Art. 2 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Toepasselijkheid
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. Voor schepen met mechanische voortstuwingsmiddelen of lichters, sleepschepen of andere schepen zonder eigen voortstuwingsmiddelen wordt een vrijboord vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de voorschriften 1 tot en met 40.
2. Voor schepen die deklasten hout vervoeren kunnen naast de in lid 1 van dit voorschrift voorgeschreven vrijboorden houtvaartvrijboorden worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de voorschriften 41 tot en met 45.
3. Voor schepen ontworpen om zeilen te voeren, hetzij als enig voortstuwingsmiddel of als aanvullend voortstuwingsmiddel, en voor sleepboten, worden vrijboorden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de voorschriften 1 tot en met 40. De Administratie kan voor deze schepen vrijboorden eisen die groter zijn dan die bepaald overeenkomstig bovengenoemde voorschriften.
4. Voor houten schepen, composietschepen, voor schepen vervaardigd van andere materialen waarvan de Administratie het gebruik heeft goedgekeurd of voor schepen waarvan de constructiekenmerken zodanig zijn dat de toepassing erop van de bepalingen van deze Bijlage niet gerechtvaardigd of niet praktisch uitvoerbaar is, worden de vrijboorden vastgesteld als door de Administratie bepaald.
5. De voorschriften 10 tot en met 26 zijn van toepassing op elk schip waarvoor een minimumvrijboord is vastgesteld. Afwijkingen van deze eisen kunnen worden toegestaan met betrekking tot schepen waarvoor een groter dan minimumvrijboord is vastgesteld op voorwaarde dat de Administratie ervan overtuigd is dat de veiligheid van deze schepen voldoende is gewaarborgd.
6. Wanneer het vastgestelde zomervrijboord zodanig wordt vermeerderd dat de resulterende diepgang niet meer bedraagt dan die welke overeenkomt met een minimumzomervrijboord voor hetzelfde schip, maar met een aangenomen vrijboorddek gelegen op een afstand onder het feitelijke vrijboorddek die ten minste gelijk is aan de standaardhoogte van de bovenbouw, mogen de voorwaarden voor de vaststelling in overeenstemming met de voorschriften 12, 14-1 tot en met 20, 23, 24 en 25, naar gelang van toepassing, ten aanzien van het feitelijke vrijboorddek zijn zoals vereist voor een bovenbouwdek.
7. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 januari 2005.
8. Ten aanzien van schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 januari 2005, draagt de Administratie er zorg voor dat aan de vereisten die van toepassing zijn krachtens het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, als gewijzigd bij het Protocol van 1988 daarbij, aangenomen door de Internationale Conferentie inzake het geharmoniseerd systeem van onderzoek en certificering, 1988, wordt voldaan.
9. Hogesnelheidsvaartuigen die voldoen aan de vereisten van de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen, 2000 (HSC Code van 2000), aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie bij resolutie MSC.97(73) en die conform de Code zijn onderzocht en gecertificeerd, worden geacht aan de vereisten van deze Bijlage te hebben voldaan. De certificaten en vergunningen die zijn afgegeven krachtens de HSC Code van 2000 hebben dezelfde waarde en dienen op dezelfde wijze te worden erkend als de krachtens deze Bijlage afgegeven certificaten.
Vorige artikelen
Volgende artikelen
- Artikel 2-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 3 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 4 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 5 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 6 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966