HvJ EU 12 oktober 2023, C-45/22, ECLI:EU:C:2023:772
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
12 oktober 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 55, lid 1, onder a) – Samenloop van uitkeringen van verschillende aard – Toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen – Berekening van het overlevingspensioen – Deling van de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen, door het aantal uitkeringen – Begrip ‚bedragen voor zover in aanmerking genomen’”
In zaak C‑45/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal du travail francophone de Bruxelles (Franstalige arbeidsrechtbank Brussel, België) bij beslissing van 4 januari 2022, ingekomen bij het Hof op 20 januari 2022, in de procedure
HK
tegen
Federale Pensioendienst (FPD)
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, J. Passer en M. L. Arastey Sahún, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– HK, optredend voor zichzelf,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, C. Pochet en L. Van den Broeck als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en D. Martin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 april 2023,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen HK en de Federale Pensioendienst (België; hierna: „FPD”) over de berekening van het bedrag van het overlevingspensioen waarop HK na het overlijden van zijn echtgenote recht heeft.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1408/71
3 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”), is ingetrokken op 1 mei 2010, de datum waarop verordening nr. 883/2004 in werking is getreden.
4 Artikel 46 quater („Bijzondere bepalingen van toepassing in geval van samenloop van één of meer uitkeringen als bedoeld in artikel 46 bis, lid 1, met één of meer uitkeringen van verschillende aard of met andere inkomsten wanneer er twee of meer betrokken lidstaten zijn”) bepaalde in lid 1: „Indien de toekenning van uitkeringen van verschillende aard of van andere inkomsten tevens leidt tot vermindering, schorsing of intrekking van twee of meer uitkeringen als bedoeld in artikel 46, lid 1, onder a), i), worden de bedragen die bij een strikte toepassing van de bij de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgestelde bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking niet zouden worden uitgekeerd, gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering, schorsing of intrekking onderworpen is.”
5 Dit artikel 46 quater was in verordening nr. 1408/71 ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7). In de zestiende en tweeëntwintigste overweging van deze laatste verordening stond te lezen: „Overwegende dat het, ter bescherming van de migrerende werknemers en hun nabestaanden tegen een te strikte toepassing van de nationale bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking, noodzakelijk is een bepaling in [verordening nr. 1408/71] op te nemen, op grond waarvan de toepassing van deze bepalingen aan strenge voorwaarden wordt onderworpen; […] Overwegende dat in [verordening nr. 1408/71] bepalingen dienen te worden ingevoegd die garanderen dat de gezamenlijke toepassing van nationale bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking door twee of meer lidstaten in geval van samenloop van uitkeringen van verschillende aard geen nadelige gevolgen heeft voor de migrerende werknemers of hun rechthebbenden; […]”.
Verordening nr. 883/2004
6 In de overwegingen 4, 29 en 31 van verordening nr. 883/2004 staat te lezen: „(4) Het is noodzakelijk dat de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen worden gerespecteerd en er enkel een coördinatiemethode wordt uitgewerkt. […] (29) Ter bescherming van de migrerende werknemers en hun nabestaanden tegen een te strikte toepassing van de nationale voorschriften inzake vermindering, schorsing of intrekking, moeten in de verordening bepalingen worden opgenomen op grond waarvan de toepassing van deze nationale voorschriften aan strenge voorwaarden wordt onderworpen. […] (31) Volgens het Hof van Justitie is het aan de nationale wetgever om dergelijke voorschriften vast te stellen, met dien verstande dat het tot de bevoegdheden van de [Unie]wetgever behoort de grenzen vast te stellen waarbinnen de nationale voorschriften betreffende verlaging, opschorting of intrekking moeten worden toegepast.”
7 Artikel 52 („Toekenning van uitkeringen”) van deze verordening luidt: „1. Het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de verschuldigde uitkering: a) krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving alleen als uitsluitend op grond van de nationale wetgeving is voldaan aan de voorwaarden die recht geven op een uitkering (autonoom pensioen); b) door eerst een theoretisch bedrag en vervolgens het werkelijke bedrag (uitkering pro rata) als volgt te berekenen: […] 2. In voorkomend geval past het bevoegde orgaan op het overeenkomstig lid 1, onder a) en b), berekende bedrag alle bepalingen toe inzake vermindering, schorsing of intrekking van de wetgeving krachtens welke deze uitkering wordt toegekend, binnen de grenzen van de artikelen 53 tot en met 55. 3. De betrokkene is gerechtigd om van het bevoegde orgaan van elke lidstaat het hoogste uitkeringsbedrag te ontvangen dat overeenkomstig het bepaalde in lid 1, onder a) en b), berekend is. […]”
8 Artikel 53 („Anticumulatiebepalingen”) van die verordening bepaalt: „1. Samenloop van invaliditeits-, ouderdoms- en nabestaandenuitkeringen die worden berekend of toegekend op basis van tijdvakken van verzekering en/of wonen welke door eenzelfde persoon zijn vervuld, wordt beschouwd als samenloop van uitkeringen van dezelfde aard. 2. Samenloop van uitkeringen die in de zin van lid 1 niet als uitkeringen van dezelfde aard kunnen worden aangemerkt, wordt beschouwd als samenloop van uitkeringen van verschillende aard. 3. De volgende bepalingen zijn van toepassing op in de wetgeving van een lidstaat opgenomen anticumulatiebepalingen in geval van samenloop van een invaliditeits-, ouderdoms- of nabestaandenprestatie met een prestatie van dezelfde aard, een prestatie van een andere aard of andere inkomsten: a) het bevoegde orgaan houdt alleen rekening met de in een andere lidstaat verworven uitkeringen of inkomsten indien de door het orgaan toegepaste wetgeving bepaalt dat met in het buitenland verkregen uitkeringen of inkomsten rekening wordt gehouden; b) het bevoegde orgaan houdt rekening met het door een andere lidstaat te betalen bedrag aan uitkeringen vóór aftrek van belastingen, socialezekerheidspremies en andere inhoudingen, tenzij de door het orgaan toegepaste wetgeving bepaalt dat de anticumulatievoorschriften na die inhoudingen moeten worden toegepast, volgens de voorwaarden en procedures van [verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 (PB 2009, L 284, blz. 1)]; c) het bevoegde orgaan houdt geen rekening met het bedrag van de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat verkregen uitkeringen die worden toegekend op basis van een vrijwillige verzekering of vrijwillig voortgezette verzekering; d) indien een enkele lidstaat anticumulatiebepalingen toepast, omdat de betrokkene hetzij uitkeringen van dezelfde of van verschillende aard ontvangt overeenkomstig de wetgeving van andere lidstaten, hetzij inkomsten ontvangt die zijn verworven in een andere lidstaat, kan de verschuldigde uitkering alleen worden verminderd ter hoogte van het bedrag van dergelijke uitkeringen of dergelijke inkomsten.”
9 Artikel 55 („Samenloop van een of meer uitkeringen van verschillende aard”) van diezelfde verordening bepaalt in lid 1, onder a): „Indien het voor het ontvangen van uitkeringen van verschillende aard of andere inkomsten vereist is dat de in de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgelegde anticumulatiebepalingen worden toegepast op: a) twee of meer onafhankelijke uitkeringen, delen de bevoegde organen de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen, door het aantal uitkeringen dat aan die anticumulatiebepalingen is onderworpen. De toepassing van deze bepaling mag er evenwel niet toe leiden dat de betrokkene zijn status van gepensioneerde wordt ontnomen voor de toepassing van de andere hoofdstukken van titel III, volgens de voorwaarden en procedures van [verordening nr. 987/2009]; […]”
Belgisch recht
10 Artikel 20, eerste en vierde alinea, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 11246), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „koninklijk besluit nr. 50”), bepaalt: „Het overlevingspensioen kan niet worden samengevoegd met een rustpensioen of met enig ander als rustpensioen geldend voordeel, tenzij ten belope van het door de Koning bepaald bedrag. […] De Koning bepaalt in hoeverre het overlevingspensioen kan worden verminderd wanneer de langstlevende echtgenoot een overlevingspensioen of enig ander als dusdanig geldend voordeel geniet krachtens een regeling inzake rust- en overlevingspensioenen van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.”
11 In de eerste en derde tot en met vijfde alinea van artikel 52, lid 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 16 januari 1968, blz. 441), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „koninklijk besluit van 21 december 1967”), wordt bepaald: „Wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken, enerzijds, op een overlevingspensioen krachtens de pensioenregeling voor werknemers en, anderzijds, op één of meer rustpensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden krachtens de pensioenregeling voor werknemers of één of meer andere pensioenregelingen, mag het overlevingspensioen niet worden samen genoten met de vermelde rustpensioenen dan tot beloop van een som gelijk aan 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot zou zijn toegekend voor een volledige loopbaan. […] Wanneer de in [de eerste alinea] bedoelde echtgenoot eveneens aanspraak kan maken op één of meer overlevingspensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden in de zin van artikel 10bis van [koninklijk besluit nr. 50], mag het overlevingspensioen niet meer belopen dan het verschil tussen, enerzijds 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan en, anderzijds, de som van de bedragen van de rustpensioenen of van de als dusdanig geldende voordelen bedoeld in het eerste lid, en van een bedrag gelijk aan het overlevingspensioen als werknemer voor een volledige loopbaan, vermenigvuldigd met de breuk of met de som van de breuken die de belangrijkheid van de overlevingspensioenen in de andere pensioenregelingen, die van de zelfstandigen uitgezonderd, uitdrukken. Deze breuken zijn die welke voor de toepassing van het voormelde artikel 10bis in aanmerking werden of zouden worden genomen. De toepassing van [de derde alinea] kan evenwel niet tot gevolg hebben dat het overlevingspensioen wordt verminderd tot een bedrag dat kleiner is dan het verschil tussen het bedrag van het vóór de toepassing van de vorige leden toekenbaar [overlevingspensioen] en de som van de bedragen van de rustpensioenen en van de als zodanig geldende voordelen, beoogd in [de eerste alinea]. Voor de toepassing van de [eerste en de derde alinea] dient onder overlevingspensioen voor een volledige loopbaan te worden verstaan, het overlevingspensioen dat toekenbaar is aan de langstlevende echtgenoot vóór de toepassing van de vorige leden, vermenigvuldigd met het omgekeerde van de breuk die, in voorkomend geval beperkt in toepassing van het genoemd artikel 10bis, gebruikt werd voor de berekening van het rustpensioen dat als basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen.”
12 In artikel 52bis van het koninklijk besluit van 21 december 1967 wordt bepaald: „Voor de toepassing van artikel 20, [derde en vierde alinea], van het koninklijk besluit nr. 50 wordt het bedrag van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot toegekend krachtens het koninklijk besluit nr. 50 of […] [het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (Belgisch Staatsblad van 17 januari 1997, blz. 904)]), verminderd met het bedrag van het overlevingspensioen of elke als zodanig geldende uitkering verleend krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling waaraan niet kan worden verzaakt.”
13 Artikel 7, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, bepaalt in lid 1, eerste alinea: „Indien de echtgenoot vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 [%] van het bedrag van het rustpensioen berekend overeenkomstig artikel 5, § 1, [eerste alinea, onder] a), van dit besluit dat aan de echtgenoot overeenkomstig dit besluit zou zijn toegekend.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14 De echtgenote van HK is gestorven op 29 november 2016.
15 Aangezien HK in verschillende lidstaten, namelijk België, Spanje en Finland, had gewerkt en aldaar socialezekerheidsbijdragen had betaald, ontving hij op 1 december 2016 een Belgisch rustpensioen van 11962,55 EUR per jaar en een Spaans rustpensioen van 8276,28 EUR per jaar. Aangezien ook de echtgenote van HK in dezelfde lidstaten had gewerkt en aldaar socialezekerheidsbijdragen had betaald, ontving HK ook een Spaans overlevingspensioen van 5123,88 EUR per jaar en een Fins overlevingspensioen van 1281,24 EUR per jaar die werden toegekend op grond van de bijdragen die zijn overleden echtgenote aan deze socialezekerheidsstelsels had betaald.
16 Wat het Belgische overlevingspensioen betreft, heeft de FPD op 22 december 2017 aan HK meegedeeld dat hij geen recht had op een dergelijk pensioen, aangezien de som van zijn rustpensioenen te hoog was.
17 Op 26 december 2017 heeft HK bezwaar gemaakt tegen deze weigering.
18 Vervolgens hebben HK en de FPD talrijke brieven uitgewisseld over de wijze waarop de verschillende pensioenuitkeringen die HK ontving in aanmerking moesten worden genomen om te bepalen of en in hoeverre hij recht had op een Belgisch overlevingspensioen.
19 Bij besluit van 18 september 2019 heeft de FPD zijn oorspronkelijke standpunt gewijzigd en HK met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2016 naar Belgisch recht een overlevingspensioen toegekend van 1929,03 EUR per jaar.
20 HK heeft dit besluit betwist en heeft beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de tribunal du travail francophone de Bruxelles (Franstalige arbeidsrechtbank Brussel, België), waarbij hij aanvoerde dat het jaarlijkse bedrag van het Belgische overlevingspensioen 6339,01 EUR per jaar moest bedragen.
21 De verwijzende rechter stelt vast dat HK en de FPD in wezen van mening verschillen over de manier waarop artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 moet worden uitgelegd. Krachtens deze bepaling moet het bevoegde orgaan bij de toepassing van anticumulatiebepalingen op uitkeringen van verschillende aard de bedragen van de uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen, delen door het aantal uitkeringen dat onderworpen is aan de in de nationale wetgeving vastgestelde anticumulatiebepalingen.
22 Deze rechter voegt daaraan toe dat de partijen het erover eens zijn dat – overeenkomstig de Belgische wetgeving die de cumulatie van een overlevingspensioen en een rustpensioen toestaat, zij het met een beperking van dit gecumuleerde bedrag tot een bedrag gelijk aan 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen dat aan de overlevende echtgenoot zou zijn toegekend voor een volledige loopbaan – het totale bedrag aan rustpensioenen dat voor de toepassing van artikel 52 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 in aanmerking moet worden genomen, 20238,83 EUR bedraagt, te weten de som van het jaarlijkse bedrag van het Belgische rustpensioen (11962,55 EUR) en het Spaanse rustpensioen (8276,28 EUR), en dat het cumulatieplafond 16458,42 EUR bedraagt.
23 Het is enkel met betrekking tot de berekening van de overschrijding van het cumulatieplafond dat de redenering van de partijen uiteenloopt.
24 Volgens de FPD moet de overschrijding van dit plafond worden bepaald door het jaarlijkse bedrag van het overlevingspensioen en het totale jaarlijkse bedrag van de rustpensioenen bij elkaar op te tellen, daarvan het cumulatieplafond af te trekken en dit bedrag vervolgens door twee te delen. In het geval van HK wordt de overschrijding van het cumulatieplafond dus als volgt berekend: 7638,46 EUR (jaarlijks bedrag van het toegekende overlevingspensioen) + 20238,83 EUR (totaal jaarlijks bedrag van de rustpensioenen) – 16458,42 EUR (cumulatieplafond) = 11418,87 EUR. Het maximale jaarlijkse bedrag van het overlevingspensioen bedraagt bijgevolg: 7638,46 EUR – 11418,87 EUR/2 (bedrag van de overschrijding gedeeld door het aantal overlevingspensioenen waarvoor cumulatieregels gelden, in casu het Belgische en Finse overlevingspensioen) = 1929,03 EUR.
25 De FPD wijst erop dat de Finse autoriteiten dezelfde berekening hebben gemaakt met betrekking tot het Finse overlevingspensioen.
26 Volgens HK moet niet het deel van de inkomsten dat het cumulatieplafond overschrijdt, worden gedeeld, maar alle inkomsten die voor de toepassing van de anticumulatiebepalingen in aanmerking worden genomen, dat wil zeggen het totale jaarlijkse bedrag van de overlevings- en rustpensioenen. De overschrijding van het cumulatieplafond moet dan als volgt worden berekend: 7638,46 EUR (jaarlijks bedrag van het toegekende overlevingspensioen) + 20238,83 EUR (totaal jaarlijks bedrag van de rustpensioenen)/2 – 16458,42 EUR (cumulatieplafond) = 1299,45 EUR. Hieruit volgt dat het maximale jaarlijkse bedrag van het overlevingspensioen waarop hij recht heeft, als volgt wordt berekend: 7638,46 EUR – 1299,45 EUR = 6399,01 EUR.
27 HK voegt hieraan toe dat deze uitlegging van artikel 55, lid 1, van verordening nr. 883/2004 is gebaseerd op de informatie op de website van de Caisse nationale d’assurance vieillesse (Frankrijk), de Franse instelling die verantwoordelijk is voor de berekening en uitkering van de basispensioenen.
28 De verwijzende rechter merkt op dat de verdelingsregel van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 als zodanig niet voorkwam in de overeenkomstige bepaling van verordening nr. 1408/71, te weten artikel 46 quater, lid 1, dat bepaalde dat de bedragen die bij een strikte toepassing van de bij de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgestelde bepalingen inzake vermindering niet zouden worden uitgekeerd, werden gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering onderworpen was.
29 Tegen deze achtergrond heeft de tribunal du travail francophone de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet de regel van artikel 55, lid 1, onder a), van [verordening nr. 883/2004], op grond waarvan de bevoegde organen de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen, delen door het aantal uitkeringen dat aan die [anticumulatiebepalingen] is onderworpen, aldus worden uitgelegd dat de inkomsten die als zodanig in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de non-cumulatieregel moeten worden gedeeld door het aantal overlevingspensioenen dat door anticumulatiebepalingen wordt getroffen? 2) Of moet de regel van artikel 55, lid 1, onder a), van [verordening nr. 883/2004], op grond waarvan de bevoegde organen de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen, delen door het aantal uitkeringen dat aan die [anticumulatiebepalingen] is onderworpen, daarentegen aldus worden uitgelegd dat niet de inkomsten die als zodanig in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de non-cumulatieregel, maar enkel het gedeelte van de inkomsten dat een cumulatieplafond, zoals dat van de betrokken nationale regeling, overstijgt, moet worden gedeeld door het aantal overlevingspensioenen dat door anticumulatiebepalingen wordt getroffen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
30 Met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de toekenning van uitkeringen van verschillende aard de toepassing van nationale anticumulatiebepalingen met betrekking tot onafhankelijke uitkeringen meebrengt, elke lidstaat verplicht is te bepalen dat voor de berekening van het bedrag van de te betalen uitkering het totale bedrag van de inkomsten die door deze nationale regels in aanmerking worden genomen, moet worden gedeeld door het aantal betrokken uitkeringen, dan wel of deze Unierechtelijke bepaling de lidstaten verplicht te bepalen dat voor die berekening het gedeelte van de inkomsten dat het in die nationale regels vastgestelde cumulatieplafond overschrijdt, door datzelfde aantal moet worden gedeeld.
31 Vooraf zij eraan herinnerd dat de cumulatiebepalingen in de wetgeving van een lidstaat, tenzij in verordening nr. 883/2004 anders is bepaald, van toepassing zijn op personen die een uitkering ten laste van die lidstaat ontvangen wanneer zij aanspraak kunnen maken op andere socialezekerheidsuitkeringen, zelfs indien deze uitkeringen op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen (zie in die zin arrest van 15 maart 2018, Blanco Marqués, C‑431/16, EU:C:2018:189, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Overeenkomstig artikel 52, lid 2, van verordening nr. 883/2004 kan het bevoegde nationale orgaan bij de toekenning van uitkeringen dan ook alle bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking van de wetgeving krachtens welke deze uitkeringen worden toegekend, toepassen, binnen de grenzen van de artikelen 53 tot en met 55.
33 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten socialezekerheidsuitkeringen als gelijksoortig worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en het doel alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Zuiver formele kenmerken zijn daarentegen niet te beschouwen als constitutieve elementen voor de classificatie van de uitkeringen (arrest van 15 maart 2018, Blanco Marqués, C‑431/16, EU:C:2018:189, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Met betrekking tot de samenloop van uitkeringen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, te weten uitkeringen die worden berekend of toegekend op basis van de loopbanen van twee verschillende personen en die moeten worden geacht van verschillende aard te zijn, bepaalt artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 dat in geval van samenloop van twee of meer onafhankelijke uitkeringen de bevoegde organen de bedragen van de uitkering of uitkeringen, voor zover in aanmerking genomen, delen door het aantal uitkeringen dat onderworpen is aan de anticumulatiebepalingen waarin de wetgeving van de lidstaten voorziet.
35 Aangaande de betekenis die aan het zinsdeel „voor zover in aanmerking genomen” moet worden toegekend, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, waarbij ook de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling relevante gegevens voor de uitlegging ervan kan bevatten (arrest van 8 mei 2019, Inspecteur van de Belastingdienst, C‑631/17, EU:C:2019:381, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 betreft, blijkt uit deze bepaling dat de bevoegde organen bij de toepassing van de in de nationale wetgevingen vastgestelde anticumulatiebepalingen de bedragen van de uitkeringen, voor zover in aanmerking genomen, delen door het aantal uitkeringen dat aan die anticumulatiebepalingen is onderworpen.
37 Wanneer aan de in deze zin gebruikte uitdrukking „in aanmerking genomen” de gangbare betekenis wordt toegekend, dient deze zin aldus te worden opgevat dat die deling moet worden toegepast op de bedragen die de bevoegde nationale organen in aanmerking hebben genomen of waarmee deze rekening hebben gehouden bij de toepassing van de anticumulatiebepalingen waarin hun wetgeving voorziet.
38 De bewoordingen van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 bevatten echter geen uitdrukkelijke aanwijzing dat de lidstaten rekening moeten houden met een welbepaald bedrag.
39 Zoals de advocaat-generaal in punten 47 en 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 geformuleerd op een wijze die de lidstaten de mogelijkheid biedt om de bedragen, zoals berekend volgens hun nationale anticumulatiebepalingen, te delen door het aantal uitkeringen dat aan die bepalingen is onderworpen.
40 Bijgevolg volgt uit deze formulering dat de bevoegde nationale organen, voor de berekening van het bedrag van de te betalen uitkering, hetzij het totale bedrag van de inkomsten, hetzij het gedeelte van de inkomsten dat een bepaald cumulatieplafond overschrijdt, kunnen delen door het aantal betrokken uitkeringen.
41 In de tweede plaats vindt deze letterlijke uitlegging steun in de context van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004.
42 Uit overweging 29 van deze verordening, die betrekking heeft op de bepalingen van deze verordening inzake de nationale voorschriften tot invoering van mechanismen voor vermindering, schorsing of intrekking, blijkt immers dat de Uniewetgever – door in die verordening bepalingen op te nemen die de toepassing van die nationale voorschriften aan strenge voorwaarden onderwerpen – migrerende werknemers en hun nabestaanden heeft willen beschermen tegen een te strikte toepassing van deze voorschriften door de lidstaten.
43 In dit verband wordt in overweging 31 van die verordening verduidelijkt dat het weliswaar aan de nationale wetgever staat om voorschriften vast te stellen waarbij een beperking wordt opgelegd op de samenloop van twee of meer in verschillende lidstaten opgebouwde pensioenen, maar dat het tot de bevoegdheid van de Uniewetgever behoort om de grenzen vast te stellen waarbinnen die nationale anticumulatiebepalingen moeten worden toegepast.
44 Hieruit volgt dat de bepalingen van verordening nr. 883/2004 betreffende nationale anticumulatiebepalingen strekken tot het beperken van bijzonder ongunstige gevolgen voor werknemers die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer.
45 Zoals ook de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht, is het in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet bijzonder nadelig voor de betrokken werknemers dat een lidstaat enkel het bedrag dat het cumulatieplafond overschrijdt, in aanmerking neemt, ook al leidt de berekening op basis van het totale bedrag van de in aanmerking genomen uitkeringen stellig tot een hoger bedrag.
46 Zoals blijkt uit de punten 38 tot en met 40 van het onderhavige arrest, verplicht artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 de lidstaten immers geenszins om de betrokken werknemers de hoogste bedragen toe te kennen. Verder blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat HK in casu een Belgisch overlevingspensioen ontvangt doordat deze bepaling is toegepast, terwijl een werknemer die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer in een dergelijk geval geen recht heeft op een uitkering.
47 In de derde plaats vindt een uitlegging van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 volgens welke het aan de nationale wetgevers staat om de bedragen vast te stellen van de uitkeringen die in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van hun nationale anticumulatiebepalingen, ook steun in de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt.
48 Overweging 4 van verordening nr. 883/2004 preciseert dienaangaande dat het noodzakelijk is dat de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen worden gerespecteerd en er enkel een coördinatiemethode wordt uitgewerkt.
49 Verordening nr. 883/2004 voert immers geen gemeenschappelijke socialezekerheidsregeling in, maar laat het bestaan van afzonderlijke nationale regelingen onverlet. De lidstaten behouden de bevoegdheid om hun socialezekerheidsregelingen vorm te geven. Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie is het aan elke lidstaat om in zijn wetgeving onder meer de voorwaarden vast te stellen die recht geven op sociale uitkeringen, met inbegrip van de anticumulatiebepalingen voor uitkeringen van verschillende aard. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dienen de lidstaten evenwel het Unierecht te eerbiedigen, in het bijzonder de bepalingen van verordening nr. 883/2004 inzake de anticumulatiebepalingen (zie in die zin arrest van 15 september 2022, Rechtsanwaltskammer Wien, C‑58/21, EU:C:2022:691, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Artikel 55, lid 1, van verordening nr. 883/2004 maakt echter geen melding van een bijzondere wijze waarop het bedrag van de overlevingspensioenen wordt berekend, zodat het aan de rechtsorde van elke lidstaat staat om de voor de toepassing van deze bepaling geldende regeling vast te stellen, hetgeen in casu ook naar voren komt uit de in de punten 25 en 27 van het onderhavige arrest genoemde omstandigheid dat de bevoegde Franse en Finse autoriteiten krachtens hun respectieve nationale anticumulatiebepalingen verschillende berekeningswijzen toepassen.
51 In de vierde en laatste plaats moet worden opgemerkt dat ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 kan worden afgeleid dat deze bepaling in de in punt 40 van het onderhavige arrest aangegeven zin moet worden uitgelegd.
52 In dit verband zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1408/71 aanvankelijk geen regel bevatte die vergelijkbaar was met die waarin artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 voorziet teneinde de gevolgen bij samenloop van sociale uitkeringen te verzachten.
53 Het is pas nadat bij verordening nr. 1248/92 artikel 46 quater in verordening nr. 1408/71 is ingevoegd, dat de Uniewetgever heeft voorzien in een dergelijke regel. In dit verband gaven de zestiende en de tweeëntwintigste overweging van verordening nr. 1248/92 aan dat het van belang was om migrerende werknemers en hun nabestaanden te beschermen tegen een te strikte toepassing van de nationale bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking, aangezien de gezamenlijke toepassing van nationale bepalingen in geval van samenloop van uitkeringen van verschillende aard nadelige gevolgen had kunnen hebben.
54 Zo bepaalde artikel 46 quater, lid 1, van verordening nr. 1408/71 dat wanneer de toekenning van uitkeringen van verschillende aard of van andere inkomsten tevens zou leiden tot vermindering, schorsing of intrekking van twee of meer uitkeringen, de bedragen die bij een strikte toepassing van de bij de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgestelde bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking niet zouden worden uitgekeerd, moesten worden gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering, schorsing of intrekking onderworpen was.
55 Ook al zijn de bewoordingen van artikel 55, lid 1, van verordening nr. 883/2004 in die zin gewijzigd dat de bedragen van de in aanmerking genomen uitkeringen, en niet langer de bedragen die wegens de toepassing van de anticumulatiebepalingen niet zijn betaald, worden gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan de anticumulatiebepalingen is onderworpen, dit neemt niet weg dat zowel artikel 55, lid 1, van verordening nr. 883/2004 als artikel 46 quater, lid 1, van verordening nr. 1408/71 hetzelfde doel nastreven, namelijk het beschermen van de migrerende werknemers tegen de nadelige gevolgen van een cumulatieve toepassing van die bepalingen in de lidstaten.
56 Verordening nr. 883/2004 heeft de voorschriften van verordening nr. 1408/71 immers gemoderniseerd en vereenvoudigd zonder de doelstelling van deze verordening te wijzigen [zie in die zin arrest van 30 september 2021, Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), C‑285/20, EU:C:2021:785, punt 42].
57 Overigens verwijzen zowel artikel 46 quater, lid 1, van verordening nr. 1408/71 als artikel 55, lid 1, van verordening nr. 883/2004, zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, naar de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de respectieve wetgevingen van de lidstaten voorzien en naar de bedragen die door deze wettelijke regelingen in aanmerking worden genomen, waarbij aldus de beoordelingsbevoegdheid waarover de lidstaten beschikken om de toepassingsvoorwaarden van de anticumulatiebepalingen vast te stellen, wordt benadrukt.
58 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer de toekenning van uitkeringen van verschillende aard of van andere inkomsten de toepassing van nationale anticumulatiebepalingen met betrekking tot onafhankelijke uitkeringen meebrengt, het elke betrokken lidstaat toestaat om in zijn rechtsorde te bepalen dat voor de berekening van het bedrag van de te betalen uitkering hetzij het totale bedrag van de inkomsten die door deze nationale regels in aanmerking worden genomen, moet worden gedeeld door het aantal betrokken uitkeringen, hetzij het gedeelte van de inkomsten dat het in die nationale regels vastgestelde cumulatieplafond overschrijdt, door datzelfde aantal moet worden gedeeld.
Kosten
59 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 55, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels,
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer de toekenning van uitkeringen van verschillende aard of van andere inkomsten de toepassing van nationale anticumulatiebepalingen met betrekking tot onafhankelijke uitkeringen meebrengt, het elke betrokken lidstaat toestaat om in zijn rechtsorde te bepalen dat voor de berekening van het bedrag van de te betalen uitkering hetzij het totale bedrag van de inkomsten die door deze nationale regels in aanmerking worden genomen, moet worden gedeeld door het aantal betrokken uitkeringen, hetzij het gedeelte van de inkomsten dat het in die nationale regels vastgestelde cumulatieplafond overschrijdt, door datzelfde aantal moet worden gedeeld.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.