Art. 12 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Deuren

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

1. Alle toegangsopeningen in schotten aan de einden van een gesloten bovenbouw moeten worden voorzien van stalen deuren of van deuren gemaakt van een gelijkwaardig materiaal, die blijvend en stevig aan het schot zijn bevestigd, ingeraamd en verstijfd zijn en zodanig zijn aangebracht dat het gehele samenstel even sterk is als het intacte schot, en in gesloten toestand dicht moeten zijn tegen weer en wind. De sluitinrichting voor deze deuren moet bestaan uit pakking en knevels of andere gelijkwaardige middelen en moet blijvend aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd; de deuren moeten zodanig zijn ingericht dat zij aan beide zijden van het schot kunnen worden geopend en gesloten.

2. Tenzij door de Administratie anderszins wordt toegestaan, moeten de deuren naar buiten openen om aanvullende beveiliging tegen de kracht van de zee te verschaffen.

3. Tenzij in deze voorschriften anders is bepaald moet de hoogte van de drempels van de toegangsopeningen in de schotten aan de einden van een gesloten bovenbouw ten minste 380 mm boven het dek bedragen.

4. Het gebruik van wegneembare drempels moet worden vermeden. Teneinde het laden/lossen van zware reserveonderdelen en dergelijke te vergemakkelijken, mogen wegneembare drempels onder de volgende voorwaarden worden aangebracht:

a. zij moeten worden aangebracht voordat het schip de haven verlaat; en

b. zij moeten van pakkingen worden voorzien en worden vastgezet door middel van doorgaande bouten die zich op korte afstand van elkaar bevinden.

Vorige artikelen

Volgende artikelen