Art. 3 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, - Omschrijving van de in de Bijlagen gebruikte termen
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. Lengte.
a. De lengte (L) is gelijk aan 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kiel, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is.
b. Bij schepen zonder roerkoning is de lengte (L) gelijk aan 96% van de waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal.
c. Wanneer de voorstevencontour boven de lastlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal concaaf van vorm is, wordt aangenomen dat het voorlijk gelegen eindpunt van de lengte en de voorzijde van de voorsteven samenvallen met de verticale projectie van het meest naar achteren gelegen punt van de voorstevencontour (boven die lastlijn) op die lastlijn (zie figuur 3.1).
d. Bij schepen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze gemeten wordt evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen op 85% van de kleinste holte naar de mal Dmin, die wordt verkregen door het trekken van een evenwijdige lijn langs de kiellijn van het vaartuig (met inbegrip van de skeg) rakend aan de zeeglijn naar de mal van het vrijboorddek. De kleinste holte naar de mal is de verticale afstand gemeten van de bovenkant van de kiel tot de bovenkant van de balken van het vrijboorddek in de zijde op het raakpunt (zie figuur 3.2).
2. Loodlijnen. De voorloodlijn en de achterloodlijn worden gerekend aan het voor- en achtereinde van de lengte (L). De voorloodlijn moet samenvallen met de voorzijde van de voorsteven op de waterlijn waarop de lengte gemeten wordt.
3. Midscheeps. Midscheeps is gelegen op het midden van de lengte (L).
4. Breedte. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald is de breedte (B) de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenkant van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een schip met een huid van een ander materiaal.
5. Holte naar de mal.
a. De holte naar de mal is de verticale afstand gemeten van de bovenkant van de kiel tot de bovenkant van de balken van het vrijboorddek in de zijde. Bij houten schepen en composietschepen wordt de afstand gemeten vanaf de onderkant van de sponning van de kiel. Indien de vorm in het onderste gedeelte van het grootspant hol verloopt of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, wordt de afstand gemeten vanaf het punt waar de lijn die van het vlakke deel van het scheepsvlak naar hart schip wordt doorgetrokken, de zijkant van de kiel snijdt.
b. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd wordt de holte naar de mal gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenkant van de balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant van de spanten.
c. Wanneer het vrijboorddek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt tot voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden bepaald, wordt de holte naar de mal gemeten tot een referentielijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt getrokken.
6. Holte voor de berekening van het vrijboord (D).
a. De holte voor de berekening van het vrijboord (D) is de holte naar de mal midscheeps vermeerderd met de dikte van het vrijboorddek aan de zijkant.
b. De holte voor de berekening van het vrijboord (D) bij een schip waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, waarbij de straal van de ronding groter is dan 4% van de breedte (B) of waar de bovenzijde van het schipsboord een ongewone vorm heeft, is gelijk aan de holte voor de berekening van het vrijboord van een schip met een denkbeeldig grootspant met een verticaal bovendeel van het boord en met dezelfde dekrondte als het grootspant en waarvan de oppervlakte van het bovenste gedeelte van de dwarsdoorsnede gelijk is aan dat van het bovengedeelte van het werkelijke grootspant.
7. Volheidscoëfficiënt.
a. De volheidscoëfficiënt (Cb) wordt uitgedrukt door: ; waarbij de waterverplaatsing naar de mal voorstelt (uitbouwsels niet meegerekend) voor een schip met een metalen huid en de waterverplaatsing op buitenkant huid voorstelt voor een schip met een huid van elk ander materiaal, beide bij een diepgang zonder kiel d1; en waarbij d1 85% van de kleinste holte naar de mal bedraagt.
b. Bij de berekening van de volheidscoëfficiënt van een schip met meervoudige romp moet de volle breedte (B) als omschreven in lid 4 worden gebruikt en niet de breedte van een enkele romp.
8. Vrijboord. Het vastgestelde vrijboord is de afstand van de bovenzijde van de deklijn tot de van toepassing zijnde uitwateringslijn loodrecht midscheeps gemeten.
9. Vrijboorddek.
a. Het vrijboorddek is als regel het bovenste doorlopende dek dat is blootgesteld aan het weer en aan de zee dat voorzien is van permanente middelen tot sluiting van alle openingen in de aan weer en wind blootgestelde gedeelten en waar beneden alle openingen in de zijden van het schip voorzien zijn van permanente middelen tot waterdichte afsluiting.
b. Lager dek als vrijboorddek Ter keuze van de eigenaar en behoudens goedkeuring door de Administratie kan een lager dek als het vrijboorddek worden aangewezen, mits het een volledig en permanent dek is, doorlopend langsscheeps, ten minste tussen de machineruimte en de piekschotten alsook doorlopend dwarsscheeps.
i. Wanneer dit lagere dek verspringt, wordt het laagste gedeelte van het dek en de voortzetting van dat deel evenwijdig aan het verhoogde gedeelte van het dek als het vrijboorddek beschouwd.
ii. Wanneer een lager dek als het vrijboorddek wordt aangewezen, wordt dat gedeelte van de romp dat zich boven het vrijboorddek uitstrekt beschouwd als bovenbouw voor zover het de toepassing betreft van de voorwaarden van de vaststelling en de berekening van het vrijboord. Het vrijboord wordt van dit dek af berekend.
iii. Wanneer een lager dek als het vrijboorddek wordt aangewezen, moet een dergelijk dek ten minste bestaan uit goed dragende stringers aan weerszijden van het schip en in de dwarsrichting van het schip bij elk waterdicht schot dat zich tot het bovendek uitstrekt, binnen laadruimten. De breedte van deze stringers mag niet kleiner zijn dan benodigd voor de gemakkelijke plaatsing ervan, gelet op de structuur en de exploitatiewijze van het schip. De plaatsing van stringers moet zodanig zijn dat ook aan de constructie-eisen kan worden voldaan.
c. Onderbroken vrijboorddek, verspringend vrijboorddek.
i. Wanneer een nis, met een lengte van meer dan 1 m, in het vrijboorddek zich uitstrekt tot de zijkanten van het schip, wordt het laagste gedeelte van het blootgestelde dek en de voortzetting van dat deel evenwijdig aan het verhoogde gedeelte van het dek beschouwd als het vrijboorddek (zie figuur 3.3).
ii. Wanneer een nis in het vrijboorddek zich niet uitstrekt tot de zijkanten van het schip, wordt het bovenste gedeelte van het dek beschouwd als het vrijboorddek.
iii. Nissen die zich niet tot weerszijden uitstrekken in een dek onder het blootgestelde dek, dat als vrijboorddek is aangewezen, mogen buiten beschouwing worden gelaten, mits alle openingen in het aan weer en wind blootgestelde dek zijn voorzien van waterdichte afsluitmiddelen.
iv. Behoorlijke aandacht moet worden geschonken aan de afwatering van blootgestelde nissen en aan het effect van het vrije vloeistofoppervlak op de stabiliteit.
v. Het is niet de bedoeling dat de bepalingen i. tot en met iv. worden toegepast op baggerschepen, hoppersleepschepen of schepen van een vergelijkbaar type met grote open ruimen, waarbij een en ander per geval moet worden beoordeeld.
10. Bovenbouw
a. Onder bovenbouw wordt verstaan een overdekte constructie op het vrijboorddek die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de zijbeplating zich op geen grotere afstand dan 4% van de breedte (B) vanaf de huid naar binnen bevindt.
b. Een gesloten bovenbouw is een bovenbouw met:
i. eindschotten van deugdelijke constructie;
ii. eventuele toegangsopeningen in deze schotten voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 12;
iii. alle andere openingen in zijden of eindschotten van de bovenbouw voorzien van deugdelijke middelen tot afsluiting die dicht zijn tegen weer en wind. Een brug of kampanje wordt niet beschouwd als gesloten tenzij de bemanning de machinekamer en andere dienstruimten gelegen in de bovenbouw via toegangswegen die te allen tijde wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten toegankelijk moeten zijn, kan bereiken vanaf ieder punt van het bovenste volledig blootgestelde dek of hoger.
c. De hoogte van een bovenbouw is de kleinste verticale hoogte gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het bovenbouwdek tot aan de bovenkant van de balken van het vrijboorddek.
d. De lengte van de bovenbouw (S) is de gemiddelde lengte van het deel van de bovenbouw dat binnen de lengte (L) ligt.
e. Brug. Een brug is een bovenbouw die zich niet uitstrekt tot de voorste of achterste loodlijn.
f. Kampanje. Een kampanje is een bovenbouw die zich uitstrekt van de achterste loodlijn voorwaarts naar een punt dat achter de voorste loodlijn is gelegen. De kampanje kan aanvangen op een punt gelegen achter de achterste loodlijn.
g. Bak. Een bak is een bovenbouw die zich uitstrekt van de voorste loodlijn achterwaarts naar een punt dat voor de achterste loodlijn is gelegen. De bak kan aanvangen op een punt gelegen voor de voorste loodlijn.
h. Volledige bovenbouw. Een volledige bovenbouw is een bovenbouw die zich, minimaal, uitstrekt van de voorste tot de achterste loodlijn.
i. Verhoogd halfdek. Een verhoogd halfdek is een bovenbouw die zich vanaf de achterste loodlijn naar voren uitstrekt, in de regel een geringere hoogte heeft dan een normale bovenbouw, en een intact voorste schot heeft (van deugdelijke stormblinden voorziene patrijspoorten die niet geopend kunnen worden en met bouten bevestigde mangatdeksels) (zie figuur 3.4). Wanneer het voorste schot niet intact is als gevolg van deuren en toegangsopeningen, moet de bovenbouw worden beschouwd als een kampanje.
11. Bovenbouwdek. Een bovenbouwdek is een dek dat de bovenste begrenzing van een bovenbouw vormt.
12. Gladdekschip. Een gladdekschip is een schip zonder bovenbouw op het vrijboorddek.
13. Audit betekent een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
14. Auditprogramma betekent het auditprogramma voor IMO-lidstaten die door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
15. Implementatiecode betekent de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
16. Auditnorm betekentde Implementatiecode.
13. Dicht tegen weer en wind. Dicht tegen weer en wind betekent dat onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen geen water het schip binnendringt.
14. Waterdicht. Waterdicht betekent in staat de doorgang van water door de constructie in elke richting te voorkomen, met een goede weerstandsmarge tegen de maximumwaterdruk die mogelijk op de constructie komt te staan.
15. Kuil. Een kuil is een aan weer en wind blootgesteld gedeelte aan dek, waar water kan achterblijven. Kuilen worden beschouwd als dekgedeelten die aan twee of meer zijden zijn begrensd door dekconstructies.
16. IS-Code 2008, de Internationale Code betreffende de stabiliteit in onbeschadigde toestand, 2008, bestaande uit een inleiding, deel A (waarvan de bepalingen dienen te worden aangemerkt als dwingend) en deel B (waarvan de bepalingen het karakter hebben van aanbevelingen), zoals aangenomen bij resolutie MSC.267(85), met dien verstande dat:
.1. wijzigingen van de inleiding en deel A van de Code worden aangenomen, in werking treden en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel VI van het Uitwateringsprotocol inzake de wijzigingsprocedure die van toepassing is op Bijlage B bij het Protocol; en
.2. wijzigingen van deel B van de Code worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie in overeenstemming met haar reglement van orde.
17. Audit: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
18. Auditprogramma: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
19. Implementatiecode: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
20. Auditnorm: de Implementatiecode.
Verwijst naar
Vorige artikelen
Volgende artikelen
- Artikel 4 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 5 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 6 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 7 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 8 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966