Art. 21 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel, Poging en medeplichtigheid of uitlokking

Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel

1. Elke Partij neemt de wetgevende of andere maatregelen die nodig kunnen zijn om medeplichtigheid aan of uitlokking van elk van de overeenkomstig de artikelen 18 en 20 van dit Verdrag omschreven feiten, indien zulks opzettelijk geschiedt, strafbaar te stellen.

2. Elke Partij neemt de wetgevende of andere maatregelen die nodig kunnen zijn om een poging tot het plegen van een van de in de artikelen 18 en 20, onderdeel a, van dit Verdrag omschreven feiten, indien zulks opzettelijk geschiedt, strafbaar te stellen.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen