Art. 8.9.16 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De officier van justitie kan de erkenning of uitvoering van een Europees beschermingsbevel weigeren indien:

a. het Europees beschermingsbevel onvolledig is of niet binnen de door de officier van justitie gestelde redelijke termijn aan het verzoek, bedoeld in artikel 8.9.15, derde lid, is voldaan;

b. niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, bedoeld in artikel 8.9.15, eerste lid;

c. het feit waarvoor de beschermingsmaatregel is opgelegd, indien het in Nederland zou zijn begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn;

d. de persoon die gevaar veroorzaakt in Nederland onschendbaarheid geniet, zodat geen maatregelen op grond van een Europees beschermingsbevel kunnen worden genomen;

e. de Nederlandse strafwet op het feit waarvoor de beschermingsmaatregel is opgelegd toepasselijk is en het recht tot strafvordering naar Nederlands recht is verjaard;

f. tenuitvoerlegging van het Europees beschermingsbevel onverenigbaar is met het beginsel van ne bis in idem;

g. de persoon die gevaar veroorzaakt ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

h. de beschermingsmaatregel betrekking heeft op een strafbaar feit dat krachtens het Nederlands recht wordt beschouwd als zijnde volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op Nederlands grondgebied gepleegd.

2. Indien de officier van justitie het Europees beschermingsbevel weigert te erkennen op grond van een van de in het eerste lid bedoelde gronden:

a. stelt hij direct de autoriteit van de uitvaardigende lidstaat en de beschermde persoon in kennis van het besluit tot weigering, onder opgave van de redenen daarvoor;

b. stelt hij in voorkomend geval de beschermde persoon in kennis van de mogelijkheid een beschermingsmaatregel te verkrijgen op grond van het Nederlandse recht.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen