Art. 8.8.15 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De officier van justitie kan de erkenning en uitvoering van de toezichtbeslissing weigeren, indien:

a. het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met de daaraan ten grondslag liggende nationale toezichtbeslissing en het certificaat niet alsnog is overgelegd, aangevuld of verbeterd binnen de door de officier van justitie gestelde redelijke termijn, bedoeld in artikel 8.8.14, derde lid;

b. niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, bedoeld in de artikelen 8.8.13 en 8.8.14;

c. de tenuitvoerlegging van de toezichtbeslissing onverenigbaar is met het beginsel van ne bis in idem;

d. het feit waarop de toezichtbeslissing betrekking heeft, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar is, tenzij het een strafbaar feit betreft als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van Kaderbesluit 2009/829/JBZ;

e. de Nederlandse strafwet op het feit waarop de toezichtbeslissing betrekking heeft toepasselijk is en het recht tot strafvordering naar Nederlands recht is verjaard;

f. de tenuitvoerlegging van de toezichtbeslissing onverenigbaar is met een naar Nederlands recht geldende immuniteit;

g. de betrokkene ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

h. het aannemelijk is dat, in het geval de betrokkene de toezichtmaatregel niet naleeft, zijn overlevering op grond van de Overleveringswet zal worden geweigerd.

2. De officier van justitie weigert de erkenning van de toezichtbeslissing niet op grond van het eerste lid, onderdelen a, b en c, dan nadat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid is gesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen.

3. De officier van justitie kan afzien van de weigering van de erkenning van de toezichtbeslissing op grond van het eerste lid, onderdeel h, indien de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in kennis is gesteld van de mogelijke weigering van de overlevering en zij het certificaat niet intrekt.

4. Indien het bevel een strafbaar feit betreft in verband met belastingen of heffingen, douane en deviezen, wordt de erkenning of uitvoering niet geweigerd op grond van het feit dat het Nederlandse recht niet voorziet in dezelfde soort belasting of heffing, dan wel niet dezelfde soort regeling inzake belastingen, heffingen, douane en deviezen kent als het recht van de uitvaardigende lidstaat.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen