Art. 29 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte, Gemeenschappelijke bepalingen
Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
1. Een ieder die aanspraak maakt op een uitkering moet het recht hebben beroep in te stellen wanneer hem een uitkering wordt geweigerd of wanneer hij zich niet kan verenigen met de hoedanigheid of de omvang ervan.
2. Wanneer bij de toepassing van dit Verdrag het beheer van de geneeskundige verzorging is toevertrouwd aan een regeringsdepartement, dat verantwoording is verschuldigd aan een parlement, mag het recht van beroep als voorzien in het eerste lid van dit artikel, vervangen worden door het recht om een klacht, betreffende de weigering van geneeskundige verzorging of de hoedanigheid ervan door de bevoegde autoriteit te laten onderzoeken.
Vorige artikelen
- Artikel 24 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 25 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 26 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 27 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 28 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
Volgende artikelen
- Artikel 30 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 31 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 32 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 33 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte
- Artikel 34 Verdrag betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte