Art. 9 Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben, Registratie en gebruik van informatie inzake mijnenvelden, bemijnde gebieden, mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen

Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996), gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben

1. Alle informatie inzake mijnenvelden, bemijnde gebieden, mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen wordt geregistreerd in overeenstemming met de bepalingen van de Technische Bijlage.

2. Al deze gegevens dienen te worden bewaard door de partijen bij een conflict die, onmiddellijk na de beëindiging van de daadwerkelijke vijandelijkheden, alle nodige en passende maatregelen dienen te nemen, waaronder het gebruik van deze informatie, teneinde de burgers te beschermen tegen de uitwerking van mijnenvelden, bemijnde gebieden, mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen in de gebieden waarover zij zeggenschap hebben. Tegelijkertijd verschaffen alle partijen bij een conflict aan de andere partij of partijen en aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties alle informatie betreffende mijnenvelden, bemijnde gebieden, mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen die zij hebben geplaatst in gebieden waarover zij geen zeggenschap meer hebben; wanneer echter, met inachtneming van wederkerigheid, de strijdkrachten van een partij bij een conflict zich op het grondgebied van de tegenpartij bevinden, kan elke partij nalaten dergelijke informatie te verschaffen aan de Secretaris-Generaal en de andere partij, voor zover veiligheidsbelangen dit eisen, totdat geen partij zich meer op het grondgebied van de andere partij bevindt. In het laatste geval dient de achtergehouden informatie te worden verspreid zodra de genoemde veiligheidsbelangen dit toelaten. De partijen bij het conflict dienen er, indien mogelijk, naar te streven, in onderlinge overeenstemming, regelingen te treffen voor het vrijgeven van deze informatie op zo kort mogelijke termijn en op een wijze die verenigbaar is met de veiligheidsbelangen van elke partij.

3. Dit artikel laat het bepaalde in de artikelen 10 en 12 van dit Protocol onverlet.

Vorige artikelen

Volgende artikelen