Art. 13 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen, Uitkeringen bij invaliditeit
Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
1. Elk Lid, te welks aanzien dit deel van het Verdrag van kracht is moet, onder voorgeschreven voorwaarden:
a. voorzien in revalidatiediensten, die in alle gevallen waarin dat mogelijk is de invaliden moeten opleiden, opdat zij hun vroegere arbeid kunnen hervatten of, indien dat niet mogelijk is, andere arbeid kunnen verrichten, welke het meest met hun krachten en bekwaamheid in overeenstemming is;
b. maatregelen nemen om de plaatsing van invaliden in een geschikte werkkring te vergemakkelijken.
2. Wanneer een verklaring overeenkomstig artikel 4 van kracht is, kan het betrokken Lid van de bepalingen van het voorgaande lid afwijken.
Vorige artikelen
- Artikel 8 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 9 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 10 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 11 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 12 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
Volgende artikelen
- Artikel 14 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 15 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 16 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 17 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen
- Artikel 18 Verdrag betreffende uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen