 In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat op grond van artikel 6, lid 4, van besluit 1646/1972 – zoals uitgelegd in de rechtspraak van de Tribunal Supremo – de aanvulling van 20 % niet alleen wordt geschorst wanneer de rechthebbende inkomsten uit arbeid ontvangt, maar ook wanneer hij een ouderdomspensioen ontvangt, aangezien dit ouderdomspensioen wordt beschouwd als een vervanginkomen voor inkomsten uit arbeid. Volgens dezelfde rechtspraak dient bovendien geen onderscheid te worden gemaakt tussen nationale ouderdomspensioenen en in een andere lidstaat of in Zwitserland ontvangen pensioenen, zodat voor de toepassing van deze bepaling met beide op dezelfde wijze rekening moet worden gehouden.

37 Hieruit volgt dat de in geding zijnde nationale regel derhalve moet worden geacht van toepassing te zijn op prestaties die de betrokkene in een andere lidstaat of in Zwitserland ontvangt, aangezien in laatstgenoemd geval de Zwitserse Bondsstaat voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 moet worden gelijkgesteld met een lidstaat van de Unie (arrest van 18 november 2010, Xhymshiti, C‑247/09, EU:C:2010:698, punt 31).

38 Bovendien staat vast dat de toepassing van deze nationale regel tot gevolg heeft dat het totale bedrag van de uitkeringen waarop de betrokkene aanspraak kan maken, wordt verminderd.

39 Het Hof heeft echter reeds geoordeeld dat een nationale regel volgens welke de aanvulling op het ouderdomspensioen van een werknemer wordt verminderd met het bedrag van een ouderdomspensioen waarop de betrokkene aanspraak kan maken krachtens een regeling van een andere lidstaat, een bepaling inzake vermindering vormt in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 (arrest van 22 oktober 1998, Conti, C‑143/97, EU:C:1998:501, punt 30).

40 Wat het door het INSS en de TGSS aangevoerde argument betreft dat de in geding zijnde nationale regel buiten de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt omdat hij slechts een eenvoudige onverenigbaarheidsregel bevat, heeft het Hof geoordeeld dat nationale bepalingen inzake vermindering niet aan de in verordening nr. 1408/71 gestelde voorwaarden en toepassingsbeperkingen kunnen worden onttrokken door ze als bepalingen inzake berekening of bewijsregels aan te merken (zie in die zin arresten van 22 oktober 1998, Conti, C‑143/97, EU:C:1998:501, punt 24, en 18 november 1999, Van Coile, C‑442/97, EU:C:1999:560, punt 27).

41 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, volgens welke de aanvulling op een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid wordt geschorst gedurende de periode waarin de rechthebbende op dit pensioen in een andere lidstaat of in Zwitserland een ouderdomspensioen ontvangt, een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 vormt.

Tweede vraag

42 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 46 bis, lid 3, onder a), van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin opgenomen begrip „wetgeving van eerstbedoelde lidstaat” in strikte zin moet worden uitgelegd, dan wel of het ook de uitlegging ervan door een hoogste nationale rechter omvat.

43 Volgens deze bepaling „wordt alleen rekening gehouden met uitkeringen welke krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen of met andere inkomsten welke in een andere lidstaat zijn verworven, indien de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat voorziet in de inaanmerkingneming van in het buitenland verkregen uitkeringen of verworven inkomsten”.

44 Bovendien wordt volgens artikel 1, onder j), van verordening nr. 1408/71 het begrip „wetgeving” voor elke lidstaat gedefinieerd als een verwijzing naar de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de takken en stelsels van sociale zekerheid.

45 Zoals echter uit punt 27 van het onderhavige arrest blijkt, bepaalt artikel 6 van besluit 1646/1972 weliswaar enkel dat de aanvulling van 20 % wordt geschorst in het geval dat de rechthebbende op het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid in dienst is, maar heeft de nationale rechtspraak deze bepaling aldus uitgelegd dat de schorsing waarin wordt voorzien, ook geldt voor het geval waarin hij een ouderdomspensioen ontvangt, ongeacht of dit pensioen wordt betaald door het nationale socialezekerheidsstelsel of door dat van een andere lidstaat of Zwitserland.

46 Met betrekking tot de vraag of de uitlegging door een hoogste rechter van een wettelijke bepaling moet worden gekwalificeerd als wetgeving in de zin van artikel 1, onder j), van verordening nr. 1408/71, moet eraan worden herinnerd dat de strekking van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moet worden beoordeeld met inachtneming van de uitlegging die de nationale rechterlijke instanties daaraan geven (arrest van 8 juni 1994, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑382/92, EU:C:1994:233, punt 36).

47 Geïsoleerde of afwijkende rechterlijke beslissingen kunnen weliswaar niet in aanmerking worden genomen, maar dit is anders voor een door de hoogste nationale rechter bevestigde strekking in de rechtspraak (zie in die zin arrest van 9 december 2003, Commissie/Italië, C‑129/00, EU:C:2003:656, punt 32).

48 In die omstandigheden dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 46 bis, lid 3, onder a), van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin opgenomen begrip „wetgeving van eerstbedoelde lidstaat” ook de uitlegging van een nationale wettelijke bepaling door een hoogste nationale rechter omvat.

Derde vraag

49 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de aanvulling van 20 % die krachtens de Spaanse wetgeving wordt toegekend aan de werknemer die een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid ontvangt, en het ouderdomspensioen dat diezelfde werknemer in Zwitserland heeft verworven, moeten worden beschouwd als van dezelfde dan wel van verschillende aard in de zin van verordening nr. 1408/71.

50 Om deze vraag te beantwoorden, moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof socialezekerheidsuitkeringen als gelijksoortig moeten worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en het doel alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Zuiver formele kenmerken daarentegen zijn niet te beschouwen als constitutieve elementen voor de classificatie van de uitkeringen (zie in die zin arresten van 5 juli 1983, Valentini, 171/82, EU:C:1983:189, punt 13; 11 augustus 1995, Schmidt, C‑98/94, EU:C:1995:273, punten 24 en 31, en 18 juli 2006, De Cuyper, C‑406/04, EU:C:2006:491, punt 25).

51 Wat het voorwerp en het doel van de aanvulling van 20 % betreft, blijkt in casu uit de verwijzingsbeslissing dat deze aanvulling beoogt een specifieke categorie bijzonder kwetsbare personen te beschermen, namelijk werknemers van 55 tot 65 jaar voor wie een volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid is erkend en voor wie het moeilijk is een baan te vinden in een ander beroep dan hun voorheen uitgeoefende beroep.

52 Om dit doel te bereiken wordt aan deze werknemers een aanvulling op hun pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid toegekend, waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de berekeningsgrondslag die wordt gebruikt om het bedrag van dit arbeidsongeschiktheidspensioen te bepalen.

53 Uit het voorgaande volgt dat de aanvulling van 20 % en het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid – waarvan de aanvulling van rechtswege het complement is – kenmerken hebben die overeenkomen met die van ouderdomsuitkeringen, aangezien zij gericht zijn op het verzekeren van bestaansmiddelen voor werknemers die volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn verklaard om hun gewoonlijke beroep uit te oefenen en die na het bereiken van een bepaalde leeftijd bovendien moeite hebben om een baan te vinden op een ander gebied dan dat van hun gewoonlijk uitgeoefende beroep.

54 In die zin verschillen het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid en de aanvulling van 20 % trouwens van een werkloosheidsuitkering, die bedoeld is om het risico van inkomstenverlies te dekken dat de werknemer heeft geleden als gevolg van het verlies van zijn of haar baan, terwijl hij nog arbeidsgeschikt is (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, De Cuyper, C‑406/04, EU:C:2006:491, punt 27).

55 In tegenstelling tot een werkloosheidsuitkering, die bedoeld is om de betrokkene in staat te stellen op de arbeidsmarkt te blijven gedurende de periode dat hij niet is tewerkgesteld, is het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid en de aanvulling van 20 % immers bedoeld om de rechthebbende de financiële middelen ter beschikking te stellen om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien gedurende de periode vanaf de vaststelling van de volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid tot aan de pensioenleeftijd.

56 Indien de rechthebbende op een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid dus erin slaagt om terug te keren op de arbeidsmarkt in een andere functie dan die welke hij voorheen vervulde, blijft de toekenning van het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid als zodanig gewaarborgd en wordt alleen de betaling van de aanvulling van 20 % geschorst wegens de uitoefening van deze nieuwe betrekking, waardoor hij een deel van het verloren beroepsinkomen kan compenseren.

57 De schorsing van de aanvulling van 20 % is derhalve uitsluitend bedoeld om de toekenningsvoorwaarden van het pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid aan te passen aan de situatie van de rechthebbende en kan derhalve geen andere aard aan deze uitkering verlenen dan die welke in punt 53 van het onderhavige arrest is vastgesteld.

58 Deze conclusie vindt steun in het feit dat de Spaanse wetgeving een pensioen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, fictief gelijkstelt aan een ouderdomspensioen.

59 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat wanneer een werknemer krachtens de wetgeving van een lidstaat in een ouderdomspensioen omgezette arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangt en, krachtens de wetgeving van een andere lidstaat, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die nog niet in een ouderdomspensioen zijn omgezet, het ouderdomspensioen en de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moeten worden geacht van dezelfde aard te zijn (arresten van 2 juli 1981, Celestre e.a., 116/80, 117/80 en 119/80–121/80, EU:C:1981:159, punt 11en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 april 1989, Di Felice, 128/88, EU:C:1989:153, punt 13).

60 Hieruit volgt dat een krachtens de Spaanse wetgeving toegekende aanvulling van 20 % aan een werknemer die een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid ontvangt, en het ouderdomspensioen dat door diezelfde werknemer in Zwitserland is verworven, moeten worden geacht van dezelfde aard te zijn, zowel gedurende de periode vanaf de vaststelling van de volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf 55 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, als na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

61 Op de derde vraag dient derhalve te worden geantwoord dat een aanvulling op een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid, die krachtens de wetgeving van een lidstaat, zoals de wetgeving die in het hoofdgeding aan de orde is, aan een werknemer wordt toegekend, en een ouderdomspensioen dat door diezelfde werknemer in Zwitserland is verworven, moeten worden geacht van dezelfde aard te zijn in de zin van verordening nr. 1408/71.

Vierde en vijfde vraag

62 Met zijn vierde en vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, ingeval de twee betrokken uitkeringen moeten worden geacht van dezelfde aard te zijn, welke specifieke bepalingen van verordening nr. 1408/71 inzake de cumulatie van uitkeringen van dezelfde aard moeten worden toegepast.

63 In dit verband zij eraan herinnerd dat, overeenkomstig artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, tenzij in deze verordening anders is bepaald, de cumulatiebepalingen in de wetgeving van een lidstaat van toepassing zijn op personen die een uitkering ten laste van die lidstaat ontvangen wanneer zij aanspraak kunnen maken op andere socialezekerheidsuitkeringen, zelfs indien deze uitkeringen op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen (arresten van 7 maart 2002, Insalaca, C‑107/00, EU:C:2002:147, punt 22, en 7 maart 2013, van den Booren, C‑127/11, EU:C:2013:140, punt 29).

64 Met betrekking tot de specifieke bepalingen die van toepassing zijn op arbeidsongeschiktheids-, ouderdoms- of nabestaandenuitkeringen bepaalt artikel 46 ter, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 dat de anticumulatiebepalingen in een nationale wetgeving alleen op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a), i), van die verordening berekende uitkering van toepassing zijn als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan, namelijk wanneer, ten eerste, het bedrag van de uitkering onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, en ten tweede de uitkering een uitkering als bedoeld in deel D van bijlage IV bij deze verordening betreft.

65 In casu blijkt uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt, dat de in het geding zijnde uitkeringen voldoen aan het criterium van artikel 46, lid 1, onder a), i), van verordening nr. 1408/71, aangezien beide pensioenen door de respectieve nationale organen uitsluitend op basis van de door hen toegepaste wettelijke bepalingen zijn berekend, zonder dat het nodig was om een samentellings- of proratiseringsmechanisme aan te wenden.

66 Wat de twee cumulatieve voorwaarden betreft, zijn de partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend het er weliswaar niet over eens of het bedrag van de aanvulling van 20 % afhankelijk is van de duur van het verzekeringstijdvak – hetgeen dus door de verwijzende rechter moet worden nagegaan –, maar vast staat dat een uitkering van deze aard niet uitdrukkelijk wordt genoemd in deel D van bijlage IV bij verordening nr. 1408/71.

67 Gelet op een en ander dient op de vierde en de vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 46 ter, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale anticumulatieregel, zoals die welke voortvloeit uit artikel 6 van besluit 1646/1972, niet van toepassing is op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a), i), van deze verordening berekende uitkering, indien het daarbij niet gaat om een uitkering als bedoeld in deel D van bijlage IV bij deze verordening.

Zesde vraag

68 Gelet op het antwoord op de twee voorgaande vragen, behoeft de zesde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

69 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

1) Een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, volgens welke de aanvulling op een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid wordt geschorst gedurende de periode waarin de rechthebbende op dit pensioen in een andere lidstaat of in Zwitserland een ouderdomspensioen ontvangt, vormt een bepaling inzake vermindering in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie ervan die is gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008.

2) Artikel 46 bis, lid 3, onder a), van verordening nr. 1408/71, in de versie ervan die is gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 592/2008, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „wetgeving van eerstbedoelde lidstaat” ook de uitlegging van een nationale wettelijke bepaling door een hoogste nationale rechter omvat.

3) Een aanvulling op een pensioen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid, die krachtens de wetgeving van een lidstaat, zoals de wetgeving die in het hoofdgeding aan de orde is, aan een werknemer wordt toegekend, en een ouderdomspensioen dat door diezelfde werknemer in Zwitserland is verworven, moeten worden geacht van dezelfde aard te zijn in de zin van verordening nr. 1408/71, in de versie ervan die is gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 592/2008.

4) Artikel 46 ter, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71, in de versie ervan die is gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 592/2008, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale anticumulatieregel, zoals die welke voortvloeit uit artikel 6 van Decreto 1646/1972 para la aplicación de la ley 24/1972, de 21 de junio, en materia de prestaciones del Régimen General de la Seguridad Social (besluit 1646/1972 tot uitvoering van wet 24/1972 van 21 juni 1972 inzake uitkeringen in het kader van het algemene socialezekerheidsstelsel) van 23 juni 1972, niet van toepassing is op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, onder a), i), van deze verordening berekende uitkering, indien het daarbij niet gaat om een uitkering als bedoeld in deel D van bijlage IV bij deze verordening.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Spaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in