Art. 20-1 SOLAS, Vereisten voor vrachtschepen voor voertuigen die als lading motorvoertuigen vervoeren die samengeperste waterstof of aardgas in hun tanks hebben voor de eigen aandrijving

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)

1. Doel Het doel van dit voorschrift is aanvullende veiligheidsmaatregelen te bieden ter ondersteuning van de brandveiligheidsdoelen van dit hoofdstuk voor vrachtschepen voor voertuigen met voertuig- en ro-ro-ruimten bestemd voor het vervoer van motorvoertuigen die samengeperste waterstof of samengeperst aardgas in hun tanks hebben voor de eigen aandrijving.

2. Toepassing

2.1. In aanvulling op de vereisten van voorschrift 20, naargelang van toepassing, moeten vrachtschepen voor voertuigen gebouwd op of na 1 januari 2016 bestemd voor het vervoer van motorvoertuigen die samengeperste waterstof of aardgas als lading in hun tanks hebben voor hun eigen aandrijving, voldoen aan de vereisten van de paragrafen 3 tot en met 5 van dit voorschrift.

2.2. In aanvulling op de vereisten van voorschrift 20, naargelang van toepassing, moeten vrachtschepen voor voertuigen gebouwd vóór 1 januari 2016, met inbegrip van die gebouwd vóór 1 juli 2012, voldoen aan de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift.

3. Vereisten voor ruimten bestemd voor het vervoer van motorvoertuigen die samengeperst aardgas in hun tanks hebben voor de eigen aandrijving

3.1. Elektrische apparatuur en bekabeling Alle elektrische apparatuur en bekabeling moet van een type zijn dat gecertificeerd is voor veilig gebruik in ontplofbare mengsels van methaan en lucht.

3.2. Ventilatie

3.2.1. Indien elektrische apparatuur en bekabeling worden aangebracht in een ventilatiekanaal, moeten deze zijn gecertificeerd voor veilig gebruik in ontplofbare mengsels van methaan en lucht.

3.2.2. De ventilatoren moeten zo zijn uitgevoerd dat de mogelijkheid van ontsteking van mengsels van methaan en lucht wordt voorkomen. De in- en uitlaatopeningen voor de ventilatie moeten zijn afgeschermd door hiertoe geschikte gaasroosters.

3.3. Andere ontstekingsbronnen Andere apparatuur die een ontstekingsbron van mengsels van methaan en lucht zou kunnen vormen, is niet toegestaan.

4. Vereisten voor ruimten bedoeld voor het vervoer van motorvoertuigen die samengeperste waterstof in hun tank hebben voor de eigen aandrijving.

4.1. Elektrische apparatuur en bekabeling Alle elektrische apparatuur en bekabeling moet van een type zijn dat gecertificeerd is voor veilig gebruik in ontplofbare mengsels van waterstof en lucht.

4.2. Ventilatie

4.2.1. Indien elektrische apparatuur en bekabeling worden aangebracht in een ventilatiekanaal, moeten deze zijn gecertificeerd voor veilig gebruik in ontplofbare mengsels van waterstof en lucht; de uitlaat van een afzuigkanaal moet op een veilige plaats zijn gelegen, ten opzichte van andere mogelijke ontstekingsbronnen.

4.2.2. De ventilatoren moeten zo zijn ontworpen dat de mogelijkheid van ontsteking van ontvlambare mengsels van waterstof en lucht wordt voorkomen. De in- en uitlaatopeningen voor de ventilatie moeten zijn afgeschermd door hiertoe geschikte gaasroosters.

4.3. Andere ontstekingsbronnen Andere apparatuur die een ontstekingsbron van mengsels van waterstof en lucht zou kunnen vormen, is niet toegestaan.

5. Detectie Wanneer een vrachtschip voor voertuigen een of meer motorvoertuigen als lading vervoert die hetzij samengeperste waterstof hetzij samengeperst aardgas in hun tank hebben voor de eigen aandrijving, moet ten minste worden voorzien in twee draagbare gasdetectoren. Deze detectoren moeten geschikt zijn voor het detecteren van gasbrandstof en zijn gecertificeerd voor veilig gebruik in ontplofbare mengsels van gas en lucht.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen