Art. 8 Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
1. Bij elke inrichting is een commissie van toezicht, waarvan de leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.
2. De commissie van toezicht heeft tot taak:
a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring in de inrichting of afdeling en het vervoer uitgevoerd door de inrichting;
b. kennis te nemen van door de vreemdeling naar voren gebrachte grieven en waar mogelijk ter zake tussen de vreemdeling en de directeur te bemiddelen;
c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het bepaalde in de artikelen 73 tot en met 82;
d. aan Onze Minister, de Raad en de directeur, hetzij op verzoek, hetzij uit eigen beweging, advies en inlichtingen te geven voor zover deze verband houden met de taakuitoefening van de commissie.
3. De commissie van toezicht stelt zich door persoonlijk contact met de vreemdelingen regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en gevoelens. Wekelijks houdt één van haar leden spreekuur in de inrichting.
4. De commissie van toezicht heeft te allen tijde toegang tot de inrichting.
5. De commissie van toezicht ontvangt van de directeur de door haar gewenste inlichtingen en heeft het recht de op de inrichting betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien.
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden van de commissaris belast met het spreekuur.