HvJ EU 11 augustus 1995, C-98/94, ECLI:EU:C:1995:273
Tekst
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Uitkeringen ° Nationale anti-cumulatievoorschriften ° Uitkeringen van dezelfde aard ° Persoonlijk rustpensioen en rustpensioen verkregen als niet-hertrouwde uit echt gescheiden echtgenoot ° Uitkeringen van verschillende aard
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 12, lid 2, en 46 bis)
Samenvatting
Een rustpensioen, overeenkomstig de wetgeving van een Lid-Staat toegekend op basis van de verzekeringstijdvakken die de betrokkene persoonlijk in die staat heeft vervuld, en een rustpensioen, krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat in de hoedanigheid van gescheiden echtgenoot verkregen op basis van de door de voormalige echtgenoot vervulde verzekeringstijdvakken, zijn geen uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 en de artikelen 12, lid 2, en 46 bis van die verordening zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92.
Enerzijds hebben genoemde uitkeringen namelijk een verschillend voorwerp en doel: het rustpensioen van de gescheiden echtgenoot heeft tot doel, deze voldoende middelen van bestaan te garanderen omdat hij niet meer over het inkomen van zijn ex-echtgenoot kan beschikken, terwijl het persoonlijk rustpensioen daarentegen beoogt, de werknemer voldoende inkomsten te garanderen vanaf het moment waarop hijzelf de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Anderzijds worden beide uitkeringen berekend of toegekend op basis van de loopbanen van twee verschillende personen: voor het rustpensioen van de gescheiden echtgenoot zijn de loopbaan en het loon van de ex-echtgenoot bepalend, terwijl het persoonlijke rustpensioen op basis van de door de betrokkene persoonlijk vervulde verzekeringstijdvakken wordt berekend.
Partijen
In zaak C-98/94,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Chr. Schmidt
en
Rijksdienst voor Pensioenen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), en van de artikelen 12, lid 2, en 46 bis van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Chr. Schmidt, vertegenwoordigd door M. van Loon, advocaat te Antwerpen,
° de Rijksdienst voor Pensioenen, vertegenwoordigd door W. de Meyer, adjunct-administrateur-generaal, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en P. van Nuffel, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 11 maart 1994, ingeschreven ter griffie van het Hof op 22 maart daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening 1408/71"), en van de artikelen 12, lid 2, en 46 bis van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7; hierna: "gewijzigde verordening nr. 1408/71").
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen en Chr. Schmidt over de berekening van een rustpensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot.
3 Artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bevat de volgende anti-cumulatiebepaling:
"De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere Lid-Staat zijn verworven. Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50 en 51 of 60, lid 1, sub b), worden vastgesteld."
4 Volgens artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 is er sprake van ongerechtvaardigde cumulatie van uitkeringen, indien de belanghebbende in totaal meer aan uitkeringen van dezelfde aard ontvangt dan het hoogste theoretische bedrag. Dit theoretische bedrag is volgens artikel 46, lid 2, sub a, de uitkering die de belanghebbende in een Lid-Staat had kunnen ontvangen, indien hij aldaar zijn gehele loopbaan had vervuld.
5 Deze artikelen zijn bij verordening nr. 1248/92 gewijzigd.
6 De nieuwe versie van artikel 12, lid 2, luidt als volgt:
"Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten van welke aard ook, op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere Lid-Staat zijn verworven."
7 Volgens het gewijzigde artikel 46 maakt het bevoegde orgaan enerzijds de autonome berekening, uitsluitend op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving (lid 1), en anderzijds de pro rata-berekening (lid 2), waarna de betrokkene recht heeft op het hoogste bedrag (lid 3).
8 Onder samenloop van uitkeringen van dezelfde aard wordt volgens het nieuwe artikel 46 bis, lid 1, verstaan, de samenloop "van invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingspensioenen, berekend of toegekend op basis van door een zelfde persoon vervulde tijdvakken van verzekering en/of van wonen".
9 Bij verordening nr. 1248/92 is ook een nieuw artikel 95 bis ingevoegd, op grond waarvan de betrokkenen wier pensioen vóór 1 juni 1992 werd vastgesteld, kunnen verzoeken om herziening van hun rechten met inachtneming van de nieuwe artikelen 46 e.v.
10 Krachtens de artikelen 75 e.v. van het Belgisch koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 16 januari 1968), wordt het pensioen van de niet-hertrouwde, uit de echt gescheiden echtgenoot van een werknemer verworven onder dezelfde voorwaarden alsof de gescheiden echtgenoot zelf een activiteit als werknemer had uitgeoefend tijdens de duur van het huwelijk (artikel 76). Voor de berekening van dit rustpensioen wordt rekening gehouden met een loon waarvan het bedrag gelijk is aan 62,5 % van het overeenstemmend jaarloon dat in aanmerking zou moeten worden genomen voor de berekening van het pensioen van de gewezen echtgenoot (artikel 77).
11 Het Belgisch koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967) bevat in artikel 10 bis (ingevoegd bij koninklijk besluit nr. 205 van 29 augustus 1983; Belgisch Staatsblad van 6 september 1983) de volgende regel:
"wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de beroepsloopbaan die voor de berekening van het rustpensioen als werknemer in aanmerking wordt genomen verminderd met zoveel jaren als nodig is om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden".
12 Ingevolge artikel 3 van de Belgische wet van 20 juli 1990 worden alleen de 40 jaren die recht geven op het voordeligste pensioen, in aanmerking genomen.
13 Schmidt is op 4 november 1921 in Duitsland geboren, waar zij van eind 1937 tot begin 1948 heeft gewerkt. Op 31 januari 1948 huwde zij met een Belg en verkreeg zij de Belgische nationaliteit. Zij vestigde zich in België en werkte tijdens haar huwelijk halftijds tussen 1973 en 1979. In maart 1981 gingen de echtgenoten afzonderlijk wonen. Op 12 februari 1991 werd het echtscheidingsvonnis ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
14 Vanaf haar 60e jaar, dat wil zeggen vanaf 1 december 1981, ontving Schmidt een pensioen als alleenstaande op grond van haar tewerkstelling in België (1973-1979). Op 15 april 1988 heeft zij van dit pensioen afgezien.
15 Vanaf haar 65e jaar, dat wil zeggen vanaf 1 december 1986, ontvangt zij ingevolge het Angestelltenversicherungsgesetz een Duits pensioen op grond van haar tewerkstelling in Duitsland vóór haar huwelijk (1936-1948).
16 Sedert 1 juni 1988, op welke datum haar echtgenoot, van wie zij feitelijk gescheiden leefde, pensioengerechtigd werd, ontvangt zij eveneens een Belgisch pensioen als feitelijk gescheiden echtgenote.
17 Na de inschrijving van het echtscheidingsvonnis op 12 februari 1991 heeft de Rijksdienst voor Pensioenen haar pensioenrechten herberekend en haar bij beslissing van 10 juli 1991 met ingang van 1 maart 1991 een jaarlijks Belgisch pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot toegekend op grond van de artikelen 75 e.v. van het koninklijk besluit van 21 december 1967.
18 Dit pensioen werd berekend op grond van een voor haar ex-echtgenoot erkende loopbaan van 33 jaar (1948-1980). Vier jaren (1948-1951) werden niet in aanmerking genomen, omdat de op 40 jaar bepaalde eenheid werd overschreden. De Rijksdienst voor Pensioenen telde namelijk de voor de ex-echtgenoot erkende loopbaan en de eigen loopbaan van Schmidt (18 jaar) samen en kwam aldus uit op een totaal van 51 jaar, waarvan zeven jaar dubbel waren geteld. Aangezien de 40/40-eenheid met vier jaren werd overschreden, werd artikel 10 bis van koninklijk besluit nr. 50 toegepast.
19 Schmidt heeft tegen de beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. In het kader van dit beroep vecht zij de toepassing van artikel 10 bis van koninklijk besluit nr. 50 aan. Een anti-cumulatiebepaling mag haars inziens enkel worden toegepast wanneer zij resulteert in de toekenning van een hoger pensioen dan het conform artikel 46 berekende pensioen. Van mening dat het Duitse pensioen en het Belgische pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot uitkeringen van dezelfde aard zijn in de zin van verordening nr. 1408/71, vordert zij dat haar pensioen conform artikel 46 wordt berekend, zodat haar nationale pensioen berekend volgens artikel 10 bis van koninklijk besluit nr. 50, kan worden vergeleken met het pensioen berekend volgens artikel 46 van de verordening. In dit laatste geval zou toepassing van de Belgische anti-cumulatiebepaling niet tot een zodanige korting van het ingevolge de wetgeving van deze staat verschuldigde pensioen mogen leiden, dat de rechthebbende in totaal minder dan het theoretische maximumbedrag ontvangt.
20 De Rijksdienst voor Pensioenen is daarentegen van mening, dat de in geding zijnde uitkeringen niet van dezelfde aard zijn, zodat artikel 46 van verordening nr. 1408/71 niet van toepassing is. Bijgevolg zou artikel 12, lid 2, van deze verordening moeten worden toegepast, een bepaling die niet in de weg staat aan toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen.
21 Daar de Arbeidsrechtbank te Antwerpen twijfelde, of het rustpensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot en het persoonlijk rustpensioen als uitkeringen van dezelfde aard moeten worden aangemerkt, heeft zij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Zijn een Duits rustpensioen verworven op basis van de verzekeringstijdvakken die de betrokkene persoonlijk in Duitsland heeft volbracht op grond van het Angestelltenversicherungsgesetz en het Belgisch rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenote zoals het ingevolge de Belgische pensioenwetgeving nl. de artikelen 75 en 76 van het K.B. (van 21 december 1967) wordt toegekend in functie van de verzekeringstijdvakken vervuld door de gewezen echtgenoot en verworven onder dezelfde voorwaarden alsof de gescheiden echtgenoot zelf een activiteit zou hebben uitgeoefend tijdens de duur van het huwelijk met de gewezen echtgenoot, gelijksoortige uitkeringen, in de zin van artikel 12.2 van verordening nr. 1408/71 met de eventuele consequenties hiervan voor de toepassing van de artikelen 46 en 46 bis van verordening nr. 1408/71 en artikel 7 van verordening nr. 574/72?"
22 Vooraf zij in herinnering gebracht, dat in het kader van een procedure op grond van artikel 177 van het Verdrag het Hof niet bevoegd is, een communautaire regel op een bepaald geval toe te passen en bijgevolg bepalingen van nationaal recht aan die regel te toetsen. Het kan echter wel de nationale rechter alle interpretatiegegevens met betrekking tot het gemeenschapsrecht verschaffen die voor hem van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de werking van die bepalingen (zie onder meer arrest van 24 september 1987, zaak 37/86, Coenen, Jurispr. 1987, blz. 3589, r.o. 8).
23 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een rustpensioen dat overeenkomstig de wetgeving van een Lid-Staat is toegekend op basis van de verzekeringstijdvakken die de betrokkene persoonlijk in die staat heeft vervuld, en een rustpensioen, krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat in de hoedanigheid van gescheiden echtgenoot verkregen op basis van de door de voormalige echtgenoot vervulde verzekeringstijdvakken, uitkeringen van dezelfde aard zijn in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 en de artikelen 12, lid 2, en 46 bis van de gewijzigde verordening nr. 1408/71.
24 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak uitkeringen van sociale zekerheid ° los van de kenmerken die aan de onderscheiden nationale wettelijke regelingen eigen zijn ° als gelijksoortig moeten worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en het doel alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn (zie arrest van 6 oktober 1987, zaak 197/85, Stefanutti, Jurispr. 1987, blz. 3855, r.o. 12). Zuiver formele kenmerken daarentegen zijn niet te beschouwen als constitutieve elementen voor de klassificatie van de uitkeringen (zie arrest Coenen, reeds aangehaald, r.o. 10).
25 Wat het voorwerp en het doel van de in geding zijnde uitkeringen betreft, wordt niet betwist dat het Belgische rustpensioen van de gescheiden, niet hertrouwde echtgenoot erop is gericht, deze voldoende middelen van bestaan te garanderen omdat hij niet meer over het inkomen van zijn ex-echtgenoot kan beschikken. De berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden van dit pensioen zijn zo vastgesteld, dat het uit de scheiding voortvloeiende inkomstenverlies van de belanghebbende wordt gecompenseerd. Ingeval hij hertrouwt, verliest hij dit recht. Het in Duitsland verworven persoonlijke rustpensioen daarentegen beoogt de werknemer voldoende inkomsten te garanderen vanaf het moment waarop hijzelf de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
26 Hieruit volgt, dat het voorwerp en het doel van de uitkeringen waarom het in het hoofdgeding gaat, verschillend zijn.
27 In de tweede plaats zij erop gewezen, dat bij artikel 46 bis, lid 1, van de gewijzigde verordening nr. 1408/71 een criterium is ingevoerd dat in de bovenaangehaalde rechtspraak reeds impliciet aanwezig was: volgens die bepaling is onder samenloop van uitkeringen van dezelfde aard te verstaan de samenloop van invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingsuitkeringen "berekend of toegekend op basis van door een zelfde persoon vervulde tijdvakken van verzekering en/of van wonen".
28 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kunnen uitkeringen die op basis van de loopbanen van twee verschillende personen worden berekend of toegekend, niet worden aangemerkt als uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 46 bis.
29 In het onderhavige geval staat vast, dat voor de berekening van het Belgische pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot de loopbaan en het loon van de ex-echtgenoot bepalend zijn. Het Duitse rustpensioen daarentegen wordt berekend op basis van de door de betrokkene persoonlijk vervulde verzekeringstijdvakken, waarbij zowel het aantal effectief door hem gewerkte jaren als het in die periode ontvangen loon in aanmerking worden genomen.
30 Dit betekent, dat uitkeringen als die in het hoofdgeding aan de orde zijn, worden berekend of toegekend op basis van de loopbanen van twee verschillende personen.
31 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit, dat de Belgische wetgeving het aan de uit de echt gescheiden echtgenoot uitgekeerde pensioen fictief gelijkstelt met een rustpensioen van een werknemer, door de huwelijksjaren als verzekeringsjaren aan te merken. Volgens de bovenaangehaalde rechtspraak immers moeten de betrokken uitkeringen los worden gezien van de kenmerken die aan de onderscheiden wettelijke regelingen eigen zijn.
32 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat een rustpensioen, overeenkomstig de wetgeving van een Lid-Staat toegekend op basis van de verzekeringstijdvakken die de betrokkene persoonlijk in die staat heeft vervuld, en een rustpensioen, krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat in de hoedanigheid van gescheiden echtgenoot verkregen op basis van de door de voormalige echtgenoot vervulde verzekeringstijdvakken, geen uitkeringen van dezelfde aard zijn in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 en de artikelen 12, lid 2, en 46 bis van de gewijzigde verordening nr. 1408/71.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen bij vonnis van 11 maart 1994 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Een rustpensioen, overeenkomstig de wetgeving van een Lid-Staat toegekend op basis van de verzekeringstijdvakken die de betrokkene persoonlijk in die staat heeft vervuld, en een rustpensioen, krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat in de hoedanigheid van gescheiden echtgenoot verkregen op basis van de door de voormalige echtgenoot vervulde verzekeringstijdvakken, zijn geen uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, en de artikelen 12, lid 2, en 46 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992.